29 953
Wijziging van de Wet explosieven voor civiel gebruik ten behoeve van de implementatie van zowel richtlijn nr. 2004/57/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 april 2004 betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en bepaalde munitie voor de doeleinden van richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEU L 127) als de beschikking nr. 2004/388/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 betreffende een document voor de overbrenging van explosieven binnen de Gemeenschap (PbEU L 120)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vijfde j° vierde lid onder b, van de Wet op de Raad van State).

Met de Wet explosieven voor civiel gebruik heeft de implementatie van richtlijn nr. 93/15/EG van de Raad van de Europese Unie van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik plaatsgevonden.

Onderhavige wijziging van de Wet explosieven voor civiel gebruik vloeit voort uit de implementatie van richtlijn nr. 2004/57/EG (hierna: de richtlijn). Met het oog op de tenuitvoerlegging van artikel 2, onder b, van de Wet explosieven voor civiel gebruik is dat artikel gewijzigd. Verder vloeit de wijziging voort uit de beschikking nr. 2004/388/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de beschikking).

2. Inhoud van de wijzigingen

Richtlijn nr. 93/15/EEG is van toepassing op explosieve materialen en voorwerpen die als dusdanig worden beschouwd in de «United Nations Recommendations on the transport of dangerous goods» en in die aanbevelingen zijn ingedeeld in klasse 1. Pyrotechnische voorwerpen zijn echter uitdrukkelijk uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn.

Om de uniforme toepassing van de richtlijn nr. 93/15/EEG in de gehele Gemeenschap te verzekeren, is het noodzakelijk om, onder verwijzing naar de betreffende aanbevelingen van de Verenigde Naties, vast te stellen welke voorwerpen als pyrotechnisch moeten worden beschouwd.

Bepaalde voorwerpen die onder klasse 1 van de aanbevelingen van de Verenigde Naties vallen, hebben een dubbele functie: zij kunnen als explosieven en als pyrotechnische voorwerpen gebruikt worden. Met het oog op de consistente toepassing van richtlijn nr. 93/15/EEG dient dus te worden vastgesteld wat het overheersende karakter van deze voorwerpen is, dat wil zeggen of het vooral explosieven of meer pyrotechnische voorwerpen zijn.

Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de Europese uitwerking van het begrip pyrotechnische artikelen.

Verder ziet dit wetsvoorstel op de invoering van een model voor een document dat moet worden gehanteerd voor de overbrenging van explosieven binnen de Gemeenschap waardoor de overbrenging van explosieven tussen lidstaten worden vergemakkelijkt en tegelijkertijd het noodzakelijke veiligheidsniveau voor de overbrenging van explosieven wordt gehandhaafd.

3. Uitvoering van dit besluit

Bestuurslasten

De onderhavige wijziging leidt naar verwachting niet tot een wijziging van het aantal bestaande inrichtingen dat onder de reikwijdte van de Wet explosieven voor civiel gebruik valt. De onderhavige wijziging zal dan ook geen lastenverzwaring betekenen voor gemeenten en provincies.

Administratieve lasten

De onderhavige wijzing brengt geen wijziging aan in de omvang van de (administratieve) taken die de betrokken inrichtingen ingevolge de Wet explosieven voor civiel gebruik moeten verrichten.

Dit wetsvoorstel heeft geen effect op de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven. Om die reden is het dan ook niet voorgelegd aan Actal.

Bedrijfseffectentoets

Van dit besluit is geen invloed te verwachten op de marktordening omdat de wijziging van de richtlijn in alle lidstaten van de Europese Gemeenschap moet worden doorgevoerd. Het besluit is niet van invloed op de markttoetreding in Nederland.

Handhaafbaarheid

De handhaafbaarheid van de Wet explosieven voor civiel gebruik wordt verbeterd door de aangebrachte verduidelijkingen. Een discussie over wat wel en wat niet tot de categorie pyrotechnische artikelen moet worden gerekend, is door de vaststelling van de richtlijn niet meer nodig.

4. Inspraak

Bij de implementatie van een Europese richtlijn is op grond van artikel 1:7 van de Algemene wet bestuursrecht het vragen van advies of het voeren van extern overleg niet vereist, behoudens het horen van de Raad van State over het wetsvoorstel.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onder B

Door de wijziging in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, wordt bewerkstelligd dat de in bijlage I van de richtlijn genoemde voorwerpen die in de betreffende aanbevelingen van de Verenigde Naties als pyrotechnisch voorwerp of als munitie beschouwd worden, zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de Wet explosieven voor civiel gebruik. De definitie van de artikelen in de bijlagen van de richtlijn als «pyrotechnische artikelen» houdt uitsluitend verband met het uitsluiten van die artikelen van de werking van de richtlijn nr. 93/15/EEG en daarmee van de Wet explosieven voor civiel gebruik.

Ingevolge onderdeel 2°, van onderdeel b, van het eerste lid van voornoemd artikel zullen bepaalde pyrotechnische artikelen bij ministeriële regeling worden aangewezen. Omdat het ten aanzien van de in bijlage II van de richtlijn genoemde voorwerpen zal afhangen van de situatie of het pyrotechnische voorwerpen dan wel explosieven betreft zal voor ieder voorwerp per situatie moeten worden vastgesteld of het een pyrotechnisch voorwerp of een explosief betreft.

Om te voorkomen dat er mogelijk nog onduidelijkheid over de reikwijdte van de wet zou kunnen ontstaan, is in onderdeel 3° de mogelijkheid opgenomen dat de Minister van VROM pyrotechnische artikelen – waarover misschien twijfel blijkt te bestaan of ze al dan niet onder de wet vallen – kan aanwijzen. Als gevolg van die aanwijzing vallen die artikelen dan buiten de reikwijdte van de wet.

Onder D

Met deze wijziging wordt een omissie hersteld.

Onder E

Door introductie van een modeldocument voor de overbrenging bleek dat artikel 10 aan helderheid kon winnen door het artikel aan te passen.

Uit de formulering van artikel 10, eerste lid, onder a, blijkt nu duidelijker dat de verkrijger in Nederland over een vergunning moet beschikken en is nu vastgelegd dat als er in die situatie sprake is van binnen Nederlands grondgebied brengen er ook toestemming moet zijn verleend voor de overbrenging.

Uit het tweede lid blijkt nu ook beter dat als er sprake is van overbrenging die in een ander land dan Nederland eindigt (uitvoer of doorvoer) voor de overbrenging binnen Nederland toestemming nodig is.

Onder F

In dit onderdeel is bepaald dat voor de overbrenging van explosieven vanuit een andere lidstaat met als bestemming Nederland het bij de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 gevoegde model moet worden gehanteerd voor zowel de vergunning als de toestemming.

Onder G

Hier wordt redactioneel aangesloten bij artikel 11, eerste lid, en, tweede lid, onder a.

Onder I

Voor de overbrenging van explosieven over Nederlands grondgebied (uitvoer en doorvoer) moet voor de toestemming het bij de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 gevoegde model worden gehanteerd. Ingevolge onderdeel E moet dat model ook worden gehanteerd voor de vergunning en de toestemming indien de overbrenging vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie in Nederland eindigt.

Artikel II

Omdat er vergunningen en toestemmingen verleend zijn op basis van het «oude» artikel 10 – waarvan een enkele toestemming nog jaren zal gelden – is voor alle duidelijkheid bepaald dat voor deze gevallen het nieuwe modeldocument niet hoeft te worden toegepast.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. B. L. A. van Geel

Naar boven