Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 januari 2026
Hierbij bied ik uw Kamer het onderzoeksrapport «Evaluatie Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften» aan. Dit onderzoek is verricht door de DSP-groep
in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC).
Dit onderzoek is uitgevoerd tegen de achtergrond dat op basis van de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) jaarlijks circa 8 miljoen verkeersovertredingen
verwerkt worden. Deze wet is in 1990 in werking getreden en is met dit onderzoek voor
het eerst integraal geëvalueerd.
Het onderzoek heeft zich gericht op de vragen of de doelstelling van de Wahv behaald
wordt, of het aanbeveling verdient om de Wahv of de toepassing daarvan te wijzigen
en hoe de afdoening op grond van de Wahv zich tot afdoening door middel van een strafbeschikking
of bestuurlijke boete verhoudt.
Uit het onderzoek blijkt dat het stelsel van de Wahv robuust en effectief functioneert
voor het doel waarvoor het ooit is ontworpen, namelijk het realiseren van een efficiëntere,
snellere en effectievere afdoening van veelvoorkomende lichte verkeersovertredingen.
Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat het succes schuilt in de combinatie van standaardisatie,
automatisering en een in beginsel adequate vorm van rechtsbescherming. De Wahv heeft
de massale instroom van lichte verkeersovertredingen op een efficiënte en voorspelbare
manier weten af te handelen, waardoor de strafrechtketen aanzienlijk is ontlast en
de inning van boetes op een hoog niveau is gebracht. In het onderzoek wordt ook opgemerkt
dat het CJIB de afgelopen jaren meer ruimte heeft gekregen voor het in acht nemen
van de menselijke maat bij de inning. Tegelijkertijd worden in het onderzoek knelpunten
gesignaleerd. De hoogte van de boetes en de verhogingen bij niet-tijdige betaling
zijn twee aandachtspunten waarvoor het onderzoek een aanbeveling doet. Iets waarover
met uw Kamer ook eerder gesproken is.
Aangezien het onderzoek omvangrijk is, vraagt het enige tijd om de conclusies en aanbevelingen
uit het rapport van een reactie te kunnen voorzien. Het is mijn intentie om uw Kamer
in september van een inhoudelijke beleidsreactie te voorzien.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten