30 096
Wijziging van de Gemeentewet in verband met het afschaffen van het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting (OZB) op woningen en het maximeren van de resterende OZB-tarieven (Afschaffing gebruikersdeel OZB op woningen)

nr. 26
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 november 2006

Hierbij bied ik u het rapport «Scenario’s gemeentelijk belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen»1 aan. Met dit rapport geef ik uitvoering aan de motie Engels (Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 096, F). Deze motie luidt: «dat nog tijdens deze kabinetsperiode maatregelen tot herstel daarvan [het gemeentelijke belastinggebied] dienen te worden voorbereid zonder dat die bij daadwerkelijke uitvoering leiden tot verhoging van de collectieve lastendruk». Zoals ik tijdens het debat in de Eerste Kamer rond de motie heb aangegeven, heb ik de motie opgevat als een opdracht om scenario’s over de omvang van het gemeentelijke belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen op te stellen. Het rapport geeft scenario’s voor een belastinggebied van diverse omvang: groot en klein. Bij de scenario’s heb ik ook rekening gehouden met de partijprogramma’s, de actuele politieke discussie, bijvoorbeeld in het algemeen overleg met de Tweede Kamer op 24 oktober 2006 en ook met publicaties van de VNG en de Commissie Bovens.

Het rapport is bedoeld voor het volgende kabinet en beoogt een discussie over gemeentelijke belastingen te ondersteunen. Gezien het brede scala aan scenario’s, de bestuurlijke context waarin de scenario’s worden gepresenteerd en ook omdat er in het rapport wordt ingegaan op welke belasting op basis van welke principes geheven zou kunnen worden, is een richtlijn voor een keuze nuttig. In de Tweede Kamer is een dergelijke richtlijn al eens besproken en wel in de motie Van Beek (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VII). In die motie wordt het kabinet verzocht met een vervangend belastinggebied te komen voor gemeenten, waarbij randvoorwaarden voor een belasting zijn gegeven. Twee genoemde randvoorwaarden zijn bijvoorbeeld dat voorkomen moet worden dat er op gemeentelijk niveau inkomenspolitiek wordt bedreven en dat de perceptiekosten zo laag mogelijk zijn. De motie Engels geeft overigens ook een belangrijke randvoorwaarde, en wel dat de collectieve lastendruk gelijk blijft. Ik beveel u aan het rapport te bezien met deze randvoorwaarden in gedachten.

De opzet van het rapport is als volgt. Het rapport begint met een bestuurlijke samenvatting. De hoofdstukken 1 tot en met 4 zijn onderbouwing voor de scenario’s. In hoofdstuk 5 worden de scenario’s besproken. Hoofdstuk 6 gaat dieper in op de effecten van belastingensoorten en het belastinggebied, inclusief de samenstelling, in de scenario’s. Ik verwijs u met name naar de bestuurlijke samenvatting en hoofdstuk 5.

Behalve deze algemene verwijzing naar de scenario’s vraag ik uw aandacht voor enkele onderwerpen waarvan ik eerder heb aangegeven ze in dit rapport te behandelen. Het gaat om onderwerpen genoemd in mijn brief van 2 juni 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 096, nr. 24) en wel om de toeristenbelasting, forensenbelasting en de hondenbelasting. Deze belastingen worden besproken in de hoofdstukken 5 en 6, als ook in de bestuurlijke samenvatting.

In het rapport wordt niet nader ingegaan op de precariobelasting. In het algemeen overleg op 24 oktober 2006 met de vaste commissie voor BZK is onder andere gesproken over het realiseren van een vrijstelling van de precariobelasting voor alle infrastructurele netwerken van nutsbedrijven. Dit kent een eigen wetgevingstraject, waarbij gestreefd wordt naar realisatie per 1 januari 2008. Op korte termijn wordt een brief aan gemeenten en provincies gezonden om de derving van inkomsten te vernemen, uitgaande van het ijkjaar 2005.

Daarnaast is in mijn brief van 2 juni 2006 en in eerdere brieven (met name de brief van 27 oktober 2005) aangegeven dat ik een empirisch onderzoek heb uitgezet naar beleidsvrijheid naar aanleiding van het advies van de Rob en Rfv genaamd «autonoom of automaat?». In dit onderzoek is een instrument gemaakt waarmee een conceptueel kader wordt geboden voor beleidsvrijheid van gemeenten. Dit onderzoek is gereed en verwerkt in het rapport. Ik verwijs u hiervoor naar hoofdstuk 2 en de bijlagen. Tot slot, heb ik aangegeven aan de Rob een advies te hebben gevraagd over differentiatie. Dit advies heb ik nog niet ontvangen. Over het onderwerp differentiatie met betrekking tot gemeenten heeft de Rob al enige beelden gegeven in het advies «verschil moet er zijn». Op dit advies ga ik daarom, naast het advies «autonoom of automaat?», kort in.

Ik hoop en verwacht, gegeven de brede ondersteuning van de motie Engels, dat dit rapport een belangrijke bijdrage zal leveren aan de komende discussie over de omvang en samenstelling van het gemeentelijke belastinggebied.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven