29 298
Uitvoering van richtlijn nr. 2001/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (Wet rol werknemers bij de Europese vennootschap)

nr. 5
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 13 oktober 2003 en het nader rapport d.d. 10 november 2003, aangeboden aan de Koningin door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2003, no. 03.002940, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende uitvoering van richtlijn nr. 2001/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (Wet rol werknemers bij de Europese vennootschap).

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 14 juli 2003, nr. 03.002940, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 13 oktober 2003, nr. W12.03 0282/IV, bied ik U hierbij aan.

Het wetsvoorstel implementeert richtlijn 2001/86/EG1 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap (SE) met betrekking tot de rol van de werknemers. Richtlijn2001/86/EG regelt de informatieverstrekking en raadpleging van de werknemers en hun invloed op de samenstelling van het bestuursorgaan of toezichthoudend orgaan van de SE.

De SE is in het leven geroepen door verordening 2157/20012 betreffende het statuut van de SE. Verordening 2157/2001 is onlosmakelijk verbonden3 met richtlijn 2001/86/EG. Bepalingen van verordening 2157/2001 worden uitgevoerd bij separate wet.4 Er wordt naar gestreefd om dat wetsvoorstel en het voorliggende wetsvoorstel op 8 oktober 2004 in werking te laten treden, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van verordening 2157/2001.

Het onderhavige wetsvoorstel sluit tevens aan bij de Wet op de Europese ondernemingsraden, waaraan richtlijn 94/45/EG5 ter grondslag ligt inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.

De Raad van State kan zich vinden in de manier waarop richtlijn 2001/86/EG wordt geïmplementeerd, maar maakt een opmerking over de implementatie van artikel 2, onderdeel c, van deze richtlijn. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

In artikel 2, zesde lid, van de Wet op de Europese ondernemingsraden is geregeld dat het recht dat op een onderneming van toepassing is, bepaalt of die onderneming een moederonderneming is. Indien dit recht niet het recht van een lidstaat is, dan geldt het recht dat op de groepsonderneming, waarvan het bestuur de moederonderneming vertegenwoordigt, van toepassing is. Dit artikel is gebaseerd op artikel 3, zesde lid, van richtlijn 94/45/EG, waarin de definitie van het begrip «zeggenschap uitgeoefende onderneming» wordt gegeven.

In artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 2001/86/EG, die door dit wetsvoorstel wordt geïmplementeerd, wordt verwezen naar artikel 3, tweede tot en met zevende lid, van richtlijn 94/45/EG: «een dochteronderneming van een vennootschap is een onderneming waarop die vennootschap een overheersende invloed uitoefent, zoals omschreven in artikel 3, tweede tot en met zevende lid, van richtlijn 94/45/EG». Dat betekent dat ook het zesde lid van dit artikel van toepassing wordt verklaard voor de toepassing van richtlijn 2001/86/EG.

Het wetsvoorstel neemt in het voorgestelde artikel 1:2, zesde lid, de definitie van artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 2001/86/EG niet volledig over, zoals dat wel het geval is bij de implementatie van andere definities. De toelichting geeft aan1 dat de implementatie van de definitie, zoals die in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 2001/86/EG is opgenomen, niet mogelijk is zonder dat er strijdigheid ontstaat met artikel 2 van verordening 2157/2001. Het zesde lid van artikel 3 van richtlijn 94/45/EG, waarnaar in dat onderdeel c wordt verwezen, houdt volgens de toelichting geen rekening met het feit dat op grond van artikel 2 van verordening 2157/2001 alleen die vennootschappen deel kunnen nemen aan de oprichting van een SE die onder de wetgeving van een lidstaat vallen. Het zesde lid van artikel 1:2 wordt daardoor een vereenvoudigde versie van artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 2001/86/EG.

De Raad is van mening dat de te implementeren bepalingen van richtlijn 2001/86/EG volledig geïmplementeerd moeten worden. De lidstaten dienen richtlijnen tijdig en volledig te implementeren, zonder dat zij zelf gaan beoordelen of (een bepaling van) een richtlijn eventueel strijdig is met een andere communautaire regeling, in dit geval een verordening. Het Hof van Justitie is de bevoegde instantie die, mocht het nodig zijn, uitspraak zal doen over de geldigheid van communautaire regelingen en dus ook over een eventuele strijdigheid van een richtlijn met een verordening.

De Raad voegt hier aan toe dat het de vraag is of er wel sprake is van «strijdigheid» met verordening 2157/2001, zoals in de memorie van toelichting wordt verondersteld;2 de verordening verbiedt niet om in een richtlijn een bepaling op te nemen over de keuze van de moederonderneming in een geval waarin een onderneming onder het recht van een derde land valt. Er is in dat geval sprake van aanvulling van de verordening in de richtlijn.

Het college is van oordeel dat in artikel 1:2, zesde lid, van het wetsvoorstel de definitie van artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 2001/86/EG volledig dient te worden geïmplementeerd.

De Raad van State kan zich vinden in de manier waarop richtlijn 2001/86/EG wordt geïmplementeerd, maar maakt een opmerking over de implementatie van artikel 2, onderdeel c, van de richtlijn in het voorgestelde artikel 1:2, zesde lid. De Raad van State is van oordeel dat in artikel 1:2, zesde lid, van het wetsvoorstel de definitie van artikel 2, onderdeel c, van de richtlijn volledig dient te worden overgenomen.

Zoals de Raad van State constateert, wordt in artikel 1:2, zesde lid, de regeling in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de Europese ondernemingsraden, in vereenvoudigde vorm overgenomen. Daarmee wordt aan artikel 3, zesde lid, van richtlijn 94/45/EG, waarnaar in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 2001/86/EG (onder meer) wordt verwezen, in dit wetsvoorstel op een andere wijze uitvoering gegeven dan is geschied in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de Europese ondernemingsraden.

De reden daarvan is dat de richtlijn 2001/86/EG ertoe strekt verplichtingen op te leggen aan de deelnemende vennootschappen in de oprichtingsfase van de SE en, na de oprichting, aan de SE. Mede gelet op het bepaalde in verordening (EG) nr. 2157/2001 zijn deze rechtspersonen steeds gevestigd in een van de lidstaten.

Deze begrenzing tot vennootschappen die zijn gevestigd in een van de lidstaten is niet aanwezig in richtlijn 94/45/EG. Artikel 3, zesde lid, van richtlijn 94/45/EG beoogt, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van die richtlijn, een voorziening te treffen ingeval de normadressaat niet in een lidstaat is gevestigd. In dat geval dient de niet in een lidstaat gevestigde moeder-vennootschap een wel in een lidstaat gevestigde onderneming als vertegenwoordiger aan te wijzen. Wordt dit nagelaten, dan rust de verantwoordelijkheid om de instelling van een Europese ondernemingsraad te faciliteren op de onderneming die binnen het concern het grootste aantal werknemers in een lidstaat heeft. Aan een dergelijke regeling bestaat geen behoefte in een systeem waarin, zoals ten aanzien van de SE het geval is, uitsluitend aan rechtspersonen die in een van de lidstaten zijn gevestigd, verplichtingen worden opgelegd en verantwoordelijkheden worden toebedeeld.

Bovendien zou het volgen van het advies van de Raad van State nopen tot omzetting van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 94/45/EG in het onderhavige wetsvoorstel. Dat is bezwaarlijk, aangezien dat artikel in richtlijn 2001/86/EG niet van toepassing wordt verklaard. Het advies van de Raad van State wordt om deze redenen niet gevolgd. De memorie van toelichting is op dit punt aangepast.

Voorts is een wijziging aangebracht in het voorgestelde artikel 3:2, vierde en vijfde lid, en is aan dat artikel een zesde lid toegevoegd om te bewerkstelligen dat bij toepassing van de referentievoorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel steeds duidelijk is welke de inhoud is van het medezeggenschapsrecht en welke procedure van toepassing is met betrekking tot de uitoefening van dat recht. In verband daarmee is ook de memorie van toelichting bij deze artikelen en bij artikel 3:13, vierde lid, aangepast.

Tenslotte is het voorgestelde artikel 4:3 zodanig gewijzigd, dat in artikel 3:2, vijfde lid, alsnog rekening wordt gehouden met het voorstel van wet in verband met aanpassing van de structuur-regeling (28 179).

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Sociale Zaken, en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XNoot
1

Richtlijn nr. 2001/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PbEG L 294).

XNoot
2

Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (PbEG L 294).

XNoot
3

Overweging 22 bij de verordening.

XNoot
4

Over de Ontwerp-Uitvoeringswet verordening Europese Vennootschap brengt de Raad van State heden eveneens advies uit (no. W03.03.0233/I).

XNoot
5

Richtlijn nr. 94/45/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PbEG L 254).

XNoot
1

Toelichting op artikel 1:2.

XNoot
2

Toelichting op artikel 1:2, zesde lid, derde tekstblok.

Naar boven