29 019
Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, onder meer in verband met de beëindiging van de bekostiging van het onderwijs in allochtone levende talen

A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 14 juli 2003 en het nader rapport d.d. 28 augustus 2003, aangeboden aan de Koningin door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 12 mei 2003, no. 03.001971, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, onder meer in verband met de beëindiging van de bekostiging van het onderwijs in allochtone levende talen.

Dit wetsvoorstel strekt tot beëindiging van de bekostiging van het onderwijs in allochtone levende talen (hierna: OALT) en tot het schrappen van de bepaling over het onderwijs in de taal van het land van oorsprong in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO).

De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 12 mei 2003, nr. 03.001971, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 14 juli 2003, nr. W05.03.0167/III, bied ik u hierbij aan.

1. In artikel III van het wetsvoorstel wordt artikel 16 WVO, dat onderwijs in de taal van het land van oorsprong regelt, geschrapt. De toelichting op artikel III stelt dat het verwijderen van artikel 16 WVO in de praktijk niets aan de mogelijkheid van scholen wijzigt om onderwijs in de taal van het land van oorsprong aan te bieden, omdat de talen Turks en Arabisch inmiddels als reguliere moderne vreemde taal voor het voortgezet onderwijs zijn opgenomen, en scholen overigens vrij zijn om in de eigen vrije ruimte onderwijs in de taal van het land van oorsprong aan te bieden.

De Raad merkt op dat geen inzicht wordt geboden in de financiële gevolgen van het schrappen van artikel 16 WVO en dat hierdoor onduidelijk is of in de eigen vrije ruimte zonder meer tegemoet kan worden gekomen aan de behoefte aan onderwijs in de taal van het land van oorsprong.

De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

1. De memorie van toelichting is overeenkomstig het advies op dit punt aangevuld.

2. Het voorgestelde artikel V bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, dan wel bij ministeriële regeling, voorschriften worden gegeven met betrekking tot de opvang van de personele gevolgen van de inwerkingtreding van deze wet.

a. De Raad merkt op dat de formulering van dit artikel dermate ruim is, dat het mogelijk is een aparte regeling te treffen, los van bestaande rechtspositionele regelingen voor onderwijspersoneel. De Raad ziet zonder nadere toelichting geen reden dat in dit geval die mogelijkheid gegeven zou moeten worden en adviseert om de regelgevende bevoegdheid in het wetsvoorstel zo concreet en nauwkeurig mogelijk te begrenzen.1

b. Voorts is de Raad van mening dat de toelichting onvoldoende aangeeft welke middelen de minister ter beschikking kan stellen om nadelige personele en financiële consequenties door het beëindigen van de bekostiging van OALT te voorkomen. Niet duidelijk is bijvoorbeeld welk flankerend beleid de minister voor ogen staat en op welke wijze de minister kan beschikken over middelen van het Participatiefonds. De Raad vindt in het bijzonder van belang dat aandacht wordt besteed aan de vraag of de beëindiging van de bekostiging van OALT voor het bevoegd gezag nadelige (financiële) consequenties heeft, waarbij de Raad opmerkt dat afwenteling van deze kosten op het bevoegd gezag in het onderwijs niet voor de hand ligt.

De Raad adviseert de toelichting op deze punten aan te vullen.

2.a. Op dit moment zijn de onderhandelingen met de werkgevers- en werknemersorganisaties betreffende de rechtspositionele gevolgen van het beëindigen van de bekostiging van OALT en het eventueel te voeren flankerend beleid nog niet afgerond. Eerst nadat de uitkomst van de onderhandelingen bekend is, kan worden beoordeeld of het overeengekomen flankerend beleid noopt tot regelgeving. Voorzover regelgeving noodzakelijk mocht blijken, biedt artikel V de mogelijkheid om dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel ministeriële regeling te realiseren. Dit zal afhankelijk zijn van de aard van de regels of de termijn waarbinnen zij moeten zijn vastgesteld.

De memorie van toelichting is op dit punt aangevuld.

2.b. Conform het advies is de memorie van toelichting op dit punt aangevuld. Daartoe zijn de paragrafen «flankerend beleid» en «financiële gevolgen» aangepast.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend Vice-President van de Raad van State,

P. van Dijk

Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Aanwijzig 25 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Naar boven