Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29488 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29488 nr. 2 |
Vastgesteld 19 oktober 2004
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 2 september 2004 overleg gevoerd met minister Van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over kerndoelen basisonderwijs.
Hierbij kunnen in ieder geval de volgende documenten worden betrokken:
– de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 maart 2004 inzake herziening kerndoelen basisonderwijs (29 488, nr. 1);
– de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 24 januari 2002 ter aanbieding van het advies van de commissie Kerndoelen «Verantwoording delen» en een reactie op hoofdlijnen (OCW-02-099);
– de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 25 april 2002 ter aanbieding van het Onderwijsraadadvies «De kern van het doel»: reactie op het advies van de commissie-Wijnen over de kerndoelen basisonderwijs (OCW 02-425);
– de brief van de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 2 juli 2003 inzake de aanbieding van het advies en onderzoek cultuureducatie in het primair onderwijs (OCW-03-532).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Jan de Vries (CDA) beschouwt de kerndoelen als een middel om de kwaliteit van het onderwijs te toetsen en te bewaken, een doorlopende leerlijn te garanderen en maatschappelijke doelen te formuleren. Herziening is nodig vanwege de veranderde maatschappij en omdat de huidige kerndoelen onvoldoende sturing tot gevolg hebben, tot een overladen programma leiden en onvoldoende aansluiten bij nieuwe onderwijsconcepten. Binnen de kaders van de kerndoelen mogen scholen zich echter wel blijven onderscheiden op basis van hun identiteit en profiel. Aangezien de kerndoelen op een zorgvuldige manier zijn herzien, is er in het veld een breed draagvlak voor de nieuwe kerndoelen. Het is goed dat er geen sprake meer is van een kerndeel en een differentieel deel en dat er is gekozen voor differentiatie in de mate van precisie van de kerndoelen. Vooral een heel precieze formulering van de kerndoelen voor Nederlands en rekenen/wiskunde is van groot belang. Aangezien afstemming met de Taakgroep vernieuwing basisonderwijs cruciaal is, is het wel de vraag of in het wetgevingstraject nog rekening zal worden gehouden met de uitkomsten van de politieke discussie over het advies van de taakgroep.
De nieuwe kerndoelen garanderen een breed onderwijsaanbod, zij het dat het aanbod gelukkig wel kan worden afgestemd op de mogelijkheden van leerlingen. Voorts is het een goede zaak dat er in de kerndoelen aandacht is voor burgerschap en cultuureducatie. De school is niet alleen een instituut voor kennisoverdracht, maar ook een gemeenschap waarin leraren als cultuurdrager de kernwaarden van de samenleving overdragen waardoor leerlingen worden voorbereid op actieve participatie in de samenleving. Natuurlijk hebben ouders op dit vlak een eerste taak en verantwoordelijkheid, maar ook de school vervult hierbij een belangrijke rol. Die taak is terug te vinden in de nieuwe kerndoelen. Het is overigens een goede zaak dat leerlingen nu ook worden voorbereid op hun rol als consument en verkeersdeelnemer. Burgerschapvorming moet echter geen verplicht vak zijn, maar moet in het hele onderwijs doorklinken. Daarbij is een koppeling met godsdienst en levensbeschouwing heel wel mogelijk. Ook voor scholen die werken vanuit een bepaalde levensvisie of godsdienstige overtuiging, is het een uitdaging om hun eigen identiteit te verbinden met de doelen op het gebied van burgerschapsvorming en op die manier niet alleen hun eigen overtuiging over te dragen, maar ook kennis en respect voor andere geestelijke stromingen bij te brengen. Het toenemende antisemitisme en de angst voor de islam onderstrepen de noodzaak hiervan. Waarom wordt in kerndoel 38 echter alleen gesproken over het leren van hoofdzaken over geestelijke stromingen en ook niet over respect daarvoor? Verder is het de vraag of de kennis van de geschiedenis van bijvoorbeeld de holocaust voldoende wordt gewaarborgd door de kerndoelen. In dit verband is de inhoud van de recente brief over het godsdienstonderwijs en humanistisch vormingsonderwijs op openbare scholen teleurstellend. Het Interkerkelijk contact in overheidszaken pleit er in zijn brief van 12 juli ook voor dat de minister op dit terrein haar verantwoordelijkheid neemt. Waar het gaat om de kerndoelen mens en samenleving, is ervaringsgericht leren trouwens van groot belang.
Zeker voor basisscholen in de grensgebieden is het van belang dat zij de gelegenheid krijgen om Duits en Frans aan te bieden. Verdere uitbreiding met Romaanse talen is echter niet gewenst. Ook is het niet toegestaan om de moedertaal van allochtone kinderen als tweede taal aan te bieden. Het is overigens een goede zaak dat het aan de scholen wordt overgelaten om te bepalen of leerlingen het aankunnen om een tweede vreemde taal te leren, en dat het mogelijk wordt om reeds eerder dan in groep 7 te beginnen met het vreemdetalenonderwijs. Het mag echter niet zo zijn dat bijvoorbeeld biologie of rekenen in een vreemde taal worden aangeboden. De minister moet hier een duidelijke uitspraak over doen, aangezien steeds meer basisscholen tweetalig onderwijs willen aanbieden of dat al doen. In de kerndoelen is het Nederlands niet voor niets zo centraal geplaatst. Bovendien kan het aanbieden van het onderwijs in een vreemde taal elitevormend werken, waardoor het gevaar ontstaat dat witte scholen witter worden en zwarte scholen zwarter.
Scholen zijn verantwoordelijk voor het implementeren van de kerndoelen. Aangezien die verantwoordelijkheid materieel lijkt te worden overgenomen door uitgevers van onderwijsmethoden, is het de vraag wie die methoden toetst. Verder is het de vraag of niet het gevaar bestaat dat de verwerking van de kerndoelen in de onderwijsmethoden ertoe leidt dat scholen achterover gaan zitten. De minister stelt dat voor de interne en externe verantwoording het beheersingsniveau van de kerndoelen getoetst zal worden, maar toetsen zijn niet bedoeld voor het beoordelen van de kwaliteit van de school. Op welke manier zullen de scholen na de wetswijziging trouwens in de gelegenheid worden gesteld om hun onderwijsprogramma aan te passen aan de nieuwe kerndoelen? Verder is het de vraag hoe de inspectie hiermee zal omgaan en hoe de leraren, zowel de zittende als de nieuwe, ondersteund worden bij het aanbieden van de nieuwe kerndoelen, vooral die op het gebied van mens en samenlevingén natuur en techniek.
Mevrouw Kraneveldt (LPF) constateert dat de nieuwe kerndoelen in grote lijnen gedragen worden door het veld. Het is een goede zaak dat het aantal kerndoelen sterk wordt teruggebracht en dat er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen een kerndeel en een differentieel deel. Het gaat erom dat met de kerndoelen wordt geformuleerd welke kennis en vaardigheden een kind op de basisschool moeten worden bijgebracht. Het is voorts aan scholen zelf om te bepalen welke extra zaken zij aan kinderen willen meegeven en waarop zij zich kunnen profileren. Als het goed is, hebben de ouders daar trouwens ook een stem in.
Engels zou niet als kerndoel opgenomen moeten worden. Verder zou scholen niet moeten worden toegestaan om Duits of Frans aan te bieden. De basisscholen moeten zich namelijk concentreren op rekenen, de Nederlandse taal en een aantal andere basisvaardigheden die kinderen nodig hebben voor de overgang naar de middelbare school. Om kinderen eerder met Duits in contact te brengen, zou wel overwogen kunnen worden om dit vak al in de brugklas aan te bieden in plaats van in de tweede klas van het voortgezet onderwijs. Als Engels wel als kerndoel wordt opgenomen en scholen ook nog een tweede vreemde taal mogen aanbieden, is het de vraag of de betreffende lessen door een professionele leerkracht of de eigen groepsleerkracht gegeven zullen worden. Voorts is het de vraag hoe getoetst kan worden of kinderen inderdaad plezier hebben gekregen in lezen en schrijven en een positieve attitude hebben ontwikkeld. Tot slot vraagt mevrouw Kraneveldt of de kerndoelen voor bewegingsonderwijs niet wat minder globaal geformuleerd moeten worden.
De heer Balemans (VVD) kan instemmen met de herziening van de kerndoelen en is verheugd dat hierover overleg is gevoerd met het veld. Er wordt echter niet, zoals door de commissie-Wijnen is geadviseerd, een onderscheid gemaakt tussen een kerndeel en een differentieel deel. De minister schrijft dat dit onderscheid ertoe kan leiden dat leerlingen de aansluiting met het vervolgonderwijs missen en dat leerlingen een te beperkt onderwijsaanbod wordt geboden. Het lijkt er echter op dat zij zich hierbij ook heeft laten leiden door de uitspraak van de uitgevers dat zij hun methodes alleen maar afstemmen op de kerndoelen. Het mag evenwel niet zo zijn dat het onderwijs vorm wordt gegeven aan de hand van datgene wat de uitgevers wel of niet willen beschrijven.
De kerndoelen moeten scholen ruimte bieden voor eigen keuzes, maar ook een doorgaande leerlijn waarborgen, zowel horizontaal als verticaal. Geven de nieuwe kerndoelen de leerkrachten hierbij voldoende houvast? Het is een goede zaak dat scholen verschillende methodes kunnen hanteren, maar de leerkrachten moeten wel leren omgaan met de ruimere kerndoelen. Hoe zullen de scholen en de leerkrachten hierbij ondersteund worden? Tot slot vraagt de heer Balemans waarom de kerndoelen voor Nederlands en rekenen/wiskunde preciezer zijn omschreven dan de kerndoelen voor de zaak- en expressievakken.
Mevrouw Lambrechts (D66) is zeer verheugd dat het aantal kerndoelen sterk wordt teruggebracht, dat de kerndoelen voor Nederlands en rekenen/wiskunde preciezer worden omschreven en dat de scholen voorts wat meer ruimte krijgen voor eigen keuzes. Ook is het een goede zaak dat er nu aandacht wordt besteed aan burgerschap, normen en waarden en cultuureducatie. Het verplicht stellen van Engels zal echter leiden tot een verzwaring van het onderwijsaanbod. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van het aanbieden van een tweede taal. Op zichzelf is er niets op tegen dat kinderen al in groep 1, 2 of 3 met Engels beginnen, maar die verplichting zal met name op scholen met veel allochtone kinderen en forse achterstanden tot problemen kunnen leiden. Daarom mogen scholen wel gestimuleerd worden om Engels te geven, maar moeten zij zelf kunnen bepalen of dat wel haalbaar is. Desgevraagd merkt mevrouw Lambrechts nog op dat Engels volgens haar thans geen verplicht vak is. Waarom wordt het scholen trouwens niet toegestaan om, als zij de mogelijkheid krijgen om een tweede taal aan te bieden, dan bijvoorbeeld te kiezen voor Spaans?
Het is een goede zaak dat het overbrengen van burgerschap en normen en waarden geïntegreerd wordt in het onderwijs. Op bijzondere scholen zal hier aandacht aan besteed kunnen worden in de godsdienstlessen, maar het is de vraag hoe hier op openbare scholen gestalte aan zal worden gegeven, voordat de methoden hier wat meer op afgestemd zijn. Wat zijn de ideeën van de minister hierover? Het is overigens de bedoeling dat er niet alleen kennis over andere culturen en dergelijke wordt overgebracht, maar dat de kinderen hiervoor ook respect wordt bijgebracht. Tot slot vraagt mevrouw Lambrechts of nog eens verduidelijkt kan worden hoe de nieuwe kerndoelen aansluiten op het voortgezet onderwijs.
Mevrouw Vergeer (SP) vindt het ook een goede zaak dat de kerndoelen vereenvoudigd worden, terwijl de kerndoelen voor de belangrijke vakken juist beter omschreven worden. Het mag echter niet zo zijn dat de vrijheid die scholen nu wordt geboden om zich bijvoorbeeld te profileren door het aanbieden van onderwijs in twee talen, leidt tot elitevorming. Doordat de kerndoelen wat minder duidelijk omschreven worden en niet allemaal vertaald zullen worden in lesmethoden, bestaat het risico van verschraling van het onderwijs. Leerkrachten vinden het meestal wel leuk om zelf lessen te ontwikkelen, maar vanwege de hoge werkdruk komen zij daar vaak niet aan toe.
Op zichzelf is het goed dat scholen een tweede taal mogen aanbieden, maar dit moet niet verplicht gesteld worden in het primair onderwijs. Dat zal namelijk vooral voor leerlingen die moeite hebben met Nederlands, te veel zijn. Verder ontstaat hierdoor het risico dat leerlingen in de brugklas allemaal een verschillend niveau hebben. Hoe kan een goede aansluiting op het middelbaar onderwijs geregeld worden? Verder is het de vraag of het talenonderwijs wel aan native speakers moet worden overgelaten, omdat die vaak geen pedagogisch-didactische vaardigheden hebben.
Burgerschap zou geen apart vak moeten zijn, maar geïntegreerd moeten zijn in de dagelijkse praktijk van de school. Er moet continu aandacht worden besteed aan normen en waarden. Aangezien techniek bij voorkeur in samenhang met andere vakgebieden gegeven moet worden, zijn de kerndoelen voor dit vak ondergebracht in het leergebied «oriëntatie op jezelf en de wereld». Op zichzelf is dat prima, maar de leerkrachten zullen daarvoor wel bijgeschoold moeten worden. Overigens is het in het algemeen de vraag of er voldoende formatieruimte is voor leerkrachten om zich bij te scholen, of er een extra budget is voor die bijscholing en of de methodes al op de nieuwe kerndoelen afgestemd zullen zijn in het schooljaar 2005–2006.
Mevrouw Vergeer acht het niet wenselijk dat basisscholen zich kunnen profileren als cultuurschool, vreemdetalenschool of bètaschool. Alle basisscholen zouden zowel cultuur als onderwijs in een vreemde taal en extra rekenen als basisvoorziening moeten bieden en daar afhankelijk van de vorderingen of de belangstelling van kinderen enige differentiatie in moeten aanbrengen. In dit verband is het onderscheid tussen bijzonder onderwijs en openbaar onderwijs niet relevant. Kinderen in de basisschoolleeftijd moeten in principe eenzelfde pakket aan bagage mee krijgen. Hoe oordeelt de minister hierover?
Mevrouw Hamer (PvdA) waardeert het dat scholen meer vrijheid krijgen bij het bepalen van de inhoud van het onderwijs en dat het aantal kerndoelen wordt teruggebracht. Wel is het de vraag waarom de voorstellen van de commissie-Wijnen niet onverkort zijn gevolgd. Sommige kerndoelen worden weliswaar gedetailleerder beschreven dan andere, maar het veld beleeft dat niet altijd zo. Er moet in de eerste plaats naar gestreefd worden dat elk kind op de basisschool kennis en vaardigheden opdoet die het in het vervolgonderwijs nodig heeft. Daarmee is zo'n 70% tot 80% van de lesstof gemoeid. Voor de overige 20% tot 30% zou de minister wel een richting kunnen aangeven, maar de precieze invulling zou aan de scholen overgelaten moeten worden opdat zij maatwerk kunnen leveren voor de kinderen die er op dat moment zijn, en zich daarop kunnen profileren. Mevrouw Hamer is er niet bevreesd voor dat hierdoor elitescholen zullen ontstaan.
Op zichzelf is het prima dat het geven van Engels verplicht wordt gesteld. Het is echter wel de vraag of een school, als een kind dat echt niet aan kan, hier dan gemotiveerd van mag afwijken. Verder wil mevrouw Hamer weten waarom scholen alleen de buurtalen Duits en Frans mogen aanbieden als tweede vreemde taal en niet een andere wereldtaal. Overigens heeft zij er geen bezwaar tegen als een deel van het onderwijs in een andere taal, bijvoorbeeld het Engels, wordt gegeven, mits dat gebeurt als onderdeel van die 20% tot 30% van de lesstof die scholen zelf mogen invullen. In het onderwijs moet namelijk ingespeeld kunnen worden op de veranderende maatschappij. Voorts moet er zo veel mogelijk maatwerk worden geleverd om kinderen een zo hoog mogelijk onderwijsniveau te laten halen.
De uitgevers zien in de nieuwe kerndoelen een aanbodverplichting. Moet er echter niet juist sprake zijn van een resultaatverplichting en kan hierover niet een convenant worden gesloten met de uitgevers? In dit verband is het ook de vraag wat de minister bedoelt met haar opmerking dat in de meeste methoden al wordt aangesloten op de huidige kerndoelen. In hoeverre moeten er nu nieuwe methodes ontwikkeld worden of bestaande methodes aangepast worden? Zal dit een grote operatie zijn en zullen de leerkrachten ondersteund worden om hiermee vertrouwd te raken? Er moeten in ieder geval voldoende goede methodes zijn, opdat de scholen het wiel niet weer zelf behoeven uit te vinden. In een convenant met de uitgevers zou aangegeven kunnen worden aan wat voor methodes het veld behoefte heeft.
De voor techniek geformuleerde kerndoelen zullen eraan bijdragen dat bètavakken en techniek een plaats krijgen in het basisonderwijs. Het is evenwel de vraag of leerkrachten op dit vlak geen bijscholing nodig hebben en of er middelen zijn om hier ook toe over te gaan. Ook vraagt mevrouw Hamer of de scholen inmiddels voldoende zijn toegerust om de digitale snelweg met het oog op de nieuwe kerndoelen te kunnen benutten. Tot slot meldt zij dat zij samen met mevrouw Kraneveldt een initiatiefwetsvoorstel inzake integratie heeft ingediend en dat daarin wordt ingegaan op burgerschapsvorming.
De minister constateert dat het heeft geloond om overleg te voeren over de nieuwe kerndoelen. Op die manier heeft de politiek goed kunnen inspelen op de veranderende maatschappij en de daardoor gewijzigde inzichten. Het onderwijs wil meer ruimte en autonomie, maar het moet daar wel verantwoording voor afleggen. Doordat er een zorgvuldige procedure is gevolgd, heeft de herziening van de kerndoelen nogal wat tijd gekost, maar het resultaat is nu wel goed. Met de nieuwe kerndoelen wordt recht gedaan aan de verschillen tussen leerlingen en de professionaliteit van leerkrachten. Door de manier van leren in het basisonderwijs moeten kinderen de kans krijgen om hun talenten verder te ontwikkelen op weg naar het voortgezet onderwijs. Scholen hebben daarnaast ook de ruimte om een profiel te kiezen en zich daarop te profileren. Het is vervolgens aan de ouders om op grond daarvan een school te kiezen. De kerndoelen op het gebied van taal en rekenen/wiskunde zijn heel precies geformuleerd, maar op andere gebieden zijn zij heel ruim geformuleerd opdat de scholen hier zelf meer invulling aan kunnen geven.
Er wordt inderdaad geen onderscheid gemaakt tussen een kerndeel en een differentieel deel. Als het advies van de commissie-Wijnen op dat punt gevolgd was, zou het basisonderwijs niet goed aansluiten op het vervolgonderwijs en zou de zwakkere leerlingen een beperkter onderwijsaanbod zijn geboden. De kerndoelen, zoals die thans geformuleerd zijn, gelden voor alle leergebieden die essentieel zijn voor de ontwikkeling van leerlingen in het basisonderwijs en die ook in het vervolgonderwijs aan bod komen. Deze 58 kerndoelen moeten ook allemaal aan bod komen in het basisonderwijs. Het lijkt de minister geen goed idee om de formulering van een aantal kerndoelen weer aan te passen. Bovendien mag best aangegeven worden dat het onderwijs zo ingericht moet worden dat kinderen leren leuk vinden.
Basisscholen zijn sinds 1986 verplicht om Engels te geven. Veel scholen hebben er toen voor gekozen om dit vak alleen in groep 7 en 8 aan te bieden. Met de uitgevers is nu echter overeengekomen dat er methodes worden ontwikkeld waardoor hier al eerder mee begonnen kan worden. Het geven van Engels is inmiddels onderdeel van de pabo-opleiding. Tegen het inschakelen van native speakers bestaat geen bezwaar, al zal dit over het algemeen meer effect hebben in de hogere groepen dan in de lagere groepen. Voorts zal scholen de mogelijkheid worden geboden om Frans of Duits als tweede vreemde taal aan te bieden. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de tijdens de Europese top in Lissabon en die in Barcelona gemaakte afspraak dat het aanbieden van twee vreemde talen aan jonge kinderen gestimuleerd zal worden. Hiertoe moet nog wel de Wet op het primair onderwijs gewijzigd worden. Er is gekozen voor Frans en Duits, omdat dit de talen zijn waarmee Nederlandse kinderen het meest in aanraking zullen komen, en omdat er van oudsher nauwe culturele en grensoverschrijdende banden zijn met Duitsland, België en Frankrijk. Het is overigens uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de ruimte die scholen hiermee wordt gegeven, wordt benut voor moedertaal onderwijs aan allochtone leerlingen. Dat geldt dus ook voor bijvoorbeeld een Duits kind op een Nederlandse school.
Met het bieden van de mogelijkheid tot het aanbieden van Frans of Duits als tweede vreemde taal wordt ook aangesloten op het talenonderwijs in het voortgezet onderwijs. In de wetgeving ter zake wordt thans bepaald dat leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs verplicht het vak Engels en daarnaast verplicht het vak Frans of Duits volgen, maar niet dat die vakken in alle jaren van de onderbouw moeten worden gegeven. In aanvullende wetgeving voor de onderbouw van vwo en havo wordt naast Engels zowel Frans als Duits verplicht gesteld, maar daarin wordt ook niet bepaald dat die vakken in alle jaren van de onderbouw moeten worden gegeven. Bij de behandeling van de kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs kan nader teruggekomen worden op de aansluiting van het vreemdetalenonderwijs in het basisonderwijs op dat in het voortgezet onderwijs. Daarbij kan overigens ook rekening gehouden worden met de uitkomsten van de politieke discussie over het advies van de Taakgroep vernieuwing basisvorming. Voorts merkt de minister op dat er op dit moment op 30 scholen voor voortgezet onderwijs tweetalig onderwijs wordt aangeboden.
Het is de bedoeling om de herziene kerndoelen vanaf het schooljaar 2005–2006 in te voeren. Daarbij is een overgangsperiode van een jaar of drie voorzien. Scholen en leerkrachten worden hierbij ondersteund door het laten ontwikkelen van leerlijnen, tussendoelen en dergelijke. Voorts zullen SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling), LPC (Landelijke Pedagogische Centra) en Cito worden betrokken bij de implementatie van de nieuwe kerndoelen en zal met de staatssecretaris van OCW worden gestreefd naar een afstemming van de pabo-opleidingen op de kerndoelen. De herziening van de kerndoelen is evenwel al een tijd gaande en het proces was ook inzichtelijk. Mede hierom hebben de uitgevers al een begin kunnen maken met het aanpassen van de methodes. Er is geen extra nascholingsbudget beschikbaar; het is aan de scholen zelf om hier een deel van hun eigen nascholingsbudget aan te besteden. De minister verwacht echter geen grote problemen bij de implementatie, want er is geen sprake van een grootschalige onderwijsvernieuwing. Met de herziene kerndoelen wordt voorts de professionaliteit van de leerkrachten aangesproken.
Het is de bedoeling dat de groepsleerkracht techniek geeft. Met het uitbrengen van het Deltaplan bètatechniek is een begin gemaakt met de bij- en nascholing van leerkrachten. Ingevolge het Nationaal actieplan Verbreding techniek basisonderwijs wordt er een plan opgesteld om binnen alle pabo's techniek te verankeren in het onderwijsaanbod, moeten de pabo's voorzien in een nascholingsaanbod voor techniekcoördinator en krijgen 2500 scholen een aanvullend budget om techniek zowel personeel als materiaal sterker te verankeren in hun onderwijs.
De onderwijsinspectie beoordeelt of het onderwijsaanbod voldoende garantie biedt voor het realiseren van de kerndoelen. In het Onderwijsverslag valt overigens nu al te lezen dat een deel van de scholen een plan opstelt om te bevorderen dat leerlingen die het niveau niet halen, wel het voor hen hoogst bereikbare niveau halen. Hierdoor kunnen scholen ook weer van elkaar leren.
Burgerschapsvorming is meer dan het overbrengen van kennis en moet dan ook geen apart vak zijn. Kinderen moeten natuurlijk leren wat de hoofdzaken zijn van de Nederlandse en de Europese staatsinrichting en hoe bijvoorbeeld democratie in elkaar zit. Bij burgerschapsvorming gaat het echter ook om gedrag, attitudevorming, houding, ervaringsgericht leren en dergelijke. Dit soort zaken kan niet in één vak bijgebracht worden. Mede om die reden zijn er kerndoelen geformuleerd voor burgerschapsvorming, al behoeven die nog enige aanscherping. Dat geldt met name voor kerndoel 38. Aan de hand van die kerndoelen kan de inspectie evenwel beoordelen of een school de kinderen op hun niveau goed duidelijk maakt wat het betekent om samen te werken, hoe je conflicten moet oplossen en dergelijke. Voorts moet er in de Wet op het primair onderwijs een bepaling worden opgenomen op het gebied van burgerschap en moeten goede voorbeelden op dit gebied gefaciliteerd worden. Het wetsvoorstel ter zake kan rond de jaarwisseling tegemoet gezien worden. Verder moet burgerschapsvorming opgenomen worden in het toezichtskader van de inspectie en moet overleg tussen gemeenten en scholen over versterking van maatschappelijk burgerschap gestimuleerd worden.
Vooruitlopend op wettelijke bepalingen ter zake, heeft de KPC-Groep (Katholiek Pedagogisch Centrum) op verzoek van de Kamer een project Actief burgerschap ontwikkeld. Als scholen dat materiaal willen gebruiken, kunnen zij daar nu al subsidie voor krijgen. De SLO voert op verzoek van de gezamenlijke onderwijsorganisaties het project Sociaal-ethische vorming uit. Teleac/NOT ontwikkelt op dit moment in opdracht van het ministerie in het kader van het Europese jaar van opvoeding door sport een programmaserie over waarden en normen, speciaal gericht op de bovenbouw van het basisonderwijs en de onderbouw van het vmbo. Ook is er voor Kennisnet een speciale themasite opgericht over waarden en normen. Er zal overigens voor gezorgd moeten worden dat die site goed bezocht blijft worden. Voorts zal de minister in contact treden met de pabo-opleiding en het onderwijsveld over de manier waarop waarden en normen en burgerschap ingevoerd kunnen worden. Om te beginnen, zal er met de Onderwijsraad en de WRR een conferentie over dit thema belegd worden. Verder zal de minister er in het kader van het Europese voorzitterschap naar streven dat waarden en normen en burgerschap in de Europese onderwijsprogramma's worden opgenomen. Op de toekomst van het godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan in een later stadium teruggekomen worden.
De Wet op het primair onderwijs verplicht scholen om het onderwijs in het Nederlands aan te bieden. Door de herziene kerndoelen verandert dat niet. Een school kan er nu echter wel toe besluiten om op grond van een didactisch principe een deel van het onderwijs aan te bieden in het Engels. De nadruk blijft evenwel liggen op een goede beheersing van het Nederlands. In dit verband zegt de minister wel toe, te willen inventariseren in hoeverre scholen voor basisonderwijs er behoefte aan hebben om tweetalig onderwijs aan te bieden en op welke manier zij daaraan vorm willen geven. Als blijkt dat scholen verder willen gaan met het aanbieden van tweetalig onderwijs dan alleen als didactisch principe, dan is daar wetswijziging voor nodig. Voor het overige wil de minister het aan de scholen overlaten of en wanneer zij ertoe overgaan om onderwijs in een tweede vreemde taal, Frans of Duits, aan te bieden. De geleerden zijn het er immers ook niet helemaal over eens wanneer het beste begonnen kan worden met het aanleren van een tweede taal.
De thans voorliggende kerndoelen, met name de nummers 52 en 53, bieden in principe voldoende aanknopingspunten om de holocaust aan de orde te stellen. Gezien het belang en de gevoeligheid van dit onderwerp, zal bekeken worden of er een directe verwijzing naar de holocaust kan worden opgenomen in de kerndoelen. In het kader van de AMvB wordt hier dan nader op teruggekomen.
Uitgevers hebben behoorlijk wat ruimte om bij het ontwikkelen van nieuwe onderwijsmethodes te variëren. Er wordt evenwel regelmatig overleg gevoerd met de uitgevers. De bedoeling is dat zij de kerndoelen vertalen in hun onderwijsmethodes. Over het algemeen gaat dit prima, maar het wordt wel steeds aan de orde gesteld in het overleg met de uitgevers. Het lijkt de minister daarom niet nodig om ter zake een convenant op te stellen.
De Kamer heeft in een AO met staatssecretaris Van der Laan van OCW gesproken over de mate waarin scholen zijn toegerust voor ICT. Aan het eind van dit jaar of begin 2005 zullen de toegezegde financiële gegevens worden verstrekt. In het debat daarover kan ook over de toerusting van de scholen ter zake worden gesproken. In het Onderwijsverslag over 2002–2003 wordt evenwel al geconstateerd dat basisscholen steeds vaker gebruikmaken van ICT en dat de leerlingen op bijna tweederde van de scholen door de leerkrachten gestimuleerd worden om hier zelfstandig mee te werken. Verder blijkt daaruit dat in dat jaar meer dan 70% van de basisscholen op internet was aangesloten en dat per zeventien leerlingen een internetcomputer beschikbaar was.
Mevrouw Vergeer (SP) is het ermee eens dat ouders iets te kiezen moeten hebben, als hun kind naar de basisschool gaat. Scholen mogen zich echter alleen profileren op grond van hun pedagogisch-didactische methode. Het is niet zo dat zij zich op bepaalde kerndoelen mogen profileren, bijvoorbeeld door een mooi technieklokaal. Aangezien een en ander ook weer verband kan houden met de hoeveelheid geld waarover een school beschikt, bijvoorbeeld op grond van ouderbijdragen, zou hierdoor ook nog eens het risico van tweedeling ontstaan. Een leerling moet op elke school aangeboden kunnen krijgen wat hij of zij nodig heeft.
De minister herhaalt dat het de bedoeling is dat alle kinderen alle 58 kerndoelen krijgen aangeboden, met uitzondering van die voor de Friese taal. Daarnaast is elke school vrij om accenten te leggen. Dit kan inderdaad leiden tot verschillen, maar in de eerste klas van het voortgezet onderwijs komen ook nu kinderen met een verschillend niveau binnen. Scholen krijgen straks net als nu alleen de ruimte om zelf keuzes te maken, als dit geen nadelige effecten heeft voor de doorgaande leerlijnen. Daarom zijn bepaalde kerndoelen globaler omschreven dan andere. Hiermee wordt ook tegemoetgekomen aan de wens van de leerkrachten om enige ruimte te krijgen. Tot slot zegt de minister desgevraagd toe dat zij de AMvB te zijner tijd bij de Tweede Kamer zal voorhangen.
De voorzitter constateert dat de minister de volgende toezeggingen heeft gedaan.
– De commissie wordt nader geïnformeerd over het complex van het borgen van de Nederlandse taal, tweetaligheid en taal als didactisch principe.
– In kerndoel 38 zal ook gewezen worden op respect voor andere geestelijke stromingen.
– Het begrip holocaust zal in kerndoel 52 of 53 benaderd worden.
Samenstelling:
Leden: Van Nieuwenhoven (PvdA), Van de Camp (CDA), Kalsbeek (PvdA), Cornielje (VVD), voorzitter, Lambrechts (D66), Hamer (PvdA), Azough (GroenLinks), Van Bommel (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Blok (VVD), Balemans (VVD), Slob (ChristenUnie), Vergeer (SP), Tichelaar (PvdA), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Eski (CDA), Eijsink (PvdA), Leerdam (PvdA), ondervoorzitter, Van Miltenburg (VVD), Kraneveldt (LPF), Hermans (LPF), Van Dam (PvdA) en Visser (VVD).
Plv. leden: Kruijsen (PvdA), Ferrier (CDA), Verbeet (PvdA), Rijpstra (VVD), Bakker (D66), Boelhouwer (PvdA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Tonkens (GroenLinks), Jonker (CDA), Hirsi Ali (VVD), Örgü (VVD), Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Dijksma (PvdA), Hessels (CDA), Sterk (CDA), Atsma (CDA), Van Bochove (CDA), Van Hijum (CDA), Arib (PvdA), Stuurman (PvdA), De Krom (VVD), Varela (LPF), Nawijn (LPF), Adelmund (PvdA) en Aptroot (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29488-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.