29 608
Voorstel van wet tot wijziging van het voorstel van wet van de leden Karimi, Dubbelboer en Van der Ham betreffende het houden van een raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie (Wet raadplegend referendum Europese Grondwet) in verband met het tijdstip van het referendum

nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 2 september 2004

De indieners van onderhavig wetsvoorstel hebben de eer hun nota naar aanleiding van het verslag van de vaste Kamercommissie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te bieden.

De leden van de fracties van het CDA en de VVD vragen hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de Tijdelijke referendumwet (Trw) waarnaar veelvuldig verwezen wordt. Naar het zich nu laat aanzien zal de Trw met ingang van 1 januari 2005 vervallen. Artikel 28 van het voorstel van wet raadplegend referendum Europese Grondwet (Kamerstukken I 2003/04, 28 885, A) voorziet al in deze situatie. Dit artikel bepaalt dat indien de Tijdelijke referendumwet is vervallen voor het tijdstip waarop de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet vervalt, in deze wet in plaats van «Tijdelijke referendumwet» wordt gelezen: Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 (en dus voor het vervallen van de Trw).

Zowel de leden van de VVD-fractie als die van de fracties van het CDA en de SGP vragen waarom de dag waarop het referendum wordt gehouden door de referendumcommissie wordt vastgesteld en niet door de regering of door de Kamer op voorstel van de regering. Indieners antwoorden hierop dat de regering zich tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer nadrukkelijk op het standpunt heeft gesteld het referendum te zien als een aangelegenheid van de Kamer en dus niet van de regering. Deze redenering volgend, ligt het niet voor de hand dat de regering wél de datum van het referendum vaststelt. Het is ook weinig praktisch om de Kamer zelf de datum van het referendum te laten bepalen. Indieners willen deze bevoegdheid dan ook bij de referendumcommissie laten; de leden van de referendumcommissie worden overigens door de Tweede Kamer benoemd. Uit de brief van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 1 juli jl. blijkt dat het kabinet er niettemin prijs op stelt dat de vaststelling van de datum van het referendum geschiedt in overeenstemming met de regering. Met het oog op de verantwoordelijkheid van het kabinet voor de uitvoering van de wet, zien de indieners het belang in van overleg tussen de referendumcommissie en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties over de vast te stellen datum. In reactie op de vraag van de leden van de CDA-fractie merken de indieners overigens op dat dit niet betekent dat de regering de datum van het referendum materieel vaststelt. Een nota van wijziging van deze strekking is gelijktijdig met deze nota ingediend.

In aansluiting hierop vragen de leden van de VVD-fractie of de wetgever niet zou moeten bepalen dat de stemming op een woensdag plaatsvindt. Dat de referendumcommissie slechts een woensdag kan aanwijzen als dag van de stemming, vloeit al voort uit artikel 8, tweede lid, van het voorstel van wet raadplegend referendum Europese Grondwet.

Karimi

Dubbelboer

Van der Ham

Naar boven