30 036 (R 1784)
Goedkeuring van het op 23 november 2001 te Boedapest totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18)

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 31 mei 2005

De vaste commissie voor Justitie1 belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inleidende opmerkinegen

De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening dat internationale criminaliteit, zoals kinderporno, inbreuken op het auteursrecht, computergerelateerde fraude en wederrechtelijke toegang in computersystemen ook een internationale aanpak vergt. Wel hebben de leden enige vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het Cybercrime Verdrag en het voorliggende wetsvoorstel. Zij denken dat het kan bijdragen aan de bestrijding van criminaliteit via Internet. Wel hebben zij enkele vragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel tot goedkeuring van het Cybercrime Verdrag. Zoals ook al in eerdere debatten door hen aangegeven: in principe moet in de virtuele wereld strafbaar zijn wat ook in de «normale» wereld strafbaar is. Zij stellen vast dat dit Cybercrime Verdrag aan dit uitgangspunt een belangrijke bijdrage levert. Zij stellen naar aanleiding daarvan enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie merken op dat het Verdrag door 28 lidstaten van de Raad van Europa, alsmede door Canada, Japan, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika is ondertekend. Is het mogelijk dat op korte termijn nog meer landen van buiten de Raad van Europa partij willen worden bij het Verdrag? Acht de regering toetreding van nog meer derden landen wenselijk?

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er voor is gekozen om de goedkeuring van het Cybercrime Verdrag in dezelfde periode als de behandeling van een belangrijk deel van de aan te passen wetgeving (nota van wijziging wetsvoorstel Computercriminaliteit II) te laten plaatsvinden, waardoor het risico bestaat dat de betreffende wetgeving wel en het verdrag niet wordt goedgekeurd?

Deze leden vragen verder vanuit welke landen de meeste Internetcriminaliteit plaatsvindt en welke van deze landen het verdrag getekend hebben? Welke maatregelen kunnen er genomen worden om de Internetcriminaliteit vanuit de landen die dit verdrag niet hebben ondertekend, aan te pakken?

De leden van de SP-fractie vragen de regering in te gaan op het feit dat er weinig landen zijn aangesloten bij het Cybercrime Verdrag tot nog toe. Welke consequenties heeft dit voor de werking ervan? Is de regering voornemens om bij andere landen op ratificering van dit Verdrag aan te dringen?

Doel van het Verdrag

De leden van de CDA-fractie lezen dat een doelstelling van het Cybercrime Verdrag een zekere ondergrens betreft in de harmonisatie van opsporingsbevoegdheden, nodig om in een elektronische omgeving opsporing van strafbare feiten te kunnen verrichten. Kan de regering hierop een toelichting geven?

Internationale rechtshulp

De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat de instelling van een gemeenschappelijke opsporingsbevoegdheid in internationale elektronische communicatienetwerken, dan wel het onder voorwaarden toestaan van grensoverschrijdende opsporingshandelingen in die netwerken, tussen de betrokken partijen vooralsnog geen overeenstemming kon worden bereikt. Nu dit niet mogelijk is gebleken, valt men terug op de traditionele internationale rechtshulp. De leden van de CDA-fractie vragen wat de meerwaarde van het Cybercrime Verdrag op dit onderdeel is ten opzichte van de huidige situatie van de internationale rechtshulp. Zijn niet juist deze vormen van samenwerking een noodzakelijke voorwaarde voor het effectief bestrijden van criminaliteit op dit gebied? Deze leden vragen wat de Nederlandse opstelling was op dit gebied. Stelt de regering zich actief op om tot overeenstemming op dit gebied te komen?

Voorziet de regering een grotere rol voor de instanties Europol en Eurojust bij de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken indien het Cybercrime Verdrag wordt geratificeerd door meer landen. Zo ja, in welke mate kunnen deze twee instanties een rol gaan spelen? Zo neen, waarom niet?

De koninkrijkspositie

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering van de Nederlandse Antillen zich nog beraadt over de wenselijkheid van medegelding van het Cybercrime Verdrag. Is inmiddels meer duidelijkheid over de positie van de regering van de Nederlandse Antillen? Acht de regering het wenselijk dat het Cybercrime Verdrag ook voor de Nederlandse Antillen van toepassing wordt?

Toelichting op de artikelen van het Verdrag

De leden van de SP-fractie hebben in het verleden het Cybercrime Verdrag aangedragen als alternatief voor een bewaar of vergaarplicht voor telecomproviders. Ziet de regering eveneens dat deze methode meer proportioneel is voor wat betreft de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dan de vergaarplicht?

Artikelsgewijs

Artikel 4

De voorgestelde uitbreiding kan potentieel leiden tot een toename in de aangiften door consumenten met slecht beveiligde Pc's, zo menen de leden van de SP-fractie in navolging van de organisatie Bits of Freedom. Kan de regering hier op ingaan? Bovendien is het voor deze leden de vraag of professionele systeembeheerders in de wetswijziging geen aanleiding zien om wat minder inspanning te verrichten bij het beveiligen van hun computers, zoals eveneens door Bits of Freedom is gesuggereerd.

Artikel 5

De leden van de SP-fractie vragen de regering in te gaan op de vraag of zij het mogelijk achten dat het Cybercrime Verdrag eveneens wordt gekoppeld aan een beperking van spam die via het Internet verspreid wordt? Deze leden vragen eveneens of er op het gebied van zogenoemde spyware dat via het Internet wordt verspreid, ook maatregelen getroffen kunnen worden via het Cybercrime Verdrag.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of nader kan worden toegelicht waarom het versturen van spam niet zelfstandig strafbaar wordt gesteld, gelet op het feit dat spam in veel gevallen toch ernstige hinder kan veroorzaken?

Artikel 9

De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat in de toelichting op dit artikel staat dat deze bepaling ook strafbaar stelt het als maatschappelijk aanvaardbaar voorstellen van kinderpornografie en aanverwante zaken. Die strekking van het artikel konden deze leden niet zo gemakkelijk in het artikel zelf terugvinden, hoewel zij zich de wenselijkheid daarvan als zodanig goed kunnen voorstellen. Kan daarop een nadere toelichting worden gegeven. Kan ook worden aangegeven wat de reikwijdte dan zal zijn? Is het in de lucht houden van websites als «Martijn» in het vervolg dan ook strafbaar?

Voorts stellen deze leden een toelichting op prijs met betrekking tot de implicaties van de leeftijdsgrens van 18 jaar. Brengt deze grens een wijziging of verduidelijking van de grenzen die tot dusverre in Nederland worden gehanteerd? Voorts stellen zij de vraag naar de strafbaarheid van bijvoorbeeld (digitale) advertenties en dergelijke die aan de ene kant kinderpornografie suggereren, maar dat strikt genomen wellicht niet betreffen. Dus uitingen die het in elk geval doen voorstellen of men te maken krijgt met een (zeer jong) persoon, terwijl men aan de andere kant in het midden laat of dat werkelijk zo is.

Artikelen 29 en 30

De leden van de SP-fractie merken op dat het wetsvoorstel aan politie en justitie de bevoegdheid geeft om een zogenoemd bevriezingsbevel te geven. Dit is een geheel nieuwe bevoegdheid die nog niet in het Nederlandse strafrecht bestaat. De politie zal, zo menen deze leden, met bepaalde aanwijzingen moeten komen alvorens telecomproviders opgedragen kunnen worden om dataverkeergegevens te bevriezen. Kan de regering meer exact aangeven welke informatie kan leiden tot een bevriezingsbevel? Gaat het inderdaad om, zoals in 126ni staat, enkel het feit dat iemand wellicht toegang heeft tot gegevens in een geautomatiseerd netwerk? Zo ja, is dat niet iedereen die toegang heeft tot Internet, al dan niet via een openbare computer? Hoe wordt dit begrip ingeperkt? Op praktisch vlak willen de leden van de SP-fractie graag vernemen op welke wijze de opdracht tot bevriezing doorgegeven kunnen worden en of die methoden ook waarborgen bieden tegen fouten. Fouten die op kunnen treden zijn bijvoorbeeld dat iemand zich voordoet als een ander en onbevoegd een dergelijk bevel afgeeft en de per ongeluk fout doorgegeven identiteit van de persoon wiens gegevens moeten worden bevroren. Deze leden vragen de regering waarom er is gekozen voor het leggen van deze ingrijpende bevoegdheid bij een hulpofficier van justitie? En welke bevoegdheden zijn er nu precies gegeven aan de opsporingsambtenaar en welke aan de telecommunicatie bedrijven? Volgens de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is de redactie op dit punt onduidelijk en waarschuwt zij voor onduidelijke bevoegdheden. De leden van de SP-fractie zouden hierover graag meer vernemen. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) wijst er ook op dat de officier van justitie wel erg veel bevoegdheden krijgt zonder te worden gecontroleerd door de rechter-commissaris. De NOvA wijst er op dat er uitgebreid toegelicht moet worden op welke wijze wordt gewaarborgd dat hier geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM. De leden van de SP-fractie vragen de regering specifiek op dit onderwerp in te gaan.

Kan de regering ten slotte ingaan op de vraag welke informatie als gevolg van dit wetsvoorstel bevroren kan worden?

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de commissie,

De Groot


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (Groep Wilders), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), Ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Van der Laan (D66), Visser (VVD), Azough (GL), Vacature (algemeen) en Vacature (algemeen).

Plv. leden: Jonker (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Örgü (VVD), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Karimi (GL), Hermans (LPF) en Vergeer (SP).

Naar boven