29 435
Nota Ruimte

24 036
Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit

nr. 101
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 januari 2005

Op 13 januari jl. presenteerde de Vereniging Milieudefensie het rapport «Is er wel vraag naar nieuwe bedrijventerreinen?». Het rapport is in opdracht van de Vereniging Milieudefensie geschreven door de TU-Delft en STOGO. Hierbij bied ik op uw verzoek, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken mijn reactie aan op het rapport.

Conclusies van het onderzoek

De onderzoekers constateren dat de ruimteclaim voor bedrijventerreinen in de Nota Ruimte de reële behoefte ver overschat. Het is voor de economische groei van Nederland niet nodig om op grote schaal bedrijventerreinen aan te leggen. Er zijn alleen selectief bedrijventerreinen nodig als de regionale situatie hierom vraagt.

De kritiek richt zich op twee aspecten van de schatting die in de Nota Ruimte wordt gehanteerd. De schatting gaat uit van een hoog, inmiddels achterhaald groeiscenario en resultaten van beleid gericht op functiemenging en stedelijke verdichting zijn niet verwerkt in de prognose.

Op basis van hetzelfde hoge groeiscenario maken de onderzoekers een berekening van de ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen die over de periode 2003–2020 12 100 ha. lager uitkomt dan de schatting in de Nota Ruimte. Deze lagere behoefte komt voort uit de veronderstelling dat fors wordt ingezet op functiemenging en verdichting en dat het ruimtegebruik op bedrijventerreinen efficiënter wordt. Verder stellen de onderzoekers dat door verouderde bedrijventerreinen op een ingrijpender manier te herstructureren dan tot nu toe het geval was, extra ruimtewinst is te behalen. EZ moet volgens de onderzoekers sterker de nadruk leggen op het financieel steunen van herstructureringsprojecten.

Reactie

Het rapport van TU-Delft en STOGO stelt op een interessante wijze voor ruimtelijke kwaliteit belangrijke zaken ter discussie. In mijn reactie zal ik bovengenoemde commentaren plaatsen in het beleidskader van de Nota Ruimte en vervolgens stilstaan bij de betekenis van de raming van de bedrijventerreinenclaim voor het beleid.

De onderzoekers stellen dat de raming in de Nota Ruimte uitgaat van een te hoge economische groeiverwachting. De Nota Ruimte kiest bewust voor een hoog groeiscenario om niet voor verrassingen te worden gesteld. Uitgaan van te lage verwachtingen brengt risico's met zich mee als ruimtetekort voor vitale functies, onvoldoende kwaliteit van het aanbod, flexibiliteit en concurrentie (Nota Ruimte, p. 83). De Nota Ruimte gaat uit van het hoge ruimtedrukscenario dat is gebaseerd op CPB scenario's uit 1999. Onlangs zijn nieuwe CPB scenario's uitgekomen die uitgaan van een lagere economische groei (maximaal 2,1% tot 2020), maar welk effect dit heeft op de ruimtevraag, wordt pas op z'n vroegst aan het eind van dit kwartaal bekend met de publicatie van de Bedrijfslocatiemonitor.

Bij de totstandkoming van de Nota Ruimte was al voorzien dat de ramingen kunnen worden bijgesteld. In de Nota Ruimte en in het Actieplan Bedrijventerreinen wordt daarom aangekondigd dat deze schattingen periodiek zullen worden geactualiseerd (Nota Ruimte, p. 83; Actieplan Bedrijventerreinen, p. 23–24).

De onderzoekers richten hun kritiek op het niet in de prognose verwerken van veronderstelde resultaten van functiemenging en verdichting. De prognose in de Nota Ruimte houdt rekening met de trek van bestaande bedrijven op kleine locaties in de stad naar bedrijventerreinen. Deze ruimte komt vrij voor wonen en andere stedelijke functies. De Nota Ruimte spreekt zich uit vóór functiemenging, maar wil tenminste waarborgen dat bestaande en nieuwe bedrijven en voorzieningen die uit oogpunt van veiligheid, hinder en verkeersaantrekkende werking niet inpasbaar zijn in of nabij woonbebouwing, ruimte wordt geboden op specifieke daarvoor te bestemmen (bedrijven-)terreinen. Het getuigt niet van realisme als we, zoals de onderzoekers doen, uitgaan van constante menging. Wel is het wenselijk om bedrijven die in een woonmilieu passen daar te behouden.

In de raming in de Nota Ruimte is ook verdisconteerd dat door de stijgende arbeidsproductiviteit meer ruimte nodig is per werkzame persoon. Deze trend is sterker dan de ruimtebesparing die resulteert uit technologische en organisatorische verbeteringen (CPB, Werkdocument no. 112, p. 13). Per saldo stijgt de ruimtebehoefte.

De onderzoekers van STOGO en TU-Delft onderschrijven dat de ruimtebehoefte toeneemt door de stijging van de arbeidsproductiviteit. Zij stellen echter vervolgens dat er op vrijwel alle terreinen sprake is van inefficiënt ruimtegebruik. Door de efficiëntie van het ruimtegebruik te verhogen zou volgens de onderzoekersde ruimtebehoefte per werkzame persoon zelfs kunnen afnemen. De raming van het CPB toont aan dat dit geen redelijke veronderstelling is.

Verplaatsing van onder meer industriële en logistieke bedrijven uit de stad naar bedrijventerreinen en stijging van het ruimtegebruik per werkzame persoon zijn reële trends. Door die niet te verwerken in de raming reken je jezelf rijk. Deze trends maken niet onmogelijk dat kansen voor verdichting in bestaand bebouwd gebied optimaal kunnen worden benut. Dit betekent dat een deel van de uitbreiding van de woningvoorraad en arbeidsplaatsen in bestaand bebouwd gebied zal worden gerealiseerd. De raming is dus niet, zoals de onderzoekers beweren, in strijd met doelstellingen van het ruimtelijk beleid.

In de berekening van saldo van vraag en aanbod van bedrijventerreinen trekken de onderzoekers de plancapaciteit en het bouwrijpe aanbod af van de vraagraming. Daarmee lijken zij voorbij te gaan aan de behoefte om ook aan het eind van de planperiode over een voorraad te beschikken. Dit is geen realistische veronderstelling. Ook over 20 jaar is het nodig om op de vraag naar bedrijventerreinen te anticiperen.

De raming van de behoefte aan bedrijventerreinen is een indicatieve schatting van de benodigde ruimtereservering voor provincies en WGR-plusregio's. Dit betekent dus niet dat evenzoveel groene ruimte zal worden omgezet in bedrijventerreinen. Voor zover ruimte die vrijkomt op geherstructureerde bedrijventerreinen kan worden ingezet als aanbod, dan is dit positief. Het is niet juist om, zoals de onderzoekers doen, de raming van de ruimteclaim op te vatten als een taakstelling.

In de Nota Ruimte is bewust gekozen voor een versterking van het middenbestuur. De provincies en de WGR-plusregio's hebben in de Nota Ruimte nadrukkelijk de verantwoordelijkheid gekregen voor de bundeling van de verstedelijking en het locatiebeleid. De vraag naar bedrijventerreinen is in eerste instantie een regionale vraag. Het zijn de provincies en gemeenten die in regionaal verband bestemmen en daarbij het aanbod afstemmen op de vraag. Uit het onderzoek kunnen geen conclusies worden getrokken over de ruimtebehoefte in afzonderlijke regio's, zoals Brabant of Rotterdam. In de Nota Ruimte worden specifieke overwegingen aangegeven voor de ruimtereserveringen voor Moerdijkse Hoek en Hoeksche Waard.

De onderzoekers pleiten voor een sterkere nadruk op het financieel steunen van herstructureringsprojecten. Ik wijs erop dat EZ nagenoeg het hele budget voor bedrijventerreinen inzet op herstructurering. Een nog sterkere nadruk op financieel steunen van herstructurering is niet mogelijk.

Het rapport zelf beschrijft de gangbare praktijk van planning en uitgifte van bedrijventerreinen. In feite stellen zij niet de totale maximale ruimtevraag ter discussie, maar een andere, efficiëntere manier van ruimte gebruiken. Maar veronderstelde uitkomsten al incalculeren in de raming lijkt mij niet correct.

Het ruimtelijk beleid blijft voorlopig uitgaan van de huidige schattingen voor de maximale ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen. Behoefte niet opgevat als taakstelling, maar als indicatieve raming van de benodigde ruimtereservering. Zoals in de Nota Ruimte aangegeven, zullen de cijfers periodiek worden geactualiseerd.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker

Naar boven