29 215 (R 1742)
Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de uitwisseling van gegevens met betrekking tot belastingen; Washington, 17 april 2002

A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 september 2003

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 19 september 2003. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen te kennen worden gegeven uiterlijk op 19 oktober 2003.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 17 april 2002 te Washington totstandgekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de uitwisseling van gegevens met betrekking tot belastingen (Trb. 2002, 102 en Trb. 2003, 126).1

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor de Nederlandse Antillen gevraagd.

Aan de Gouverneur van de Nederlandse Antillen is verzocht hogergenoemde stukken op 19 september 2003 over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen.

De Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen is van deze overlegging in kennis gesteld.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. G. de Hoop Scheffer

TOELICHTENDE NOTA

I. Inleiding

Het onderhavige verdrag is tot stand gekomen na onderhandelingen tussen de autoriteiten van de Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika. Het verzoek tot onderhandelingen kwam van de Amerikaanse autoriteiten. De aanleiding hiervoor waren de terroristische aanslag op het World Trade Center te New York op 11 september 2001, en, in dat verband, het realiseren van verdragen ter bestrijding van witwaspraktijken, in het bijzonder in verband met de strijd tegen het terrorisme.

Het verdrag bevat bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van fiscale gegevens, zoals heffingen op belastingen, invorderingen, opsporing en vervolging van fiscale vergrijpen, alsmede strafrechtelijke overtredingen van belastingwetten. De Verenigde Staten hebben inmiddels in het Caraïbisch gebied soortgelijke verdragen gesloten met de Caymaneilanden, Antigua en Barbuda, en de Britse Maagdeneilanden.

De Nederlands-Antilliaanse autoriteiten zijn op het Amerikaanse onderhandelingsverzoek ingegaan gelet op het feit dat de Nederlandse Antillen, conform het beleid van het Koninkrijk, de bestrijding van terrorisme en witwaspraktijken eveneens als doelstelling hebben. Bovendien wordt met de Verenigde Staten reeds samengewerkt bij de bestrijding van de internationale handel in verdovende middelen en de georganiseerde misdaad. Verder nemen de Nederlandse Antillen deel aan de Financial Action Task Force (FATF in het kader van de OESO) en hebben zij de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF) mede opgericht.

Het besluit om de CFATF op te richten werd genomen tijdens de «Aruba Drug Money Laundering Conference» die in juni 1990 op Aruba plaatsvond. Reden voor deze oprichting was het feit dat de OESO (de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) de toetreding van niet OESO-leden tot de FATF onwenselijk achtte, terwijl wel de noodzaak werd ingezien van een gestructureerde multinationale aanpak van de bestrijding van, in het bijzonder, witwaspraktijken in het Caraïbisch gebied.

Overigens werd ten behoeve van de Nederlandse Antillen op 8 augustus 1986 te Willemstad met de Verenigde Staten het Verdrag ter vermijding van dubbele belasting en ter voorkoming van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1986, 169) ondertekend. Dat verdrag is echter nooit in werking getreden, omdat in de Verenigde Staten problemen van wetgevende aard terzake bleken te bestaan.

II. Het verdrag

Hoewel in het verdrag de regeringen als partijen worden genoemd, zal het uiteraard tussen de staten gelden.

Artikel 1, eerste lid, beschrijft het doel en het toepassingsgebied van het verdrag. In het tweede lid wordt aangegeven dat de uitwisseling van informatie zal geschieden ongeacht of deze informatie betrekking heeft op een ingezetene of een onderdaan van de Nederlandse Antillen of de Verenigde Staten. Voldoende is dat de persoon die over de informatie beschikt, onder de jurisdictie van één van deze landen valt.

Artikel 2 bevat de gangbare identificatie van de belastingwetten van de Verenigde Staten en de Nederlandse Antillen, waarop het verdrag van toepassing is.

In artikel 3 worden de in het verdrag gehanteerde begrippen gedefinieerd. In het eerste lid, onderdeel c (ii), wordt met betrekking tot het begrip «onderdaan», ten aanzien van de Nederlandse Antillen, een onderscheid gemaakt tussen Nederlandse onderdanen en ingezetenen van de Nederlandse Antillen.

Op basis van artikel 4, eerste lid, geldt dat er sprake is van een zeer ruime uitwisseling van fiscale gegevens. Deze uitwisseling ziet namelijk niet alleen op verzekering van belastingheffing, maar ook op de invordering, de opsporing en vervolging van fiscale vergrijpen dan wel strafrechtelijke overtredingen van belastingwetten. In de praktijk zou de verplichting om gegevens te verschaffen kunnen leiden tot het overdragen van stukken. In dat geval zal bij ieder afzonderlijk verzoek afspraken worden gemaakt omtrent de teruggave ervan.

Teneinde interpretatieve problemen te voorkomen bevat het tweede lid een gedetailleerde opsomming van de bevoegdheden en verplichtingen. Daarbij geldt dat het niet enkel gaat om informatie die voorhanden is, maar dat de verplichting bestaat om deze informatie uit te wisselen, desnoods door het toepassen van dwangmaatregelen (zie ook het vijfde lid van artikel 4). Het Koninkrijk is partij bij het op 4 november 1950 te Rome totstandgekomen Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154). In het eerste lid van artikel 6 van dat verdrag is de regel vervat dat niemand aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken. Ingevolge die bepaling zullen, voor wat betreft de Nederlandse Antillen, de bijeengebrachte gegevens in beginsel niet gebruikt worden in een eventueel strafproces tegen degene van wie de informatie afkomstig is.

Het derde lid regelt de wijze waarop de uit te wisselen informatie moet worden behandeld, zulks met het oog op bewijsvoeringvereisten. Artikel 62 van de Nederlands-Antilliaanse Algemene Landsverordening Landsbelastingen van 3 augustus 2001 bevat een bepaling met betrekking tot de rechtsbescherming van degenen van wie inlichtingen wordt verlangd. Op grond van dat artikel dient aan het verzoek om inlichtingen een ministerieel besluit ten grondslag te liggen en is tegen dat besluit beroep mogelijk bij de Raad van Beroep van Belastingzaken.

Het vierde lid van artikel 4 bevat een bepaling inzake de beperking van de verplichting tot het vergaren en uitwisselen van informatie. Dit betekent dat de Verenigde Staten of de Nederlandse Antillen bijvoorbeeld geen maatregelen hoeven te nemen die in strijd zijn met de nationale wetgeving of administratieve praktijk en/of openbare orde.

In deze bepaling is ook gekozen voor een zeer gedetailleerde identificatie van de beperkingen om mogelijke problemen bij de uitvoering te verkleinen. Zo wordt in onderdeel f van het onderhavige lid uitdrukkelijk bepaald dat de in de onderdelen a tot en met e opgenomen beperkingen onverlet laat de bevoegdheid van de Verenigde Staten of de Nederlandse Antillen tot verkrijging en uitwisseling van informatie van financiële instellingen, gevolmachtigden, zaakwaarnemers en agenten, alsmede informatie betreffende eigendomsrechten op een rechtspersoon. Informatie die vertrouwelijke communicatie bevat tussen bijvoorbeeld een advocaat en zijn cliënt valt buiten de verplichting tot verkrijging en uitwisseling van informatie. In dit verband wordt verwezen naar artikel 46, tweede lid, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen op basis waarvan enkele beroepsgroepen zich kunnen beroepen op hun geheimhoudingsplicht.

Het zesde lid van artikel 4 regelt de bevoegdheid om eigen vertegenwoordigers te sturen naar het andere land zodat door hen zelf boeken onderzocht kunnen worden en (natuurlijke) personen geïnterviewd kunnen worden. Tenslotte wordt in het zevende lid aangegeven dat de confidentiële behandeling van de verkregen informatie geschiedt overeenkomstig de wet- en regelgeving van de staat die om de informatie heeft gevraagd.

Artikel 5 bevat, naast de gebruikelijke procedure voor onderlinge overeenstemming ter oplossing van mogelijke verschillen van mening bij de toepassing van dit verdrag, het opzetten van een programma ter uitvoering van het verdrag. Op grond van dat programma kan technische kennis worden gedeeld en gezamenlijke studies worden uitgevoerd.

Artikel 6 regelt de verdeling van de kosten verbonden aan de uitwisseling van informatie.

Artikel 7 bevat de verplichting om de nodige wetswijzingen te realiseren teneinde het verdrag te kunnen uitvoeren. De Nederlandse Antillen overwegen of en in hoeverre vigerende uitvoeringsvoorschriften aanvulling behoeven ter bevordering van de uitvoering van dit verdrag. In ieder geval zal in afdeling 2 van hoofdstuk VIII van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen een bepaling dienen te worden opgenomen waarin de mogelijkheid tot aanwezigheid van buitenlandse belastingambtenaren in de Nederlandse Antillen wordt geregeld. Door de Nederlands-Antilliaanse regering wordt ernaar gestreefd om de aanpassing van de uitvoeringsvoorschriften zo spoedig mogelijk gereed te hebben.

III. Koninkrijkspositie

Het verdrag zal, voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, uitsluitend voor de Nederlandse Antillen gelden.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. G. de Hoop Scheffer


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven