29 369
Interpellatie inzake de mogelijke nieuwe stroom van dakloze asielzoekers vanwege veroordeling tot illegaliteit

nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 december 2003

Op 18 december 2003 heeft Uw Kamer de gewijzigde motie van de leden Lambrechts (D66) en Van Fessem (CDA) over opvang door gemeenten van uitgeprocedeerde asielzoekers (Kamerstukken II, 2003/04, 29 369, nr. 2) aanvaard.

In het dictum van deze motie wordt het kabinet verzocht gemeenten de ruimte te laten in bijzondere en klemmende gevallen de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers niet te beëindigen totdat het terugkeer- en uitzettingsbeleid met de Tweede Kamer besproken is.

Deze motie en de consequenties daarvan zijn in het kabinet besproken. Alhoewel er ook bij het kabinet begrip bestaat voor de positie van gemeenten, is het kabinet van oordeel dat het in een rechtsstaat niet zo kan zijn dat gemeenten zich zouden kunnen ontrekken aan de uitvoering van wet- en regelgeving die in overleg met het parlement op democratische wijze tot stand is gebracht. Het kabinet is dan ook tot de conclusie gekomen dat deze motie niet uitgevoerd kan worden, omdat deze is strijd is met de wet.

Het kabinet vreest bovendien dat uitvoering van de motie wederom valse hoop zou kunnen wekken bij uitgeprocedeerden en derhalve illegaal in Nederland verblijvende personen.

Vreemdelingen van wie definitief is vastgesteld dat zij niet voor toelating tot Nederland in aanmerking komen (dat wil zeggen na een onherroepelijke rechterlijke uitspraak), dienen Nederland – zelfstandig en desnoods gedwongen – te verlaten.

Beëindiging van voorzieningen maakt al enige jaren onderdeel uit van het staande terugkeerbeleid. Het niet overgaan tot beëindiging van voorzieningen betekent in feite ondersteuning van illegaal verblijf en vormt een verkeerd signaal richting de niet toegelaten vreemdeling. Medewerking aan terugkeer zal daardoor verder verminderen.

Oplossingsrichtingen moeten worden gevonden binnen het thans bestaande wettelijk kader en zullen in het teken moeten staan van het realiseren van de terugkeer van diegenen van wie definitief is vastgesteld dat zij Nederland moeten verlaten. Daartoe blijf ik intensief overleg voeren met de gemeenten om binnen de wettelijke kaders waar mogelijk oplossingen te vinden voor de problemen die zij in de praktijk ervaren. Zoals ik Uw Kamer al heb toegezegd kom ik in januari 2004 met nadere voorstellen.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Naar boven