nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 maart 2005
Van de Raad voor de financiële verhoudingen ontvingen de beheerders
van het provinciefonds een advies bij het Periodiek Onderhoudsrapport (POR)
provinciefonds 2005. Hierbij doe ik u, mede namens de staatssecretaris van
Financiën, mijn reactie toekomen. Daarmee geef ik uitvoering aan de Kaderwet
adviescolleges, die voorschrijft om mijn standpunt over het advies binnen
drie maanden aan de Eerste en Tweede Kamer ter kennis te brengen1. Ik excuseer mij voor de overschrijding van deze termijn; voor de
inhoud van deze reactie heeft dat echter verder geen gevolgen.
Methodiek
De Raad adviseert om de gewijzigde methodiek, die in het POR gemeentefonds
is gevolgd, voortaan ook in het POR provinciefonds toe te passen. Door deze
wijziging van systematiek zijn in het POR gemeentefonds de inkomsten uit Overige
Eigen Middelen en OZB apart zichtbaar gemaakt en niet uitgesmeerd over de
clusters. Dat heeft geleid tot een verbeterd inzicht.
Het verheugt mij dat de Raad positief oordeelt over de gewijzigde systematiek
bij het POR gemeentefonds. Ik zal bezien of deze systematiek in het POR provinciefonds
een vergelijkbaar verbeterd inzicht zou kunnen opleveren.
Algemeen Beeld
In zijn opmerkingen over het Algemeen Beeld stelt de Raad dat van de financiële
situatie van de provincies twee verschillende beelden bestaan: enerzijds ruim
in de middelen, maar anderzijds berichten over bezuinigingen. De Raad waarschuwt
er daarom ook voor, om al te snel de conclusie te trekken dat er bij de provincies
wel wat af kan.
Die oproep tot voorzichtigheid lijkt mij terecht. Het is van belang te
beseffen, dat het POR in de eerste plaats een beeld geeft van de verdeling en niet van de omvang van
de middelen. Conclusies omtrent eventuele bezuinigingen bij de provincies
kunnen dus niet zomaar op basis van het POR worden getrokken. Overigens heb
ik ook uit andere bron geen signalen dat er bij de provicies ernstige financiële
problemen aan de orde zouden zijn.
De Raad stelt dat het POR nog aan inhoudelijke verklarende kracht zou
kunnen winnen. In reactie hierop wil ik nog eens benadrukken, dat het POR
vooral een signalerende functie heeft. Een onderbouwde inhoudelijke verklaring
zou pas kunnen volgen uit een nader onderzoek dat al dan niet kan worden ingesteld
naar aanleiding van de signalering.
Overigens moet ik daarbij wel aantekenen dat mijn ambities met het POR
provinciefonds op dit punt iets minder dringend zijn dan met het POR gemeentefonds.
Dat hangt onder meer samen met de kleinere omvang en geringere gevoeligheid
van het provinciefonds. Ook hebben verdeelvraagstukken in het provinciefonds
al snel een minder globaal en abstract karakter: ze zijn sneller terug te
voeren op een specifieke situatie en/of provincie in plaats van op een algemeen
kenmerk van de verdeelsystematiek.
Overigens zullen de effecten van de uitname BTW-compensatiefonds worden
onderzocht in het kader van de evaluatie die reeds is gestart en die wordt
aangestuurd door het ministerie van Financiën. Een belangrijk onderwerp
in het kader van die evaluatie is de hoogte van het uitnamebedrag uit het
gemeente- en provinciefonds.
Maatstaf warmtekrachtkoppeling
De Raad plaatst kritische kanttekeningen bij de maatstaf Warmtekrachtkoppeling.
Ter toelichting: deze maatstaf beoogt een relatie te leggen met economische
activiteit in relatie tot milieu-beleid. Het is een dynamische maatstaf. Toch
is de werking van deze maatstaf onderwerp van discussie. Als gevolg van een
verbeterslag bij het CBS, waarbij het datamateriaal werd verbeterd, is de
maatstaf aan verandering onderhevig.
Ik ben het niet met de Raad eens dat dit zou moeten leiden tot een complete
herijking van het cluster Water en Milieu. Daarbij neem ik ook in aanmerking
dat de maatstaf wkk maar 1% van het totale provinciefonds verdeelt.
Verdrag van Valletta
In zijn advies gaat de Raad afzonderlijk in op de implementatie van het
verdrag van Valletta. Ik deel de constatering van de Raad dat de implementatie
zich inmiddels al een aanzienlijke tijd voortsleept.
In de afgelopen jaren is er door de fondsbeheerders goed op gelet, dat
invulling gegeven zou worden aan artikel 2 van de Financiële Verhoudingswet.
Daartoe is een kostenonderzoek verricht in opdracht van het ministerie van
OC&W. De Raad wijst erop dat dit onderzoek intussen veel tijd heeft gekost
en nog kost. Dat is waar, maar de oorzaak daarvoor ligt buiten de invloed
van de fondsbeheerders.
Overigens zijn in de tussentijd wel – al enkele jaren achtereen –
aanloopkosten in de fondsen gestort, zodat de discussie niet «op de
pof» heeft plaatsgevonden. De verdere afronding hangt mede af van de
parlementaire besluitvorming ter zake.
Regionale Omroepen
Tot slot neem ik deze gelegenheid te baat om u te melden dat met ingang
van 2006 de gelden voor de regionale omroepen in het provinciefonds zullen
worden verwerkt. Dit vloeit direkt voort uit de aanvaarding van het «wetsvoorstel
tot wijziging van de mediawet in verband met een nieuwe financieringsstructuur
voor de regionale publieke omroep» (Kamerstukken II, 2002/2003, 28 856)
op 3 maart jl. In de mei-circulaire 2005 van het provinciefonds zal de
verdeling worden verwerkt.
Ik hoop u voldoende te hebben geïnformeerd,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Mede namens
de staatssecretaris van Financiën,
J. W. Remkes