28 983
Wijziging van enkele socialeverzekeringswetten inzake verlenging van het bij de Wet beperking export uitkeringen behorende overgangsrecht en enkele andere wijzigingen

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 22 oktober 2003

1. Algemeen

Het kabinet heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen die de leden van de fracties van de PvdA en ChristenUnie hebben gesteld over het onderhavige wetsvoorstel.

2. Eerste Wijziging: wijziging overgangsrecht middels verlenging overgangstermijn

De leden van de PvdA-fractie vragen om een toelichting op de reden om de AKW uit te zonderen van de verlenging van de overgangstermijn. In dat verband zetten zij vraagtekens bij de argumentatie vanuit het levensonderhoud. Anders dan bij de AOW, de ANW, de WAO en de WAZ, is de AKW geen inkomensdervingsregeling die de uitkeringsgerechtigden voorziet in hun levensonderhoud, maar een regeling die de ouder/verzorger voorziet in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van kinderen. De AKW is geen inkomensvoorziening voor het kind zelf. Kinderen zijn dan ook niet afhankelijk van de AKW voor hun levensonderhoud. De gevolgen van de beëindiging van de overgangstermijn laten zich bij de AKW dan ook anders voelen dan bij de genoemde inkomensdervingsregelingen. Ten aanzien van de AKW heeft de regering het aan de Wet BEU ten grondslag liggende uitgangspunt van een bij verdrag gewaarborgde handhaafbaarheid dan ook zwaarder laten wegen dan het belang van betrokkenen bij continuering van de AKW. Om die reden heeft de regering er niet voor gekozen om ook voor de AKW de overgangstermijn te verlengen.

Omdat de AKW geen loondervingsregeling is, kunnen uittkeringsgerechtigden niet onder het sociaal minimum komen als gevolg van het stopzetten van de kinderbijslag. In antwoord op desbetreffende vragen van de leden van de fractie van de ChristenUnie, dient te worden opgemerkt dat compenserende maatregelen dan ook niet noodzakelijk zijn.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of nog altijd het wettelijke regime geldt dat verzekerden die in de overgangstermijn 65 jaar zijn geworden en die wonen in een niet-verdragsland, geen recht op een toeslag voor hun jongere partner hebben, in elk geval niet met terugwerkende kracht. De leden van deze fractie willen bovendien weten om hoeveel personen het naar schatting gaat en of hierover dit jaar nog klachten of vragen bij het ministerie zijn binnengekomen.

Het overgangsrecht van de Wet BEU strekt ertoe de op 31 december 1999 bestaande uitkeringsrechten van op dat moment reeds buiten Nederland wonende uitkeringsgerechtigden tijdelijk te beschermen. Om in aanmerking te komen voor de bescherming van het overgangsrecht gelden twee vereisten: de betrokkene was reeds vóór de inwerkingtreding van de Wet BEU uitkeringsgerechtigd én woonde op dat moment al buiten Nederland. Het overgangsrecht geldt derhalve niet voor degene die op of na 1 januari 2000 65 jaar wordt en pas op dat moment recht op AOW heeft, inclusief een eventuele AOW-toeslag. Er is in dat geval immers sprake van een nieuw uitkeringsrecht dat niet door het overgangsrecht van de Wet BEU wordt beschermd. Deze consequentie van het overgangsrecht waarvoor destijds welbewust is gekozen, geldt nog steeds. Het gaat naar schatting om ca. 150 personen. Bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn, voor zover mij bekend, geen klachten hierover binnengekomen.

Uitvoeringstechnisch commentaar SVB/UWV

In antwoord op vragen van de leden van de PvdA kan worden opgemerkt dat bij de SVB geen bezwaar- of beroepsprocedures zijn gestart door burgers die menen dat er sprake is van ongelijke behandeling omdat de export van kinderbijslag wel naar de twintig landen plaatsvindt, maar niet naar de landen waarvoor de termijn thans wordt verlengd.

3. Tweede wijziging: vervallen driemaandstermijn

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de toename van handhavingsrisico's bij de uitvoering van de Toeslagenwet (TW) die het UWV signaleert in verband met de afschaffing van de driemaandstermijn. Het UWV doelt hiermee op het feit dat als personen langer dan drie maanden buiten Nederland kunnen verblijven met behoud van de TW-toeslag, het risico op inkomensverwerving in het buitenland toeneemt. Voor de uitvoering van de TW betekent dit dan een toegenomen handhavingsrisico. Het risico van inkomensverwerving is bij de TW echter niet anders dan bij de WAO, de WAZ, de ANW en de AOW-toeslag, waarbij inkomen eveneens een relevant aspect voor de uitvoering vormt.

In verband met de afschaffing van de driemaandstermijn vragen de leden van de PvdA-fractie voorts naar de gevolgen voor personen die tijdelijk een studie in het buitenland volgen. Zowel voor kinderen voor wie recht op AKW bestaat, als voor personen die recht op een socialeverzekeringsuitkering hebben, betekent de afschaffing van de driemaandstermijn een verruiming van de mogelijkheden om dit met behoud van de uitkering te doen. Immers, zolang er geen sprake is van wonen in het buitenland, is de uitsluiting van het recht op uitkering, waarvan op dit moment na drie maanden verblijf in het buitenland sprake is, niet langer van toepassing.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens naar de betekenis en gevolgen van de recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de afbouw van de TW-toeslagen ten aanzien van in de Verenigde Staten en Marokko wonende uitkeringsgerechtigden. Het kabinet merkt hierover het volgende op. In beide uitspraken heeft de CRvB geoordeeld dat de TW-toeslag onder de materiële werkingssfeer van de verdragen met Marokko en de Verenigde Staten valt, omdat de TW moet worden aangemerkt als een wet waarbij de wettelijke regeling betreffende de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt aangevuld. Om die reden dienen de TW-toeslagen te worden geëxporteerd. De wijzigingen in de verdragen in verband met de Wet BEU hebben er naar het oordeel van de CRvB niet toe geleid dat de TW niet langer onder de materiële werkingssfeer van deze verdragen valt.

De gevolgen van de uitspraken van de CRvB gaan naar het oordeel van het kabinet verder dan alleen ten aanzien van de Verenigde Staten en Marokko. Immers, voorzover in andere socialezekerheidsverdragen op een met de verdragen met de Verenigde Staten en Marokko vergelijkbare wijze wijzigingen zijn doorgevoerd, zullen deze in de ogen van de CRvB geen genade vinden. Om niettemin het exportverbod in de TW te kunnen effectueren ten aanzien van de desbetreffende landen, is een verdragswijziging dan ook geboden. Dat geldt inderdaad ook ten aanzien van het verdrag met Marokko, waarnaar de leden van de PvdA-fractie informeren. Een aanpassing van het onderhavige wetsvoorstel om de bedoeling van de Wet BEU te effectueren, zoals de leden van deze fractie suggereren, is naar het oordeel van het kabinet geen oplossing. Immers, artikel 4a TW en de toelichting op artikel IV van de Wet BEU en artikel IV van de Wijzigingswet BEU, waarmee het exportverbod in de TW is geïntroduceerd, zijn volstrekt helder over de bedoeling om de TW-toeslagen niet langer te exporteren.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering heeft overwogen om de TW aan te passen, bijvoorbeeld door het bijstandskarakter in de wet vast te leggen. Naar het oordeel van het kabinet is echter niet de twijfel over het bijstandskarakter van de TW wat de CRvB ertoe heeft gebracht om de TW op grond van de verdragen met de Verenigde Staten en Marokko exporteerbaar te oordelen, maar het feit dat de TW een aanvullende regeling is op o.a. de WAO en de WAZ en als zodanig onder de werkingssfeer van deze verdragen valt. De precieze vormgeving van de TW is dan ook niet relevant, zolang het aanvullende karakter in relatie tot de desbetreffende sociale verzekeringen blijft bestaan.

Ten slotte leggen de leden van de PvdA-fractie een verband tussen de onderhavige problematiek met betrekking tot de TW en de opzegging van ILO-verdrag nr. 118. Deze opzegging, waarvan het wetsvoorstel tot goedkeuring van het voornemen tot opzegging binnenkort aan uw Kamer zal worden voorgelegd, houdt echter geen verband met de uitspraken van de CRvB over de exporteerbaarheid van de TW, maar met het beleid op grond van de Wet BEU. Zoals uw Kamer bij brief van 15 juli 2003 (SV/V&V/03/45 263) terzake is medegedeeld, staat de onvoorwaardelijke exportverplichting van artikel 5, eerste lid, van het verdrag op gespannen voet met de handhavingsdoelstelling van de Wet BEU, op grond waarvan export van uitkeringen uitsluitend plaatsvindt naar landen waarmee handhavingsverdragen zijn gesloten. Om die reden is de regering voornemens om ILO-verdrag nr. 118 op te zeggen. De exportverplichting voor de TW op grond van ILO-verdrag nr. 118, waartoe de CRvB eerder concludeerde, bestaat sinds 1 juli 2003 niet meer door de aanmelding van de TW als non-contributieve prestatie bij de Directeur-Generaal van de ILO (Trb. 2003, 73). Handhaving van het exportverbod in de TW is dan ook niet de reden om ILO-verdrag nr. 118 op te zeggen. De reden is dat Verdrag nr. 118 haaks staat op de handhavingsdoelstelling van de Wet BEU.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Naar boven