29 309
Uitvoering van verordening (EG) Nr. 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap)

nr. 11
AMENDEMENT VAN HET LID DOUMA

Ontvangen 15 september 2004

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel 23 komt te luiden:

Artikel 23

Na artikel 155a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:

Artikel 155b

1. In afwijking van artikel 154 geldt artikel 162 niet voor een vennootschap waarin een deelneming voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal wordt gehouden door een Europese naamloze vennootschap in de zin van Verordening (EG) Nr. 2157/2001 (Pb L 294) waarvan in de statuten is bepaald dat de artikelen 158 leden 1 tot en met 12, 159, en 161 tot en met 164 van overeenkomstige toepassing zijn en de werknemers in meerderheid in Nederland werkzaam zijn.

2. Voor de toepassing van dit artikel worden onder werknemers, in dienst van de Europese naamloze vennootschap, begrepen de werknemers in dienst van haar groepsmaatschappijen en van de vennootschap.

Toelichting

Dit amendement beoogt de vrijstelling van het structuurregime voor dochtervennootschappen van een SE te beperken tot een gedeeltelijke vrijstelling conform artikel 2:155 BW voor twee situaties: (a) de meerderheid van de werknemers van de SE en al haar dochters tezamen is buiten Nederland werkzaam; (b) de SE voldoet niet aan de voorwaarde onder a, maar past zelf het volledige structuurregime toe.

Het geval onder a valt reeds onder de in artikel 2:155 BW geregelde gedeeltelijke vrijstelling voor dochters van een «internationale moeders»; ook de hier bedoelde SE is immers «een rechtspersoon waarvan de werknemers in meerderheid buiten Nederland werkzaam zijn» (n.b.: ingevolge het derde lid van artikel 155 tellen de werknemers van de dochters mee). Die gedeeltelijke vrijstelling houdt in dat – anders dan in het volledige structuurregime – niet de rvc maar de ava (lees: de moeder) de leden van het bestuur (van de structuurdochter) benoemt. Klaarblijkelijk vindt de Nederlandse wetgever deze gedeeltelijke vrijstelling van het structuurregime voldoende om recht te doen aan het belang van het internationale concern: veiligstellen van de concerneenheid.

In een geval als bedoeld onder b, waarin de SE zelf het volledige structuurregime toepast, is volledige vrijstelling voor de dochters evenmin nodig voor waarborging van de concerneenheid. Dit geval is echter nog niet begrepen in artikel 2:155 BW en wordt in het amendement ondervangen door het voorgestelde artikel 155b.

Ook de meerderheid van de SER vond het onjuist om dochters van een dergelijke SE volledig van het structuurregime vrij te stellen omdat de Nederlandse werknemers van die dochters op het niveau van de SE de uitoefening van de structuurbevoegdheden moeten delen met de werknemers van buitenlandse dochters van die SE (namelijk via de SE-or), en die werknemers hun (vennootschappelijke) medezeggenschap op dochterniveau zouden moeten inleveren, terwijl niet verzekerd is dat voor de buitenlandse dochters ingevolge het op hun van toepassing zijnde vennootschapsrecht een overeenkomstige vrijstelling van het (vennootschappelijke) medezeggenschapsregime geldt, waardoor een onevenwichtige situatie ontstaat. De SER achtte alleen een gedeeltelijke vrijstelling van de dochters conform artikel 2:155 BW aanvaardbaar voor de bovengenoemde twee situaties.

Douma

Naar boven