29 737
Wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Verordening (EG) Nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (Pb EG L 243), van Richtlijn nr. 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 86/635/EEG met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen (Pb EG L 283), en van Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG, 86/635/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (Pb EG L 178) (Wet uitvoering IAS-verordening, IAS 39-richtlijn en moderniseringsrichtlijn)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Het wetsvoorstel strekt ertoe titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen ter uitvoering van de IAS-verordening (Verordening (EG) Nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002, PbEG L 243), de IAS 39-richtlijn (Richtlijn 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001, PbEG L 283) en de moderniseringsrichtlijn (Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003, PbEG L 178).

Titel 9 bevat de voorschriften voor de jaarverslaggeving, grotendeels voortvloeiend uit de vierde richtlijn (Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978, PbEG L 222) die regels geeft voor de enkelvoudige jaarrekening en uit de zevende richtlijn (Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983, PbEG L 193) die eisen stelt aan de geconsolideerde jaarrekening. Voor de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van banken en verzekeraars gelden specifieke regels die volgen uit de bankenrichtlijn (Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 18 december 1983, PbEG L 372) en de verzekeringsrichtlijn (Richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991, PbEG L 374).

Samen met het jaarverslag vormt de jaarrekening een belangrijke bron van informatie voor aandeelhouders en kredietverschaffers bij economische beslissingen ten aanzien van de rechtspersoon. Bovendien zijn de jaarrekening en het jaarverslag voor de ondernemingsleiding het voornaamste middel om verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid. Het doel van de vierde en de zevende, alsmede de banken- en verzekeringsrichtlijn was indertijd het harmoniseren van de jaarverslaggeving voor (categorieën van) vennootschappen in de Europese Unie (EU) ten behoeve van de «gebruikers» van de jaarrekening. De gebruikers zijn immers gebaat bij inzichtelijke stukken die zijn opgesteld volgens objectieve en algemeen aanvaarde normen, door middel waarvan financiële informatie van ondernemingen binnen de EU vergelijkbaar is. De richtlijnen lieten echter een ruime keuzevrijheid aan de lidstaten. Uiteenlopende implementatie door de lidstaten heeft ertoe geleid dat het jaarrekeningrecht belangrijke verschillen is blijven vertonen.

De behoefte aan internationale transparantie en vergelijkbaarheid is de laatste jaren pregnanter geworden. Europese kapitaalmarkten integreren steeds meer als gevolg van toegenomen internationale communicatiemogelijkheden, de invoering van de euro en de uitbreiding van de EU. De IAS-verordening, de IAS 39-richtlijn en de moderniseringsrichtlijn beogen het jaarrekeningrecht in de EU verder te harmoniseren en te moderniseren om zo de gebruikers van de jaarrekening een hogere graad van internationale transparantie en vergelijkbaarheid te bieden. Bovendien beogen de maatregelen de toegang tot de Europese kapitaalmarkten voor ondernemingen te vergemakkelijken. Met een geharmoniseerde set jaarrekeningstandaarden kan immers in alle EU-lidstaten zonder extra kosten of moeite de voor toegang benodigde financiële informatie worden geleverd. Om het gebruik van de geharmoniseerde jaarrekeningvoorschriften door Nederlandse ondernemingen mogelijk te maken en zo de Nederlandse ondernemingen en gebruikers van de jaarrekening ten volle te kunnen laten profiteren van de mogelijkheden, dienen de Europese maatregelen in de Nederlandse wet- en regelgeving te worden geïmplementeerd. Het wetsvoorstel wijzigt hiertoe titel 9.

De gang van zaken rond de IAS is na de afronding van bovenstaande EG-regelgeving nog lang onduidelijk geweest. Pas op 29 september 2003 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 3 IAS-verordening de IAS goedgekeurd, met uitzondering van de IAS 32 en 39 (zie hierover verder de volgende paragraaf). Vooral de moeizame besluitvorming rond IAS 39 maakte de implementatie van de IAS 39-richtlijn onzeker en de moderniseringsrichtlijn borduurt voort op de wijzigingen van de IAS 39-richtlijn. Dit heeft de implementatiewetgeving vertraagd. Het is lang de vraag geweest of en zo ja, in welke vorm IAS 39 zou worden goedgekeurd en of dat gevolgen zou hebben voor de tekst van de IAS 39-richtlijn. Er was sprake van dat de IAS met ingang van boekjaar 2005 in werking zouden treden zonder IAS 39. Het leek daarom verstandig af te wachten in welke richting de oplossing gezocht zou worden. Toen duidelijk werd dat een oplossing voor de problemen rond IAS 39 langer op zich zou laten wachten dan werd verwacht, is desalniettemin de implementatie in gang gezet, omdat de implementatietermijn van de richtlijn doorliep. Getracht is de implementatie zodanig vorm te geven dat eventuele toekomstige wijzigingen in IAS 39 en de IAS 39-richtlijn op zo min mogelijk problemen zullen stuiten in de Nederlandse wetgeving. De meest heikele punten in IAS 39 zijn niet in het implementatiewetsvoorstel opgenomen, omdat de IAS 39-richtlijn daartoe niet verplicht. Ook voor dit onderdeel van het implementatiewetsvoorstel geldt dat daarin alleen die richtlijnbepalingen zijn overgenomen waartoe de IAS 39-richtlijn verplicht en dat de facultatieve richtlijnbepalingen zoveel mogelijk als facultatieve wetsbepalingen zijn overgenomen. Het wetsvoorstel maakt een bepaalde wijze van waarderen mogelijk; het schept op dat punt geen verplichtingen voor ondernemingen. De enige verplichting in het implementatiewetsvoorstel betreft het verstrekken van informatie in de toelichting door grote ondernemingen over financiële instrumenten die niet tegen de actuele waarde zijn gewaardeerd. Daarnaast vindt de implementatie van deze richtlijn niet alleen in het onderhavige wetsvoorstel plaats, maar ook in een in voorbereiding zijnde aanpassing van het Besluit waardering activa. De wijzigingen in IAS 39 die het IASB recentelijk heeft gepresenteerd, hebben naar verwachting geen grote invloed op de inhoud van de IAS 39-richtlijn, maar waar aanpassing van de implementatiewetgeving toch nodig mocht zijn, zal dat vermoedelijk slechts hoeven te leiden tot aanpassing van deze algemene maatregel van bestuur. Het verstrijken van de implementatietermijn op 1 januari 2004 heeft voor zover bekend niet geleid tot problemen bij ondernemingen. Gezien het omstreden karakter van IAS 39 zal de behoefte om de jaarrekening, vooruitlopend op de goedkeuring ervan door de Europese Commissie, nu reeds overeenkomstig deze IAS in te richten niet groot zijn.

Van belang is dat artikel III van het wetsvoorstel duidelijk maakt dat deze regels van toepassing zullen zijn met ingang van boekjaar 2005. Dat is de datum die van groot belang is. De Verordening bepaalt dat beursvennootschappen met ingang van 1 januari 2005 hun geconsolideerde jaarrekening moeten inrichten volgens de goedgekeurde IAS. Ook de aanpassingen ten gevolge van de moderniseringsrichtlijn moeten op 1 januari 2005 in nationale wetgeving zijn opgenomen.

Ten slotte is van dit wetsvoorstel gebruik gemaakt om een wijziging op te nemen van artikel 2:117 BW teneinde gelegenheid te bieden voor de accountant om in de algemene vergadering van aandeelhouders uitleg te geven over zijn werk ten aanzien van de jaarrekening en over de achtergronden voor zijn verklaring. Deze wijziging is door het kabinet toegezegd in een reactie op de code Tabaksblat (Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1). Het kabinet realiseert zich dat dit artikellid geen implementatie van de richtlijnen betreft. Het onderwerp is evenwel nauw verbonden met toepassing van nieuwe jaarrekeningvoorschriften. Beoogd wordt aandeelhouders en andere belanghebbenden meer informatie te bieden over de wijze waarop die in die richtlijn vervatte voorschriften door de rechtspersoon en haar externe accountant zijn toegepast. Juist bij overgang naar een ander stelsel van jaarrekeningnormen is denkbaar dat de aandeelhouders de accountant vragen willen stellen over zijn werk. Toevoegen van het artikel aan dit wetsvoorstel betekent dat de datum waarop de aanpassing van de standaarden in werking treedt, samenvalt met de datum van inwerkingtreding van het recht om daarover informatie aan de accountant te vragen.

2. Doel en inhoud van de Europese maatregelen

2.1. De IAS-verordening

In haar mededeling «Harmonisatie van de jaarrekening: een nieuwe strategie ten aanzien van internationale ondernemingen» (COM [1995] 508 van 14 november 1995) constateert de Europese Commissie (hierna: de Commissie) dat de geharmoniseerde grondslag van het Europese jaarrekeningrecht onvoldoende is om de groeiende internationalisering het hoofd te bieden. Zij stelt voor niet langer te streven naar harmonisatie van nationale verslaggevingeisen. Verdergaande harmonisatie kan worden bewerkstelligd door aansluiting te zoeken bij de International Accounting Standards (IAS) die zijn ontwikkeld door het International Accounting Standards Committee (IASC).

Het IASC is in 1973 opgericht om wereldwijd toepasbare jaarrekeningstandaarden te formuleren: de IAS. Op 1 april 2001 is het IASC omgevormd tot de International Accounting Standards Board (IASB) die alle toen bestaande IAS van het IASC heeft overgenomen. Standaarden die na deze datum door de IASB zijn aangenomen worden gepubliceerd als International Financial Reporting Standards (IFRS). Hierna worden de standaarden gezamenlijk aangeduid als «de IAS». Van belang voor een wereldwijde toepasbaarheid is dat de standaarden overal gelijk worden geïnterpreteerd. Hiertoe worden door de IASB bindende interpretaties van de IAS goedgekeurd.

De IAS-verordening verplicht alle circa zevenduizend beursgenoteerde ondernemingen in de EU rechtstreeks hun geconsolideerde jaarrekening vanaf boekjaar 2005 op te stellen en in te richten volgens de door de Commissie goedgekeurde IAS (artikel 4). Doel hiervan is de transparantie en vergelijkbaarheid van de jaarrekeningen te bevorderen. Transparantie en vergelijkbaarheid tussen beursgenoteerde ondernemingen zijn essentiële bouwstenen voor een effectieve en efficiënte Europese kapitaalmarkt en daarmee voor de voltooiing van de interne markt.

De Commissie keurt de IAS en interpretaties ervan slechts goed indien deze in overeenstemming zijn met het beginsel dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen en het resultaat van de vennootschap, en indien zij niet strijdig zijn met het Europees openbaar belang. De IAS moeten daarom van goede kwaliteit zijn; dat wil zeggen begrijpelijk, relevant, betrouwbaar en vergelijkbaar (artikel 3). Bij de goedkeuring wordt de Commissie op technisch gebied geadviseerd door de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) en op politiek gebied door het Accounting Regulatory Committee (ARC; artikel 6). Op 29 september 2003 heeft de Commissie door middel van de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1725/2003 van de Commissie van 29 september 2003 (PbEG L 261) alle IAS goedgekeurd, behalve IAS 32 en 39 over de presentatie en toelichting respectievelijk de waardering van financiële instrumenten.

De IAS-verordening staat lidstaten toe de verplichte toepassing van de IAS twee boekjaren uit te stellen voor beursgenoteerde ondernemingen waarvan alleen schuldtitels ter beurze zijn genoteerd (artikel 9, onder a) of waarvan de effecten zijn genoteerd aan een beurs buiten de EU en waarvan de jaarrekening sinds het laatste boekjaar dat begon voor 11 september 2002 volgens de internationaal aanvaarde standaarden (in de praktijk meestal de Amerikaanse standaarden US GAAP) als primaire grondslag is opgemaakt (artikel 9, onder b). De uitsteloptie is op verzoek van een aantal lidstaten opgenomen in de hoop dat de overstap van de US GAAP naar de IAS in 2007 minder lasten zal meebrengen vanwege de verwachte convergentie tussen beide systemen. Uitstel kan niet worden verleend aan ondernemingen waarvan de effecten aan een beurs in een derde land zijn genoteerd en die de US GAAP niet als primaire grondslag maar via een reconciliatie toepassen. Dat wil zeggen dat zij de jaarrekening volgens andere grondslagen dan de US GAAP mogen inrichten, maar dat zij aanvullend een aantal kerncijfers uit de jaarrekening (met name het eigen vermogen en het resultaat) volgens de US GAAP opstellen.

Om de transparantie en vergelijkbaarheid van de jaarrekeningen in de EU nog verder te vergroten, mogen de lidstaten de reikwijdte van de toepassing van de IAS uitbreiden. Zij mogen toestaan of voorschrijven dat beursgenoteerde ondernemingen behalve hun geconsolideerde ook hun enkelvoudige jaarrekening conform de IAS opstellen (artikel 5, onder a). Tevens kunnen de IAS worden toegestaan of verplicht voor de geconsolideerde en/of enkelvoudige jaarrekening van (categorieën van) niet-beursgenoteerde ondernemingen (artikel 5, onder b).

Een onverkorte toepassing van de IAS op grond van de IAS-verordening wordt op bepaalde gebieden niet door de vierde en de zevende richtlijn, alsmede de banken- en verzekeringsrichtlijn ondersteund. Daarom heeft de Commissie het noodzakelijk geacht de richtlijnen in overeenstemming te brengen met de IAS door vaststelling van de IAS 39-richtlijn en de moderniseringsrichtlijn.

2.2. De IAS 39-richtlijn

IAS 39 schrijft voor dat bepaalde financiële instrumenten worden gewaardeerd tegen de actuele waarde. Op grond van de Europese richtlijnen geschiedt de waardering van activa en passiva echter in beginsel tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, ook wel aangeduid als historische kostprijs (artikel 32 vierde richtlijn en 29 zevende richtlijn). De IAS 39-richtlijn brengt de vierde, de zevende en de bankenrichtlijn in overeenstemming met IAS 39. Lidstaten moeten de waardering van bepaalde financiële instrumenten in de jaarrekening tegen de actuele waarde toestaan of voorschrijven.

De IAS 39-richtlijn heeft betrekking op de waardering van financiële instrumenten in zowel de enkelvoudige als de geconsolideerde jaarrekening. De richtlijn geeft geen definitie van het begrip «financieel instrument». De Commissie heeft er bewust voor gekozen nauwelijks of geen definities van boekhoudkundige termen op te nemen. De Europese jaarrekeningrichtlijnen zijn kaderregelingen en de gebruikte termen worden in jaarrekeningstandaarden en in de literatuur over financiële verslaglegging afdoende omschreven. Het gaat niet alleen om traditionele primaire financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties en leningen, maar ook om afgeleide financiële instrumenten. «Afgeleid instrument» is een algemene term die een zeer breed scala financiële instrumenten bestrijkt waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggende prijs (zoals een grondstofprijs) of tarief (zoals een rentevoet). Afgeleide instrumenten berusten op drie basisstructuren; termijncontracten (futures en forwards), swaps en opties, en op combinaties hiervan. Deze structuren kunnen worden toegepast op een bijna oneindig spectrum van onderliggende activa, waarvan de waarde afhankelijk is van veranderingen in onderliggende prijzen of tarieven. Het is daarom zinvol noch haalbaar een limitatieve opsomming te geven van financiële instrumenten die voor waardering tegen de actuele waarde in aanmerking komen. In de IAS 39-richtlijn is gekozen voor het opnemen van de beperkingen op de algemene regel dat financiële instrumenten tegen de actuele waarde kunnen worden gewaardeerd (artikel 42bis vierde richtlijn).

De berekeningswijze van de actuele waarde is voorgeschreven (artikel 42ter vierde richtlijn). Indien voor een financieel instrument een liquide markt bestaat, dan wordt de actuele waarde bepaald door de huidige marktwaarde. Is er geen liquide markt, dan mag worden teruggevallen op algemeen aanvaarde waarderingsmodellen en -technieken zoals optieprijsberekening of de contante waarde van verwachte kasstromen. Deze dienen een redelijke benadering van de marktwaarde op te leveren. Financiële instrumenten die niet kunnen worden gewaardeerd tegen de actuele waarde door een gebrek aan de noodzakelijke betrouwbare informatie, worden tegen de historische kostprijs opgenomen.

Waardeveranderingen van financiële instrumenten worden in beginsel onmiddellijk in de winst- en verliesrekening verwerkt (artikel 42quater lid 1 vierde richtlijn). De actuele waarde is in tegenstelling tot de historische kostprijs geen statisch gegeven; zij is onderhevig aan schommelingen. Kenmerkend voor de methodiek van waardering tegen de actuele waarde bij financiële instrumenten is dat veranderingen in de actuele waarde niet daadwerkelijk behoeven te zijn gerealiseerd alvorens zij worden opgenomen in de winst- en verliesrekening. Vanuit oogpunt van voorzichtigheid en kapitaalbescherming kan het onwenselijk zijn ongerealiseerde waardeveranderingen voor uitkering aan de aandeelhouders te bestemmen. Financiële instrumenten waarvan de actuele waarde niet met voldoende betrouwbaarheid kan worden bepaald zijn van waardering tegen de actuele waarde uitgezonderd. Tevens is in de IAS 39-richtlijn een aantal categorieën financiële instrumenten opgesomd, die wel tegen de actuele waarde mogen worden gewaardeerd, maar waarvan is bepaald dat waardeveranderingen niet onmiddellijk in de winst- en verliesrekening tot uiting worden gebracht. Waardeveranderingen van dergelijke financiële instrumenten worden in het eigen vermogen in niet-uitkeerbare reserves opgenomen. Waardeveranderingen die in niet-uitkeerbare reserves zijn opgenomen, worden hieruit verwijderd op het moment dat zij worden gerealiseerd, bijvoorbeeld indien de instrumenten hun vervaldag hebben bereikt, dan wel zijn verkocht of verbruikt (artikel 42quater lid 3 vierde richtlijn). Hierdoor komen waardeveranderingen pas op het moment van realisatie in aanmerking voor uitkering.

De IAS 39-richtlijn geeft enkele regels voor in de toelichting bij de jaarrekening te verstrekken informatie over de waardering van financiële instrumenten. Informatieverplichtingen bestaan zowel bij waardering tegen de actuele waarde (artikel 42quinquies vierde richtlijn en 34, onder 14, zevende richtlijn) als bij waardering tegen de historische kostprijs (artikel 43 lid 1 vierde richtlijn en 34, onder 15, zevende richtlijn). In het jaarverslag moet informatie worden gegeven over het gebruik van financiële instrumenten en de risico's die daarmee gepaard gaan (artikel 46, tweede lid, onder f, vierde richtlijn en 36, tweede lid, onder e, zevende richtlijn).

De IAS 39-richtlijn brengt ten slotte de bankenrichtlijn in overeenstemming met IAS 39. Hierdoor gelden de aanpassingen in de vierde richtlijn ten aanzien van de waardering van financiële instrumenten tegen de actuele waarde (de artikelen 42bis-42quinquies vierde richtlijn) en ten aanzien van de informatieverstrekking in het jaarverslag (artikel 46 vierde richtlijn) ook voor banken. Hoewel het banken reeds was toegestaan om bepaalde effecten tegen de marktwaarde te waarderen, betekent de wijziging van de bankenrichtlijn voor banken toch een verruiming van de waarderingsregels. Ten eerste volgt uit artikel 42ter van de IAS 39-richtlijn dat het begrip «actuele waarde» ruimer is dan het begrip «marktwaarde». Voor de bepaling van de actuele waarde is, in tegenstelling tot de marktwaarde, niet zonder meer vereist dat een liquide markt is aan te wijzen. Ten tweede maakt de wijziging de waardering van afgeleide financiële instrumenten tegen de actuele waarde mogelijk. Thans worden afgeleide financiële instrumenten veelal buiten de balans om (off balance sheet) in de toelichting verantwoord. Omdat afgeleide financiële instrumenten voortaan mogen worden gewaardeerd tegen de actuele waarde, kunnen ze op de balans worden opgenomen.

2.3. De moderniseringsrichtlijn

De moderniseringsrichtlijn wijzigt de vierde en de zevende richtlijn, alsmede de banken- en verzekeringsrichtlijn op een aantal punten om de inconsistenties tussen de IAS en deze richtlijnen, die niet reeds door de IAS 39-richtlijn zijn opgelost, weg te nemen. Lidstaten mogen toestaan dat ook bepaalde andere activa dan financiële instrumenten worden gewaardeerd tegen de actuele waarde en dat waardeveranderingen direct worden opgenomen in de winst- en verliesrekening (de artikelen 42sexies en 42septies vierde richtlijn en 29 lid 1 zevende richtlijn). Dit maakt de toepassing van onder meer IAS 40 betreffende de waardering van vastgoedbeleggingen en IAS 41 betreffende de waardering van agrarische activa mogelijk.

Ook mogen lidstaten de definitie van «jaarrekening» uitbreiden met andere overzichten dan de balans en de winst- en verliesrekening (artikel 2 lid 1 vierde richtlijn en 16 lid 1 zevende richtlijn). Dat is in overeenstemming met IAS 1, die naast een balans en een winst- en verliesrekening, een kasstroomoverzicht en een overzicht van vermogensmutaties eist.

Vervolgens wordt in de moderniseringsrichtlijn de definitie van voorzieningen stringenter geformuleerd (de artikelen 20 lid 1 en 31 leden 1–1bis vierde richtlijn en 17 lid 1 zevende richtlijn). Voorzieningen mogen nog slechts worden opgenomen tegen op de balansdatum bestaande of waarschijnlijk geachte verplichtingen waarvan de omvang of het ontstaansmoment nog onzeker is, of ten behoeve van gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.

Ten slotte bevat de moderniseringsrichtlijn enkele bepalingen met betrekking tot de al dan niet in de geconsolideerde jaarrekening op te nemen dochtermaatschappijen (de artikelen 2 lid 1, en 14 zevende richtlijn). De bepalingen beogen de zevende richtlijn in overeenstemming te brengen met IAS 27 die voorschrijft dat rechtspersonen waarop de moedermaatschappij een overheersende invloed kan uitoefenen in de consolidatie worden meegenomen. Niet van belang is of de moedermaatschappij aandelen in deze rechtspersoon heeft. Dit tracht te voorkomen dat speciale juridische structuren (zogenoemde special purpose entities) worden uitgedacht om de consolidatieplicht te ontlopen. De moderniseringsrichtlijn wijzigt de zevende richtlijn zodat de eis dat de moedermaatschappij aandelen heeft in de dochtermaatschappij komt te vervallen. Ook is vastgelegd dat een dochtermaatschappij waarop de moedermaatschappij een potentieel overheersende invloed heeft, wordt meegeconsolideerd. Er geldt geen vrijstelling voor consolidatie meer vanwege afwijkende bedrijfsactiviteiten van de dochtermaatschappij waardoor consolidatie strijd zou opleveren met het inzichtvereiste.

De moderniseringsrichtlijn wijzigt eveneens enkele bepalingen die niet of slechts beknopt worden bestreken door de IAS en die daarom blijven gelden voor alle rechtspersonen ongeacht of zij de IAS toepassen. Het gaat om bepalingen betreffende het jaarverslag, de accountantscontrole en de openbaarmaking van de jaarstukken. De wijzigingen beogen deze bepalingen verder te harmoniseren en in overeenstemming te brengen met geldende internationale gebruiken zodat flexibel op toekomstige ontwikkelingen in de IAS kan worden ingespeeld.

Aan het getrouwheidsvereiste van het jaarverslag wordt een nadere invulling gegeven (artikel 46 vierde richtlijn en 36 zevende richtlijn). Het jaarverslag moet een getrouw beeld geven van de toestand, de ontwikkeling en de resultaten van de rechtspersoon. Hiertoe bevat het jaarverslag een volledige en evenwichtige analyse conform de omvang en de complexiteit van de rechtspersoon. De analyse besteedt aandacht aan zowel financiële als niet-financiële prestatie-indicatoren, zoals milieu- en personeelsaangelegenheden. De moderniseringsrichtlijn bepaalt daarnaast dat het geconsolideerde en enkelvoudige jaarverslag mogen worden samengevoegd.

De accountantsverklaring moet voortaan een aantal verplichte elementen bevatten en mag voor de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening worden gecombineerd (artikel 51bis vierde richtlijn en 37 zevende richtlijn). De bepalingen inzake de accountantsverklaring codificeren wat reeds algemeen gebruikelijk is. Vermeld moet worden op welke jaarrekening de controle betrekking heeft, welke wettelijke voorschriften toepasselijk zijn en welke richtlijnen voor accountantscontrole (auditingstandaarden) in acht zijn genomen. Voorts wordt ten minste aangegeven of de jaarrekening voldoet aan het getrouwheidsvereiste en of de accountant in het bijzonder de aandacht vestigt op bepaalde aangelegenheden, zonder dat dit aanleiding heeft gegeven tot het afgeven van een verklaring met beperking. Ten slotte bevat de accountantsverklaring een oordeel over de verenigbaarheid tussen het jaarverslag en de jaarrekening. De moderniseringsrichtlijn bepaalt welke strekking de accountantsverklaring kan hebben: een goedkeurende verklaring, een verklaring met beperking, een afkeurende verklaring of een verklaring van oordeelonthouding.

De voorschriften over toevoeging van de accountantsverklaring bij de openbaarmaking van de jaarrekening en het jaarverslag wijzigen op onderdelen (artikelen 48 en 49 vierde richtlijn). In geval van een beknopte openbaarmaking wordt de accountantsverklaring niet bijgevoegd. Wel wordt vermeld wat de strekking van de accountantsverklaring is en of de accountant in zijn verklaring in het bijzonder de aandacht heeft gevestigd op bepaalde zaken, zonder een verklaring met beperking af te geven.

De aanpassingen in de vierde richtlijn met betrekking tot de waardering van jaarrekeningposten tegen de actuele waarde, de definities van «jaarrekening» en «voorziening», de consolidatieplicht, het jaarverslag, de accountantscontrole en de openbaarmaking van de jaarstukken gelden als gevolg van wijziging van de bankenrichtlijn en de verzekeringsrichtlijn eveneens voor banken en verzekeraars. Ook brengen de aanpassingen de verzekeringsrichtlijn in overeenstemming met IAS 39. Hiermee is beoogd om de toepassing van IAS 39 voor verzekeraars op gelijke wijze als voor banken mogelijk te maken.

Een gevolg van de gelijkstelling is dat het opmaken van de geconsolideerde jaarrekening, waarin de financiële gegevens van zowel banken als verzekeraars worden meegenomen, eenduidig kan geschieden. Er hoeft bij de waardering van de beleggingen geen gedwongen keuze meer te worden gemaakt voor of de regels van afdeling 14 of de regels van afdeling 15, waardoor strijdigheid zou kunnen ontstaan met één van beide afdelingen. Als uitvloeisel van de gelijkstelling wordt in de artikelen 46 en 46bis van de verzekeringsrichtlijn voor verzekeraars de mogelijkheid geïntroduceerd om voor bepaalde categorieën beleggingen onderscheid te maken tussen beleggingen die bedoeld zijn om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt en beleggingen die bedoeld zijn voor de handelsportefeuille. De bedoeling van het onderscheid is om verzekeraars conform IAS 39 toe te staan om beide categorieën beleggingen volgens verschillende grondslagen te waarderen.

3. Implementatie van de Europese maatregelen

3.1. Inleiding

Om de toepassing van de IAS mogelijk te maken, is een verdere aanpassing van titel 9 noodzakelijk. In het wetsvoorstel is getracht de opties uit de Europese maatregelen naar de Nederlandse situatie te vertalen op een wijze die recht doet aan de belangen van zowel de opstellers als de gebruikers van de jaarrekening. Uitgangspunt daarbij is dat titel 9 geen belemmering mag vormen voor ondernemingen die hun jaarrekening volgens de IAS willen opstellen, tenzij hantering van de IAS zou leiden tot een minder of in het geheel niet getrouw beeld van hun financiële situatie. Een belemmering zou Nederlandse ondernemingen benadelen ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten. Tevens is in het wetsvoorstel gestreefd naar beperking van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

Over de implementatie van de keuzemogelijkheden die de Europese maatregelen aan de lidstaten laten, is in mei 2003 door het ministerie van Justitie een consultatiedocument gepubliceerd. De Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ), het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA), de financiële toezichthouders, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), het Verbond van Verzekeraars (VvV) en de drie pensioenkoepels Ondernemingspensioenfondsen (Opf), de Unie van Beroepspensioenfondsen (UvB) en de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) hebben hierop hun standpunten kenbaar gemaakt1. Ook de Commissie Vennootschapsrecht is geraadpleegd. Zij had geen overwegende problemen met het wetsvoorstel. Waar mogelijk is met de standpunten rekening gehouden in het implementatievoorstel, dat op hoofdlijnen reeds uiteengezet is in de brief aan de Tweede Kamer van 23 maart 2004 (kamerstukken II 2003/04, 21 109, nr. 127).

3.2. De IAS-verordening

De verplichting voor beursgenoteerde ondernemingen om de IAS vanaf boekjaar 2005 toe te passen in de geconsolideerde jaarrekening werkt rechtstreeks en vereist daarom geen implementatie. De IAS bestrijken echter niet alle bepalingen waarop titel 9 ziet, zoals de bestuurdersbezoldiging, het jaarverslag, de openbaarmaking, de accountantscontrole en de kapitaalbescherming. Daarom worden beursgenoteerde ondernemingen verplicht naast de IAS deze bepalingen te blijven toepassen.

De enkelvoudige jaarrekening vormt de basis voor dividenduitkeringen. Op de enkelvoudige jaarrekening zijn de kapitaalbeschermingsregels uit titel 9 die volgen uit de tweede richtlijn (Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976, PbEG L 26), van toepassing. De IAS kennen echter geen kapitaalbescherming. Wel heeft de IASB recentelijk besloten voor te schrijven dat in de enkelvoudige jaarrekeningen de deelnemingen tegen kostprijs worden gewaardeerd. Daarmee zou in hoofdzaak aan de eisen van kapitaalbescherming zijn voldaan. Indien de moedermaatschappij echter eigen activiteiten ontwikkelt, is dat onvoldoende. Bovendien kleeft aan de toepassing van IAS in de enkelvoudige jaarrekening het nadeel dat het eigen vermogen en het resultaat afwijken van dat in de geconsolideerde jaarrekening. Voorgesteld wordt om toepassing van de IAS in de enkelvoudige jaarrekening toe te staan, maar niet voor te schrijven. Om aan de eisen van kapitaalbescherming te voldoen wordt voorgesteld de kapitaalbeschermingsregels van de artikelen 2:365 lid 2, 373, 389 leden 6, 8 en 9 en 390 BW te behouden, zodat bepaalde waardevermeerderingen in niet-uitkeerbare reserves worden opgenomen.

De IAS-verordening biedt de mogelijkheid om bepaalde categorieën beursgenoteerde ondernemingen uitstel voor de verplichte toepassing van de IAS op de geconsolideerde jaarrekening te verlenen tot het boekjaar 2007. Het gaat hier om ondernemingen die alleen schuldtitels ter beurze hebben genoteerd en om ondernemingen waarvan de effecten in een derde land zijn genoteerd en die internationaal aanvaarde standaarden (in de praktijk de Amerikaanse standaarden US GAAP) hanteren als de primaire basis voor hun jaarrekening. Wat de laatste categorie ondernemingen betreft, is toepassing van US GAAP als enige standaard voor de jaarrekening van een onder het Nederlandse recht vallende onderneming niet toegestaan. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State bij het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 BW in verband met het gebruik van internationale jaarrekeningstandaarden (Kamerstukken II 2001/02, nr. 28 220), is de expliciete mogelijkheid om de US GAAP toe te passen in dát wetsvoorstel geschrapt. Ook de Commissie Vennootschapsrecht heeft op basis van de toelichting bij de verordening geconcludeerd dat het niet mogelijk is om uitstel te verlenen, omdat lidstaten waar toepassing van US GAAP niet expliciet wettelijk is toegestaan, die optie niet mogen gebruiken. Het toestaan van toepassing van de US GAAP ná de inwerkingtreding van de IAS-verordening kan bovendien tot verwarring leiden op de financiële markten en vermindert de vergelijkbaarheid van de jaarrekeningen van Europese beursgenoteerde ondernemingen. Dit zou afbreuk doen aan de belangrijkste doelstelling van de IAS-verordening: een positieve bijdrage aan het vertrouwen in de financiële markten door de toepassing van transparante en vergelijkbare jaarrekeningstandaarden.

Nederland heeft de Commissie gesteund in haar streven naar een transparant en vergelijkbaar stelsel van jaarrekeningstandaarden op basis van de IAS, waarbij afwijkingen zoveel mogelijk vermeden moeten worden (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 1999/2000, 25 732, nr. 15, p. 5). Een gelijk speelveld tussen rechtspersonen in de EU verbetert het vertrouwen in onze financiële markten en vermindert de administratieve lasten voor ondernemingen die een beroep willen doen op de Europese kapitaalmarkt. Bovendien heeft de Commissie al geruime tijd geleden haar keuze voor de IAS openbaargemaakt. Van belang is ook dat de Autoriteit Financiële Markten vanaf boekjaar 2005 toezicht zal houden op de jaarrekening van beursvennootschappen op basis van de IAS. Tezamen met de Minister van Financiën heb ik hiertoe inmiddels een wetsvoorstel voorbereid. Uitstel voor de toepassing van de IAS voor bepaalde rechtspersonen tot boekjaar 2007 brengt mee dat op hun jaarrekening gedurende het uitstel geen adequaat toezicht kan worden gehouden. Met het oog op deze overwegingen ben ik niet voornemens gebruik te maken van de uitstelmogelijkheid.

Lidstaten mogen de toepassing van de IAS uitbreiden tot de enkelvoudige jaarrekening van beursgenoteerde ondernemingen en tot de geconsolideerde en/of enkelvoudige jaarrekening van niet-beursgenoteerde ondernemingen. Een dergelijke uitbreiding vereist wel implementatie. De lidstaten hebben de keuze tussen een verplichting of een mogelijkheid. Uitgangspunt bij de implementatie is dat titel 9 geen onnodige belemmering mag vormen voor toepassing van de IAS door bijvoorbeeld ondernemingen die zich zodanig ontwikkelen dat zij te zijner tijd een beroep op de kapitaalmarkt willen doen en in de aanloop daartoe alvast de IAS willen gebruiken. Dat zou Nederlandse ondernemingen mogelijk benadelen ten opzichte van Europese concurrenten. Het wordt met het oog op de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemingen niet nodig geacht de toepassing van de IAS te verplichten. Niet-beursgenoteerde ondernemingen zijn vrij hun enkelvoudige of geconsolideerde jaarrekening volgens de door de Commissie goedgekeurde IAS op te stellen. Een onderneming die de geconsolideerde jaarrekening volgens de IAS opstelt, kan de enkelvoudige ook volgens de IAS opstellen. Het enige wat niet mogelijk is, is een geconsolideerde jaarrekening opstellen volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek en de enkelvoudige jaarrekening volgens de IAS. Aangezien pensioenfondsen volgens het Burgerlijk Wetboek ondernemingen en geen financiële instellingen zijn, betekent dit dat de IAS op Nederlandse pensioenfondsen niet verplicht van toepassing zijn (zie hierover ook de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 april 2004, Kamerstukken 2003–2004, 28 294, nr. 6).

Het kabinet heeft zich in het verleden voorstander getoond van invoering van de IAS voor alle financiële instellingen die op grond van titel 9 verplicht zijn een geconsolideerde jaarrekening te publiceren. In de brief van 22 augustus 2000 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1999/2000, 25 732, nr. 15) is gesteld dat een transparante en vergelijkbare verslaggeving door alle financiële instellingen essentieel is, gelet op het maatschappelijke belang van de nakoming van verplichtingen door financiële instellingen. Ook de toezichthouders op de financiële markten zijn gebaat bij een transparante en vergelijkbare verslaggeving. Als voorwaarde werd echter genoemd dat de IAS zijn toegesneden op financiële instellingen. In de brief van 25 juni 2001 aan de Tweede Kamer over de aanbevelingen van de deskundigengroep Traas (Kamerstukken 2000/01, 26 489, nr. 5) is bovendien aangegeven dat alvorens verzekeraars worden verplicht de IAS te hanteren, in Europees kader zal worden bezien in hoeverre de Europese solvabiliteitseisen aanpassing behoeven. Dit vraagstuk zou worden meegenomen in het Solvency II-traject dat destijds in de EU al in gang was gezet. Het Solvency II-traject beoogt vanuit een risicogeoriënteerde benadering solvabiliteitseisen voor verzekeraars te formuleren.

Inmiddels is gebleken dat het Solvency II-traject (evenals het Bazel II-traject voor banken) vertraging heeft opgelopen. Daarom ligt verplichte toepassing van de IAS voor niet-beursgenoteerde financiële instellingen op dit moment niet in de rede. Verplichte invoering van uniforme standaarden voor alle financiële instellingen in de EU voor de jaarrekening en het prudentiële toezicht blijft echter het uiteindelijk wenselijke model. Dit zou de administratieve lasten voor grensoverschrijdende financiële instellingen beperken, omdat invoering van de IAS leidt tot harmonisatie van verslaggevingregels. Harmonisatie bewerkstelligt een betere vergelijkbaarheid van cijfers van grote financiële groepen, hetgeen belangrijk is voor adequaat toezicht. Vrijwillige toepassing van de IAS wordt mogelijk gemaakt door aanpassing van artikel 2:362 BW. Ten behoeve van de vergelijkbaarheid tussen de onder toezicht staande instellingen die wel en die niet de IAS gebruiken, dienen ook de verslaggevingregels voor financiële instellingen in titel 9 te worden aangepast. Dit brengt beduidend minder administratieve lasten mee dan het volledig doorvoeren van de IAS voor alle financiële instellingen. Deze lijn is consistent met de wijze waarop andere lidstaten van de EU om zullen gaan met de optie in de IAS-verordening. Het kabinet is voornemens om, zodra de IAS inzake financiële instrumenten en de eerste fase verzekeringscontracten definitief zijn goedgekeurd door de Commissie, het wetsvoorstel verbetering verslaggeving van verzekeringsmaatschappijen (Kamerstukken II 2002/03, 28 799) nogmaals aan deze IAS te toetsen en zo nodig aan te passen. Voor verzekeraars die niet verplicht zijn de IAS in te voeren, kan het wetsvoorstel als alternatief voor een vrijwillige overgang naar de IAS dienen. Op deze wijze blijft de vergelijkbaarheid tussen de verslaggeving van verzekeraars behouden.

Een harmonisatie van de huidige verslaggevingpraktijk op basis van waardering tegen de actuele waarde is eveneens belangrijk voor de Pensioen- & Verzekeringskamer om het Financieel Toetsingkader te kunnen invoeren. De minimumtoets van het Financieel Toetsingskader is immers niet meer dan verslaggeving tegen de actuele waarde. Door een samenloop van beide trajecten wordt voorkomen dat verzekeraars met dubbele administratieve lasten worden geconfronteerd. Voorts zal het kabinet bezien of in titel 9 de verslaggeving voor banken en overige financiële instellingen aangepast moet worden om de vergelijkbaarheid tussen IAS-plichtige en niet IAS-plichtige instellingen te behouden.

De keuze voor de IAS in de enkelvoudige of de geconsolideerde jaarrekening is een keuze voor alle door de Europese Commissie goedgekeurde IAS; een onderneming mag niet slechts de krenten uit de pap kiezen. Indien een onderneming niet kiest voor toepassing van de IAS, mag zij niet met een beroep op de IAS afwijken van de voorschriften van titel 9. De implementatie van de IAS 39-richtlijn en de moderniseringsrichtlijn nuanceert deze situatie door enkele opties die de IAS bieden, open te stellen voor Nederlandse ondernemingen die de IAS niet toepassen.

3.3. De IAS 39-richtlijn

In het onderhavige wetsvoorstel is in artikel 2:384 lid 1 BW de waardering tegen de actuele waarde van bepaalde financiële instrumenten toegestaan voor ondernemingen die niet voor de IAS kiezen. Daardoor is het niet zo dat wie kiest voor waardering van financiële instrumenten tegen de actuele waarde, verplicht is tot inrichting van zijn jaarrekening volgens alle van toepassing zijnde IAS. Van de mogelijkheid de toepassing van de actuele waarde te beperken tot de geconsolideerde jaarrekening of tot groepen van ondernemingen is geen gebruik gemaakt. Omdat geen verplichting tot toepassing van deze methode wordt opgenomen, is het niet nodig daar beperkingen op aan te brengen. De opsomming van de categorieën financiële instrumenten die van waardering tegen de actuele waarde worden uitgezonderd, zal op grond van artikel 2:384 lid 4 BW, in het Besluit waardering activa worden opgenomen, evenals de berekeningswijze van de actuele waarde. De wijze waarop waardeveranderingen in de actuele waarde in de jaarrekening worden verantwoord, wordt evenwel in titel 9 in de artikelen 2:384, 389 en 390 BW verwerkt. De waardering van financiële instrumenten tegen de actuele waarde door banken wordt verwerkt in afdeling 14 van titel 9 die bijzondere bepalingen voor banken bevat.

De informatieverplichtingen in de toelichting bij de jaarrekening en in het jaarverslag komen terecht in de nieuwe artikelen 2:381a en 381b respectievelijk artikel 2:391 lid 2 BW. De mogelijkheid voor kleine ondernemingen om bepaalde informatie uit de toelichting weg te laten, wordt geregeld in artikel 2:396 BW. De facultatieve bepaling uit artikel 42bis lid 5 van de vierde richtlijn wordt naast de genoemde categorieën financiële instrumenten ex artikel 2:384 lid 1 opgenomen in artikel 2:384 lid 8 BW.

3.4. De moderniseringsrichtlijn

Voorgesteld wordt de waardering van andere activa dan financiële instrumenten tegen de actuele waarde en de verantwoording van waardeveranderingen op gelijke wijze als voor financiële instrumenten te regelen. Waardering tegen de actuele waarde wordt daarmee mogelijk voor de enkelvoudige en de geconsolideerde jaarrekening van rechtspersonen die niet kiezen voor de IAS. De artikelen 2:384, 389 en 390 BW worden in dit wetsvoorstel aangepast.

De mogelijkheid om het kasstroomoverzicht als standaardoverzicht en de omschrijving van de elementen van de jaarrekening op te nemen, wordt niet benut. De verplichte opstelling van een kasstroomoverzicht zou onnodige administratieve lasten meebrengen.

De door de moderniseringsrichtlijn geïntroduceerde alternatieve schema's voor de balans en de winst- en verliesrekening worden niet gebruikt voor rechtspersonen die de IAS niet toepassen. Het Besluit modellen jaarrekening bevat al verschillende mogelijkheden voor de opstelling voor de balans (de modellen A tot en met D) en de winst- en verliesrekening (de modellen E tot en met J). Het wordt daarom niet noodzakelijk geacht meer modellen toe te staan voor rechtspersonen die de IAS niet toepassen. Het voornemen om te bezien of in titel 9 de verslaggeving voor banken aangepast moet worden om de vergelijkbaarheid tussen IAS-plichtige en niet IAS-plichtige banken te behouden, kan er mogelijk toe leiden dat de introductie van een alternatief schema voor banken wenselijk is. Deze wenselijkheid zal te zijner tijd worden bezien.

De restrictieve omschrijving van «voorziening» wordt opgenomen in artikel 2:374 lid 1 BW. Rechtspersonen kunnen nog slechts voorzieningen op hun balans opnemen tegen bestaande of waarschijnlijke verplichtingen. Alleen voor rechtspersonen die niet voor de IAS kiezen, blijft de mogelijkheid van kostenegalisatievoorzieningen bestaan (het huidige artikel 2:374 lid 1, onder c, BW) om geen onnodige verschillen met de fiscale definitie van «voorziening» in het leven te roepen.

De regels met betrekking tot de in de consolidatie op te nemen rechtspersonen (artikel 2:406 BW) worden gewijzigd. De uitbreiding van de reikwijdte tot rechtspersonen waarop de moedermaatschappij een overheersende invloed kan uitoefenen, wordt in lid 1 neergelegd. De vrijstelling voor dochtermaatschappijen met afwijkende bedrijfsactiviteiten uit lid 3 wordt geschrapt.

Artikel 2:391 BW wordt gewijzigd in verband met de minimumvoorschriften die de moderniseringsrichtlijn aan de inhoud van het jaarverslag stelt. Deze nieuwe voorschriften voor het jaarverslag zijn in beginsel op alle rechtspersonen van toepassing ongeacht of de IAS worden toegepast. Kleine rechtspersonen worden evenwel door artikel 2:396 BW vrijgesteld van de verplichting om aandacht te besteden aan niet-financiële prestatie-indicatoren. Een dergelijke verplichting is voor kleine rechtspersonen een onevenredig zware belasting. De mogelijkheid om het geconsolideerde en enkelvoudige jaarverslag samen te voegen behoeft geen implementatie. Artikel 2:391 BW vereist slechts één jaarverslag waarin informatie wordt gegeven over zowel de moedermaatschappij als de in de consolidatie opgenomen ondernemingen.

De verplichte elementen van de accountantsverklaring en de strekking die deze kan aannemen, worden verwerkt in lid 5 en een nieuw lid 6 van artikel 2:393 BW. Deze zijn voor Nederland de bevestiging van een bestaande praktijk. De nieuwe regels ten aanzien van de beknopte openbaarmaking van de jaarrekening en het jaarverslag worden neergelegd in artikel 2:395 lid 2 BW. De mogelijkheid van een voor de geconsolideerde en de enkelvoudige jaarrekening gecombineerde accountantsverklaring behoeft niet te worden verwerkt in titel 9. De accountantsverklaring ten aanzien van de enkelvoudige jaarrekening van de moedermaatschappij omvat immers tevens de geconsolideerde jaarrekening.

De wijzigingen in de bankenrichtlijn en de verzekeringsrichtlijn worden geïmplementeerd in de bijzondere afdelingen 14 (voor banken) en 15 (voor verzekeraars). De bijzondere afdelingen verklaren een groot deel van de algemene bepalingen van overeenkomstige toepassing op banken en verzekeraars, waardoor de meeste van bovengenoemde aanpassingen in titel 9 hierin automatisch doorwerken. Dit vereist derhalve geen aanpassing van de afdelingen 14 en 15. Wel dienen deze afdelingen op enkele punten aangepast te worden om rekening te houden met de waardering tegen de ruimer dan voorheen gedefinieerde actuele waarde, waarvan de definitie reeds in de algemene bepalingen en het Besluit waardering activa is verwerkt.

Vooral de aanpassing van de verzekeringsrichtlijn aan de IAS maakt een aantal aanpassingen noodzakelijk. Dit komt met name tot uiting in de waarderingsregels voor verzekeraars in de artikelen 2:438 en 442 BW. Daarnaast worden de artikelen 2:428–430 BW aangepast om de mogelijkheid van een gedifferentieerde benadering van bepaalde categorieën beleggingen voor verzekeraars te implementeren. Ten slotte maken de informatieverplichtingen van de nieuwe artikelen 2:381a en 381b BW enkele informatieverplichtingen in de afdelingen 14 en 15 overbodig, zodat die kunnen worden geschrapt.

4. Lasten voor het bedrijfsleven

Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is aandacht besteed aan de vraag hoe de richtlijnen en de opties uit de verordening zodanig geïmplementeerd konden worden, dat de eventuele administratieve lasten zoveel mogelijk beperkt zouden blijven. Vooropgesteld wordt dat de verplichting voor beursgenoteerde ondernemingen om de IAS toe te passen en mogelijk daarmee gepaard gaande administratieve lasten rechtstreeks uit de IAS-verordening voortvloeien. Daar komt bij dat de Nederlandse regels voor jaarverslaggeving al langer dicht bij die van de IAS liggen. Ten opzichte van veel andere lidstaten zijn de extra administratieve lasten dan ook beperkt. De Raad voor de Jaarverslaggeving is al in het begin van de jaren '90 begonnen met het binnen de grenzen van de EG-richtlijnen en titel 9 van boek 2 BW zoveel mogelijk omzetten van de IAS in richtlijnen voor de Nederlandse praktijk (zie voor een overzicht van de verschillen tussen de IAS en de Nederlandse BW- en RJ-regels: Richtlijnen voor de jaarverslaggeving van de Raad voor de Jaarverslaggeving, jaareditie 2003, richtlijn 920). En vanzelfsprekend bespaart toepassing van de IAS die ondernemingen die een buitenlandse beursnotering hebben het opstellen van verschillende jaarrekeningen. In de inleiding op het algemene deel van deze toelichting is hier al op ingegaan. Uit een in november 2000 gepubliceerd onderzoek van PricewaterhouseCoopers («International Accounting Standards in Europe. 2005 or now? The views of over 700 Chief Financial Officers») bleek dat vier van de vijf ondernemingen die reeds op IAS waren overgestapt, meer voor- dan nadelen hadden ondervonden van de overgang. Slechts voor 2% bracht de overgang meer problemen dan voordelen.

Slechts een fractie van alle rechtspersonen die een jaarrekening moeten opstellen, drijft een beursgenoteerde onderneming. Voor de overige rechtspersonen introduceert het wetsvoorstel geen verplichting om de IAS te hanteren. Integendeel, waar voorheen een verplichting gold om de jaarrekening op te stellen krachtens titel 9, staat nu de mogelijkheid open om te kiezen tussen titel 9 en de IAS. Niet-beursgenoteerde ondernemingen zullen kiezen voor de IAS indien zij daar baat bij hebben, bijvoorbeeld omdat deze zowel in Nederland als in het buitenland gebruikt kunnen worden of omdat ze zich willen voorbereiden op een beursnotering. In zulke gevallen is eerder sprake van lastenverlichting. Ook de door de IAS 39-richtlijn en de moderniseringsrichtlijn geboden mogelijkheid om bepaalde elementen van de IAS te hanteren, zoals de waardering van jaarrekeningposten tegen de actuele waarde met de hierbij behorende informatieverstrekking, betekent geen lastenverzwaring. Rechtspersonen worden tot niets verplicht; slechts indien zij dat wenselijk vinden, zullen zij gebruik maken van de geboden opties.

Het niet volgen van de optie in de IAS-verordening om uitstel te verlenen van de toepassing van de IAS tot 2007 voor twee nader gedefinieerde categorieën ondernemingen leidt evenmin tot verzwaring van de administratieve lasten. Hierboven zijn in paragraaf 2.1 reeds de redenen uiteengezet waarom geen gebruik wordt gemaakt van de optie. Wat betreft de eerste categorie ondernemingen die nu hun jaarrekening opstellen rekening houdend met US GAAP, zij daaraan toegevoegd dat het zeer onzeker is of uitstel voor hen tot minder administratieve lasten zou leiden. De verwachting dat de IAS en de US GAAP in 2007 dichter bij elkaar zullen staan door onderlinge aanpassingen in de systemen. Of deze verwachting wordt ingelost, is de vraag. Het verschil tussen de administratieve lasten van overgang van US GAAP naar IAS nu en de overgang in 2007 is daarom nu niet te overzien. Voor de andere categorie ondernemingen die enkel schuldinstrumenten ter beurze genoteerd hebben in een van de lidstaten, zou uitstel tot 2007 enkel leiden tot uitstel en niet tot vermindering van de administratieve lasten.

De twee in dit wetsvoorstel te implementeren richtlijnen bestaan voor het grootste gedeelte uit voor de lidstaten optionele bepalingen, waarbij de lidstaten ondernemingen kunnen verplichten of toestaan bepaalde jaarrekeningregels in acht te nemen. Deze zijn in het wetsvoorstel vrijwel allemaal als facultatieve bepaling aan het bedrijfsleven doorgegeven, zoals hierboven in het algemene deel van de toelichting is aangegeven. Ondernemingen kunnen ervan gebruik maken, zij zijn daartoe echter niet verplicht. Hieruit vloeien dus geen administratieve lasten voort.

Er zijn slechts enkele bepalingen op basis van de twee richtlijnen geïmplementeerd waaruit verplichtingen voor ondernemingen kunnen voortvloeien. Hieronder zullen de desbetreffende bepalingen nader worden bezien.

Allereerst de nieuwe verplichting om in de toelichting informatie te geven over financiële instrumenten die niet tegen de actuele waarde zijn gewaardeerd (artikel 2:381b BW). Deze verplichting betreft alleen middelgrote en grote rechtspersonen. De enige extra administratieve last ten opzichte van de huidige situatie betreft vastrentende waarden die zijn belegd, of vastrentende leningen waarbij de marktrente afwijkt van de afgesproken rente. De meeste ondernemingen zullen niet meer dan enkele van dergelijke instrumenten bezitten. De administratieve lasten zullen daarom beperkt blijven. De schatting bedraagt voor grote ondernemingen € 1 miljoen en voor middelgrote ondernemingen € 3 miljoen.

Artikel 2:391 lid 1 BW bevat een uitgebreidere beschrijving van de algemene criteria waaraan het jaarverslag moet voldoen. Deze bredere beschrijving zal echter nauwelijks leiden tot concreet andere informatie in het jaarverslag. Bovendien verschaft het merendeel van de ondernemingen al meer informatie in haar jaarverslag dan tot nu toe expliciet als minimum was voorgeschreven. Wel een relevante toevoeging is het voorschrift dat informatie over milieuaangelegenheden moet worden verstrekt. Deze informatie is echter enkel voor grote ondernemingen verplicht. Voor ondernemingen die reeds volgens de Wet milieubeheer verplicht zijn een milieuverslag op te stellen, zal dit onderdeel van het jaarverslag weinig extra lasten opleveren. Voor de overige ondernemingen zal er slechts beperkt sprake zijn van milieu-informatie die gevolgen heeft voor de financiële positie van de onderneming en die nodig is voor een goed begrip van de ontwikkeling, de positie en de resultaten van de onderneming. In artikel 2:391 BW wordt ook een voorschrift opgenomen informatie te verstrekken over personeelsaangelegenheden, dat eveneens enkel geldt voor grote ondernemingen. Dit voorschrift wijkt niet of nauwelijks af van de informatie over «de interne organisatiestructuur en personele bezetting» die nu al in RJ-richtlijn 400 (alinea 108) is opgenomen. Ook dit levert dus nauwelijks nieuwe administratieve lasten op. De schatting bedraagt voor grote ondernemingen € 2.4 miljoen.

Daarnaast moet ingevolge de toevoeging aan lid 2 van artikel 2:391 BW in het jaarverslag een beschrijving gegeven worden van de voornaamste risico's en ingevolge het derde lid aandacht worden besteed aan het beheer van risico's in geval van het hanteren van financiële instrumenten als hulpmiddelen ter afdekking van financiële risico's en aan de door de rechtspersoon gelopen prijs-, krediet-, liquiditeits- en kasstroomrisico's. Het verschaffen van deze informatie is tot op heden minder gebruikelijk en wanneer deze verplichting serieus wordt opgepakt, vergt dat wel enige extra tijd. Voor grote ondernemingen bedraagt de schatting € 4.8 miljoen. Voor het middenbedrijf zal hiermee minder tijd gemoeid zijn omdat dit onderwerp voor hen iets minder van belang is: naar schatting € 7.7 miljoen. Van belang is verder hierbij te bedenken dat het verplicht verstrekken van de informatie het bestuur van deze ondernemingen met de neus op de feiten drukt, en zo ook voor het ondernemingsbeleid tot meer doordachte beslissingen kan leiden.

De aanpassingen in de artikel 2:393 en 395 BW over het accountantsverslag vormen vooral een wettelijke vastlegging van wat reeds in de accountantsrichtlijnen is opgenomen en leveren aldus geen administratieve lasten op.

In artikel 2:406 leden 1 en 2 BW wordt de consolidatieplicht verruimd tot andere rechtspersonen dan de reeds in het huidige artikel 406 lid 1 genoemde, waarop hij een overheersende invloed of zeggenschap kan uitoefenen of waarover hij de centrale leiding heeft. «Kleine» groepen zijn hier uitgezonderd (artikel 2:407 BW). Daarnaast is het verbod geschrapt op consolidatie indien de onderneming activiteiten ontplooit die zo sterk van de activiteiten van de moedermaatschappij afwijken dat consolidatie strijdig zou zijn met het inzichtvereiste. Er zijn maar zeer weinig rechtspersonen die verbonden ondernemingen hebben die onder de nieuwe regels meegeconsolideerd moeten worden, zodat hier geen kwantificeerbare lasten zijn.

Van de wijzigingen in de bijzondere bepalingen in de afdelingen 14 en 15 voor banken en verzekeraars heeft alleen artikel 2:438 BW zelfstandig gevolgen voor de administratieve lasten. De afschaffing van de methoden waarbij beleggingsresultaten bij realisatie in de herwaarderingsreserve worden gehouden of zonder realisatie-eis uit de herwaarderingsreserve worden verwijderd, brengt naar schatting eenmalig € 100 000 aan administratieve lasten mee.

Ten slotte zijn er geen andere eenmalige lasten, zoals automatiseringskosten te verwachten.

Dit alles in ogenschouw nemend kan geconcludeerd worden dat het wetsvoorstel ten opzichte van de 0-meting geen substantiële toename van de administratieve lasten met zich brengt. Voor kleine ondernemingen heeft het voorstel geen kwantificeerbare gevolgen. Middelgrote ondernemingen zouden naar schatting te maken kunnen krijgen met een stijging van de administratieve lasten van € 10,7 miljoen en grote ondernemingen met € 8,2 miljoen. Ten opzichte van de 0-meting die onlangs is uitgevoerd voor de administratieve lasten die voortvloeien uit titel 9 van boek 2 BW, levert dit voor middelgrote bedrijven een verhoging van 3,2 % op, voor grote bedrijven een verhoging van 3,5 %.

Een voorontwerp van wet met memorie van toelichting is voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Het college heeft positief geadviseerd, maar adviseert een evaluatiebepaling op te nemen om over twee jaar de inschatting van de administratieve lasten te toetsen aan de praktijk, waarbij vooral aandacht geschonken zou moeten worden aan de lasten die worden veroorzaakt door de verplichting om in het jaarverslag informatie op te nemen over milieuaangelegenheden. Evaluatie van een wetswijziging is echter alleen zinvol als aan de uitkomsten van die evaluatie gevolgen verbonden kunnen worden. In het onderhavige geval gaat het om administratieve lasten die voortvloeien uit verplicht voorgeschreven richtlijnbepalingen. De inzet om de administratieve lasten van het jaarrekeningenrecht te beperken dient dan ook in EG-verband gedaan te worden, waarop ook het college in haar advies wijst. Het is dan ook het streven om bij nieuwe onderhandelingen aldaar alert te blijven ten aanzien van het beperken van de administratieve lasten.

Voorts gaat het college in op de toezegging dat het kabinet zal bezien of in titel 9 de verslaggeving voor banken en overige financiële instellingen aangepast moet worden met het oog op de vergelijkbaarheid tussen IAS-plichtige en niet IAS-plichtige instellingen. Het college adviseert hierbij te kiezen voor de optie die de minste administratieve lasten met zich brengt. Met dit advies zal in het vervolgtraject rekening worden gehouden, mede gelet op de kabinetsdoelstelling om tot een administratieve lastenreductie te komen.

Tot slot dringt het college erop aan naar mogelijkheden te zoeken om de financiële jaarstukken (als bedoeld in titel 9) en de fiscale jaarstukken beter op elkaar te laten aansluiten ter reductie van de administratieve lasten. Hiertoe is al een voorstel gedaan in een brief aan u van 15 april jl. (Kamerstukken II 2003/04, 29 515, nr. 8). In die brief is als een van de voorstellen tot vermindering van administratieve lasten, voortvloeiend uit de regelgeving van het Ministerie van Justitie, opgenomen een project rond XBRL (eXtensible Business Reporting Standard). Dit is een open standaard voor administratieve software en datatransmissie, die communicatie tussen bedrijven en overheid mogelijk maakt. Hiermee kan een standaardisering van de financiële informatie en verslaggeving bij bedrijven worden bereikt. Het ministerie van Financiën (Belastingdienst) is een van de betrokken partners met wie dit project zal worden uitgewerkt.

Artikelen

Artikel 117

In de kabinetsreactie op de Nederlandse corporate governance code (Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1) is het voornemen kenbaar gemaakt een wettelijke grondslag te creëren voor de toelating van de externe accountant tot de algemene vergadering van aandeelhouders van naamloze vennootschappen, alsmede de bevoegdheid van de externe accountant om daarin het woord te voeren. Het kabinet geeft daarmee gevolg aan aanbeveling 13 van de commissie corporate governance, naar haar voorzitter ook wel de commissie Tabaksblat genoemd. De wijziging van artikel 2:117 BW strekt tot uitvoering van dit voornemen.

Principe V.2 van de code geeft weer dat de externe accountant wordt benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Men vergelijke artikel 2:393 lid 2 BW. «Hierdoor wordt de onafhankelijke positie van de externe accountant ten opzichte van het bestuur versterkt». In dat kader is het gewenst dat wettelijk wordt verankerd dat de externe accountant bevoegd is de algemene vergadering bij te wonen en dat hij daarin antwoord kan geven op vragen van aandeelhouders over zijn wettelijke taak: het afgeven van een verklaring – positief of negatief – in verband met de jaarrekening. Artikel 2:117 lid 5 BW geeft geen grondslag voor het stellen van andere vragen aan de accountant. Het is aan de accountant om in een concreet geval te bepalen of een vraag inderdaad de accountantsverklaring betreft alsmede of en op welke wijze hij een dergelijke vraag beantwoordt. Zou de algemene vergadering de beantwoording door de accountant onvoldoende achten, dan kan zich dat vertalen in de intrekking van de opdracht. De inhoud van de jaarrekening is de primaire verantwoordelijkheid van het bestuur en dat dient daarover in de algemene vergadering van aandeelhouders verantwoording af te leggen.

De accountantsberoepsorganisatie Koninklijk NIVRA heeft in maart 2004 een ontwerp-gedragsrichtlijn gepubliceerd inzake het optreden van de accountant in de algemene vergadering van aandeelhouders. Deze richtlijn zal op 1 januari 2005 van kracht worden. De gedragsrichtlijn geeft aanwijzingen omtrent het optreden van de externe accountant tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders. Bij het opstellen van de gedragsrichtlijn is het NIVRA er reeds van uitgegaan dat aanbeveling 13 van de commissie Tabaksblat in wetgeving zal worden verankerd. Daarom wordt van de gelegenheid die het onderhavige wetsvoorstel biedt gebruik gemaakt om dit op korte termijn te regelen.

Artikel 362

Lid 8 van dit artikel implementeert de opties van artikel 5, onder a en b, IAS-verordening om het gebruik van de IAS mogelijk te maken voor de enkelvoudige jaarrekening van beursgenoteerde ondernemingen en voor de geconsolideerde en/of enkelvoudige jaarrekening van niet-beursgenoteerde ondernemingen. De eerste zin maakt een vrijwillige toepassing van de IAS in de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening mogelijk. Deze bepaling ziet niet op de geconsolideerde jaarrekening van beursgenoteerde ondernemingen omdat de verplichte toepassing van de IAS hiervoor reeds rechtstreeks uit de IAS-verordening voortvloeit. Lid 8 maakt duidelijk de IAS niet slechts vastgesteld moeten zijn door de IASB, maar dat zij tevens door de Commissie moeten zijn goedgekeurd volgens de procedure van artikel 3 IAS-verordening. De gekozen formulering zorgt voor een dynamisch systeem; nieuw vastgestelde en goedgekeurde standaarden werken rechtstreeks door in titel 9 zonder dat zij worden omgezet. Rechtspersonen kunnen nieuwe standaarden zonder vertraging toepassen.

Indien de geconsolideerde jaarrekening volgens de bepalingen van de IAS wordt opgesteld, dan is het mogelijk ook de enkelvoudige jaarrekening volgens deze bepalingen op te stellen.

Lid 9 bepaalt welke voorschriften uit titel 9 van toepassing blijven op rechtspersonen die de IAS toepassen op hun jaarrekening. Dit betreft de bepalingen omtrent het jaarverslag, de overige gegevens, de accountantscontrole en de publicatie uit de afdelingen 7 tot en met 10. De IAS regelen deze gebieden immers niet.

Een rechtspersoon die voor de IAS kiest, moet de bepalingen over de indeling van de balans en de winst- en verliesrekening en de toelichting daarop (afdelingen 3 tot en met 5 en 13 tot en met 15) en de bepalingen over de waardering van jaarrekeningposten (afdeling 6 en 13 tot en met 15) buiten toepassing laten. Dit zijn de onderwerpen waarop de IAS zich richten. Desondanks worden enkele artikelen uit deze afdelingen van toepassing verklaard op de enkelvoudige jaarrekening indien die volgens de IAS wordt opgemaakt. Het gaat met name om de kapitaalbeschermingsregels (de artikelen 2:365 lid 2, 373, 389 leden 6 en 8, en 390 BW) omdat de IAS geen kapitaalbescherming kennen. Voorgeschreven wordt dat bepaalde bedragen niet voor uitkering aan de aandeelhouders in aanmerking komen door deze op te nemen in niet-uitkeerbare reserves. Ten slotte blijven enkele informatieverplichtingen (de artikelen 2:383, 383b tot en met 383e en 389 lid 9 BW) waarop de IAS niet zien, van toepassing. Voor banken blijft artikel 2:421 lid 5 BW van toepassing.

Nu de wet uitdrukkelijk twee jaarrekeningstandaarden naast elkaar toelaat, is het des te meer van belang dat een rechtspersoon de gebruikers van de jaarrekening duidelijk informeert over zijn keuze. Daarom schrijft lid 10 voor dat de rechtspersoon in de toelichting aangeeft op basis van welke standaard de jaarrekening is opgesteld. De verplichting om in de jaarrekening aan te geven op grond van welke normen de jaarrekening is opgesteld, bestaat al voor ondernemingen met internationale vertakking die gebruik maken van de mogelijkheid in artikel 2:362 lid 1 BW. Met het voor iedereen geldende nieuwe lid 10 kan deze zin vervallen.

Artikel 374

Dit artikel regelt ter uitvoering van artikel 20 lid 1 vierde richtlijn de gevallen waarin voorzieningen op de balans mogen worden opgenomen. Artikel 1 lid 7 moderniseringsrichtlijn wijzigt artikel 20 vierde richtlijn naar aanleiding van de striktere definitie van IAS 37. Onder IAS 37 mag slechts een voorziening worden opgenomen tegen op de balansdatum bestaande verplichtingen die onvermijdbaar zullen leiden tot een uitstroom van middelen en waarvan de omvang op betrouwbare wijze kan worden geschat. Voorgesteld wordt artikel 2:374 BW conform artikel 1 lid 7 van de moderniseringsrichtlijn te wijzigen. De mogelijkheid om voorzieningen op te nemen tegen op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs valt te schatten (het huidige onderdeel b van lid 1), komt te vervallen. De term «risico's» is een onvoldoende afgebakende term die niet als onderscheidend criterium kan dienen omdat hij een breder gebied bestrijkt dan IAS 37.

Het huidige onderdeel c staat toe dat onder voorwaarden voorzieningen worden getroffen tegen toekomstige uitgaven. Deze zogenoemde kostenegalisatievoorzieningen strekken ertoe de kosten van eenmalige grote uitgaven gelijkmatig te verdelen over een aantal boekjaren. IAS 37 geeft deze mogelijkheid niet; er is immers geen sprake van een onvermijdbare verplichting. Het vormen van kostenegalisatievoorzieningen is echter een optie uit artikel 20 lid 2 vierde richtlijn die door de moderniseringsrichtlijn onaangetast is gelaten. Voorgesteld wordt dan ook om de mogelijkheid van kostenegalisatievoorzieningen te behouden voor rechtspersonen die de IAS niet toepassen. Het gebruik van de term uitgaven in plaats van kosten is een verbetering van de formulering van de regeling zonder inhoudelijke consequenties.

Artikel 379

Het huidige lid 2 onder b verwijst naar rechtspersonen die hun balans of geconsolideerde balans overeenkomstig de vermogensmutatiemethode (artikel 2:389 leden 1 tot en met 8 BW) opstellen. De wijziging in lid 2 onder b is het gevolg van de vervanging van het huidige artikel 2:389 lid 8 BW. Het nieuwe lid 8 heeft geen betrekking op de vermogensmutatiemethode.

Artikel 381a

Dit artikel geeft uitvoering aan de artikelen 42quinquies vierde richtlijn en 34, onder 14, zevende richtlijn. Het gaat om de aanvullende informatie die in de toelichting moet worden opgenomen indien financiële instrumenten tegen de actuele waarde worden gewaardeerd. Indien de actuele waarde is bepaald met behulp van waarderingsmodellen en -technieken, dan moeten de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen, worden vermeld (onder a).

Daarnaast moet per categorie van financiële instrumenten worden weergegeven wat de actuele waarde is en wat de gevolgen van de waardering tegen de actuele waarde zijn voor de balans (de reserves) en de winst- en verliesrekening zijn (onder b). Hiertoe moeten de waardeveranderingen die rechtstreeks zijn opgenomen in de winst- en verliesrekening worden toegelicht, alsmede de waardeveranderingen die op de balans in de herwaarderingsreserve tot uitdrukking zijn gebracht.

Per categorie afgeleide financiële instrumenten moet vanwege het risico dat zij met zich meebrengen een aanvullende toelichting worden gegeven (onder c). Van belang zijn de omvang en de aard van de instrumenten. Ook de relevante voorwaarden die op het bedrag, het tijdstip en de zekerheid van toekomstige kasstromen van invloed kunnen zijn, moeten worden vermeld zodat de gebruikers van de jaarrekening zich een oordeel kunnen vormen over de toekomstige actuele waarde.

Ten slotte moet op grond van de IAS 39-richtlijn een overzicht worden gegeven van de veranderingen gedurende het boekjaar in de herwaarderingsreserve van artikel 2:390 BW. Dit overzicht kan van belang zijn voor het bieden van inzicht in de waardeveranderingen van instrumenten die niet in de winst- en verliesrekening tot uiting komen. Dit voorschrift behoeft niet te worden geïmplementeerd in dit artikel, omdat artikel 2:378 lid 1 BW daarin reeds voorziet.

Artikel 381b

Ook bepaalde categorieën financiële instrumenten die niet tegen de actuele waarde zijn gewaardeerd, moeten worden toegelicht, aldus artikel 43 lid 1, onder 14 onderdelen a en b, vierde richtlijn en 34, onder 15 onderdelen a en b, zevende richtlijn. De omvang, de aard en de actuele waarde van iedere categorie van afgeleide financiële instrumenten die niet tegen de actuele waarde wordt gewaardeerd voor zover die kan worden bepaald, moet wel uit de toelichting blijken (onder a, onderdelen 1° en 2°).

Financiële instrumenten die financiële vaste activa zijn, kunnen op grond van de tweede zin van artikel 2:387 lid 4 BW tegen een lagere waarde dan de historische kostprijs worden gewaardeerd. Artikel 2:381b, onder b, onderdelen 1° en 2°, BW bepaalt welke informatie moet worden verstrekt indien bij dergelijke instrumenten die tegen de historische kostprijs zijn gewaardeerd, geen gebruik is gemaakt van artikel 2:387 lid 4 BW. Dit betekent dat de instrumenten in de jaarrekening van de rechtspersoon overgewaardeerd zijn ten opzichte van de actuele waarde. Daarom moet in de toelichting melding worden gemaakt van de actuele waarde en van de reden waarom de boekwaarde niet aan de actuele waarde is aangepast en dus waarom geen verlies is genomen. Hiertoe zet de rechtspersoon uiteen waarom hij overtuigd is dat de hogere boekwaarde kan worden gerealiseerd.

Voorgesteld wordt gebruik te maken van de mogelijkheid uit de moderniseringsrichtlijn om kleine rechtspersonen vrij te stellen van de informatieverplichting voor financiële instrumenten die niet tegen de actuele waarde worden gewaardeerd. De gedachte hierachter is dat waardering tegen de actuele waarde voor dergelijke rechtspersonen vrijwel altijd optioneel is. Daarom zou het voor rechtspersonen die hiervoor niet kiezen een onredelijke belasting zijn om in de toelichting toch informatie over de actuele waarde op te nemen. De vrijstelling wordt opgenomen in artikel 2:396 lid 5 BW. Kleine rechtspersonen die wel voor de actuele waarde kiezen, en die dus de aanvullende toelichting van artikel 2:381a BW moeten geven, kunnen niet worden vrijgesteld.

Artikel 384

Dit artikel regelt de waardering van activa en passiva. Als waarderingsgrondslagen komen van oudsher in aanmerking de historische kostprijs, in de vorm van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde, zoals toegepast overeenkomstig het Besluit waardering activa. De actuele waarde mag tot nu toe voor een beperkt aantal posten worden gebruikt: materiële en financiële vaste activa en voorraden.

Internationale ontwikkelingen die onder meer tot uitdrukking komen in de IAS laten in steeds verdergaande mate het gebruik van de actuele waarde voor de waardering van activa en passiva toe. Het gaat met name om de waardering van financiële instrumenten, beleggingen en agrarische voorraden. De IAS 39-richtlijn en de moderniseringsrichtlijn staan toe de waardering tegen actuele waarde uit te breiden voor rechtspersonen die niet voor de IAS hebben gekozen. Voorgesteld wordt deze mogelijkheid te gebruiken voor de enkelvoudige en de geconsolideerde jaarrekening, zodat rechtspersonen binnen de grenzen van de vierde en zevende richtlijn bij meer jaarrekeningposten dan voorheen kunnen kiezen of zij die tegen de actuele waarde of tegen de historische kostprijs waarderen.

Op grond van de IAS 39-richtlijn staat de waardering tegen de actuele waarde open bij bepaalde financiële instrumenten, waaronder ook afgeleide financiële instrumenten worden begrepen (artikel 42bis lid 1 vierde richtlijn). Afgeleide financiële instrumenten kennen dikwijls geen historische kostprijs, maar kunnen wel degelijk een actuele waarde hebben. Omdat het wenselijk is afgeleide instrumenten in de balans op te nemen, is een andere waarderingsmaatstaf nodig dan de historische kostprijs die tot op heden door de vierde en zevende richtlijn was voorgeschreven. Het Besluit waardering activa zal de grenzen bepalen van de waardering van financiële instrumenten tegen de actuele waarde.

De moderniseringsrichtlijn staat toe ook andere activa dan financiële instrumenten te waarderen tegen de verruimd gedefinieerde actuele waarde (artikel 42sexies vierde richtlijn), om de toepassing van enkele IAS die de waardering tegen de actuele waarde toestaan (zoals IAS 40 inzake vastgoedbeleggingen en IAS 41 inzake agrarische producten) mogelijk te maken.

Een wijziging in lid 1 van dit artikel bewerkstelligt de ruimere toepassingsmogelijkheid van de actuele waarde. De tweede zin van dit lid bepaalt dat de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde als waarderingsgrondslag in aanmerking komen. De beperking «voor de materiële en financiële vaste activa en de voorraden» komt daarmee te vervallen. De verruimde omschrijving van actuele waarde uit artikel 42ter vierde richtlijn wordt op grond van lid 4 verwerkt in het Besluit waardering activa.

Lid 2 bevat enkele uitgangspunten die bij de waardering van activa en passiva in acht moeten worden genomen, zoals het voorzichtigheids- en realisatiebeginsel. Het realisatiebeginsel houdt in dat waardeveranderingen van jaarrekeningposten slechts in het resultaat tot uiting mogen worden gebracht indien zij daadwerkelijk zijn gerealiseerd op de balansdatum. Ongerealiseerde waardeveranderingen moeten in reserves worden opgenomen. Dit beginsel staat eraan in de weg dat waardeveranderingen van posten die tegen de actuele waarde zijn gewaardeerd onmiddellijk in het resultaat tot uiting komen. Onder de huidige wet betreft dit materiële en financiële vaste activa en voorraden voor zover die tegen de actuele waarde werden gewaardeerd. Op dit punt en op het punt van de immateriële vaste activa voor zover die tegen de actuele waarde worden gewaardeerd, beoogt het wetsvoorstel geen wijziging. Voor deze activa blijft het realisatiebeginsel van kracht. Voor financiële instrumenten die tegen actuele waarde worden gewaardeerd betekent de regeling van dit artikel in combinatie met de regeling in artikel 2:390 BW dat de waardeverandering hetzij onmiddellijk hetzij bij vervreemding van het instrument, als resultaat wordt genomen.

De wijziging in de laatste zin van lid 2 beperkt het voorzichtigheidsbeginsel tot verplichtingen ingevolge wijziging van artikel 31 lid 1, onder c, sub bb, vierde richtlijn. Voorheen sloeg deze bepaling op een ruimere categorie risico's en verliezen. De toevoeging van de nieuwe zin aan lid 2 biedt de mogelijkheid dat rechtspersonen die niet voor de IAS kiezen bij de resultaatsbepaling acht kunnen slaan op voorzienbare verplichtingen en mogelijke verliezen die hun oorsprong hebben voor het einde van het betreffende boekjaar en die bekend zijn geworden voor het opmaken van de jaarrekening. Deze toevoeging vloeit voort uit het nieuwe facultatieve artikel 31 lid 1bis vierde richtlijn.

Waardeveranderingen van activa die niet onmiddellijk als resultaat worden verantwoord, komen rechtstreeks in het eigen vermogen tot uiting in de herwaarderingsreserve (artikel 2:390 BW). De IAS en de artikelen 42quater lid 1 eerste volzin, 42sexies en 42septies van de vierde richtlijn maken het loslaten van het realisatiebeginsel wel mogelijk voor financiële instrumenten, beleggingen en agrarische voorraden. Deze faciliteit is opgenomen in artikel 2:384 lid 7 BW. Waardeveranderingen van financiële instrumenten, beleggingen (niet zijnde financiële instrumenten) en agrarische voorraden die tegen de actuele waarde worden gewaardeerd, kunnen onmiddellijk in het resultaat tot uiting worden gebracht.

Lid 8 implementeert artikel 42quater lid 1 onder a van de vierde richtlijn teneinde hedge accounting mogelijk te maken. Hedge accounting is een gebied dat in ontwikkeling is. Met name de vraag wanneer een hedge effectief is om ook in de verslaggeving als hedge te kunnen worden opgenomen zal in de praktijk zijn uitwerking moeten vinden.

Artikel 387

Het begrip «marktwaarde» wordt vervangen door het ruimere begrip «actuele waarde» (zie verder paragraaf 2.2 van het algemene deel van de toelichting).

Artikel 389

Het wetsvoorstel houdt de band tussen de geconsolideerde en de enkelvoudige jaarrekening van de rechtspersoon (artikel 2:406 lid 1 BW) in stand. Uit het oogpunt van beperking van de administratieve lasten verdient het de voorkeur dat de rechtspersoon de wijze van resultaatbepaling die in de geconsolideerde jaarrekening wordt gehanteerd ook voor de enkelvoudige jaarrekening toepast. De rechtspersoon beschikt immers al over de daarvoor benodigde informatie. Bovendien kan het zijn dat de moedermaatschappij eigen activiteiten ontwikkelt en uit dien hoofde activa, passiva, omzet en kosten heeft, die ten behoeve van de consolidatie volgens de IAS gewaardeerd moeten worden. Door in de enkelvoudige jaarrekening de deelnemingen volgens artikel 2:389 lid 1 BW te waarderen, wordt de gelijkheid tussen het geconsolideerd vermogen en resultaat en enkelvoudig vermogen en resultaat bereikt. De recente wijziging van de IAS-voorschriften voor de enkelvoudige jaarrekening leidt er echter toe dat deze wijze van presentatie niet langer kan worden gehandhaafd als de rechtspersoon IAS ook in de enkelvoudige jaarrekening toepast.

Gezien het feit dat toepassing van de IAS kan leiden tot waardering tegen de actuele waarde voor meer categorieën activa en zelfs passiva dan thans gebruikelijk is onder titel 9, dient een aantal bepalingen te worden geformuleerd om de aldus getoonde waardeveranderingen als niet-uitkeerbare reserve te bestempelen. Dit doet recht aan de kapitaalbeschermingsregels van de tweede richtlijn (Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976, PbEG L 26) die tot doel hebben te voorkomen dat crediteuren worden benadeeld. In de huidige artikelen 2:389 en 390 BW is een aantal kapitaalbeschermingsregels opgenomen. Deze dienen te worden aangepast.

De tekst van artikel 2:389 lid 6 BW, dat op grond van artikel 2:362 lid 9 BW ook van toepassing is op rechtspersonen die de IAS hanteren, is aangepast om tot uitdrukking te brengen dat deze reserve alleen wordt gevormd met betrekking tot deelnemingen waarvan de positieve resultaten niet zijn uitgekeerd en waarvan de rechtspersoon de dividenduitkering niet zonder beperkingen kan bewerkstelligen. De huidige tekst spreekt van uitkering in Nederland. Met de wetswijziging is beoogd is dat de uitkeringen binnen de macht van de moedermaatschappij komen. Met uitkeringen zijn gelijk te stellen rechtstreekse vermogensverminderingen bij de dochter, bijvoorbeeld als gevolg van de inkoop van eigen aandelen door de dochter of van valutakoersdalingen over de resultaten waarvoor de reserve is gevormd. Met resultaten waarvoor een reserve moet worden gevormd, zijn valutakoersstijgingen van ingehouden winsten gelijk te stellen. Zij kunnen aan deze reserve of de in lid 8 bedoelde reserve worden toegevoegd.

Het huidige lid 8 wordt vervangen. De hierin voorgeschreven waarderingsmethode is in strijd met de IAS en wordt niet voorgeschreven door de gemoderniseerde vierde richtlijn. De bepaling van het voorgestelde lid 8 codificeert de huidige praktijk van de omrekening van buitenlandse deelnemingen naar de rapportagevaluta van de moedermaatschappij (artikel 42quater lid 1 onder b vierde richtlijn). De bepaling is nodig om het verschil met de herwaarderingsreserve duidelijk te maken. Met name het mogelijk negatieve saldo van deze reserve verdient regeling. Indien de reserve omrekeningsverschillen een negatief saldo vertoont, vermindert de hoogte van de uitkeerbare reserves met een bedrag gelijk aan dit saldo. Lid 8 bedoelt niet de bij bepaalde ondernemingen gangbare praktijk te verbieden waarbij die in lid 6 bedoelde reserve wordt gemuteerd als gevolg van valutakoerswijzigingen van ingehouden resultaten waarvoor die reserve is gevormd. Het nieuwe lid 8 geldt op grond van artikel 2:362 lid 9 BW ook voor rechtspersonen die de IAS toepassen.

Voor rechtspersonen die een afwijking tussen hun vennootschappelijke vermogen en resultaat en hun geconsolideerde vermogen en resultaat rapporteren, biedt lid 9 daartoe zowel nu als in het wetsvoorstel de mogelijkheid. Lid 9 is van toepassing op zowel rechtspersonen die de IAS gebruiken (op grond van artikel 2:362 lid 9 BW) als rechtspersonen die dat niet doen. Ingevolge de nieuwe tekst dienen verschillen in het resultaat en het eigen vermogen volgens de geconsolideerde jaarrekening en volgens de enkelvoudige jaarrekening te worden toegelicht.

Artikel 390

Dit artikel is gewijzigd om rekening te houden met de wijzigingen van artikel 2:384 BW die voortvloeien uit de IAS 39-richtlijn en met de toepassing van de IAS. Het artikel geldt op grond van artikel 2:362 lid 9 BW ook voor ondernemingen die de IAS toepassen. Er wordt een wettelijke reserve (herwaarderingsreserve) voorgeschreven voor vaste activa en vlottende activa waarvoor de rechtspersoon een stelsel hanteert waarin de waardevermeerderingen niet onmiddellijk als resultaat worden verantwoord. Dit is conform de thans geldende systematiek voor de herwaarderingsreserve. Artikel 42quater leden 1 en 2 vierde richtlijn verlangt dat voor bepaalde financiële activa en voor verplichtingen met een handelskarakter en afgeleide financiële instrumenten wordt toegestaan opgetreden waardeveranderingen onmiddellijk in de winst- en verliesrekening op te nemen. Het gevolg daarvan is dat voor eventueel daarbij optredende waardevermeerderingen geen herwaarderingsreserve wordt gevormd, maar dat deze ten gunste van het resultaat komen. Ook voor vastgoedbeleggingen kunnen op grond van IAS 40 waardeveranderingen in vastgoed bij waardering tegen de actuele waarde onmiddellijk als resultaat worden geboekt zodra deze worden geconstateerd. Dit geldt eveneens voor bepaalde agrarische voorraden op grond van IAS 41. Indien de situaties van artikel 42quater lid 1 onder a (hedge accounting) en b (wisselkoersverschillen in geval van deelnemingen) zich voordoen, dienen de waardeveranderingen rechtstreeks in het eigen vermogen te worden opgenomen, zie respectievelijk artikel 2:384 lid 8 en artikel 2:389 lid 8 BW.

Indien ongerealiseerde waardevermeerderingen als resultaat worden geboekt, zou volgens de kapitaalbeschermingsregels voor het bedrag van dat resultaat een wettelijke reserve moeten worden gevormd. Deze regels hebben alleen zin indien de activa niet onmiddellijk tegen een genoteerde prijs op een liquide markt kunnen worden verkocht; met andere woorden, indien een transactie van belang is voor het vaststellen van de werkelijke marktwaarde. Dit is het geval bij vastgoed, agrarische producten die niet de vorm van een eindproduct hebben, of niet-beursgenoteerde financiële instrumenten.

Indien voor activa waarvan een waardestijging onmiddellijk bij constatering als resultaat is verantwoord een wettelijke reserve moet worden gevormd, kan dit technisch gezien slechts door uit de vrije reserves of uit het nog niet verdeelde resultaat een bedrag als niet-uitkeerbare reserve te bestemmen. Voor ter beurze genoteerde effecten, afgeleide financiële instrumenten en vele soorten financiële instrumenten in vreemde valuta is het echter niet nodig om deze resultaten als niet-uitkeerbaar te bestempelen omdat ze het gevolg zijn van goed waarneembare ontwikkelingen op liquide markten. Daarom worden geen wettelijke reserves voorgesteld voor waardeveranderingen van passiva en afgeleide financiële instrumenten die als resultaat zijn verantwoord en evenmin voor resultaten uit hoofde van vlottende activa die probleemloos elk moment tegen geldende marktprijzen kunnen worden verkocht.

De IAS 39-richtlijn schrijft echter voor waardeverminderingen van financiële instrumenten die dienen ter afdekking van risico's op niet op de balans opgenomen posities, zoals activa in bestelling, voorlopig niet als verlies te boeken omdat zij worden gecompenseerd door waardestijgingen van de afgedekte posities (dit wordt wel «hedge accounting» genoemd) (artikel 42quater lid 1 onder a vierde richtlijn). Dergelijke waardeverminderingen komen als een vermindering van de reserves tot uitdrukking. Het is van belang dat de vrije reserves tot het bedrag van die verliezen niet voor uitkering vatbaar zijn en dus intact blijven.

Met lid 3 wordt bereikt dat de gehele herwaarderingsreserve als niet uitkeerbare reserve is te bestempelen en op individuele basis moet worden bijgehouden. Na de vervreemding van activa waarop de herwaardering betrekking had, wordt de herwaarderingsreserve afhankelijk van de methode van resultaatbepaling naar de vrije reserves of naar de winst- en verliesrekening overgeboekt (artikel 42quater lid 3 vierde richtlijn). Tot dusver stond het de ondernemingsleiding vrij de herwaarderingsreserve al dan niet intact te laten ook voorzover het geen wettelijke reserve om redenen van kapitaalbescherming betrof. Dit leidde tot verwarring omtrent het al dan niet (gedeeltelijk) uitkeerbaar zijn van de herwaarderingsreserve.

Artikel 391

Dit artikel stelt regels aan de inhoud van het jaarverslag. Het jaarverslag moet een getrouw beeld geven omtrent de toestand op de balansdatum en de gang van zaken gedurende het boekjaar. Deze eis, die volgt uit artikel 46 vierde richtlijn, is zodanig ruim geformuleerd dat zij in de verschillende lidstaten uiteenlopend wordt uitgelegd. De moderniseringsrichtlijn stelt aanvullende eisen om in de Europese Unie een verdergaande harmonisatie van de regels betreffende het jaarverslag te bewerkstelligen, zonder afbreuk te doen aan het onderliggende beginsel van getrouwheid. Dit komt de transparantie en vergelijkbaarheid voor de gebruikers van het jaarverslag ten goede. Er zijn bewust geen gedetailleerde voorschriften gegeven. In plaats daarvan biedt de moderniseringsrichtlijn minimumvoorschriften, gebaseerd op de geldende beste praktijktoepassingen en de informatieverplichtingen waarin de IAS voorzien, waarmee gemakkelijk op toekomstige ontwikkelingen kan worden ingespeeld.

Het jaarverslag biedt conform de omvang en de complexiteit van de rechtspersoon en de groepsmaatschappijen ten minste een getrouw overzicht van de toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten en van de voornaamste risico's en onzekerheden waarmee zij worden geconfronteerd. Dit overzicht wordt geboden door een evenwichtige en volledige analyse. Het kan nodig zijn daarbij aandacht te besteden aan niet-financiële essentiële prestatie-indicatoren, waaronder de milieu- en personeelsaangelegenheden die nodig zijn voor een goed begrip van de ontwikkeling, de resultaten en de positie van de vennootschap. Dit voorschrift is overgenomen in artikel 2:391 lid 1 BW. Voor de milieuaangelegenheden verwijst de richtlijn in de overwegingen naar de Aanbeveling 2001/453/EG van 30 mei 2001 van de Commissie betreffende de verantwoording, waardering en vermelding van milieuaangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen (PbEG 2001 L 156/33). Deze aanbeveling is opgesteld om het milieubeleid dat verband houdt met de interne markt te ondersteunen door meer specifieke richtsnoeren te geven over de verantwoording, waardering en vermelding van milieu-aangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen. Hierdoor hoopt zij te bevorderen dat gebruikers van jaarrekeningen zinvolle en vergelijkbare informatie over milieuaangelegenheden ontvangen. Het gaat om informatie over de gevolgen van milieurisico's en -verplichtingen voor de financiële positie van de onderneming, over de houding van de onderneming tegenover het milieu en over de milieuprestaties van de onderneming voor zover deze gevolgen kunnen hebben voor de financiële positie van de onderneming.

Aangezien artikel 46 lid 1 enkel ziet op het jaarverslag, is slechts een onderdeel van de aanbeveling hier van belang. Het gaat hier met name om paragraaf 4, punt 2. Daarin wordt aanbevolen, samengevat, de volgende informatie te verstrekken:

a. het beleid en de programma's die door de onderneming zijn vastgesteld op het gebied van milieubescherming, met name met het oog op het voorkomen van verontreiniging;

b. de verbeteringen die sinds de invoering van het beleid op belangrijke gebieden van milieubescherming tot stand zijn gebracht;

c. de mate waarin milieubeschermingsmaatregelen op basis van wetgeving ten uitvoer zijn of worden gelegd;

d. informatie over de milieuprestaties van de onderneming, zoals energie-, materiaal- en watergebruik, emissies en afvalverwijdering, mits passend en van belang voor de aard en omvang van de onderneming;

e. indien de onderneming een afzonderlijk milieuverslag uitbrengt, een verwijzing naar dat verslag. Voor de onder d genoemde informatie, zou kunnen worden volstaan met een beknopte beschrijving van de milieuaangelegenheid, onder verwijzing naar het milieuverslag.

Wat betreft de informatie die over personeelsaangelegenheden vermeld dient te worden geeft de richtlijn zelf geen aanknopingspunten ter nadere uitleg wat daaronder verstaan moet worden. Het is echter al sinds jaar en dag een goed gebruik informatie over personeelsaangelegenheden op te nemen in het jaarverslag, zodat dit voorschrift weinig problemen zal opleveren. Ten overvloede zij hier vermeld dat het er ook hier om zal gaan te bevorderen dat gebruikers van jaarrekeningen zinvolle en vergelijkbare informatie over personeelsaangelegenheden ontvangen, voor zover die gevolgen hebben voor de financiële positie van de onderneming.

Er is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die het nieuwe artikel 46 lid 4 vierde richtlijn biedt, om middelgrote ondernemingen uit te zonderen van de verplichting niet-financiële informatie op te nemen in hun jaarverslag: zie artikel 2:397 lid 7 BW. Kleine ondernemingen zijn al geheel vrijgesteld van de verplichting een jaarverslag op te stellen (artikel 2:396 lid 6 BW).

Artikel 46 lid 1 vierde richtlijn maakt een aanvulling op lid 2 nodig, die wordt opgenomen in een nieuw derde lid. Het hanteren van complexe financiële instrumenten als hulpmiddelen ter afdekking van financiële risico's kan aanleiding geven tot het ontstaan van nieuwe soorten risico's. Het jaarverslag moet aandacht besteden aan de doelstellingen en strategieën op het gebied van het beheer van deze risico's. Tevens moet worden ingegaan op de door de rechtspersoon gelopen prijs-, krediet-, liquiditeits- en kasstroomrisico's.

De aanvulling in lid 3 schrijft voor dat het jaarverslag verwijzingen naar en aanvullende uitleg over bepaalde bedragen in de jaarrekening bevat indien dat noodzakelijk is voor een getrouw beeld. Dit komt de toegankelijkheid van het geheel van jaarrekening en jaarverslag ten goede. Het is uiteraard niet de bedoeling dat het jaarverslag informatie bevat die in de jaarrekening thuishoort.

Artikel 393

In beginsel is elke (middel-)grote vennootschap verplicht de jaarrekening te laten controleren door een accountant. Deze verplichting, alsmede de voorschriften voor het onderzoek van de jaarrekening dat door een accountant moet worden uitgevoerd, zijn in dit artikel neergelegd. De interpretatie van deze aan de vierde en zevende richtlijn ontleende voorschriften heeft niet tot de verwachte mate van harmonisatie van de kwaliteit van de accountantscontrole binnen de EU geleid. Dit doet afbreuk aan de vergelijkbaarheid en inzichtelijkheid van de jaarverslaggeving ten koste van de gebruikers van de jaarrekening.

In artikel 51 lid 1 vierde richtlijn worden de voorschriften ten aanzien van de accountantscontrole aangescherpt. De accountant zal op grond van de gewijzigde achtste richtlijn (richtlijn 84/253/EEG van de Raad van 10 april 1984 inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden) bevoegd moeten zijn als externe accountant op te treden. Aan deze wijziging van de achtste richtlijn zal uitvoering worden gegeven in het nog in voorbereiding zijnde voorstel voor een Wet toezicht accountantsorganisaties. In dat wetsvoorstel zal ook artikel 2:393 lid 1 BW zodanig worden aangepast, dat het daarmee ook voldoet aan artikel 51 lid 1 vierde richtlijn. In artikel 2:393 lid 1 zal dan worden verwezen naar een accountant die zal zijn gemachtigd om die controle uit te voeren.

De aanpassingen in lid 5 en de invoeging van een nieuw lid 6 volgen uit artikel 51bis vierde richtlijn. Het betreft nadere voorschriften aan de inhoud van het accountantsverslag en de daarvan deel uitmakende verklaring omtrent de getrouwheid. Lid 5 benoemt een aantal verplichte elementen van het verslag. Zo moet worden vermeld welke jaarrekening aan de controle is onderworpen en welke wettelijke voorschriften hierop van toepassing zijn. Tevens moet de reikwijdte van het onderzoek worden beschreven, waarin ten minste wordt duidelijk gemaakt welke standaarden voor accountantscontrole (de richtlijnen voor de accountantscontrole, die geheel in overeenstemming zijn met de internationale ISA: international standards on auditing) in acht zijn genomen. Ook moet een oordeel worden afgelegd of de jaarrekening het in artikel 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht geeft en of zij voldoet aan de toepasselijke regels. De accountant geeft vervolgens in het verslag aan of hij op bepaalde aangelegenheden bijzondere aandacht wil vestigen, zonder dat hij in verband daarmee een goedkeurende verklaring met voorbehoud heeft afgegeven. Ten slotte wordt in het verslag vermeld of het jaarverslag verenigbaar is met de jaarrekening. Deze voorschriften betekenen een codificatie van de in ons land gegroeide praktijk.

De accountantsverklaring voor zover die betrekking heeft op de verklaring of de jaarrekening het vereiste inzicht geeft en voldoet aan de bij en krachtens de wet gestelde regels (lid 5 onderdeel c), kan vier mogelijke vormen aannemen zoals genoemd in lid 6, onder a tot en met d. Lid 6 bepaalt dat de accountant kan besluiten een goedkeurende verklaring, een verklaring met beperking, een afkeurende verklaring of een verklaring van oordeelonthouding af te leggen. Het accountantsverslag moet door de onderzoekende externe accountant worden ondertekend en van een dagtekening worden voorzien.

De leden 6 en 7 worden door invoeging van het nieuwe lid 6 vernummerd tot de leden 7 en 8.

Artikel 395

Dit artikel regelt in lid 2 de beknopte openbaarmaking van de jaarrekening. Deze modernisering voert de wijziging in artikel 49 vierde richtlijn uit.

Artikel 396

Kleine rechtspersonen worden van een aantal verplichtingen van titel 9 BW vrijgesteld, onder meer omdat deze verplichtingen voor hen te belastend zijn, of omdat toepassing ervan weinig zinvol wordt geacht vanwege het geringe maatschappelijke belang van de jaarrekening van kleine rechtspersonen. Voorgesteld wordt kleine rechtspersonen op grond van artikel 44 lid 1, vierde richtlijn vrij te stellen van de verplichting om voor iedere categorie afgeleide financiële instrumenten die niet tegen de actuele waarde worden gewaardeerd bepaalde informatie in de toelichting op te nemen. Het gaat om de informatie over de actuele waarde, de omvang en de aard van de instrumenten (artikel 2:381b, aanhef en onder a, BW). Deze vrijstelling is opgenomen in lid 5.

Artikel 397

Ook voor middelgrote rechtspersonen geldt een aantal vrijstellingen. Hieraan wordt de vrijstelling voor de verplichting in het jaarverslag aandacht te besteden aan niet-financiële prestatie-indicatoren toegevoegd (artikel 46 lid 4 vierde richtlijn). Deze vrijstelling is opgenomen in het nieuwe lid 7.

Artikel 398

Lid 3 wordt uitgebreid op grond van artikel 53bis vierde richtlijn waarin wordt bepaald dat de vrijstellingen voor kleine en middelgrote rechtspersonen voor wat betreft de verkorte balans, de aangepaste indeling van de winst- en verliesrekening, het jaarverslag, openbaarmakingseisen en de accountantscontrole, niet van toepassing zijn indien deze rechtspersonen beursgenoteerd zijn. De vrijstellingen van de artikelen 2:396 en 397 BW zijn gebaseerd op de economische omvang van de rechtspersoon. De reden om de vrijstellingen niet voor beursgenoteerde rechtspersonen toepasselijk te achten, ongeacht de economische omvang van de rechtspersoon, schuilt in het feit dat de IAS-verordening toepassing van de IAS door deze rechtspersonen verplicht stelt. Het gegeven dat de aandelen van een dergelijke rechtspersoon op een openbare kapitaalmarkt worden verhandeld, weegt zwaarder dan de omvang van het economisch belang. De openbare verhandeling van de aandelen stelt zware eisen aan de jaarverslaggeving van beursgenoteerde rechtspersonen. Om deze reden is het niet opportuun beursgenoteerde rechtspersonen vrij te stellen van bepaalde plichten ten aanzien van de jaarrekening en het jaarverslag.

De wijziging in lid 4 volgt uit het feit dat er geen omrekening van de grensbedragen van ecu naar gulden meer hoeft plaats te vinden. De eurobedragen kunnen rechtstreeks uit de vierde richtlijn worden overgenomen. In de nota van toelichting bij het Besluit van 7 februari 2004 tot verhoging van de grensbedragen, genoemd in de artikelen 396 lid 1 en 397 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2004, 54) naar aanleiding van de verhoging van de grensbedragen in de vierde richtlijn (Richtlijn 2003/38/EG van de Raad van 13 mei 2003, PbEG L 120) is reeds aangekondigd de zinsnede betreffende de afronding uit lid 4 te schappen.

Artikel 401

In lid 2 van dit artikel is bepaald dat beleggingsmaatschappijen hun beleggingen tegen marktwaarde mogen waarderen. Het begrip «marktwaarde» wordt ter implementatie van het gewijzigde artikel 60 vierde richtlijn vervangen door het ruimere begrip «actuele waarde» (zie verder paragraaf 2.2 van het algemene deel van de toelichting).

Artikel 406

In lid 1 van dit artikel is vastgelegd welke rechtspersonen een geconsolideerde jaarrekening opstellen; de rechtspersoon die aan het hoofd staat van een groep, neemt in de toelichting van zijn jaarrekening een geconsolideerde jaarrekening op van de eigen financiële gegevens met die van zijn dochtermaatschappijen in de groep en andere groepsmaatschappijen. Dit lid wordt aangepast aan de verruiming van de consolidatie in artikel 1 lid 2 zevende richtlijn. Indien de lidstaten kiezen voor deze facultatieve verruiming, moet een rechtspersoon in de consolidatie worden meegenomen indien de moedermaatschappij overheersende invloed op de rechtspersoon kan uitoefenen, ongeacht of deze een deelneming in het kapitaal van de betrokken onderneming bezit. Ook wanneer twee ondernemingen onder dezelfde centrale leiding staan, dienen deze te worden geconsolideerd. Deze aanvullingen beogen te voorkomen dat special purpose entities worden ontwikkeld waarmee men de consolidatieplicht kan ontlopen. Hiertoe wordt bepaald dat een groepshoofd verplicht wordt behalve zijn dochtermaatschappijen in de groep en andere groepsmaatschappijen tevens andere rechtspersonen in de consolidatie mee te nemen waarop hij overheersende invloed kan uitoefenen zonder dat een feitelijke zeggenschapsstructuur bestaat. De regering heeft deze facultatieve bepaling overgenomen, mede vanwege dit anti-misbruikkarakter van de bepaling. Maar ook omdat het onwenselijk wordt geacht dat er op dit punt onderscheid gemaakt wordt tussen ondernemingen die volgens de IAS rapporteren en ondernemingen die dat niet doen. Het ongewijzigd laten van dit artikel zou betekenen dat ondernemingen waarover een volgens het BW rapporterende rechtspersoon een overheersende invloed kan uitoefenen niet in de geconsolideerde jaarrekening opgenomen mogen worden, maar als het om een volgens de IAS rapporterende rechtspersoon gaat deze ondernemingen juist opgenomen moeten worden. Lid 2 van artikel 2:406 BW wordt langs dezelfde lijn aangepast.

Artikel 14 zevende richtlijn, dat is geïmplementeerd in artikel 2:406 lid 3 BW, is door de moderniseringsrichtlijn geschrapt. Het artikel schreef voor dat een onderneming niet in de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij mag worden opgenomen indien zij activiteiten ontplooit die zo sterk van de activiteiten van de moedermaatschappij afwijken dat consolidatie strijdig zou zijn met het inzichtvereiste. Thans wordt algemeen aanvaard dat strijd met het inzichtvereiste op die grond zelden of nooit wordt aangenomen en dat rechtspersonen met sterk afwijkende activiteiten toch in de consolidatie worden opgenomen. In navolging van het schrappen van artikel 14, wordt het huidige lid 3 van artikel 2:406 BW geschrapt.

De huidige leden 4, 5 en 6 zijn destijds opgenomen om te bewerkstelligen dat het hoofd van een groep die zelf geen bank of verzekeraar is (de topholding) nadere informatie geeft over de in zijn geconsolideerde jaarrekening opgenomen banken en verzekeraars overeenkomstig de bankenrichtlijn onderscheidenlijk de verzekeringsrichtlijn. De leden gelden als specifieke voorschriften in aanvulling op de algemene segmentatieplicht van artikel 2:380 BW. De noodzaak voor aanvullende voorschriften vloeide voort uit de verschillende methoden die beide richtlijnen voorschreven voor de waardering van jaarrekeningposten voor banken respectievelijk verzekeringsmaatschappijen. Gelet op het wettelijk vereiste inzicht werd daarom de eis gesteld dat inzicht wordt verschaft in de financiële gegevens van de in de consolidatie opgenomen banken en verzekeringsmaatschappijen overeenkomstig de eisen in de banken- en verzekeringsrichtlijn.

In de brief aan de Tweede Kamer van 25 juni 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 26 489, nr. 5) is reeds gewezen op de kennelijke wens van conglomeraten om in de jaarrekening het bank- en verzekeringsbedrijf zoveel mogelijk op gelijke wijze te verwerken. In de brief wordt verwezen naar het onderzoeksrapport «Transparantie in de verslaggeving van financiële conglomeraten» van de Amsterdam Research Center in Accounting (ARCA), dat in opdracht van het Ministerie van Financiën is geschreven. In dit rapport wordt onderkend dat de voorschriften van de leden 4, 5 en 6 «leiden tot een hoger niveau van gesegmenteerde informatieverstrekking dan buiten de financiële sector en ook internationaal gezien gebruikelijk is».

Doordat als gevolg van de moderniseringsrichtlijn en de IAS 39-richtlijn het ook voor banken en verzekeringsmaatschappijen toegestaan is om gelijkluidende balansposten op dezelfde manier te waarderen, is het consolideren van bank- en verzekeringsactiviteiten beter mogelijk geworden. Daardoor is de noodzaak voor aanvullende segmentatie-eisen grotendeels vervallen. Wat wel bijzonder blijft voor banken en verzekeringsmaatschappijen ten opzichte van andere ondernemingen is dat deze onder solvabiliteitstoezicht vallen waarvoor het eigen vermogen als basis dient. De term solvabiliteit past in dit verband beter dan eigen vermogen, omdat ook bepaalde onderdelen van het vreemd vermogen, zoals achtergestelde leningen, geaccepteerd worden in het solvabiliteitstoezicht. Daarom is het aanvullende voorschrift beperkt tot het geven van inzicht in de aanwezige solvabiliteit, zodat banken en verzekeringsmaatschappijen behalve de omzet (op grond van artikel 2:380 BW) ook het eigen vermogen naar activiteit moeten uitsplitsen. Daartoe worden de leden 4, 5 en 6 vervangen door de nieuwe leden 3 en 4. Deze beperking van de segmentatie-eis brengt een reductie van de administratieve lasten mee. Enerzijds omdat de segmentatieplicht zeer beperkt wordt, anderzijds omdat de term eigen vermogen vervangen wordt door solvabiliteit. Op deze wijze is aansluiting gezocht bij de informatie die ook voor het toezicht al beschikbaar is.

De formulering van lid 5 (het oude lid 7) is enigszins aangepast als gevolg van de verruimde consolidatieplicht in lid 1. Naast groepsmaatschappijen moet een rechtspersoon voortaan tevens de andere rechtspersonen waarop hij een potentieel overheersende invloed kan uitoefenen in zijn geconsolideerde jaarrekening opnemen. Met de zinsnede «in de consolidatie te betrekken maatschappijen» wordt beoogd deze ruimere consolidatiereikwijdte te omvatten.

De verwijzing in lid 5 naar artikel 2:426 lid 1 BW beoogt te bereiken dat slechts ten aanzien van in de consolidatie te betrekken banken en maatschappijen wier werkzaamheden rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen of die bestaan uit het verrichten van nevendiensten in het verlengde van het bankbedrijf, artikel 2:424 BW mag worden toegepast. Artikel 2:424 BW bepaalt dat op de balans om redenen van voorzichtigheid een post mag worden opgenomen ter dekking van de algemene risico's van het bankbedrijf. Als gevolg van de wijziging van artikel 2:426 lid 1 BW dient de verwijzing naar dit artikel in lid 5 te worden aangepast om te voorkomen dat ook ten aanzien van andere te consolideren maatschappijen artikel 2:424 BW mag worden toegepast.

Doordat in de moderniseringsrichtlijn artikel 14 zevende richtlijn en artikel 43 lid 2, onderdeel f, bankenrichtlijn zijn geschrapt is het consolideren van de bank- en verzekeringsactiviteiten verplicht geworden. De verruiming van de consolidatieplicht heeft ook gevolgen voor de bijzondere bepalingen in de afdelingen 14 en 15 ten aanzien van de geconsolideerde jaarrekening van banken (artikel 2:426 BW) onderscheidenlijk verzekeraars (de artikelen 2:445 en 446 BW).

Artikel 407

Dit artikel bevat uitzonderingen op de consolidatieplicht van artikel 2:406 BW. Lid 1 is overeenkomstig het nieuwe artikel 2:406 lid 5 BW aangepast aan de ruimere consolidatieplicht van artikel 2:406 lid 1 BW.

Lid 2, onderdeel b, stelt dat consolidatie achterwege mag blijven indien geen van de mee te consolideren rechtspersonen ter beurze genoteerde effecten heeft uitstaan. Deze bepaling wordt herschreven naar aanleiding van de gewijzigde omschrijving van «effectenbeurs» uit artikel 6 lid 4 zevende richtlijn. De moderniseringsrichtlijn verwijst naar de omschrijving van artikel 1 punt 13 van de richtlijn beleggingsdiensten (Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993, PbEG L 141). Deze omschrijving is geïmplementeerd in artikel 1, onderdeel e, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Lid 2, onderdeel b, verwijst naar deze bepaling.

Artikel 410

Door de wijziging van artikel 2:389 lid 9 BW over het toelichten van verschillen in het eigen vermogen en het resultaat volgens de eigen jaarrekening en volgens de geconsolideerde jaarrekening, is artikel 2:389 lid 9 BW niet langer uitgesloten van toepassing op de geconsolideerde jaarrekening.

Artikel 411

Door invoering van een nieuw lid 9 in artikel 2:389 BW dat dezelfde inhoud heeft als het huidige artikel 2:411 lid 3 BW, kan dit laatste komen te vervallen.

Artikel 420

Artikel 2:420 BW schrijft onder meer een bijzondere wijze van waardering van effecten van banken voor. Als gevolg van de introductie in de algemene waarderingsregels (afdeling 6 van titel 9) van de mogelijkheid om financiële instrumenten tegen de actuele waarde te waarderen, moet de in lid 3 gebruikte term «marktwaarde» worden vervangen door de ruimere term «actuele waarde» (zie verder paragraaf 2.2 van het algemene deel van de toelichting).

Artikel 422

Dit artikel beschrijft een bijzondere waarderingsmethode voor waardepapieren van banken. De in lid 3 gebezigde term «marktwaarde» wordt vervangen door de ruimer gedefinieerde term «actuele waarde» (zie verder paragraaf 2.2 van het algemene deel van de toelichting). Daarnaast wordt ook toegestaan om de niet tot de vaste activa behorende effecten te waarderen tegen aflossingswaarde. Op deze wijze wordt de in de leden 1 en 2, eerste zin beschreven methode van waardering (in IAS 39 amortisatiewaarde genoemd) niet alleen van toepassing voor vastrentende waarden die onderdeel zijn van de vaste activa, maar ook voor vastrentende waarden die onderdeel zijn van de niet vaste activa. De bankenrichtlijn gaf reeds de mogelijkheid om dit voor te schrijven, zodat hiervoor geen richtlijnwijziging noodzakelijk was.

De verplichting om het verschil tussen de verkrijgingsprijs of aflossingswaarde en de actuele waarde van de niet tot de vaste activa behorende effecten in de toelichting te vermelden, volgt reeds uit de nieuwe artikelen 2:381a en 381b BW. Om die reden kan de tweede zin van lid 3 vervallen.

Artikel 426

Dit artikel geeft regels voor de geconsolideerde jaarrekening van banken. Lid 1 bepaalt ter uitwerking van artikel 43 lid 2, onderdeel f, van de bankenrichtlijn, het een en ander ten aanzien van de reikwijdte van de in de consolidatie op te nemen maatschappijen. Echter, in de moderniseringsrichtlijn is artikel 43 lid 2, onderdeel f, dat een verbijzondering van de vrijstelling van de consolidatieplicht voor dochtermaatschappijen met afwijkende activiteiten gaf, net als bedoelde vrijstelling geschrapt. Daarnaast is ook voor banken de consolidatieplicht verruimd, omdat artikel 2:406 lid 1 BW door artikel 2:428 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op banken. Het gezamenlijk effect van beide verruimingen van de consolidatieplicht is dat banken alle groepsmaatschappijen en andere rechtspersonen waarop zij een potentieel overheersende invloed kan uitoefenen, in hun geconsolideerde jaarrekening moeten opnemen, ongeacht welke activiteiten deze maatschappijen verrichten. Hierdoor heeft de eerste zin van artikel 2:426 lid 1 BW niet langer zelfstandige betekenis en kan deze vervallen.

Het vervallen van de eerste zin maakt een tekstuele aanpassing in de huidige tweede zin noodzakelijk. Bovendien kan als gevolg van de verruimde consolidatieplicht van artikel 2:406 BW niet meer slechts worden verwezen naar groepsmaatschappijen die in de consolidatie worden opgenomen. Ook andere rechtspersonen waarop de betrokken bank een potentieel overheersende invloed kan uitoefenen, moeten worden opgenomen in de consolidatie. Hieraan wordt de terminologie in de huidige tweede zin aangepast.

In het oorspronkelijke wetsvoorstel verviel de tweede zin van artikel 2:426 lid 1 BW. De Raad van State heeft er in zijn advies terecht op gewezen dat niet valt in te zien dat als gevolg van het vervallen van de vrijstelling van de consolidatieplicht aan het bepaalde in de tweede zin geen behoefte meer bestaat. Artikel 2:426 lid 1 BW bevat, naast bepalingen ten aanzien van de reikwijdte van de geconsolideerde jaarrekening van banken, tevens bepalingen ten aanzien van welke voorschriften bij de consolidatie van maatschappijen worden gehanteerd. Om deze reden is afgezien van het schrappen van de huidige tweede zin. Maatschappijen die in de geconsolideerde jaarrekening van banken worden opgenomen, worden volgens de voorschriften voor banken opgenomen teneinde een getrouw en overzichtelijk beeld van de financiële situatie van de bankengroep te waarborgen.

De nieuwe tweede zin van artikel 2:426 lid 1 BW bewerkstelligt dat artikel 2:424 BW slechts mag worden toegepast ten aanzien van in de geconsolideerde jaarrekening van een bank op te nemen maatschappijen wier werkzaamheden rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen of die bestaan uit het verrichten van nevendiensten in het verlengde van het bankbedrijf. Hierbij kan worden gedacht aan werkzaamheden als leasing, factoring en het beheren van beleggingsfondsen, en nevendiensten als de dienstverlening op het terrein van gegevensverwerking. Ten aanzien van andere te consolideren maatschappijen mag artikel 2:424 BW, dat bepaalt dat om redenen van voorzichtigheid ter dekking van de algemene risico's van het bankbedrijf een post op de balans mag worden opgenomen, niet worden toegepast.

De huidige derde zin bepaalt dat in de geconsolideerde jaarrekening op te nemen verzekeringsmaatschappijen worden geconsolideerd volgens de voorschriften voor verzekeringsmaatschappijen. De ratio voor deze bijzondere bepaling voor verzekeringsmaatschappijen was dat gelijkluidende balansposten door banken en verzekeringsmaatschappijen verschillend gewaardeerd dienden te worden. Maar omdat als gevolg van de moderniseringsrichtlijn en de IAS 39-richtlijn het voor banken en verzekeringsmaatschappijen toegestaan is om gelijkluidende balansposten op dezelfde manier te waarderen, is het consolideren van bank- en verzekeringsactiviteiten volgens gelijke voorschriften beter mogelijk geworden. Daarom wordt de bijzondere bepaling voor verzekeringsmaatschappijen geschrapt. Dit heeft tot gevolg dat verzekeringsmaatschappijen die in de geconsolideerde jaarrekening van een bank worden opgenomen, worden verantwoord overeenkomstig de voorschriften voor banken. Indien evenwel de consolidatie overeenkomstig de voorschriften voor banken niet het door artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht biedt, kunnen verzekeringsmaatschappijen op grond van artikel 2:362 lid 4 BW met toepassing van afwijkende waarderingsgrondslagen worden geconsolideerd.

Artikelen 428

Lid 2 van dit artikel bepaalt voor verzekeraars welke jaarrekeningposten als vaste activa gelden. Om voor verzekeraars een gedifferentieerde waardering van bepaalde categorieën beleggingen zoals voorgeschreven door de artikelen 46 en 46bis van de verzekeringsrichtlijn mogelijk te maken, is een wijziging van lid 2 noodzakelijk. Voorgesteld wordt om andere beleggingen dan deelnemingen slechts als vaste activa aan te merken indien de beleggingen zijn bestemd om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt. Deze wijziging creëert een onderscheid in beleggingen die tot de vaste activa behoren en beleggingen die tot de handelsportefeuille behoren en dientengevolge een basis voor de mogelijkheid om beide groepen beleggingen afzonderlijk volgens verschillende grondslagen te waarderen. Dit sluit aan bij artikel 2:416 lid 2 BW dat een vergelijkbare bepaling voor banken bevat. Vanwege het verschil in systematiek van de bepalingen met betrekking tot banken en verzekeraars als gevolg van de verschillen in de bankenrichtlijn en de verzekeringsrichtlijn, wordt in artikel 2:428 lid 2 BW de term «beleggingen» gebruikt in plaats van de term «effecten» uit artikel 2:416 lid 2 BW.

Artikelen 429 en 430

Deze artikelen geven voorschriften voor de categorisering van de balansposten van verzekeraars. Artikel 2:429 lid 1 BW schrijft de afzonderlijke activaposten voor. Aan dit lid wordt een nieuw onderdeel g toegevoegd dat het mogelijk maakt afgeleide financiële instrumenten afzonderlijk op de balans op te nemen. Door het toestaan van waardering tegen de actuele waarde voor afgeleide instrumenten moeten deze immers op de balans worden opgenomen. Om dezelfde reden wordt aan lid 2, waarin de afzonderlijke passivaposten worden benoemd, een nieuw onderdeel i toegevoegd.

Lid 1 schrijft daarnaast voor dat onder de activa de beleggingen afzonderlijk worden opgenomen (onderdeel b). Artikel 2:430 BW geeft vervolgens een nadere categorisering van de beleggingen. Om een gedifferentieerde benadering van de in artikel 2:430 leden 1, onderdelen a (terreinen en gebouwen) en c (overige financiële beleggingen), en 4, onderdelen a tot en met g (de afzonderlijke posten van de overige financiële beleggingen) genoemde beleggingen mogelijk te maken, wordt aan dit artikel een nieuw lid 6 toegevoegd. De beleggingen genoemd in onderdeel b (beleggingen in groepsmaatschappijen en deelnemingen) kunnen op grond van artikel 2:428 lid 2 BW niet gedifferentieerd worden benaderd; dergelijke beleggingen gelden als vaste activa. Het nieuwe lid 6 van artikel 2:430 BW schrijft voor dat indien een verzekeraar de beleggingen gedifferentieerd wenst te waarderen, op de balans onderscheid wordt gemaakt tussen vaste beleggingen, beleggingen die behoren tot de handelsportefeuille en beleggingen die beschikbaar zijn voor verkoop (available for sale). Op deze wijze wordt de volgens IAS 39 gehanteerde verdeling van beleggingen ook mogelijk voor verzekeraars. Overigens blijft het algemene beginsel uit artikel 2:385 lid 1 BW van toepassing.

Artikel 2:429 BW bepaalt dat indien toepassing is gegeven aan artikel 2:430 lid 6 BW het onderscheid ook wordt gemaakt in de balanspost beleggingen als bedoeld in artikel 2:429 lid 1, onderdeel b, BW.

Artikel 438

Dit artikel geeft onder meer in lid 4 regels over de methode van resultaatbepaling met betrekking tot waardestijgingen van beleggingen die tegen de actuele waarde worden gewaardeerd. In de praktijk gebruiken verzekeraars diverse methoden. De toevoeging in artikel 2:390 lid 3 BW dat de herwaarderingsreserve op individuele basis moet worden bijgehouden en dat de gehele herwaarderingsreserve als niet-uitkeerbare reserve is te bestempelen, en de regels ten aanzien van de methoden van resultaatbepaling in de IAS 39-richtlijn maken een aanvulling op artikel 2:438 BW noodzakelijk om het aantal methoden te beperken.

Artikel 42quater leden 1 en 2 vierde richtlijn bepaalt dat waardestijgingen van financiële instrumenten (waaronder beleggingen) die tegen de actuele waarde worden gewaardeerd, rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden opgenomen, of, voor zover het geen afgeleide financiële instrumenten betreft, rechtstreeks als eigen vermogen worden opgenomen in een (herwaarderings-) reserve. Deze bepalingen worden geïmplementeerd in de artikelen 2:384 lid 7 en 390 lid 1 BW. Artikel 42quater lid 3 vierde richtlijn, dat wordt geïmplementeerd in artikel 2:390 lid 3 BW, eist bovendien dat, indien de waardestijging is opgenomen in de herwaarderingsreserve, deze reserve ten gunste van de winst- en verliesrekening wordt verminderd zodra de waardestijging is gerealiseerd. Alle in het boekjaar gerealiseerde waardestijgingen moeten dus in de winsten verliesrekening worden verantwoord.

Door het nieuwe artikel 2:390 lid 3 BW kunnen in artikel 2:438 BW nog slechts beide onder de IAS 39-richtlijn toegestane methoden van resultaatbepaling tot uiting komen. Dat betekent dat alle in het boekjaar gerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen die tegen de actuele waarde worden gewaardeerd, in de winst- en verliesrekening moeten worden verantwoord. Dit wordt bewerkstelligd door toevoeging van het nieuwe lid 5.

Artikel 440

De verwijzingen in lid 3, onderdeel c, en lid 5, onderdeel b, naar artikel 2:390 lid 3 BW komen naar aanleiding van de wijziging van artikel 2:390 lid 3 BW te vervallen. Dit heeft overigens geen inhoudelijke gevolgen.

Artikel 442

Lid 3, onderdeel b, van dit artikel bevat een informatieplicht die reeds gegeven wordt door het nieuwe artikel 2:381b BW. Het is onwenselijk om dezelfde informatieplicht op meerdere plaatsten in de wet te noemen. Om deze reden wordt lid 3 herschreven, zodat hierin slechts de informatieplicht die volgt uit onderdeel a behouden blijft.

Artikelen 445 en 446

Deze artikelen geven bijzondere regels voor de consolidatie door verzekeraars. Ten gevolge van de verruimde consolidatieplicht van artikel 2:406 BW kan in de artikelen 2:445 lid 1 en 2:446 lid 1 BW niet meer slechts worden verwezen naar groepsmaatschappijen die in de consolidatie worden opgenomen. Ook rechtspersonen waarop de verzekeraar een potentieel overheersende invloed kan uitoefenen, moeten immers worden meegeconsolideerd. Daarom wordt in plaats daarvan de term«maatschappij» gebruikt. Voorts wordt de formulering van artikel 2:445 lid 1 BW in overeenstemming gebracht met artikel 2:426 lid 1 BW dat dezelfde materie regelt voor banken. Om redenen die zijn toegelicht bij artikel 2:426 BW moeten banken die in de geconsolideerde jaarrekening van een verzekeringsmaatschappij worden opgenomen volgens de voorschriften voor verzekeringsmaatschappijen worden geconsolideerd. Indien dit niet het door artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht biedt, kunnen banken volgens afwijkende waarderingsgrondslagen worden geconsolideerd.

ARTIKEL II

Dit artikel heeft betrekking op het nog in parlementaire behandeling zijnde wetsontwerp 28 220 over het gebruik van internationale jaarrekeningstandaarden. Wanneer dat eerder in werking treedt dan het onderhavige wetsvoorstel, moet de voorgestelde wijziging van artikel 2:362 BW worden aangepast. Doordat wetsvoorstel 28 220 al de laatste zin van artikel 2:362 lid 1 BW schrapt, moet het eerste onderdeel uit het onderhavige wijzigingsvoorstel van artikel 2:362 lid 1 BW dat dezelfde zin schrapt, vervallen. Alleen de voorgestelde leden 8 en 9 blijven staan, zij zijn gewijzigd ten opzichte van de leden 8 en 9 in wetsvoorstel 28 220. Het tiende lid komt te vervallen, omdat de verplichting tot vermelding volgens welke standaarden de jaarrekening is opgemaakt, al in wetsvoorstel 28 220 is opgenomen.

ARTIKEL III

De regels die uit dit wetsvoorstel voortvloeien zullen voor de eerste keer van toepassing zijn op de jaarrekening die betrekking heeft op het boekjaar 2005 en die dus in 2006 zal verschijnen.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Transponeringstabel

A. Artikelen van het wetsvoorstel en in de Europese maatregelen (met corresponderende artikelen uit de vierde richtlijn, zevende richtlijn, bankenrichtlijn en verzekeringsrichtlijn)

WetsvoorstelIAS-verordeningIAS 39-richtlijnModerni- serings-richtlijnCorresponderend met
117 lid 5 
362 lid 85, onder a en b 
362 lid 9 
362 lid 10 
374 lid 11 lid 720 lid 1vierde richtlijn
379 lid 2 
381a1 lid 142quinquiesvierde richtlijn
 2 lid 2, onder b34 onder 14zevende richtlijn
381b1 lid 2, onder b43 lid 1, onder 14 a en bvierde richtlijn
  2 lid 2, onder b34 onder 15zevende richtlijn
384 lid 11 lid 142bis lid 1vierde richtlijn
 1 lid 1242sexiesvierde richtlijn
384 lid 21 lid 9, onder a en b31 lid 1, onder c, onder bb, en lid 1bisvierde richtlijn
384 lid 71 lid 142quater lid 1vierde richtlijn
 1 lid 1242 sexies en septiesvierde richtlijn
384 lid 81 lid 142quater lid 1, onder avierde richtlijn
387 lid 2 
389 lid 6 
389 lid 81 lid 142quater lid 1, onder bvierde richtlijn
389 lid 9 
390 lid 11 lid 142quater lid 1, onder a, en lid 2vierde richtlijn
390 lid 31 lid 142quater lid 3vierde richtlijn
391 lid 11 lid 1446 lid 1, onder a en bvierde richtlijn
 2 lid 1036 lid 1zevende richtlijn
391 lid 21 lid 446 lid 2, onder fvierde richtlijn
 2 lid 336 lid 2, onder ezevende richtlijn
391 lid 31 lid 1446 lid 1, onder cvierde richtlijn
 2 lid 1036 lid 1zevende richtlijn
393 lid 11 lid 1751 lid 1vierde richtlijn
 2 lid 1137 lid 1zevende richtlijn
393 lid 51 lid 1851bis lid 1vierde richtlijn
 2 lid 1137 lid 2zevende richtlijn
393 lid 61 lid 1851bis lid 1, onder c, en lid 2vierde richtlijn
 2 lid 1137 lid 2, onder c, en lid 3zevende richtlijn
395 lid 21 lid 1649vierde richtlijn
396 lid 51 lid 344 lid 1vierde richtlijn
397 lid 1 
397 lid 71 lid 1446 lid 4vierde richtlijn
398 lid 2 
398 lid 31 lid 2053bisvierde richtlijn
 2 lid 1238 lid 7zevende richtlijn
398 lid 4 
401 lid 21 lid 2260vierde richtlijn
406 lid 12 lid 11 lid 2zevende richtlijn
406 lid 2  2 lid 11 lid 2zevende richtlijn
406 lid 32 lid 614zevende richtlijn
406 lid 42 lid 614zevende richtlijn
407 lid 22 lid 36 lid 4zevende richtlijn
410 lid 9 
411 lid 3 
420 lid 333 lid 11 lid 1bankenrichtlijn
422 lid 3– ––3 1 lid 11 lid 2, onder b3 lid 1 ––1 lid 1 42quinquies 43 lid 1, onder 14bankenrichtlijn vierde richtlijn vierde richtlijn
426 lid 13 lid 11 lid 1bankenrichtlijn
 2 lid 11 lid 2zevende richtlijn
 2 lid 614zevende richtlijn
 3 lid 543 id 2, onder fbankenrichtlijn
428 lid 24 leden 4 en 546 en 46 bisverzekeringsrl.
429 leden 1–21 lid 142quater lid 2vierde richtlijn
429 lid 34 leden 4 en 546 en 46bisverzekeringsrl.
430 lid 64 leden 4 en 546 en 46bisverzekeringsrl.
438 lid 54 lid 142quater leden 1 en 2vierde richtlijn
440 lid 3 
440 lid 5 
442 lid 3 
445 lid 1 
446 lid 1 

B. Artikelen van de IAS-verordening en in het wetsvoorstel

IAS-verordeningWetsvoorstel
5, onder a362 lid 8
5, onder b362 lid 8
9, onder a
9, onder b

C. Artikelen van de IAS 39-richtlijn (met corresponderende artikelen uit de vierde richtlijn, zevende richtlijn en bankenrichtlijn) en in het wetsvoorstel

IAS 39-richtlijnCorresponderend met Wetsvoorstel
1 lid 142bis lid 1vierde richtlijn384 lid 1
 42bis lid 2vierde richtlijnBesluit waardering activa
 42bis lid 3vierde richtlijnBesluit waardering activa
 42bis lid 4vierde richtlijnBesluit waardering activa
 42bis lid 5vierde richtlijn
 42ter lid 1vierde richtlijnBesluit waardering activa
 42ter lid 2vierde richtlijnBesluit waardering activa
 42quater lid 1, onder avierde richtlijn384 leden 7 en 8 en 390 lid 1
 42quater lid 1, onder bvierde richtlijn384 lid 7 en 389 lid 8
 42quater lid 2vierde richtlijn390 lid 1
 42quater lid 3vierde richtlijn390 lid 3 en 438 lid 5
 42quinquiesvierde richtlijn381a
1 lid 243 lid 1vierde richtlijn381b
1 lid 344 lid 1vierde richtlijn396 lid 5
1 lid 446 lid 2, onder fvierde richtlijn391 lid 2
1 lid 559 lid 2, onder a en bvierde richtlijn
1 lid 661bisvierde richtlijn
2 lid 129 lid 1zevende richtlijn
2 lid 234 onder 14 en 15zevende richtlijn381a en 381b (jo 410 lid 1)
2 lid 336 lid 2, onder ezevende richtlijn391 lid 2
2 lid 450biszevende richtlijn
31 lid 1bankenrichtlijn420 lid 3 en 422 lid 3

D. Artikelen van de moderniseringsrichtlijn (met corresponderende artikelen uit de vierde richtlijn, zevende richtlijn, bankenrichtlijn en verzekeringsrichtlijn) en in het wetsvoorstel

ModerniseringsrichtlijnCorresponderend met Wetsvoorstel
1 lid 12 lid 1vierde richtlijn
1 lid 24 lid 6vierde richtlijn
1 lid 38vierde richtlijn
1 lid 49vierde richtlijn
1 lid 510vierde richtlijn
1 lid 610bisvierde richtlijn
1 lid 720 lid 1vierde richtlijn374 lid 1
 20 lid 3vierde richtlijn
1 lid 822vierde richtlijn
1 lid 931 lid 1, onder c, onder bbvierde richtlijn384 lid 2
 31 lid 1bisvierde richtlijn384 lid 2
1 lid 1033 lid 1, onder cvierde richtlijn
1 lid 1142vierde richtlijn
1 lid 1242sexiesvierde richtlijn384 lid 1
 42septiesvierde richtlijn384 lid 7
1 lid 1343 lid 1, punt 6vierde richtlijn
1 lid 1446 lid 1, onder a en bvierde richtlijn391 lid 1
 46 lid 1, onder cvierde richtlijn391 lid 3
1 lid 1548vierde richtlijn
1 lid 1649vierde richtlijn395 lid 2
1 lid 1751 lid 1vierde richtlijn393 lid 1
1 lid 1851bisvierde richtlijn393 leden 5 en 6
1 lid 1953 lid 1vierde richtlijn
1 lid 2053bisvierde richtlijn398 lid 3
1 lid 2156 lid 1vierde richtlijn
1 lid 2260vierde richtlijn401 lid 2
1 lid 2361bisvierde richtlijn
2 lid 11 lid 2zevende richtlijn406 lid 1
2 lid 23 lid 1zevende richtlijn
2 lid 36 lid 4zevende richtlijn407 lid 2
6 lid 5 zevende richtlijn
2 lid 47 leden 1–3zevende richtlijn
2 lid 511 lid 1, onder azevende richtlijn
2 lid 614zevende richtlijn406 leden 3 en 4
2 lid 716 lid 1zevende richtlijn
2 lid 817 lid 1zevende richtlijn
2 lid 934zevende richtlijn
2 lid 1036 lid 1zevende richtlijn391 leden 1 en 3
36 lid 3 zevende richtlijn
2 lid 1137 lid 1zevende richtlijn393 lid 1
37 lid 2 zevende richtlijn393 leden 5 en 6
37 lid 3 zevende richtlijn393 lid 6
37 lid 4 zevende richtlijn
2 lid 1238 lid 7zevende richtlijn398 lid 3
3 lid 11 leden 1 en 2bankenrichtlijn420 lid 3, 422 lid 3 en 426 lid 1
3 lid 24bankenrichtlijn
3 lid 34bisbankenrichtlijn
3 lid 426bankenrichtlijn
3 lid 543 lid 2, onder fbankenrichtlijn426 lid 1
4 lid 11 leden 1 en 2verzekeringsrichtlijn442 lid 3, 445 lid 1 en 446 lid 1
4 lid 24verzekeringsrichtlijn
4 lid 36verzekeringsrichtlijn
4 lid 446 leden 5 en 6verzekeringsrichtlijn428 lid 2, 429 lid 3 en 430 lid 6
4 lid 546bisverzekeringsrichtlijn428 lid 2, 429 lid 3 en 430 lid 6
4 lid 6bijlageverzekeringsrichtlijn

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven