29 608
Voorstel van wet van de leden Karimi, Dubbelboer en Van der Ham tot wijziging van het voorstel van wet van de leden Karimi, Dubbelboer en Van der Ham betreffende het houden van een raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie (Wet raadplegend referendum Europese Grondwet) in verband met het tijdstip van het referendum

nr. 7
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 september 2004

In het verslag van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit uw Kamer met betrekking tot de novelle die ertoe strekt het wetsvoorstel raadplegend referendum Europese Grondwet te wijzigen (Kamerstukken II 2003/04, 29 608, nr. 5), vragen de leden van een aantal fracties om een reactie op de brief die ik u op 1 juli jl. (29 608, nr. 5) stuurde.

In deze brief heb ik, mede namens de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, onder uw aandacht gebracht dat het kabinet er prijs op stelt indien de vaststelling van de datum van het referendum (door de referendumcommissie) geschiedt in overeenstemming met de regering. Daarbij heb ik tevens aangegeven dit standpunt graag te willen toelichten bij de parlementaire behandeling van de novelle.

Naar ik heb vernomen, spreekt de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit uw Kamer in haar vergadering van 2 september a.s. over de verdere procedure van de behandeling van de novelle. Daarbij zal vermoedelijk ook de vraag rijzen of nog behoefte bestaat aan een inhoudelijke mondelinge behandeling. Voor de goede orde wijs ik u er op dat ik er aan hecht mondeling met uw Kamer van gedachten te wisselen over de novelle alvorens uw Kamer daarover zal besluiten. Dit vanuit mijn specifieke verantwoordelijkheid voor het organiseren van het referendum.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

Th. C. de Graaf

Naar boven