Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 29491 nr. 1;A |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 29491 nr. 1;A |
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 maart 2004
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 30 maart 2004.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 29 april 2004.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 9 juli 2002 te 's-Gravenhage totstandgekomen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus (Trb. 2002, 138)1.
Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
1.1. Wet beperking export uitkeringen
Op 1 januari 2000 zijn de Wet beperking export uitkeringen (Wet van 27 mei 1999, Stb. 250) en de Wijzigingswet beperking export uitkeringen (Wet van 22 december 1999, Stb. 594) in werking getreden. Op grond van deze wetten heeft de verzekerde geen recht op een socialeverzekeringsuitkering gedurende de periode dat hij, of degene ten behoeve van wie de uitkering wordt verstrekt, niet in Nederland woont. Deze exportbeperking geldt niet, indien de betrokkene woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op uitkering kan bestaan.
Achtergrond van deze wetgeving is de omstandigheid dat de rechtmatigheid van de socialeverzekeringsuitkeringen die over de grens worden verstrekt, niet afdoende kan worden gewaarborgd. De uitvoeringsorganen beschikken dikwijls niet over de mogelijkheden om buiten Nederland de voor de uitvoering van de sociale verzekeringen noodzakelijke verificaties en controles te verrichten zoals die ook in Nederland plaatsvinden. Het doel van de Wet beperking export uitkeringen is om de rechtmatigheid van de uitkeringen te verbeteren door de handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten over de grens te versterken. Het middel hiertoe is om met de landen waar Nederlandse uitkeringen worden betaald, bij verdrag afspraken te maken die ten aanzien van dat land de handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten, en daardoor de rechtmatigheid van de uitkeringen, verbeteren. Hiertoe behoren tevens afspraken die de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen vergemakkelijken.
Op grond van de wet kunnen uitkeringen alleen worden geëxporteerd naar landen waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten met handhavingsafspraken als hiervoor bedoeld.
Het onderhavige verdrag bevat de in het kader van de Wet beperking export uitkeringen noodzakelijke handhavingsbepalingen.
1.2. Coördinatie sociale zekerheid
Nederland en Cyprus zijn beide partij bij het Europees Sociaal Handvest (Turijn, 18 oktober 1961; Trb. 1962, 3). Op grond van artikel 12, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest bestaat er een inspanningsverplichting voor partijen om door middel van onder meer bilaterale overeenkomsten gelijke behandeling te verzekeren van elkaars onderdanen en het behoud van uitkeringen, indien de verzekerden zich van het ene naar het andere land verplaatsen. Het onderhavige verdrag bevat de zogenaamde coördinatiebepalingen inzake sociale zekerheid op grond waarvan de hiervoor genoemde doelstellingen worden verwezenlijkt. Nederland en Cyprus hebben daarmee uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 12, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest.
Cyprus is één van de kandidaat-toetreders tot de Europese Unie. Met het oog daarop is in het onderhavige verdrag zoveel mogelijk aangeknoopt bij de Europese regelgeving inzake sociale zekerheid zoals vastgelegd in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (Pb EG L 149; hierna te noemen: de Verordening) en Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van de Europese Unie van 21 maart 1972 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (Pb EG L 74).
2. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 geeft een omschrijving van de belangrijkste begrippen uit het verdrag. In de definitiebepalingen is aansluiting gezocht bij de terminologie van de Verordening en andere (bilaterale) verdragen op het gebied van de sociale zekerheid.
In artikel 2 is de materiële werkingssfeer van het verdrag vastgelegd. Voor Nederland betreft het de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene Nabestaandenwet (ANW) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Dit zijn de socialeverzekeringswetten waarop de exportbeperking van de Wet Beu betrekking heeft. De loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte op grond van het Burgerlijk Wetboek valt niet onder de materiële werkingssfeer van het verdrag.
Tevens is de Werkloosheidswet (WW) en de Cypriotische wetgeving inzake werkloosheid onder de materiële werkingssfeer van het verdrag opgenomen teneinde te bewerkstelligen dat, bijvoorbeeld in geval van detachering, een werknemer die onder de verzekering van de zendstaat blijft vallen voor alle sociale verzekeringen, verzekerd blijft.
Artikel 5 regelt de export van uitkeringen. De exportbepaling van de Wet BEU wordt opgeheven, omdat het verdrag, in Deel VI, in de noodzakelijke handhavingsbepalingen voorziet. Voor een gedetacheerde werknemer geldt dat hij tijdens zijn detachering in het buitenland is verzekerd ingevolge de werkloosheidswet met toepassing van artikel 8 van het Verdrag. Indien hij gedurende de detacheringstermijn werkloos wordt, kan hij een werkloosheidsuitkering aanvragen in Nederland. Deze zal hem, indien wordt voldaan aan de overige voorwaarden, worden toegekend zodra deze persoon zich in Nederland bevindt. Ook in alle andere bilaterale socialezekerheidsverdragen wordt de export van de Nederlandse werkloosheidsuitkering uitgesloten, vanwege het feit dat het recht op deze uitkering onlosmakelijk verbonden is met de beschikbaarheid van de betreffende persoon voor de Nederlandse arbeidsmarkt.
Deel II. Toepasselijke wetgeving
De artikelen 6 tot en met 12 bevatten bepalingen inzake de toepasselijke wetgeving, waarbij als uitgangspunt geldt dat slechts één wetgeving op betrokkene van toepassing is. In artikel 7 is de hoofdregel vastgelegd die bepaalt dat op betrokkene uitsluitend de wetgeving van toepassing is van het land waar hij zijn werkzaamheden verricht. Dit geldt voor werknemers (eerste lid) en zelfstandigen (tweede lid). De hoofdregel, te weten het werklandbeginsel, en de bijzondere groepen voor wie een uitzonderingspositie wordt gecreëerd, komen overeen met hetgeen gebruikelijk is in door Nederland afgesloten bilaterale sociale zekerheidsverdragen en de Verordening. Uitzonderingen op de hoofdregel zijn opgenomen voor gedetacheerden (artikel 8), ambtenaren (artikel 9), personen werkzaam bij diplomatieke missies en consulaire posten (artikel 10), personen werkzaam bij internationale transportbedrijven (artikel 11) en bemanningsleden van schepen (artikel 12).
Artikel 8 van het Verdrag sluit voldoende aan bij het stelsel van artikel 14, eerste lid, onder a, van Verordening 1408/71. In formele zin is er weliswaar een verschil tussen de detacheringstermijn van het Verdrag en de detacheringstermijn in de Verordening. Uit de beleidsregels van de Sociale verzekeringsbank, die met de afgifte van detacheringsverklaringen is belast, blijkt echter dat een aanvraag om verlenging van detachering op grond van artikel 14, eerste lid, onder a, van Verordening 1408/71, zonder nader onderzoek wordt gehonoreerd, zodat er in materiële zin geen verschil zit in de gehanteerde termijnen.
Op het moment dat Cyprus toetreedt tot de Europese Unie zullen de bepalingen van Verordening 1408/71 gelden in plaats van de bepalingen van het Verdrag. Indien er op dat moment lopende detacheringsverklaringen op grond van het Verdrag zijn, is dit een verworven recht dat gerespecteerd dient te worden op grond van artikel 44 van het Verdrag. Dit betekent in de praktijk dat als een werknemer bij de inwerkingtreding van de Verordening voor Cyprus op 1 mei 2004 een detacheringsverklaring heeft voor 24 maanden, dat deze detacheringsverklaring gerespecteerd wordt tot het einde van deze periode.
Deel III. Bepalingen betreffende de verschillende categorieën van uitkeringen
De artikelen 14 tot en met 20 bevatten specifieke bepalingen voor de implementatie van de Cypriotische wetgeving. Artikel 14 geeft een regeling voor de berekening van verzekeringsperioden voor het ontstaan van het recht op een Cypriotische socialeverzekeringsuitkering. Lid 1 geeft de verhouding weer van tijdvakken opgebouwd onder de Nederlandse wetgeving ten opzichte van de Cypriotische wetgeving. Lid 2 bepaalt dan de verhouding welke Cypriotische verzekeringstijdvakken, opgebouwd vóór 6 oktober 1980, dit is de datum waarop het huidige socialeverzekeringssyteem op Cyprus werd ingevoerd, hebben ten opzichte van de verzekeringsperioden onder de Nederlandse wetgeving. Lid 3 tenslotte kent nog de regel dat de verschillende verzekeringsperioden elkaar in ieder geval niet mogen overlappen, voor het geval het niet mogelijk is de verzekeringsperiodes vervuld onder de Nederlandse wetgeving exact te berekenen.
Artikel 15, eerste lid, bepaalt de voorwaarden waaronder Nederlandse verzekeringstijdvakken meegeteld kunnen worden voor de vaststelling van het recht op een Cypriotische uitkering bij ziekte en moederschap. Het tweede en derde lid bepalen vervolgens dat een persoon die recht heeft op zowel een Nederlandse als op een Cypriotische uitkering bij ziekte en moederschap, deze uitkering slechts ontvangt uit hoofde van de wetgeving waaronder hij laatstelijk verzekerd was.
Artikel 16 bevat regels voor de samentelling van verzekeringsperioden voor het recht op een werkloosheidsuitkering en voor het rekening houden met reeds uitgekeerde werkloosheidsuitkeringen in de andere staat.
Artikel 17 benoemt de gevallen waarin arbeidsongevallen en beroepsziekten worden behandeld alsof zij zich hebben voorgedaan onder Cypriotische wetgeving ondanks dat deze persoon niet langer (enkel) onder deze wetgeving verzekerd was.
Artikel 18 bepaalt dat als een persoon recht heeft op een Cypriotische uitkering bij ouderdom, invaliditeit of overlijden uitsluitend op grond van verzekeringsperioden vervuld onder de Cypriotische wetgeving, de regels van artikel 19 (berekening van pensioenen) niet van toepassing zijn. Artikel 19 bevat dan de regels voor het recht op en de berekening van pensioenen bij ouderdom, invaliditeit of overlijden krachtens de Cypriotische wetgeving, wanneer tevens verzekeringsperioden zijn opgebouwd onder de Nederlandse wetgeving.
Artikel 20 tenslotte bevat een samentellingsregel voor verzekeringsperioden voor het recht op een overlijdensuitkering.
De artikelen 21 bepaalt dat een arbeidsongeschikte onder bepaalde voorwaarden recht kan hebben op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend volgens de regels van artikel 22, ook al is men op het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid verzekerd onder de Cypriotische wetgeving. Artikel 23 en 24 bevatten specifieke bepalingen met betrekking tot het recht op en de berekening van werkloosheidsuitkeringen. De artikelen 25 tot en met 27 bevatten vervolgens specifieke bepalingen met betrekking tot het recht op en de berekening van ouderdoms- en overlevingspensioenen.
In deel IV, artikelen 28 tot en met 33, zijn de bepalingen opgenomen die de rechtsbasis bieden voor de controle en verificatie van de rechtmatigheid van de betaling van de uitkeringen. Zulks was nodig om vorm en inhoud te geven aan het Nederlandse handhavingsbeleid inzake de controle op de rechtmatigheid van uitkeringen die in het buitenland worden verstrekt. De handhavingsbepalingen zijn op basis van wederkerigheid in het verdrag vastgelegd.
Artikel 32 biedt de mogelijkheid van verrekening van onverschuldigd betaalde uitkeringen met uitkeringen in de andere verdragsluitende partij.
Artikel 33 regelt de erkenning van administratieve en rechterlijke beslissingen inzake de inning van socialeverzekeringspremies en andere vorderingen, die voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Het verdrag verschaft derhalve executoriale titel voor tenuitvoerlegging van deze beslissingen en uitspraken in Nederland en Cyprus.
Dit deel bevat bepalingen aangaande het wederzijds verstrekken van de noodzakelijke informatie en hulp in de uitvoering van de verschillende wetten (artikelen 34, 35 en 37), de wijze waarop een aanvraag kan worden ingediend en hoe deze aanvraag vervolgens moet worden behandeld (artikel 38), de wijze van uitbetaling van een uitkering (artikel 39) en het beslechten van geschillen (artikel 40).
Daarnaast regelt artikel 36 de bescherming van persoonsgegevens die in het kader van het verdrag worden uitgewisseld. Uitgangspunt is dat terzake de wetgeving van het verstrekkende land van toepassing is. Verdere verstrekking, wijziging of vernietiging van deze gegevens is onderworpen aan de wetgeving van het ontvangende land. Gebruik van persoonlijke gegevens voor andere doeleinden dan sociale zekerheid is in beginsel onderworpen aan de toestemming van de betrokkene. Voor Nederland is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp; Wet van 6 juli 2000, Stb. 302) terzake relevant. Met deze wet is Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) geïmplementeerd. Uitgangspunt van de wet is dat persoonsgegevens slechts worden doorgegeven naar een land buiten de Europese Unie indien dat land een passend beschermingsniveau waarborgt. Is daarvan geen sprake, dan is doorgifte niettemin mogelijk indien o.a. de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft gegeven (artikel 77, eerste lid onder a, Wbp, ter uitvoering van artikel 26, eerste lid onder a, van de Richtlijn). Gelet op het feit dat de Nederlandse bevoegde organen bij de uitvoering van het verdrag de betrokkene vragen schriftelijk te verklaren ermee in te stemmen om zijn gegevens ter verificatie door te geven aan de Cypriotische autoriteiten, kan in het midden blijven of Cyprus een passend beschermingsniveau waarborgt.
Overigens is, los van de vraag of Cyprus al dan niet een passend beschermingsniveau waarborgt, doorgifte van persoonsgegevens naar een land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt, eveneens mogelijk indien de doorgifte noodzakelijk is vanwege een zwaarwegend algemeen belang, of voor de vaststelling, de uitvoering of de verdediging in rechte van enig recht (artikel 77, eerste lid onder d, Wbp, ter uitvoering van artikel 26, eerste lid onder d, van de Richtlijn). In dat kader zij gewezen op overweging 58 bij de hiervoor genoemde Richtlijn, waarin internationale gegevensuitwisselingen tussen voor de sociale zekerheid bevoegde diensten specifiek worden genoemd. Derhalve kan worden gesteld dat in het kader van de toepassing van het verdrag wordt voldaan aan de vereisten van de Wet bescherming persoonsgegevens en van de Richtlijn.
Deel VI. Overgangs- en slotbepalingen
Dit deel bevat bepalingen met betrekking tot het overgangsrecht (artikel 41), de inwerkingtreding (artikel 42) en de opzegging (artikel 44) van het verdrag. Artikel 42, tweede lid, voorziet in wederzijdse voorlopige toepassing van artikel 5 (exportbepaling).
Artikel 41, eerste lid, bepaalt, dat geen rechten op betaling van een uitkering kunnen worden ontleend aan tijdvakken voorafgaand aan de inwerkingtreding. Artikel 42, tweede lid, bepaalt de datum van inwerkingtreding, met dien verstande dat artikel 5 voorlopig wordt toegepast. Artikel 41, eerste lid, is echter niet van toepassing op uitbetalingen die zijn gedaan op grond van de voorlopige toepassing van artikel 5. De betalingen die zijn gedaan op grond van dit laatstgenoemde artikel kunnen niet worden teruggevorderd.
Artikel 34 van het Verdrag bepaalt dat de bevoegde autoriteiten nadere regels overeenkomen voor de uitvoering van het Verdrag. Op basis van deze bepaling zal het Administratief Akkoord tot stand komen, dat een uitvoeringsverdrag vormt. Hierin worden nadere uitvoeringsvoorschriften opgenomen, waarin onder meer wordt bepaald welke instanties in beide landen verbindings- en uitvoeringsorganen zijn en welke hun taken zijn. In dit verband wordt aangegeven hoe de instanties elkaar informeren, aanvragen in behandeling nemen, tot verrekening overgaan en in het algemeen elkaar bijstand verlenen.
Het verdrag en het administratief akkoord zullen voor wat het Koninkrijk betreft alleen voor Nederland gelden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29491-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.