30 015
Voortgang bodemsanering

29 383
Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving

nr. 10
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 september 2006

In deze brief informeer ik u, mede namens de minister van Landbouw Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, over de toezeggingen aangaande de bodemvraagstukken gedaan tijdens het Algemeen Overleg op 14 juni jl. (Kamerstuk 30 015/29 383, nr. 9) en de voortgang rond het concept Besluit bodemkwaliteit (verder te noemen het Besluit). Het accent in deze brief ligt bij het Besluit, omdat daarover in het eerdergenoemde overleg de meeste toezeggingen zijn gedaan. Ten aanzien van het Besluit wil ik u eveneens informeren over de datum van inwerkingtreding van het Besluit. Verder wordt ingegaan op de stand van zaken betreffende de Grondwaterrichtlijn en het duurzaam bodemgebruik in de landbouw. Deze brief is tevens het antwoord op uw brief van 7 september jl. (kenmerk 06-VROM-B-071). U vraagt mij in deze brief u, ter voorbereiding op het algemeen overleg over de herijking van de VROM-regelgeving op 20 september, te informeren over de tarraproblematiek.

Concept-Besluit bodemkwaliteit

Inwerkingtreding Besluit

Het Besluit wordt conform mijn eerdere toezeggingen eind december 2006 gepubliceerd en treedt na een nahangperiode formeel begin februari 2007 in werking. Ik realiseer me dat het nog resterende tijdpad krap is voor de uitvoeringsorganisaties. Om hieraan tegemoet te komen is voor een aantal specifieke onderdelen overgangsrecht opgenomen waardoor die onderdelen materieel op 1 juli 2007 of later inwerking treden. Op deze wijze verwacht ik dat de implementatie van het besluit soepel zal verlopen.

Aangaande het concept-Besluit heb ik tijdens het algemeen overleg van 14 juni jl. toegezegd:

a. de Kamer te informeren over de resultaten van het overleg met VNO-NCW over de bedrijfseffecten, de normering en de hantering van de stoffenlijst ;

b. de uitkomsten van het algemeen overleg en het lopende overleg met de maatschappelijke organisaties te verwerken in het Besluit dat ter advisering wordt voorgelegd aan de Raad van State, en het Besluit na verwerking van het advies van de Raad van State weer aan te bieden aan de Kamer;

c. de inpassing van procedures met betrekking tot de bodemkwaliteitskaart in bestemmingsplannen te bezien;

d. een aantal begrippen te verduidelijken.

ad a Bedrijfseffecten

Voor zowel het onderdeel bouwstoffen als grond en bagger worden aanvullende bedrijfseffectentoetsen (BET) uitgevoerd. De BET voor bouwstoffen is inmiddels afgerond en geaccepteerd door het bedrijfsleven. De aanvullende BET beschrijft in eerste instantie negatieve gevolgen voor een aantal bouwstoffen. Op basis van de resultaten van deze BET is recent een voorstel voor aanpassing van de normering gemaakt. Hierover is op hoofdlijnen overeenstemming met het bedrijfsleven. Dit betekent dat de eerdere knelpunten als gevolg van de normstelling bij onder andere de bakstenen, staalslakken en bitumenmaterialen zijn opgelost. Daarnaast is conform de Europese richtlijn voor Bouwproducten een nieuw bewijsmiddel ontwikkeld, de fabrikanteigenverklaring. Overall geeft het herziene onderdeel bouwstoffen 30% reductie van de administratieve lasten. Dit is lager dan de beoogde taakstelling van 50%, maar dit wordt veroorzaakt door een noodzakelijkerwijze aangepaste nulsituatie. In de praktijk bleken de administratieve lasten al 25% lager te zijn dan aanvankelijk was berekend. Indien hiermee rekening wordt gehouden dan wordt de oorspronkelijke taakstelling wel gehaald.

Ten aanzien van de aanvullende BET grond en bagger moet worden opgemerkt dat deze nog niet gereed is. Deze zal in de periode van half september tot eind oktober worden opgesteld. Hieromtrent zijn afspraken gemaakt met VNO-NCW en de commissie voor aardappelen- en bietengrond (CAB). In dit onderzoek worden ook de consequenties van de nieuwe stoffenlijst doorgerekend die voortvloeien uit de concept-regeling bodemkwaliteit. Naar aanleiding van de (tussentijdse) resultaten van deze BET kan een beleidsmatige afweging plaatsvinden waarin een goed evenwicht wordt bereikt tussen de mogelijkheden om grond en bagger toe te passen en de bescherming van de bodem. Uitgangpunt daarbij is dat minimaal dezelfde hoeveelheid grond en bagger kan worden afgezet als momenteel het geval is. Overigens zijn er op dit moment geen directe aanwijzingen dat de inschattingen uit de oorspronkelijke BET moeten worden herzien.

Tarragrondproblematiek

De toepassing van tarragrond op de bodem zal in de toekomst onder vigeur van het Besluit bodemkwaliteit komen te vallen. Zoals eerder afgesproken komt dan de huidige «Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond» voor wat betreft tarragrond te vervallen (voor plantenresten en maaisel blijft de vrijstellingsregeling bestaan). Daarmee zal de toepassing van tarragrond niet langer in de afvalstoffenregelgeving, maar in de bodemregelgeving zijn gereguleerd. Het Besluit bodemkwaliteit regelt daarbij bredere toepassingmogelijkheden voor tarragrond; zijn deze in de Vrijstellingsregeling nog gekoppeld aan landbouwgronden, onder het Besluit bodemkwaliteit is toepassing als bodem in algemene zin toegestaan. Bovendien valt de tarragrond veelal onder de achtergrondwaarde (relatief onbelaste bodem), waardoor dus tarragrond eenvoudig kan worden toegepast. Mede hierdoor zal de afzet van tarragrond worden vergemakkelijkt. Om de effecten van het Besluit op de tarragrond te bepalen ten opzichte van de huidige situatie heeft onderzoek plaatsgevonden in het kader van de Bedrijfseffectentoets (BET). Deze is in het eerste kwartaal van 2006 vastgesteld. Uit deze BET blijkt dat de effecten van het Besluit voor de toepassingsmogelijkheden van tarragrond gunstig zijn. Op het moment dat de BET voor het Besluit werd opgesteld was de bijbehorende regeling nog niet bekend. Omdat deze regeling de bedrijfseffecten mogelijk kan beïnvloeden is toegezegd dat na gereedkomen van de regeling wordt bezien in hoeverre de opgestelde BET moest worden aangepast. Deze aanvullende BET zal in de periode van half september tot eind oktober worden opgesteld. Het betreffende bedrijfsleven zal hierbij worden betrokken. Vooralsnog wordt voor tarragrond niet verwacht dat dit tot aanpassingen van de oorspronkelijke BET zal leiden.

Recent heeft ambtelijk overleg plaatsgevonden tussen de Ministeries van VROM en LNV en de Commissie voor Aardappel- en Bietengrond (CAB). Tijdens dit overleg is geconstateerd dat een aantal van de door de CAB verwachtte problemen berust op misverstanden. Daarnaast zijn er nog wel enkele aspecten die in het kader van de aanvullende BET zullen worden uitgezocht. De CAB is uitgenodigd aan dit onderzoek bij te dragen en zitting te nemen in een klankbordgroep. De CAB is op dit aanbod ingegaan.

Ad b & d

De uitkomsten van het debat van 14 juni, en de inspraak op het Besluit zijn inmiddels verwerkt. Het Besluit ligt momenteel bij de Raad van State. Het advies van de Raad van State wordt medio november verwacht.

Ad c In het Besluit dat is voorgelegd aan de Raad van State is een artikel opgenomen dat de gemeente mogelijk maakt de ruimtelijke functies uit het bestemmingsplan één op één door te vertalen naar de functiekaart die in het kader van het Besluit moet worden opgesteld. Hierdoor wordt een directe link met de ruimtelijke ordening mogelijk gemaakt.

Stand van zaken Grondwaterrichtlijn

De Kamer heeft verzocht te worden geïnformeerd over de resultaten van de tweede lezing in het Europese Parlement inzake de Grondwaterrichtlijn en de inzet van Nederland daarbij. Op 12 juni 2006 stelde het Europees Parlement (EP) zijn standpunt vast ten aanzien van het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad (vastgesteld op 23 januari 2006) inzake het voorstel van de Europese Commissie voor een nieuwe Grondwaterrichtlijn. Dit standpunt omvat 41 amendementen. Op 1 augustus 2006 heeft de Commissie haar mening over deze amendementen kenbaar gemaakt. De Commissie kan 26 amendementen geheel, gedeeltelijk of in principe overnemen; 15 amendementen zijn voor de Commissie onacceptabel.

Met mijn brief van 8 september 2005 (Kamerstukken II, 2004–2005, 21 501-08, nr. 206) informeerde ik u over het bereikte politieke akkoord in de Milieuraad van 24 juni 2005 over de ontwerprichtlijn. Ik heb toen aangegeven tevreden te zijn over dit akkoord. De nu voorliggende amendementen van het EP zijn in het algemeen geen verbetering van het Gemeenschappelijk Standpunt. Voor Nederland zijn vooral belang de amendementen inzake de communautaire normwaarde voor nitraat en de introductie van een nieuw begrip «deterioration» (vermindering van de kwaliteit). Ik ga hier kort op in.

Het Gemeenschappelijk Standpunt omvat bepalingen inzake de nitraatnorm van 50 mg/l als milieukwaliteitseis die bij nader inzien tot onduidelijkheid kunnen leiden bij de implementatie daarvan, mede in relatie tot de Nitraatrichtlijn. In dit verband verwijs ik ook naar mijn brief van 14 december 2005 (Kamerstukken II, 2005–2006, 28 385, nr. 66) inzake de relatie tussen de Nitraatrichtlijn en de Grondwaterrichtlijn. Nederland is daarom, met de Commissie en diverse lidstaten, een voorstander van de desbetreffende amendementen van het EP, waarmee de normwaarde van 50 mg/l uit de Nitraatrichtlijn ongeclausuleerd wordt verankerd in de Grondwaterrichtlijn. Enkele lidstaten hebben echter aangegeven grote problemen te hebben met de voorstellen van het EP.

Het EP stelt voor om de term «deterioration» (vermindering van kwaliteit) in te voeren. De wijze waarop dit gebeurt leidt echter tot onduidelijkheid en lijkt bovendien een aanscherping van de Kaderrichtlijn Water in te houden. De Commissie en de meeste lidstaten, waar onder Nederland, kunnen deze amendementen niet steunen. De kern van het probleem is dat het invoeren van de term «deterioration», zoals voorgesteld door het EP, tot gevolg heeft dat elke emissie van stoffen naar het grondwater moet worden voorkomen. Dit zou leiden tot een onwerkbare situatie doordat tal van noodzakelijke of onvermijdbare activiteiten niet meer mogelijk zouden zijn. Of het EP dit daadwerkelijk heeft bedoeld, zal moeten blijken tijdens de conciliatie. Nederland kan wel met het EP meegaan in het uitgangspunt dat de richtlijn niet tot normopvulling mag leiden. De tekst van het Gemeenschappelijk Standpunt, in combinatie met de Kaderrichtlijn Water, biedt naar mijn oordeel hiervoor voldoende zekerheid.

MKBA bodemsanering

In de studie naar de MKBA zal de nulvariant zoals bedoeld door het Lid De Krom, alsmede de verhouding van de inzet van middelen voor beleid, handhaving en controle, een plek krijgen. De studie loopt en is naar verwachting eind oktober afgerond. Te zijner tijd zal ik u hierover informeren.

Duurzaam Bodembeheer in de Landbouw

Ik heb u reeds toegezegd dat ik met de minister van LNV zal overleggen over de mogelijkheden en suggesties voor kennisvermeerdering en duurzaam bodemgebruik en dat ik de rapportage van LTO via ter zijnertijd zal toezenden. De afgelopen maanden is er intensief overleg geweest tussen de Ministeries van LNV, VROM en LTO-Nederland. LTO is momenteel bezig om een meerjarenprogramma te ontwikkelen. Dit is erop gericht om duurzaam bodemgebruik in de landbouw te stimuleren en onduurzame landbouwpraktijken af te bouwen. Centraal in dit meerjarenprogramma staat de kennisontwikkeling en de toepassing ervan in de praktijk. LTO wil vanaf 2007 dit meerjarenprogramma starten. De Tweede Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over de voortgang.

Behandeling wijziging Wet bodembescherming

Met het oog op de publicatie van het Besluit eind december 2006 is het nodig dat de Tweede Kamer de noodzakelijke wijziging van de Wet bodembescherming behandelt. Duidelijk is dat, wanneer de behandeling na de verkiezingen plaatsvindt, de planning moet worden bijgesteld. Met het oog hierop en in het licht van de urgentie die de Kamer zelf in het verleden aan dit onderwerp heeft gegeven, verzoek ik u de noodzakelijke wetswijziging spoedig te behandelen.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordeningen en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Naar boven