29 505
Scheepsbouwsector

nr. 7
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 7 mei 2004

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 8 april 2004 overleg gevoerd met de heer Brinkhorst, minister van Economische Zaken, over:

de brieven van 1 en 6 april 2004 inzake de scheepsbouw (21 501-30, nr. 41 en 29 505, nr. 1).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Uit de brieven van 1 en 6 april jl. blijkt volgens de heer Blom (PvdA) de goede wil van de minister om iets te ondernemen in het kader van de ondersteuning van de scheepsbouw. «Goede wil» vindt de heer Blom echter te weinig en daarom zal hij tijdens het VAO dat op dit algemeen overleg volgt een tweetal moties indienen. Hij acht het van het grootste belang dat de minister tijdens het voorjaarsoverleg met de Kamer concreet kan mededelen dat hij financiële middelen ter ondersteuning heeft gevonden.

De heer Kortenhorst (CDA) is blij met een minister die ten overstaan van 4500 mensen uit de scheepsbouwsector openlijk erkent dat deze sector concurrerend, innovatief en van groot belang voor de Nederlandse economie is. De minister heeft ook meerdere malen erkend dat de problemen in de sector niets te maken hebben met een zwakke positie maar met concurrentievervalsing. De bewindsman gaf verder aan dat hij in het kabinet sterk zal pleiten voor financiële middelen om het evenwicht te herstellen. De heer Kortenhorst vindt, onder verwijzing naar de opstelling van de bewindsman in dezen, de indiening van een motie waarin om concrete resultaten wordt gevraagd, een uiting van wantrouwen omtrent het vermogen van de minister om zijn intenties waar te maken. De regering moet regeren en het parlement controleert. Een motie waarin de bewindsman op voorhand op zijn voornemens wordt vastgepind, vindt de heer Kortenhorst ook ongepast, omdat hierdoor de capaciteiten van de bewindsman worden ontkend. Het is gepaster als men zich op dit moment onomwonden achter de minister schaart. Een motie van die strekking zal de heer Kortenhorst dan ook indienen.

De brief van 6 april jl. van de bewindsman geeft mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) vertrouwen, waarbij zij wijst op de slotzin: «Er mag mijns inziens geen enkele onduidelijkheid bestaan over mijn streven naar gezonde en eerlijke concurrentieverhoudingen voor de Nederlandse scheepsbouwsector». Zij gaat ervan uit dat het kabinet een verstandig besluit neemt en zich achter deze woorden van de bewindsman schaart.

De heer Slob (ChristenUnie) merkt op dat als in december jongstleden de motie-Slob was aangenomen, de commissie nu niet bijeen had hoeven komen omdat de Kamer dan had uitgesproken dat bij behandeling van de Voorjaarsnota financiële middelen voor ondersteuning van de scheepsbouw beschikbaar zouden moeten komen. De houding van de minister ten opzichte van steun aan de scheepsbouw is duidelijk. Wellicht is het een goede zaak als hij via uitspraken van de Kamer extra ruggensteun krijgt om bij de Voorjaarsnota de benodigde financiën binnen te halen. Als de minister na het overleg over de Voorjaarsnota met lege handen terugkomt, dan sluit de heer Slob niet uit dat hij een amendement zal indienen.

De heer Van As (LPF) meent dat ondersteunende moties de minister stimuleren om zich in het kabinet sterk te maken voor verkrijging van financiële middelen voor steun van de scheepsbouw. De Kamer kan, indien nodig, hiervoor een dekking aangeven.

Mevrouw Gerkens (SP) dankt de minister voor zijn inzet bij de onderhandelingen over de Voorjaarsnota. Zij realiseert zich dat het een moeilijke discussie zal worden en daarom meent zij dat een ondersteunende motie hem bij de onderhandelingen kan helpen.

De heer Bakker (D66) sluit zich aan bij de woorden van de heer Kortenhorst. Hij spreekt zijn waardering uit voor de opstelling van de minister jegens de scheepsbouw. De heer Bakker vindt dat de Kamer niet moet willen meebesturen. Hij vertrouwt erop dat de minister het zal redden. Mocht dit onverhoopt niet het geval zijn, dan kan de Kamer bezien of zij alsnog een motie zal indienen.

De heer Van der Vlies (SGP) merkt op dat Nederland een krachtige scheepsbouwsector heeft die door internationale concurrentieaspecten in zwaar weer verkeert. Hij steunt de minister in zijn pogingen om te bewerkstelligen dat Nederland een regeling vindt die aansluit op Europa waardoor de internationale concurrentiekracht toeneemt. Mocht het resultaat tegenvallen, dan zal de heer Van der Vlies bij de behandeling van de Voorjaarsnota zijn verantwoordelijkheid nemen en het kabinet om financiële middelen vragen.

Antwoord van de regering

De minister van Economische Zaken is er erkentelijk voor dat een grote meerderheid van de Kamer de staatsrechtelijke verhoudingen in het land goed inschat. De Kamer kent de inzet van de bewindsman. Hij memoreert dat hij heeft aangegeven dat het hem niet gaat om permanente subsidiemechanismen. Het gaat om een level playing field, een eerlijk speelveld, en om het omzetten van maatregelen die Europees gezien onwenselijk zijn. Nederland had graag gezien dat het TDM (temporary defense mechanism) was afgeschaft.

Nederland kent een innovatieve sector die op eigen benen hervormingen heeft bereikt. Er staat echter veel op het spel en dat was de boodschap van de duizenden demonstranten uit de scheepsbouwsector, een boodschap waar werkgevers en werknemers achter staan. Uiteraard moet alles bezien worden in het kader van de afrondende besprekingen over de Voorjaarsnota.

De minister beschouwt de opstelling van de Kamer als een steun in de rug. Hij heeft geen behoefte aan aanmoedigende commentaren in de trant van de heer Blom. De bewindsman is de leden van de oppositie en regeringsfracties erkentelijk voor hun opstelling. Hij benadrukt dat hij in dezen geen partijpolitiek bedrijft; daarvoor is de scheepsbouw te belangrijk.

Nadere gedachtewisseling

De heer Blom (PvdA) herinnert de bewindsman aan een afspraak van december jongstleden met de staatssecretaris van Economische Zaken over een definitief standpunt vóór 1 april over steunmaatregelen aan de scheepsbouw. Hij vertrouwt er uiteraard op dat de minister zijn best zal doen, maar hij vindt een dergelijke uitspraak te mager, mede gelet op het feit dat de afspraak met de staatssecretaris niet is nagekomen. Derhalve acht hij een uitspraak van de Kamer voor de minister een steun in de rug en geen teken van wantrouwen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Hofstra

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tielens-Tripels


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Crone (PvdA), Hofstra (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Van Egerschot (VVD), Ten Hoopen (CDA), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Van Fessem (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Van der Laan (D66), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA) en Dezentjé Hamming (VVD).

Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Vos (GroenLinks), Weekers (VVD), Jan de Vries (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Ruiter (SP), Van As (LPF), De Haan (CDA), Van Dijk (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Giskes (D66), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA) en Szabó (VVD).

Naar boven