29 411
Bepalingen in verband met de fusie van De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer

nr. 15
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 april 2005

Onder verwijzing naar een eerdere toezegging, gedaan tijdens de behandeling op 1 september 2004 van het wetsvoorstel «Bepalingen in verband met de fusie van De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer», volgt hieronder een nadere uiteenzetting van de manier waarop beide pensioenfondsen van DNB en voorheen de PVK op afstand van de centrale bank zullen worden geplaatst. Zoals bekend, is een dergelijke ontvlechting gewenst om de schijn van belangenverstrengeling, die zou kunnen ontstaan nu het toezicht op pensioenfondsen door de fusie is ondergebracht bij de centrale bank, te voorkomen.

Om tot een oordeelsvorming te komen omtrent de weg die beide pensioenfondsen zouden moeten inslaan, heeft een daarin gespecialiseerd bureau in opdracht van DNB de verschillende mogelijkheden bezien. Dit alles onder de randvoorwaarde dat de inhoud van de bestaande, aan de onderhandelingstafel tot stand gekomen, pensioenregeling, het indexatiebeleid, de financiering en de overgangsregeling niet ter discussie zouden staan.

Het onderzoek heeft zich toegespitst op de drie volgende varianten:

a. onderbrengen bij een Nederlandse verzekeraar;

b. van een ondernemingspensioenfonds;

c. aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds.

Aanvankelijk zijn ook nog drie andere varianten onderkend, te weten:

d. toezicht door een alternatieve binnenlandse toezichthouder;

e. toezicht door een buitenlandse toezichthouder;

f. uitvoering door een buitenlandse verzekeraar.

Voor inschakeling van een alternatieve binnenlandse toezichthouder is een wetswijziging vereist terwijl de buitenland-opties, alhoewel niet op voorhand uit te sluiten, vooralsnog niet de voorkeur hadden van DNB. Vandaar dat zij buiten de opdrachtverlening zijn gehouden.

Van de drie onderzochte varianten is de eerste, onderbrengen bij een Nederlandse verzekeraar, uitvoerbaar doch de garanties die de verzekeraar verstrekt voor de verzekeringstechnische en beleggingsrisico's gaan onvermijdelijk gepaard met hogere kosten. De kostenstijging is door het onderzoeksbureau geïndiceerd op 12,5% à 25% van de structureel door DNB te betalen premie per jaar hetgeen, gebaseerd op de cijfers over 2003, zou neerkomen op een jaarlijks bedrag ter grootte van € 3 à € 6 mln. Hier staat tegenover dat DNB niet langer verplicht is eventuele toekomstige tekorten in het fonds aan te vullen.

Handhaving van een ondernemingspensioenfonds, de tweede variant, is enkel denkbaar bij wijziging van de governance structuur. Met het oog daarop heeft het onderzoeksbureau de volgende wijzigingen voorgesteld:

a. het volledig op afstand plaatsen van de verzekeringstechnische en beleggingsrisico's met gesepareerd depot;

b. het statutair uitsluiten van de mogelijkheid voor bepaalde functionarissen van DNB om zich verkiesbaar te stellen als bestuurslid van het pensioenfonds;

c. de benoeming van een onafhankelijke Raad van Toezicht die toezicht houdt op het paritaire bestuur;

d. de uitbesteding van administratieve uitvoeringstaken waarbij DNB geen partij meer kan zijn.

DNB valt niet onder een verplichtstelling in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en heeft ook geen vrijstelling van zo'n verplichtstelling. Dat betekent dat de derde variant, aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds, in het bestaande wettelijke kader alleen aan de orde is in de vorm van het entameren van een nieuwe verplichtstelling of in de vorm van een vrijwillige aansluiting bij een bestaand bedrijfstakpensioenfonds. De kans dat er draagvlak bestaat voor een verzoek van sociale partners tot verplichtstelling in een bedrijfstak is verwaarloosbaar klein geschat. Blijft de vrijwillige aansluiting bij een bestaand bedrijfstakpensioenfonds over. Het onderzoeksbureau vindt dat de huidige wetgeving, hangende de afronding van de discussie over de taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars, niet helemaal duidelijk is wat betreft de voorwaarden waaronder vrijwillige aansluiting mogelijk is en constateert dat bedrijfstakpensioenfondsen ieder een eigen beleid erop nahouden.

Na ampele overweging heeft de Directie van DNB, en zij heeft daarbij de Raad van Commissarissen aan haar zijde gevonden, besloten de voorkeur die het externe bureau voor de tweede variant heeft uitgesproken, in de praktijk ten uitvoer te willen brengen. Daarbij zullen de voorstellen tot aanpassing van de governance structuur (zie hiervoor) integraal worden overgenomen. De voorkeur voor DNB is mede ingegeven door het feit dat de tweede variant niet tot structureel hogere kosten leidt.

Naar mijn mening bieden de beoogde veranderingen in de governance structuur voldoende waarborgen voor een onafhankelijk rolvervulling tussen enerzijds de externe toezichthouder (DNB) en anderzijds beide pensioenfondsen van DNB, waarvan het overigens de bedoeling is dat ze beide in één ondernemingspensioenfonds zullen opgaan. Ik onderschrijf daarmee de voorkeur van DNB voor variant 2. In dit verband is tevens van belang dat DNB heeft toegezegd dat zij voor de medewerkers van het nu nog bestaande Pensioenbureau een passende oplossing zal zoeken.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Naar boven