29 446
Uitvoering Flora- en Faunawet

nr. 13
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 30 november 2004

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de AmvB tot wijziging van enkele AMvB's in verband met wijziging van artikel 75 van de Flora- en Faunawet (29 446).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 29 november 2004. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Schreijer-Pierik

De waarnemend griffier van de commissie,

Van Leiden

1

Kunnen er, gezien het oordeel van de Raad van State dat het van groot belang is dat de voorgestelde wijzigingen van het vrijstellingsbesluit gepaard gaan met voltooiing van de implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn, afstemmingsproblemen gaan ontstaan als bijvoorbeeld gedragscodes (die vijf jaar geldig zijn, en gebaseerd zijn op «oude» wet- en regelgeving) en het randvoorwaardelijk kader niet meer overeenstemmen met op dat moment geldende wet- en regelgeving? Kunnen er met de voorgestelde aanpak toch extra uitvoeringsproblemen en onduidelijkheden ontstaan?

In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State onderschrijf ik het oordeel van de Raad dat een goede afstemming tussen het besluit en implementatie van de gebiedsbeschermingsbepalingen van de Habitatrichtlijn van belang is. Ik heb aangegeven dat het echter niet noodzakelijk is om eerst de gebiedsbeschermingsbepalingen te implementeren en vervolgens het besluit vast te stellen. Zowel in het besluit als in het wetsvoorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt uitvoering gegeven aan verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. Voor zover het besluit raakvlakken heeft met het wetsvoorstel stemt het besluit overeen met het wetsvoorstel. Het is dan ook niet te verwachten dat afstemmingsproblemen of extra uitvoeringsproblemen zullen ontstaan.

2

Kunt u een nadere toelichting geven op uw stelling dat bezien zal moeten worden hoeveel waarde voornoemde vrijstellingen en ontheffingen voor de praktijk kunnen hebben?Kunt u hierbij ook aangeven of de ruimte die de Vogel- en Habitatrichtlijnen bieden in het onderhavige besluit nu echt maximaal wordt benut?

De passage die aangehaald wordt, is opgenomen in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Ik heb die opmerking gemaakt in het kader van de discussie over de ruimte die bestaat tussen «opzettelijk» en «niet opzettelijk» handelen. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verbieden veelal het opzettelijk handelen, zoals bijvoorbeeld het verbod tot het opzettelijk doden van vogels. De Flora- en faunawet daarentegen verbiedt over het algemeen ook het onopzettelijk handelen.

Met het besluit wordt dit verschil voor een belangrijk gedeelte weggenomen. Er zijn vrijstellingen in het besluit verleend en nieuwe mogelijkheden tot verlening van een ontheffing gecreeërd, waarmee het «onopzettelijk handelen» wordt of kan worden toegestaan.

Het Hof van Justitie legt het «opzettelijk» handelen ruim uit. Er is al snel sprake van opzettelijk handelen. Hiermee is in het besluit rekening gehouden door de vrijstellingen voor de soorten waarvoor dit noodzakelijk is, te koppelen aan het handelen volgens gedragscodes. In deze gedragscodes dient aangegeven te worden op welke wijze zorgvuldig gewerkt zal worden. Als desondanks toch bijvoorbeeld dieren gedood worden, is sprake van niet opzettelijk handelen.

Mijn stelling in het nader rapport dient geplaatst te worden in deze context. Ik verwacht wel degelijk dat de vrijstellingen en nieuwe mogelijkheden om ontheffing te verlenen waarde kunnen hebben voor de praktijk. Echter, dit gaat niet zover dat tijdens uitvoering van werkzaamheden en gebruik geen rekening meer behouden hoeft te worden met de bescherming van soorten. Er dient nog altijd een inspanning geleverd te worden voorafgaand aan en tijdens de werkzaamheden om bijvoorbeeld het doden van beschermde dieren te vermijden.

3, 20 en 21

Kunt u, gezien de mogelijke consequenties van begrippen ten aanzien van de uitvoering en rechtszekerheid, een nadere toelichting geven op de volgende definities zoals gehanteerd in het besluit: «significant effect», «wezenlijke invloed», «redelijke zekerheid», «zorgvuldig handelen», «al het redelijke doen of nalaten», «belangrijke overlast», «ernstige schade» en «reële schade»?

Wat wordt in artikel 2, derde lid, onderdeel f, bedoeld met «ernstige schade»? Welke definitie wordt gehanteerd?

Wat wordt in artikel 2, derde lid, onderdeel f, bedoeld met «belangrijke overlast»? Welke definitie wordt gehanteerd?

Het gaat hier niet om definities, maar om criteria waarover van geval tot geval een beoordeling dient plaats te vinden. Per situatie dient een weging te worden gemaakt, waarbij de concrete omstandigheden van het geval leiden tot invulling van de termen. Definiëring van de termen op voorhand kan leiden tot een ongewenste inperking van de reikwijdte van de termen. Voor wat betreft begrippen die hun grondslag hebben in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, zoals bijvoorbeeld de term «ernstige schade», geldt bovendien dat het risico bestaat dat onjuiste implementatie van de richtlijnen plaatsvindt.

Overigens ben ik voornemens om door middel van actieve voorlichting bekendheid te geven aan de inhoud van het besluit. Ik verwijs hiervoor naar de vragen 36 en 38.

4

Is er onderzocht welke negatieve effecten deze wijziging heeft voor de natuurwaarden?

Bij het opstellen van het besluit is bezien wat de gevolgen zijn van het besluit voor de natuurwaarden. Het besluit is dusdanig ingericht dat een gunstige staat van instandhouding van de soort gewaarborgd is. Dit wordt bereikt doordat de zorgplicht uit artikel 2 van de Flora- en faunawet onverkort van toepassing is. Voor de soorten die bescherming genieten krachtens de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn extra waarborgen opgenomen in de vorm van gedragscodes. Door monitoring zal de vinger aan de pols worden gehouden voor wat betreft de effecten van het besluit op beschermde soorten. In het antwoord op vraag 48 ga ik nader in op de wijze waarop monitoring plaatsvindt.

5 en 10

Kunt u onderbouwen dat deze wijziging voldoet aan de grondslag van de Flora- en faunawet, namelijk erkenning van intrinsieke waarde van flora en fauna?

Deelt u de mening dat deze AmvB de wettelijke bescherming van flora en fauna voor enkele soorten verlegt van de erkenning van intrinsieke waarde naar soortenbescherming? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe wordt deze wettelijke incoherentie tussen de AmvB en de grondslag van de Flora- en faunawet opgelost?

De vrijstellingen in het besluit houden geen vogelvrijverklaring in. De vrijstellingen zijn nodig om maatschappelijke activiteiten beter te kunnen combineren met bescherming van soorten. Doordat de zorgplicht uit artikel 2 van de Flora- en faunawet in acht dient te worden genomen en in diverse artikelen van het besluit zorgvuldigheidseisen worden gesteld, wordt recht gedaan aan de intrinsieke waarde van het dier.

6, 7, 8

Bieden de gedragscodes voldoende basis voor naleving?

Kunt u garanderen dat bedrijfstakken in de praktijk handelen conform de gedragscodes?Zo ja, op welke wijze? Zo neen, welke conclusies trekt u daaruit?

Op welke wijze controleert de overheid of een bedrijf in de praktijk handelt conform de gedragscode? Bevatten de gedragscodes ook een zelfcontrolesysteem? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

In paragraaf 3.3 van de nota van toelichting bij het besluit is beschreven in hoeverre verwacht mag worden dat het besluit wordt nageleefd. Gelet op het feit dat meerdere doelgroepen hebben verzocht om algemeen geldende vrijstellingen voor reguliere regelmatig terugkerende werkzaamheden of gebruik zal over het algemeen gesproken de wil bestaan het besluit en de gedragscodes na te leven. Controle is voorzien en zal het nalevingsniveau bevorderen.

De AID zal toezien op de naleving van het besluit. De AID beschikt over circa 30 fte op jaarbasis voor de handhaving van natuurregelgeving. De handhaving van het besluit vindt binnen deze capaciteit plaats. Als de AID tijdens controles stuit op een handeling als bedoeld in artikel 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet, zal nagegaan dienen te worden of hiervoor een vrijstelling geldt dan wel hiervoor een ontheffing is verleend. De AID zal de beschikking krijgen over goedgekeurde gedragscodes, zodat medewerkers van de AID kunnen nagaan of gehandeld is conform een goedgekeurde gedragscode.

Het besluit schrijft niet voor dat gedragscodes een zelfcontrolesysteem dienen te bevatten. Met een gedragscode kan een sector echter aantonen maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Hiermee kan een gedragscode een bijdrage leveren aan de versterking van de sociale controle binnen een sector.

9 en 29

Op welke wijze wordt opgetreden tegen bedrijven of particulieren die niet handelen conform de gedragscodes? Wat zijn de wettelijke sanctiemogelijkheden op overtredingen van de gedragscode?

Wat gebeurt er wanneer, nadat een vrijstelling is verleend, wordt vastgesteld dat er onzorgvuldig gehandeld is? Wordt in dat geval compensatie geregeld voor de schade aan de natuur?

Ingevolge artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, (artikel III, onderdeel R, van het besluit) gelden de vrijstellingen voor reguliere werkzaamheden en gebruik slechts ten aanzien van minder algemeen voorkomende soorten, vogels en soorten die vermeld zijn in bijlage 1 bij het besluit en in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, indien aantoonbaar gehandeld wordt conform een door mij goedgekeurde gedragscode. Als dit niet het geval is, geldt geen vrijstelling. Indien men evenmin beschikt over een ontheffing, is sprake van een overtreding van de artikelen 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet. Uitgangspunt is dat tegen dergelijke overtredingen wordt opgetreden. Er zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sanctiemogelijkheden op overtredingen van deze artikelen. Ik verwijs hiervoor naar paragraaf 3.2 van de nota van toelichting. De wet biedt geen mogelijkheden om als sanctie compensatie voor te schrijven, indien schade aan de natuur wordt gedaan.

11 en 12

Is de Raad van State om advies gevraagd over de compatibiliteit van de AmvB met de erkenning van intrinsieke waarde als grondslag van de Flora- en faunawet? Zo ja, wat waren haar bevindingen? Zo neen, waarom niet?

Is de Raad van State om advies gevraagd over de compatibiliteit van de AmvB met de Vogel- en Habitatrichtlijnen? Zo ja, wat waren haar bevindingen? Zo neen, waarom niet?

Het besluit is integraal ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. Hierbij is niet specifiek om advies gevraagd ten aanzien van de verenigbaarheid van het besluit met de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier en de verhouding van het besluit met de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

De Raad gaat in zijn advies niet in op de intrinsieke waarde van het dier. In het antwoord op de vragen 5. en 10. beschrijf ik hoe het besluit zich verhoudt tot het uitgangspunt van de intrinsieke waarde van het dier.

In zijn advies besteedt de Raad wel aandacht aan de verhouding van het besluit met de richtlijnen. Gelet op de richtlijnen en jurisprudentie van het Hof van Justitie plaatst de Raad enkele kanttekeningen bij artikel III, onderdelen C, D en R, van het besluit. De Raad geeft echter aan dat dit strikt genomen zou betekenen dat in geen enkel geval, waarin een exemplaar van een in de richtlijnen beschermde vogel-, dier- of plantensoort wordt aangetast of verontrust, vrijstelling of ontheffing meer zou kunnen worden verleend voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en in het bosbeheer, voor bestendig gebruik en voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. De Raad is van mening dat dit in de praktijk tot onwerkbare situaties kan leiden. De Raad adviseert uiteindelijk de effecten van de gewijzigde uitvoering van de richtlijnen met het oog van de evaluatie van de richtlijnen op EG-niveau te betrekken in de verslaglegging die is voorgeschreven in artikel 12 van de Vogelrichtlijn en artikel 17 van de Habitatrichtlijn. In het nader rapport heb ik toegezegd dat te zullen doen.

13

Hoe verenigt uw besluit om ongelimiteerde landelijke vrijstelling voor het konijn te verlenen zich tot uw eerdere vaststelling dat als gevolg van het Viraal Haemorrhagisch Syndroom in bepaalde gebieden het konijn vrijwel is uitgestorven (TK 2003/2004, aanhangsel van de handelingen, nr. 1476)?

Ik ben voornemens het konijn aan te wijzen op grond van artikel 16b, tweede lid, onderdeel a, van het besluit. Door deze aanwijzing zullen de vrijstellingen, bedoeld in artikel 16b, eerste lid, gaan gelden voor het konijn. Deze vrijstellingen hebben uitsluitend betrekking op werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en op werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Van een ongelimiteerde landelijke vrijstelling voor het konijn is dan ook geen sprake.

In gebieden waar het konijn thans voorkomt, zullen voornoemde werkzaamheden en gebruik geen ongunstige invloed hebben op de staat van instandhouding van de soort. Dat de konijnenpopulatie te lijden heeft onder een virusepidemie (Viraal Haemorrhagisch Syndroom/Rabbit Haemorrhagic Disease) doet niet af aan het feit dat het konijn in Nederland over het gehele land gemeten een algemene soort is. Gebruikmaking van de vrijstellingen als hier bedoeld zal niet van invloed zijn op het herstel van de konijnenstand op die plaatsen waar de stand is achteruitgegaan.

14

Waarom is de bouwsector er tot op heden niet in geslaagd om door middel van goede werkplanning en tijdige vergunningaanvraag vertragingen in werkzaamheden te voorkomen?

Het is belangrijk om bij het maken van plannen al in een vroeg stadium rekening te houden met ecologie. Veel problemen komen eruit voort dat pas op het allerlaatste moment, als de fundamentele keuzes al zijn gemaakt, aanpassingen in de planning, locatie, e.d. verricht moeten worden vanwege de aanwezigheid van beschermde soorten. Het komt echter ook voor dat, ondanks een goede planning en een tijdige aanvraag van een ontheffing, vertraging in de werkzaamheden ontstaat als gevolg van de soortenbeschermingsregelgeving. Met het besluit wordt beoogd dit te voorkomen.

15, 18, 30

In hoeverre gaat het in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j om «belangen»? Is hier niet veeleer sprake van activiteiten? Zo neen, waarom niet?

Is elke uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling een «belang»?

Hoe werken de belangen die in artikel 2 worden opgesomd, die meer lijken op activiteiten waarvan het belang moet worden aangetoond, door in de wet?

De belangen die in artikel 2, derde lid, worden gesomd zijn vastgesteld op basis van artikel 75, vijfde lid, onderdeel e, van de Flora- en faunawet. Artikel 75, vijfde lid, onderdeel e, van de Flora- en faunawet biedt een basis om bij algemene maatregel van bestuur belangen aan te wijzen met het oog waarop vrijstelling of ontheffing kan verleend ten aanzien van vogels en soorten die vermeld zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage 1 bij het besluit.

In artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, (artikel III, onderdeel C, van het besluit) gaat het om activiteiten, die tevens beschouwd kunnen worden als een belang met het oog waarop ontheffing of vrijstelling verleend kan worden. Uit het besluit volgt dat elke uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling aangemerkt wordt als een «belang».

16, 17, 24, 25

Klopt de veronderstelling dat een ingreep slechts zelden de gunstige staat van een soort in zijn Europese verspreidingsgebied in gevaar brengt, zodat er in de praktijk vrijwel nooit sprake zal zijn van «wezenlijke invloed» conform het besluit (o.a. artikel 2b, tweede lid, onderdeel b)? Zo neen, waarom niet?

Hoe wordt vastgesteld dat er geen «wezenlijke invloed» is op de soort?

Klopt het dat het besluit een lager beschermingsniveau biedt dan de Habitatrichtlijn, aangezien het bij de Habitatrichtlijn vooral gaat om bescherming van regionale of lokale populaties van beschermde soorten, terwijl het in artikel 2b, tweede lid, gaat om bescherming van soorten in hun Europese verspreidingsgebied? Zo neen, waarom niet? Kunt u concreet aangeven op welke wijze artikel 2b, tweede lid, Habitatrichtlijn-proof is met betrekking tot het beschermingsniveau?

Wat moet worden verstaan onder «geen wezenlijke invloed [hebben]», zoals onder andere genoemd in artikel 2? Op welk niveau (lokaal, landelijk) mag er geen wezenlijke invloed optreden? Welke (Europese) jurisprudentie is er over de interpretatie van het begrip «wezenlijke invloed» (zoals o.a. genoemd in artikel 5 van de Vogelrichtlijn)?

De Habitatrichtlijn schrijft voor dat moet worden getoetst op populatieniveau. De Flora- en faunawet schrijft voor dat moet worden getoetst op soortniveau. De definitie van soort in de Flora- en faunawet is zodanig dat in voorkomende gevallen voor «soort» ook «populatie» kan, en als de richtlijn dat voorschrijft, moet worden gelezen. Er zijn drie vormen van populaties te onderscheiden:

a. geïsoleerde populatie: Dit is een, om voor wat voor reden dan ook, geïsoleerde groep individuen die tot dezelfde soort behoren. Binnen een dergelijke populatie is geen uitwisseling van individuen met andere populaties mogelijk.

b. deelpopulatie: Dit is een populatie die samen met andere populaties deel uitmaakt van een metapopulatie en waarbij uitwisseling van individuen met andere deelpopulaties mogelijk is.

c. metapopulatie: Dit is een geheel van deelpopulaties waartussen uitwisseling van individuen mogelijk is.

Afhankelijk van met welke populatievorm men van doen heeft en afhankelijk van de karakteristieke eigenschappen van de soort moet de invloed van een ingreep lokaal, regionaal, landelijk of zelfs Europees worden gewogen. Invloeden op de in Nederland voorkomende geïsoleerde populatie van de muurhagedis, welke soort slechts over een zeer kleine actieradius beschikt, moeten anders worden gewogen dan invloeden op een soort als de bruinvis, die de gehele Noordzee en verder tot zijn beschikking heeft en die beschikt over een zeer grote actieradius. In het geval van de muurhagedis moet lokaal worden gekeken naar al dan niet wezenlijke invloeden, in het geval van de bruinvis kan de gehele West-Europese populatie erbij worden betrokken. In de regel zal geen sprake zijn van wezenlijk invloed als een (populatie van een) soort effecten op zodanige wijze zelf kan opvangen of, al dan niet op termijn, kan tenietdoen, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. De staat van instandhouding wordt als gunstig beschouwd wanneer de populatie van de soort een levensvatbare component is en blijft van de natuurlijke habitat waarin deze voorkomt, het natuurlijke verspreidingsgebied niet kleiner wordt of lijkt te worden en er voldoende habitat bestaat en zal blijven bestaan om de soort ook op de lange termijn in stand te houden.

Uit het voorgaande volgt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit artikel 2b, tweede lid, (artikel I, onderdeel D, van het besluit) in overeenstemming is met het beschermingsniveau dat voorgeschreven wordt door de Habitatrichtlijn.

Voor zover mij bekend, bestaat nog geen jurisprudentie over het begrip «wezenlijke invloed».

19

Kunt u onderbouwen dat het verlenen van ontheffing voor de belangen genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, past binnen de Vogel- en Habitatrichtlijnen?

Artikel 9 van de Vogelrichtlijn en artikel 16 van de Habitatrichtlijn beschrijven limitatief de belangen met het oog waarop afgeweken kan worden van de verbodsbepalingen uit de richtlijnen. De belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, zijn niet vermeld in artikel 9 van de Vogelrichtlijn en artikel 16 van de Habitatrichtlijn. Een vergelijking tussen de tekst van de verboden in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn enerzijds en de tekst van de verboden in de artikelen 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet anderzijds leert echter dat de nationale verboden op onderdelen strenger geformuleerd zijn dan de verboden in de richtlijnen. Van deze ruimte kan gebruik gemaakt worden om vrijstelling of ontheffing te verlenen van de strengere nationale verboden, zonder dat sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen uit de richtlijnen. In de artikelen 2b, 2c en 2d (artikel III, onderdeel D, van het besluit) zijn nadere voorschriften opgenomen omtrent verlening van vrijstelling of een ontheffing voor de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j. Deze voorschriften waarborgen dat met verlening van vrijstelling of ontheffing niet verder gegaan wordt dan toegestaan is gelet op de verbodsbepalingen in de richtlijnen. Paragraaf 2.2 van de nota van toelichting bevat een uitgebreide beschrijving van de gekozen systematiek en de verenigbaarheid met de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

22

Hoe vaak zal naar uw inschatting gebruik gemaakt gaan worden van de vrijstelling conform artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j?

Vrijstellingen voor de in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, genoemde belangen zijn verleend in artikel 16b (artikel III, onderdeel R, van het besluit). De vrijstellingen gelden voor bepaalde soorten slechts, voorzover aantoonbaar gehandeld wordt conform een door mij goedgekeurde gedragscode. De verwachting is dat diverse sectoren een gedragscode zullen opstellen. Gelet hierop en gelet op het feit dat de vrijstellingen gelden voor reguliere, regelmatig voorkomende werkzaamheden en gebruik schat ik in dat vaak gebruik gemaakt zal worden van de vrijstellingen voor de in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, genoemde belangen.

Overigens betekent dit niet dat beschermde dieren of planten ook vaak gedood, verontrust of vernield zullen worden. Bij uitoefening van de werkzaamheden en het gebruik zal men immers zorgvuldig moeten handelen. Dieren en planten zullen slechts gedood, verontrust of vernield worden als dit onvermijdelijk is. Mocht dit toch gebeuren, dan voorkomen de vrijstellingen in artikel 16b dat sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen in de artikelen 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet.

23, 26, 32

Tot wie richt de bepaling dat «zorgvuldig wordt gehandeld» (o.a. artikel 2b, tweede lid, onderdeel b) zich? Met andere woorden, wie moet er op grond van deze bepaling «zorgvuldig handelen»?

Wie is bevoegd gezag bij de verlening van de vrijstelling bedoeld in de artikelen 2b, 2c en 2d?

Kunt u nader verklaren wat verstaan wordt onder «zorgvuldig handelen»? Hoe kan worden vastgesteld of inderdaad zorgvuldig gehandeld gaat worden, respectievelijk gehandeld is?

In diverse artikelen in het besluit is omschreven wat in elk geval verstaan dient te worden onder zorgvuldig handelen. Ik verwijs in dit verband naar artikel III, onderdeel D (artikel 2c, derde lid, onderdeel b, en artikel 2d, vijfde lid) en artikel III, onderdeel R (artikel 16c, eerste lid, onderdeel b) van het besluit.

In de artikelen 2b, 2c en 2d (artikel III, onderdeel D, van het besluit) zijn nadere voorwaarden opgenomen die in acht dienen te worden genomen bij het nemen van een beslissing omtrent verlening van een vrijstelling of een ontheffing ten aanzien van vogels en soorten die vermeld zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 bij het besluit. Onder meer is bepaald dat slechts vrijstelling of ontheffing verleend kan worden als zorgvuldig wordt gehandeld. De artikelen 2b, 2c en 2d richten zich op de overheid. Vrijstellingen worden op grond van artikel 75, eerste en tweede lid, van de Flora- en faunawet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling verleend. Ontheffingen kunnen door mij worden verleend op grond van artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet.

Het begrip «zorgvuldig wordt gehandeld» als bedoeld in de artikelen 2b, 2c en 2d richt zich tot degene die uiteindelijk de handeling gaat verrichten waarvoor vrijstelling of ontheffing verleend gaat worden.

27 en 28

Wanneer wordt vrijstelling en wanneer wordt ontheffing verleend? Waarom?

Hoe gaat de procedure eruit zien bij de aanvraag voor vrijstelling? Zal een vrijstelling algemeen geldend zijn?

Vrijstelling wordt verleend als het gewenst is om voor een categorie van gevallen uitzondering te maken op een verbod. Ontheffing wordt verleend om in individuele gevallen uitzondering te maken op een verbod. Voor wat betreft vogels en soorten die vermeld zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 bij het besluit kan slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend als de voorwaarden in acht zijn genomen die beschreven zijn in de artikelen 2b, 2c en 2d.

Zoals opgemerkt bij het antwoord op de vragen 23, 26 en 32 worden vrijstellingen op grond van artikel 75, eerste lid, van de Flora- en faunawet verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. Een aanvraagprocedure is hierbij niet aan de orde.

31

Is er verschil tussen verstoren en verontrusten? Zo neen, is artikel 2c, derde lid, sub c, waarin wordt gesteld dat verstoren zo veel mogelijk moet worden beperkt (maar dus wel in beperkte mate is toegestaan), dan in strijd met artikel 10 van de Flora- en faunawet waarin staat dat het verboden is dieren opzettelijk te verontrusten? Zo ja, wat is dat verschil?

De aangehaalde passage is niet alleen opgenomen in artikel 2c, maar ook in artikel 2d. De formulering van de passage is afgeleid uit artikel 11 van de Flora- en faunawet. Artikel 11 van de Flora- en faunawet bepaalt dat het verboden is nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Met de term «verstoren» in artikel 11 van de Flora- en faunawet en «verontrusten» in artikel 10 van de Flora- en faunawet is hetzelfde bedoeld. Dat een verschillende term is gebruikt, is meer van taalkundige aard. Als het gaat om dieren ligt het meer voor de hand de term «verontrusten» te gebruiken. Bij nesten e.d. ligt de term «verstoren» meer voor de hand.

In artikel 2c, derde lid, onderdeel b, onder 2°, is bepaald dat voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles zal worden verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren worden verstoord. Als de werkzaamheden en het gebruik op deze wijze plaatsvinden, zal een eventuele verontrusting van dieren onopzettelijk plaatsvinden. Er is dan geen sprake van strijd met artikel 10 van de Flora- en faunawet.

33

Kunt u onderbouwen waarom bestaande knelpunten niet binnen de bestaande wettelijke kaders opgelost hadden kunnen worden?

De verbodsbepalingen in de artikelen 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet zijn ruim geformuleerd. Er is formeel gezien al snel sprake van overtreding van de verbodsbepalingen. Bij de totstandkoming van de wet werd verwacht dat dit geen problemen in de praktijk zou opleveren, omdat het strafrechtelijke opportuniteitsbeginsel alle mogelijkheden biedt om een goede middenweg te kunnen vinden tussen enerzijds het belang van bescherming van soorten en anderzijds het belang van het doorgang vinden van activiteiten waarbij beschermde dier- en plantensoorten bijvoorbeeld gedood of verontrust worden.

In het maatschappelijke veld bestaat momenteel echter veel onzekerheid als gevolg van de ruime verbodsbepalingen. Er vinden vele activiteiten in het land plaats, die formeel gezien een overtreding van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet met zich meebrengen. Men vreest strafrechtelijke vervolging bij uitoefening van deze activiteiten. Zonder wijzigingen binnen de bestaande wettelijke kaders kan dit onzekere gevoel niet worden weggenomen. Derhalve is het noodzakelijk om in wettechnische zin meer ruimte te bieden voor regulier plaatsvindende activiteiten en gebruik.

34

Waarom is het aantonen van de noodzaak voor ontheffing niet als voorwaarde voor de ontheffing opgenomen?

Het is niet noodzakelijk om desbetreffende voorwaarde in het besluit op te nemen. Artikel 75, derde, vierde en vijfde lid, van de Flora- en faunawet geven de kaders aan die ik in acht moet nemen indien ik een besluit neem omtrent verlening van een ontheffing. Binnen deze kaders is ruimte om beleid te voeren. Ik voer thans reeds het beleid om bij beslissingen omtrent verlening van een ontheffing mee te wegen in hoeverre de noodzaak aanwezig is om ontheffing te verlenen.

35

Kunt u specifiek aangeven welke belangen worden bedoeld in artikel 2 van het vrijstellingsbesluit op grond waarvan vrijstelling of ontheffing kan worden verleend en die noch in de Vogelrichtlijn, noch in de Habitatrichtlijn worden genoemd, maar die wel zijn afgeleid uit deze richtlijnen? Kunt u per belang aangeven hoe deze zijn afgeleid uit de genoemde richtlijnen?

Het belang «veiligheid van het luchtverkeer» (artikel 2, derde lid, onderdeel c) wordt wel genoemd in artikel 9 van de Vogelrichtlijn, maar niet in artikel 16 van de Habitatrichtlijn. Dit belang kan echter geschaard worden onder het belang «openbare veiligheid» dat is genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel c, van de Habitatrichtlijn.

De belangen «dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten» (artikel 2, derde lid, onderdeel e) en «het voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom, anders dan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren» (artikel 2, derde lid, onderdeel f) zijn genoemd in artikel 16 van de Habitatrichtlijn, maar niet in artikel 9 van de Vogelrichtlijn. Het is desondanks mogelijk om vanwege deze belangen vrijstelling of ontheffing te verlenen van de artikelen 9 tot en met 12 van de Flora- en faunawet ten aanzien van vogels, omdat deze verbodsbepalingen strenger geformuleerd zijn dan artikel 5 van de Vogelrichtlijn voorschrijft. Artikel 5, onderdeel a, van de Vogelrichtlijn verbiedt bijvoorbeeld het opzettelijk doden van vogels, terwijl artikel 10 van de Flora- en faunawet het doden van vogels ook verbiedt als dit niet opzettelijk geschiedt. Van de ruimte tussen de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet en de richtlijnen is in het besluit gebruik gemaakt.

De belangen «belangrijke overlast veroorzaakt door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort» (artikel 2, derde lid, onderdeel g), «de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en in de bosbouw» (artikel 2, derde lid, onderdeel h), «bestendig gebruik» (artikel 2, derde lid, onderdeel i) en «de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling» (artikel 2, derde lid, onderdeel j) worden niet genoemd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Wel is het zo, dat het belang «de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling» onder omstandigheden gezien kan worden als «dwingende redenen van groot openbaar belang». Voor deze belangen geldt hetzelfde als de belangen «dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten» en «het voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom, anders dan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren». Er is ruimte om vrijstelling of ontheffing te verlenen met het oog op deze belangen, omdat de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet strenger geformuleerd zijn dan de verbodsbepalingen in de richtlijnen.

Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 2, paragraaf 2.1 van de nota van toelichting en de artikelsgewijze toelichting op artikel III, onderdeel C, in de nota van toelichting.

36 en 38

Kunt u een uitvoerige toelichting geven op de wijze waarop invulling zal worden gegeven aan een goede voorlichting? Kunt u daarbij op alle aspecten van de voorgenomen communicatiestrategie ingaan? Op welke wijze zullen alle belanghebbenden bij het besluit actief worden voorgelicht?

In hoeverre is de communicatiestrategie voor de Flora- en faunawet al ontwikkeld?

Er is een communicatieplan opgesteld voor het besluit. Uitgangspunt daarbij is het informeren van diverse belanghebbenden. De communicatie is gericht op het goed kunnen uitvoeren en handhaven van de regelgeving. Bij publicatie van het besluit op 19 oktober jl. is de website van LNV voorzien van de benodigde informatie, zoals een lijst met veelgestelde vragen en antwoorden en een overzicht en indeling van alle beschermde soorten. Daarnaast is het LNV-loket geïnstrueerd om vragen van burgers, bedrijven en overheden te beantwoorden.

Vóór de inwerkingtreding van het besluit zal een brochure gepubliceerd worden met daarin een toelichting op de hoofdlijnen van het besluit en een handreiking voor het opstellen van gedragscodes. Daarnaast zullen, in overleg met redacties van diverse vakbladen, specifiek op de doelgroep gerichte artikelen gemaakt worden over het besluit. Aan verzoeken van belanghebbenden om een bijdrage te leveren aan voorlichtingsbijeenkomsten over de Flora- en faunawet is mijn ministerie in principe bereid te voldoen. Voor de handhavers zal ik een handreiking opstellen, waarin de consequenties van het besluit voor de handhaving duidelijk worden toegelicht. De wijze van en de inhoud van communicatie worden afgestemd op de behoefte van de belanghebbenden van het besluit. Input hiervoor wordt onder andere verkregen uit de diverse overleggen met de belanghebbenden en bijvoorbeeld een in te stellen lezerspanel.

Momenteel wordt een communicatiestrategie ontwikkeld voor gezamenlijke communicatie over de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet. De strategie bestaat uit een kernboodschap en een strategisch kader over de wijze waarop doelgroepen zo effectief mogelijk benaderd kunnen worden. Dit wordt in voorkomende gevallen in aparte communicatieplannen uitgewerkt zoals nu het geval is bij de inwerkingtreding van het besluit. Op 1 januari zal een overkoepelend communicatieplan voor de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet gereed zijn, evenals de kernboodschap. Daarnaast gaat per 1 januari 2005 een nieuwe helpdesk van start, waar burgers, overheden en bedrijven terecht kunnen met vragen over de groene wetgeving.

37

Wanneer verwacht u dat de gedragscodes per sector gereed zijn?

Dat is niet precies te zeggen. De bosbouwsector past momenteel de gedragscode zorgvuldig bosbeheer 2004 aan, op basis van de evaluatie van het afgelopen werkseizoen. Zij is voornemens de gedragscode in januari ter goedkeuring aan mij voor te leggen. De Unie van Waterschappen is in een vrij ver gevorderd stadium met het opstellen van een gedragscode voor haar werkzaamheden. Vanwege het traject van de bestuurlijke afstemming dat de Unie nog moet doorlopen, verwacht ik deze gedragscode niet voor medio 2005. Onder andere LTO, recreatiesector, bouwsector en natuurbeheersector zijn bezig of zijn voornemens een gedragscode op te stellen.

39

Wordt bij de handhaving van het besluit uitsluitend afgegaan op meldingen van derden inzake overtredingen van het besluit? Wordt hiermee een goede handhaving voldoende gewaarborgd? Kunt u een nadere toelichting geven op de passage in de memorie van toelichting dat binnen de circa 30 fte, die op jaarbasis beschikbaar is voor de handhaving van natuurregelgeving, voldoende capaciteit aanwezig is voor de handhaving van het besluit, in relatie tot de tekst dat voor handhaving beperkte capaciteit beschikbaar is?

Er zal bij handhaving van het besluit niet uitsluitend afgegaan worden op meldingen van overtredingen. Bij ingrepen die bekend zijn bij mijn ministerie, hetzij door verlening van een ontheffing, hetzij door goedkeuring van een gedragscode, zet ik vooralsnog in op een steekproefsgewijze controle van 10% van de ingrepen. Deze controles zullen eveneens plaatsvinden binnen de bestaande capaciteit van de AID. Dit is een beperkte capaciteit, maar wel voldoende. Ik acht hiermee een goede handhaving van het besluit voldoende gewaarborgd.

40, 41, 43

Kunt u aangeven of met enige zekerheid uitspraken kunnen worden gedaan over de te verwachten administratieve lasten voor bedrijven, burgers en overheden, zolang nog geen volledige invulling is gegeven aan het besluit, zoals het opstellen en goedkeuren van een gedragscode?

Zal het werken met een gedragscode met alleen aanvullende administratieve lasten waaronder de problematische bewijslast van het aantoonbaar handelen volgens de gedragscode, in de toekomst niet leiden tot een onevenredige lastenverzwaring ten opzichte van de huidige praktijk waarin normale gangbare bedrijfswerkzaamheden in de landbouw zonder grote problemen voor flora en fauna volgens de Goede Landbouwpraktijk worden uitgevoerd? Welke garantie is er dat de nieuwe situatie van verruimde vrijstelling met gedragscode minder belastend zal zijn dan de oude situatie van ontheffing en beperktere vrijstellingen?

Kunt u een uitvoerige nadere toelichting geven op de mogelijke, uit het besluit voortvloeiende, lasten voor burgers? Met welke lasten kunnen zij te maken krijgen, bijvoorbeeld bij het aantonen van «belangrijke overlast» of (dreiging) van «ernstige schade» aan eigendommen in het kader van vergunningverlening? Vloeien er voor de burger (extra) verplichtingen of lasten voort uit gebruikmaking van (nieuwe) vrijstellingen?

In paragraaf 5 van de nota van toelichting wordt ingegaan op de gevolgen van het besluit voor de lasten voor bedrijfsleven, burgers en overheid. Het is gebruikelijk dat bij de totstandkoming van nieuwe regelgeving aandacht wordt besteed aan de lasten die hiermee samenhangen. Zolang de nieuwe regelgeving nog niet van kracht is, zal dit echter altijd een inschatting zijn. Pas als de regelgeving in werking is getreden zal zekerheid verkregen kunnen worden over de werkelijke lasten die met het besluit gemoeid zijn.

In de nota van toelichting is geconcludeerd dat het besluit leidt tot een toename van de administratieve lasten. De toename is echter niet van dien aard dat gesproken dient te worden van «een onevenredige lastenverzwaring» ten opzichte van de huidige praktijk. De gedragscodes kunnen dusdanig opgesteld worden dat dit zo min mogelijk administratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich meebrengt. Het bedrijfsleven heeft dit dus in belangrijke mate zelf in de hand. Wel is het zo dat degene die handelt conform een goedgekeurde gedragscode dit moet kunnen aantonen. Het zal derhalve nodig zijn om enkele mechanismen in te bouwen die de bewijslast vergemakkelijken en aan de hand waarvan een handhaver kan vaststellen of overeenkomstig de gedragscode is gehandeld. Dit zullen waarschijnlijk mechanismen zijn die enige administratieve lasten met zich meebrengen, zoals bijvoorbeeld het maken van een lijst van soorten die in het gebied voorkomen. Daar staat tegenover dat het besluit zekerheid biedt dat als gehandeld wordt conform een goedgekeurde gedragscode, een vrijstelling geldt en dat derhalve geen overtreding van de Flora- en faunawet plaatsvindt. Bovendien behoeft niet in elk individueel geval een ontheffing te worden aangevraagd.

In paragraaf 5.2 van de nota van toelichting is beschreven welke lasten het besluit met zich meebrengt voor de burger. In tegenstelling tot wat nu het geval is, creeërt het besluit mogelijkheden om belangrijke overlast en schade aan eigendommen te bestrijden. In een aanvraag om een ontheffing hiervoor zal de burger uiteraard nader moeten onderbouwen waarom de ontheffing noodzakelijk is. Artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. Dit artikel geeft echter ook aan dat slechts gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Gelet hierop vloeien uit het besluit geen onevenredige lasten voort voor de burger in het kader van aanvragen om een ontheffing voor bestrijding van belangrijke overlast of van schade aan eigendommen.

De vrijstellingen die verleend zijn in artikel 16b kunnen ook gebruikt worden door burgers. De lasten die uit deze vrijstellingen voortvloeien, zoals het opstellen van en het handelen volgens gedragscodes, gelden derhalve ook voor de burger. Van groot belang is echter dat het besluit burger en bedrijfsleven meer ruimte biedt om maatschappelijke en economische activiteiten uit te oefenen.

42

Hoe lang duurt het voordat u de gedragscode goedkeurt?

Artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Het besluit bepaalt niets over de beslistermijn. Ik zal derhalve binnen een redelijke termijn dienen te beslissen omtrent aanvragen om goedkeuring van een gedragscode.

Ingevolge artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een redelijke termijn in elk geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan. Artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, het bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis stelt en daarbij een redelijke termijn noemt waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

44, 45, 46

Kunt u nog meer voorbeelden noemen waarbij jacht vanuit een varende boot noodzakelijk is?

Waarom is er niet gekozen de verruiming alleen te laten gelden voor de bestrijding van muskusratten?

Is er geen alternatief denkbaar voor de bestrijding van muskusratten?

Het is uitsluitend voor bestrijding van de muskusrat noodzakelijk om beheer en schadebestrijding vanuit een langzaam varende boot toe te staan. Voor de jacht op en beheer en schadebestrijding van de wilde eend is het niet noodzakelijk, maar wel gewenst.

Muskusratten worden in de regel bestreden met vallen, klemmen en fuiken. Tijdens hoogwater is afschot vanuit een langzaam varende boot een uitermate effectief middel. Vanwege onder meer de risico's van afkalving en doorbreken van (boezem)kades en dijken door ondergraving en doorgraving blijft het noodzakelijk bij de bestrijding van muskusratten alle mogelijke middelen, waarbij risico's op ongewenste bijvangsten tot een minimum worden beperkt, toe te staan. Afschot van muskusratten vanuit een langzaam varende boot is niet alleen een effectief middel, maar ook een uitermate selectief middel.

Er is niet voor gekozen de verruiming alleen te laten gelden voor de bestrijding van muskusratten, omdat de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn ruimte bieden voor jacht en beheer en schadebestrijding vanuit een langzaam varende boot. Het kabinetsbeleid is erop gericht om de nationale regelgeving niet strenger te maken dan Europese regelgeving voorschrijft.

47

Kunt u, met het oog op het benodigde draagvlak voor de gedragscodes, aangeven in hoeverre actief bevorderd wordt dat (ook de kleinere) soortenbeschermende organisaties betrokken worden bij de opstelling van de gedragscodes?

Ik vind het belangrijk dat bij het ontwikkelen van gedragscodes gebruik gemaakt wordt van ecologische kennis. Deze kennis is onder andere aanwezig bij de soortenbeschermende organisaties. Ik ben van mening dat degene, die een beroep doet op de kennis van deze organisaties en hen vraagt een inbreng te leveren bij het opstellen van een gedragscode, hiervoor, indien nodig, moet betalen. Ik ben in beginsel bereid sectoren, die om wat voor reden dan ook moeite hebben met het opstellen van een gedragscode, een zekere mate van financiële ondersteuning te leveren.

48

Hoe wordt de monitoring geregeld inzake de gunstige staat van instandhouding van soorten in het algemeen en in relatie tot de door u goed te keuren gedragscodes in het bijzonder?

De gunstige staat van instandhouding van door de Flora- en faunawet beschermde soorten wordt gevolgd door het periodiek opstellen en uitbrengen van rode lijsten en door middel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Rode lijsten geven trends van soorten aan over een langere tijdsperiode en zijn veelal gebaseerd op verspreidingsgegevens van Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO's), zoals bijvoorbeeld Stichting Ornithologisch Veldonderzoek (SOVON), Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming, Reptielen-, Amfibieën- en Vissenonderzoek Nederland (RAVON). Het NEM volgt soorten veel intensiever en op basis van jaarlijkse gegevens. Dit zijn vaak steeksproefsgewijze waarnemingen die overwegend ook door Particuliere Gegegevensbeherende Organisaties worden aangeleverd en door het Centraal Bureau van de Statistiek worden gecontroleerd en verwerkt.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Vos (GL), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Geluk (VVD), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Verbeet (PvdA), Van den Brink (LPF), Vergeer (SP), Herben (LPF), Tichelaar (PvdA), Ormel (CDA), Duyvendak (GL), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Koomen (CDA), Boelhouwer (PvdA), Douma (PvdA), Dubbelboer (PvdA), Kruijsen (PvdA) en vacature (CDA).

Plv. leden: Slob (CU), Vendrik (GL), Örgü (VVD), Spies (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Hofstra (VVD), Veenendaal (VVD), Samsom (PvdA), De Krom (VVD), Duivesteijn (PvdA), Eerdmans (LPF), vacature (SP), Van As (LPF), Van Heteren (PvdA), Van Lith (CDA), Van Gent (GL), Van Bochove (CDA), Van der Laan (D66), Gerkens (SP), Jager (CDA), Timmer (PvdA), Depla (PvdA), Fierens (PvdA), Verdaas (PvdA) en vacature (CDA).

Naar boven