28 929
Voorjaarsnota 2003

nr. 2
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 juni 2003

De vaste commissie voor Financiën1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de regering over bovenvermelde nota. De minister van Financiën heeft deze vragen beantwoord bij brief van 18 juni 2003. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Tichelaar

De griffier van de commissie,

Berck

1

Waarom is het gebruikelijke overzicht van de budgettaire ontwikkeling per budgetdisciplinesector in deze Voorjaarsnota achterwege gelaten? Kan alsnog inzicht gegeven worden in de ontwikkeling van de drie afzonderlijke uitgavenkaders ten opzichte van de Miljoenennota 2003? Onderschrijft het huidige kabinet punt 12 van de regels budgetdiscipline en hoe zal zij daar in de toekomst mee omgaan?

In de Voorjaarsnota zijn de uitgavenmutaties gepresenteerd die sinds Miljoenennota 2003 zijn opgetreden. Omdat het nieuwe kabinet nog geen uitgavenkaders heeft vastgesteld is het niet mogelijk om inzicht te geven in de ontwikkeling van de drie afzonderlijke uitgavenkaders ten opzichte van Miljoenennota 2003. De nieuwe uitgavenkaders zullen in de Miljoenennota 2004 worden gepresenteerd. Wat betreft de regels budgetdiscipline wordt eveneens verwezen naar Miljoenennota 2004 waarin dit kabinet de regels budgetdiscipline zal presenteren.

2

Is er sprake van ruilvoetwinst ten opzichte van de Miljoenennota nu de contractloonontwikkeling met een ¼%-punt meer is gedaald dan het pBBP? Zo ja, wat is de omvang van de ruilvoetwinst per budgetdisciplinesector en waarvoor is deze ruimte aangewend? Kan inzicht gegeven worden in de ruilvoetontwikkeling van de afgelopen jaren, alsmede op basis van de huidige inzichten verwachte ruilvoetontwikkeling voor 2004?

De ruilvoetwinst wordt gedefinieerd als de mate waarin de ontwikkeling van de lonen en prijzen, relevant voor de collectieve uitgaven, en de deflator (sinds het vorige kabinet is dit de prijs Nationale bestedingen (pNB)), afwijkt van hetgeen bij het begin van de regeerperiode werd verwacht. De omvang van de ruilvoetwinst (in euro) is mede afhankelijk van de hoogte van de uitgavenkaders. Bij de indiening van de Voorjaarsnota door het nieuwe kabinet was de hoogte van de drie uitgavenkaders nog niet vastgesteld, dit zal gebeuren bij Miljoenennota 2004. Er is in de Voorjaarsnota dan ook geen sprake geweest van een ruilvoetwinst.

De cumulatieve ruilvoetontwikkeling van de afgelopen jaren is als volgt geweest. Uit de tabel blijkt dat de er in de periode 1999–2002 sprake is geweest van een ruilvoetwinst van gecumuleerd 2 miljard euro.

In € mrd1999200020012002
RBG-eng– ¼¼2
SZA– ½– ½0– ½
Zorg00¼¼
Totaal– ½– ¼2

3 en 4

Zijn naar het oordeel van de minister de WWW-vragen ook van toepassing indien op een bepaald beleidsterrein minder geld beschikbaar wordt gesteld dan aanvankelijk geraamd was? Waarom wordt in de Voorjaarsnota niet ingegaan op de gevolgen die de beleidsmatige begrotingsmutaties hebben voor de (operationele) beleidsdoelstellingen en prestatiegegevens die in de oorspronkelijke begroting 2003 waren opgenomen. Is de minister voornemen om het VBTB-gehalte van toekomstige budgettaire nota's te vergroten?

Kan de minister aangeven op welke wijze zijn ministerie de door hem toegezegde (zie antwoord op vraag 10 over de Voorjaarsnota 2002) scherpere toetsing op het VBTB-gehalte van de suppletore wetten heeft uitgevoerd? Kan de minister per suppletore begroting aangeven hoe hij het VBTB-gehalte beoordeelt?

De WWW-vragen zijn niet alleen van toepassing op uitgavenverhogingen, maar ook op uitgavenverlagingen. Immers ook dan kan de vraag gesteld worden: Wat willen wij bereiken en wat gaan wij daarvoor (minder) doen? Het is daarbij mogelijk dat de gestelde doelstelling nog steeds binnen bereik ligt, maar dat voor andere, meer doelmatige instrumenten wordt gekozen. Ook kan het zijn dat de doelgroep van het beleid wijzigt (bijvoorbeeld kleiner wordt) of de eindtermijn naar achteren schuift. Ten slotte is het ook mogelijk dat er – gegeven een lager budget – prioriteiten moeten worden gesteld.

De voorjaarsnota geeft op hoofdlijnen een geactualiseerd beeld van het budgettaire beleid van het lopende begrotingsjaar. Voor inzicht in de wijzigingen die de mutaties hebben voor de (operationele) doelstellingen, verwijs ik naar de suppletore begrotingen. Hierin zijn de mutaties zoveel mogelijk op VBTB-wijze toegelicht. De Voorjaarsnota gaat tevens vergezeld van een Verticale Toelichting. Ook deze geeft op hoofdlijnen inzicht in de wijzingen van de begrotingen. Daarbij wordt zoveel mogelijk een www-toelichting op de mutaties gegeven. Verbetering van het VBTB-gehalte in o.a. de suppletore begrotingen en de budgettaire nota's is een groeitraject.

5

Waarom wordt in slechts enkele suppletore wetten (Verkeer en Waterstaat, BZK) op ieder artikel systematisch inzicht gegeven in de budgetflexibiliteit van de begroting 2003 per 1 maart? Kan de minister van Financiën via begrotingsvoorschriften bewerkstelligen dat voortaan alle suppletore begrotingen conform het voorbeeld van Verkeer en Waterstaat en BZK inzicht bieden in de budgetflexibiliteit?

Op basis van de Rijksbegrotingsvoorschriften 2003 (Rbv 2003) is de keuze in de wijze van toelichten van budgetflexibiliteit in suppletore begrotingen aan de departementen overgelaten. Bepaald is dat in de leeswijzer wordt beschreven op welke wijze in de beleidsartikelen aandacht aan de budgetflexibiliteit wordt besteed. Daarbij is de keuze aan het departement om de budgetflexibiliteit cijfermatig, danwel in beschrijvende zin toe te lichten. Indien departementen de budgetflexibiliteit per beleidsartikel cijfermatig toelichten, geldt daarbij als vormvoorschrift een model uit de Rbv 2003 (zoals gehanteerd bij de suppletore begrotingen van Verkeer en Waterstaat en BZK).

Budgetflexibiliteit is een relatief nieuw begrip in de begrotingstoelichting. In het groeitraject naar de zo goed mogelijke informatieverstrekking aan de Kamer over budgetflexibiliteit is, op basis van argumenten van departementen dat zij de Kamer beter kunnen informeren over de budgetflexibiliteit per beleidsartikel indien dit in beschrijvende zin plaats vindt, gekozen voor de keuzemogelijkheid om een cijfermatige, danwel beschrijvende toelichting over de budgetflexibiliteit te geven. De Rbv 2003 bieden daarmee alle departementen een maatwerkgerichte mogelijkheid om de Kamer te informeren.

6

Kan een totaaloverzicht worden gegeven van de verwerking van de eindejaarsmarges in de suppletore begrotingen? Kan alsnog, nu alle benodigde gegevens definitief beschikbaar zijn, een volledig antwoord gegeven worden op de vragen (nrs. 8, 9 en 20) over de eindejaarsmarge die de Kamer gesteld heeft naar aanleiding van de Voorlopige Rekening 2002?

In onderstaand overzicht is de verwerking van de eindejaarsmarge 2002 in de suppletore begrotingen opgenomen. Tevens is, overeenkomstig vraag 8 bij voorlopige rekening, de in 2002 per saldo gerealiseerde over- of onderschrijding van de begroting (stand VR en stand Slotwet) en de maximale eindejaarsmarge opgenomen.

Totaaloverzicht verwerking eindejaarsmarges in suppletore begrotingen

   Onderuitputting 2002verwerking 
  stand VRstand SlotwetMax. EJMEJM 1e sup
1Huis der Koningin0,10,1geen EJM  
2Hoge colleges van Staat– 15,1– 5,2– 1,6– 1,6
3Algemene Zaken– 1,4– 1,6– 0,4– 0,4
4Koninkrijkszaken– 38,1– 34,1– 9,1– 9,1
6Justitie– 64,9– 69,7– 47,7– 47,7
7BZK– 92,6– 78,5– 67,8– 66,5
8OCW– 70,1– 70,7– 212,5– 70,7
9A/BNationale schuld/Financiën– 14,4– 12,8– 27,7– 12,8
10Defensie– 29,3– 28,4– 136,1– 28,4
11VROM58,346,6– 30,646,6
12V&W1,61,6– 22,21,6
13EZ1,922,1– 15,622,1
14LNV20,536,8– 20,036,0
15SZW Rbg-eng– 23,0– 23,0– 3,1– 3,1
 SZA bg gefinancierd– 205,0– 205,0– 140,0– 140,0
16VWS Rbg-eng– 40,0– 40,4– 27,3– 27,3
50gemeentefonds– 2,9– 34,6100%– 34,6
55Infrafonds– 87,4– 73,2100%– 73,2
 HGIS (incl. BuZa)– 258,6– 253,4– 181,5– 181,5
 Totaal– 860,4– 823,5– 941,3– 590,6

– = onderuitputting

De eindejaarsmarge die in 2003 aan de begroting wordt toegevoegd, heeft voor een belangrijk deel betrekking op verplichtingen uit 2002 (ca. 0,4 mld). De meeste vertragingen kunnen binnen de eindejaarsmarges van de begrotingen worden opgevangen. Daar waar de eindejaarsmarge lager is dan de onderuitputting is prioriteit gegeven aan de verplichtingen uit 2002. In de departementale jaarverslagen en de suppletore begrotingen wordt nader ingegaan op de achterliggende oorzaken van onderuitputting en de aanwending in 2003.

7

Waarop is de verwachting gebaseerd dat de economie in de tweede helft van het jaar weer zal aantrekken? Welke factoren spelen daarbij een rol?

Er wordt nog steeds gerekend op een aantrekken van de internationale economie in de tweede helft van dit jaar. Als deze verwachting uitkomt, kan ook de groei van de Nederlandse economie in de loop van dit jaar wat aantrekken. Nederland zal dan immers kunnen profiteren van een aantrekkende groei van de wereldhandel. Met de snelle beëindiging van de oorlog in Irak is een belangrijk risico voor de internationale economische ontwikkeling weggevallen. Voorlopende indicatoren (waaronder de aandelenkoersen) wijzen bovendien op enig aantrekken van de (internationale) economische groei in de loop van 2003.

8

Waarom wordt het verlies aan concurrentiekracht alleen toegeschreven aan relatief hoge loonstijgingen en niet aan achterblijvende productiviteitsontwikkeling. Is van het laatste niet evenzeer sprake, vergeleken met de ons omringende landen?

De ontwikkeling van de concurrentiekracht hangt af van de arbeidskostenstijging per eenheid product ten opzichte van die bij de concurrenten. Dit betekent inderdaad dat de ontwikkeling van de concurrentiekracht mede wordt beïnvloed door de groei van de arbeidsproductiviteit ten opzichte van de groei van de arbeidsproductiviteit bij de concurrenten. De groei van de arbeidsproductiviteit blijft in ons land enigszins achter bij die van de concurrenten. Dit betekent dat de arbeidskosten hier minder hard mogen stijgen dan bij de concurrenten, indien Nederland een verlies aan concurrentiekracht wenst te vermijden.

9 en 14

Kan voor de diverse loongevoelige sectoren aangegeven worden welke incidentele loonontwikkeling voor 2003 wordt geraamd en wat de uiteindelijke vergoeding (in procenten en in euro's) in 2003 zal zijn? Kan daarbij ook onderscheid gemaakt worden in het beïnvloedbare deel van de incidentele loonontwikkeling (loondrift) en het niet-beïnvloedbare deel (bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing en opleidingsniveau van het personeelsbestand).

Waaruit zou de normale incidentele loonontwikkeling hebben bestaan?

De incidentele loonontwikkeling in de budgetsectoren wordt jaarlijks vastgesteld door het kabinet. Voor 2003 is deze bij SA vastgesteld op 0,5%. Uitgangspunt bij de initiële beleidsmatige vaststelling van het budget voor incidentele loonontwikkeling is een marktconforme benadering. Hiervoor worden de CPB-ramingen van de incidentele loonontwikkeling in de markt gehanteerd. Vervolgens heeft het kabinet bij VJN besloten om – als generieke maatregel – het budget voor incidentele loonontwikkeling tranche 2003 in zijn geheel in te houden.

Er zijn geen partiële ramingen beschikbaar van de feitelijke incidentele loonontwikkeling in de verschillende arbeidsvoorwaardelijke sectoren in 2003.

10

Hoe verhoudt de lichte inflatiedaling zich met de geconstateerde prijsstijgingen in HP/De Tijd van 30 mei 2003.

Gebaseerd op een aantal kassabonnen concludeert HP de Tijd dat de prijzen over vijf jaar tijd gemiddeld met 49% zijn gestegen. CBS-cijfers daarentegen laten zien dat de prijzen gemiddeld gestegen zijn met 14,8% van 1998 tot 2002. Het verschil in deze resultaten is vooral te verklaren uit het pakket aan goederen en diensten dat wordt geanalyseerd. Terwijl de auteur van het artikel in HP de Tijd zich baseerde op een zeer beperkt aantal producten en diensten waarvan de selectiemethode onduidelijk is (waarom wel een bezoek aan een prostituee en niet de aanschaf van een TV?) gaan voor het CBS iedere maand ongeveer 250 interviewers op pad die ruim 80 000 prijzen noteren van meer dan 1 600 producten. Tevens baseert het CBS zich op telefonische enquêtes en scannerdata van supermarkten1.

11

Hoeveel bedraagt de korting in euro's per departement (2003–2007) als gevolg van de inhouding van de tranche 2003 van de incidentele loonontwikkeling?

Het inhouden van de incidentele loonontwikkeling tranche 2003 leidt tot een lagere uitdeling van de loonbijstelling tranche 2003 aan de verschillende begrotingen. Deze maatregel levert € 0,19 mld structureel op. Hieronder is per begrotingshoofdstuk weergegeven welk bedrag er voor 2003–2007 lager is uitgedeeld bij de loonbijstelling tranche 2003 als gevolg van het inhouden van de incidentele loonontwikkeling. De lichte oploop is het gevolg van een stijgende grondslag in latere jaren.

Tabel 1. Lagere uitdeling per begroting (in € mln)

Begroting20032004200520062007
Hoge Colleges van Staat11111
Algemene Zaken0,10,10,10,10,1
Koninkrijksrelaties0,20,20,20,20,2
Justitie1515151617
Binnenlandse Zaken1516161718
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen8485858688
9a Nationale Schuld00000
9b Financiën88888
Defensie1717181819
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu11111
Verkeer en Waterstaat88999
Economische Zaken22222
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij55555
Sociale Zaken en Werkgelegenheid1516171818
Volksgezondheid, Welzijn en Sport1818131414
Totaal189,3192,3190,3195,3200,3

12

Hoeveel bedraagt de korting in euro's per departement (2003–2007) als gevolg van de inhouding van de 60% van de prijsbijstelling?

Onderstaande tabel geeft de korting in euro's weer per departement als gevolg van de inhouding van 60% van de prijsbijstelling.

Tabel. 60% Prijsbijstellingtranche 2003 (mln. euro)

 20032004200520062007
HCvS0,60,60,60,60,6
AZ0,20,20,20,20,2
Koninkrijksrelaties1,21,31,31,31,2
Justitie28,225,924,124,924,1
BZK19,419,620,320,920,8
OCW80,282,984,385,283,0
IXa Nationale Schuld0,00,00,00,00,0
IXb Financiën17,917,717,517,317,1
defensie47,149,449,749,547,5
VROM21,423,522,822,922,2
V&W107,8100,8100,897,2103,9
EZ6,47,78,49,69,5
LNV9,49,69,49,59,5
SZW2,01,91,92,01,9
VWS8,38,88,78,78,5
Totaal350,0350,0350,0350,0350,0

13

Kan de structurele doorwerking van de tegenvallende belastingopbrengsten nader worden uitgesplitst? Zijn er andere dan conjuncturele oorzaken aan te wijzen?

Ten opzichte van de raming in de Miljoenennota 2003 (de Vermoedelijke Uitkomsten) zijn de belastingontvangsten over 2002 op kasbasis 3,3 miljard euro lager uitgekomen. Onderstaande tabel geeft een opsplitsing naar de verschillende belastingsoorten.

Tabel. Belasting- en premie-ontvangsten 2002 in mln. euro; vermoedelijke uitkomsten versus realisatie

 Vermoedelijke uitkomstenRealisatieVerschil
Kostprijsverhogende belastingen57 59555 778– 1 817
Invoerrechten1 4501 401– 49
Omzetbelasting34 36933 520– 849
Belasting op personenauto's en motorrijwielen2 8942 741– 153
Accijnzen8 5658 459– 106
Belastingen van het rechtsverkeer4 6324 473– 159
Motorrijtuigenbelasting1 9561 97014
Belastingen op een milieugrondslag3 4122 932– 480
Verbruikersbelasting211173– 38
Belasting op zware motorrijtuigen1081080
    
Belastingen op inkomen, winst en vermogen50 60549 096– 1 509
Loon-/Inkomstenbelasting27 88228 306424
Dividendbelasting3 8433 490– 353
Kansspelbelasting15216210
Vennootschapsbelasting16 86015 394– 1 466
Vermogensbelasting54843
Successierechten1 8631 695– 168
    
Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten478033
    
Totaal belastingen op kasbasis108 248104 953– 3 295
EMU-ktv3012191
Totaal belastingen op EMU-basis108 278105 074– 3 204

De oorzaken van de tegenvallende belastingontvangsten over 2002 zijn toegelicht in bijlage B3 van het Financieel Jaarverslag van het Rijk. Daar is geconcludeerd dat er geen sprake was van incidentele of tijdelijke componenten in de ontvangsten, zodat de lagere realisaties in 2002 volledig structureel doorwerken naar 2003.

14

Waaruit zou de normale incidentele loonontwikkeling hebben bestaan?

Zie het antwoord op vraag 9.

15

Zou het mogelijk zijn geweest om de sectoroverschrijdingen geheel binnen de eigen sector te compenseren, zoals immers noodzakelijk is volgens het Strategisch Akkoord.

In de Voorjaarsnota zijn de uitgavenmutaties gepresenteerd die sinds Miljoenennota 2003 zijn opgetreden. Omdat het nieuwe kabinet nog geen uitgavenkaders heeft vastgesteld is het niet mogelijk om inzicht te geven in de ontwikkeling van de drie afzonderlijke uitgavenkaders ten opzichte van Miljoenennota 2003 (zie ook vraag 1). Wel kan geconstateerd worden dat de zorguitgaven zich wederom sterker hebben ontwikkeld dan van te voren werd verwacht. Bij het opstellen van het huidige Hoofdlijnenakkoord zijn daarom maatregelen getroffen (pakketverkleining en invoeren eigen risico) om de zorguitgaven in de huidige kabinetsperiode binnen de perken te houden.

16

Is door het ministerie van VWS in 2001 of 2002 nooit gewezen op te verwachten overschrijdingen in 2001, 2002 en 2003 in verband met het boter-bij-de-vis principe voor de zorg? In welke mate zijn de waarschuwingen van VWS door Financiën overgenomen?

De uitgavenontwikkeling in de zorg heeft sinds het Actieplan Zorg Verzekerd een voortdurende versnelling ondergaan, die in die omvang tevoren niet was te voorspellen. Dit hangt ook samen met de sterke verslechtering van de arbeidsmarktkansen in de marktsector waardoor de zorg zich in een sterk toenemende belangstelling mocht verheugen.

17 en 22

Kan in een tabel een overzicht worden gegeven van de verdeling van de 2,1 miljard ombuigingen over de departementen?

Wat is het verschil tussen «departementale maatregelen», «oplossingen» en «ramingsbijstellingen»? Kan een overzicht worden gegeven waaruit blijkt welk departement welke bijdrage levert (absoluut en relatief) aan de maatregelen en ramingsbijstellingen ad 680 miljoen euro op de rijksbegroting. Kan van de diverse onvermijdelijke tegenvallers die in totaal 2,14 miljard bedragen, aangegeven worden of deze incidenteel of structureel van karakter zijn? Kan van de diverse maatregelen en ramingsbijstellingen aangegeven worden of deze incidenteel of structureel van karakter zijn?

In tabel 1 staat het totaal van maatregelen en ramingsbijstellingen. In tabel 2 staat weergegeven hoe zowel de 680 mln aan maatregelen en ramingsbijstellingen Rbg-eng over de departementale begrotingen is verdeeld, als het inhouden van de ilo tranche 2003 en het inhouden van 60% van de prijsbijstelling 2003. Er is geen verschil tussen het begrip oplossingen enerzijds en ramingsbijstellingen en departementale maatregelen anderzijds. Het begrip oplossingen omvat zowel de maatregelen als de ramingsbijstellingen. In tabel 2 staat hoe oplossingen neerslaan op de afzonderlijke begrotingen.

Tabel 1. Totaal oplossingen

Maatregelen en ramingsbijstellingenIn mln euro's
Zorg340
SZA560
Rijksbegroting eng680
Ilo tranche 2003189
Prijsbijstelling 60% tranche 2003350
Totaal2 119*

* Exclusief per saldo doorwerking GF/PF en overige macro-economische uitvoeringsmutaties.

Tabel 2. Doorwerking maatregelen Rbg-eng als ilo en prijsbijstelling

 AbsoluutRelatief
HcvS4,940,4
AZ0,530,0
Koninkrijksrelaties1,620,1
Buitenlandse Zaken9,980,8
Justitie81,376,7
BZK38,443,2
OCW193,7515,9
Financiën99,198,2
Defensie70,155,8
VROM118,929,8
VWS118,409,7
EZ52,934,3
LNV43,753,6
SZW17,201,4
VWS35,692,9
Hgis330,0027,1
Totaal1 219 

Aard van de maatregelen en de ramingsbijstellingen

Van de ramingsbijstellingen en maatregelen in de zorg van 340 miljoen is 69 miljoen incidenteel (ramingsbijstellingen bij de meldingsregeling bouw, het zittend ziekenvervoer en de tandartsen) en 271 miljoen structureel (efficiencykorting Overheidsbijdrage aan de Arbeidskosten (OVA), bijstelling medisch specialisten en doorwerking afrekening eigen betalingen).

In de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid is een bedrag van 60 miljoen structureel van aard. Het gaat hierbij om een ramingsbijstelling op de WAO, om de niet uitgedeelde loon en prijsbijstellingstranche 2002 en op de Arbo-conventanten. Het overige deel, te weten circa 500 miljoen is incidenteel en betreft onder andere de eindejaarsmarge, de ontvangsten WSW (Wet Sociale Werkvoorziening), scholing en activiteiten en uitvoering FWI (Fonds Werk en Inkomen).

Op de Rijksbegroting-eng is van de 680 miljoen 520 miljoen versnelling van in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen maatregelen. Het betreft de schuldkwijtschelding (ODA), versnellen taakstelling inhuur externen, de niet-belastingontvangsten en taakstelling subsidies als de taakstelling differentiatie justitiële keten en gevangenissen. Deze maatregelen zijn structureel. Van de overige 160 miljoen is 10 miljoen structureel en dit betreft met name de ramingsbijstelling bij de lesgelden op de begroting van OCW. Het overige zijn incidentele posten zoals een intertemporele compensatie op Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing, een ramingsbijstelling bij de dividenden en bij de opbrengsten Holland Casino.

De zogenaamde generieke maatregelen, te weten de incidentele loonontwikkeling en de prijsbijstelling, betreffen de tranches 2003 en zijn structureel van karakter. Waarbij voor de prijsbijstelling geldt dat er 40% is uitgedeeld naar de departementale begrotingen en 60% als maatregel dient ter dekking van de onvermijdelijke tegenvallers.

Aard van de onvermijdelijke tegenvallers

De onvermijdelijke tegenvallers van circa 2,14 miljard betreft 650 miljoen Zorg, 440 miljoen Sociale Zekerheid en ruim 1 miljard Rijksbegroting.

De tegenvallers binnen de Zorg hebben voor meer dan de helft, 363 miljoen, een incidenteel karakter. Het gaat daarbij om besparingsverliezen bij het overig ziekenvervoer, bij de geneesmiddelen en bij de huisartsen. Daarnaast is er sprake geweest van een incidentele tegenvaller als gevolg van de het inlopen van bestaande financieringsachterstanden. De structurele tegenvallers wordt veroorzaakt door de doorwerking van de afrekening productie 2002.

Binnen de sector SZA is het grootste deel van de tegenvaller 2003 incidenteel. De structurele tegenvallers worden veroorzaakt door uitstel van de invoering van het woonlandbeginsel, door een tegenvaller bij de AKW (Algemene Kinderbijslag Wet) voor 16/17 jarige, een tegenvaller bij de invoering van de wet Walvis (Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten) en door een tegenvaller door ongedekte amendementen.

Voor een meer gedetailleerd overzicht verwijs ik naar de Voorjaarsbrieven en de afzonderlijke suppletore wetten.

18

Welke concrete taken, uitgesplitst per departement, worden niet meer uitgevoerd vanwege de ombuigingen (zoals verlaging prijsbijstelling, efficiencykortingen en vermindering inhuur externen)?

In de departementale suppletore begrotingen is zoveel mogelijk aangegeven welke taken niet meer worden uitgevoerd vanwege de ombuigingen. Voor zover dit nog niet overal bekend is zal hier in de volgende departementale suppletore begrotingen aandacht aan besteed worden.

19

In de bijlage bij het Hoofdlijnenakkoord is de meerjarige doorwerking gepresenteerd van de Voorjaarsnotamutaties. Kunnen de meerjarencijfers voor zorg, sociale zekerheid en rijksbegroting nader gespecificeerd worden?

De maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord met betrekking op het jaar 2003 zijn in de Voorjaarsnota verwerkt. Over de precieze meerjarige verwerking in de begroting van de maatregelen uit het HA zal de Kamer op Prinsjesdag worden geïnformeerd.

20

Wat is de ratio achter het kortingspercentage van 60% van de prijsbijstelling? Waarom is er gezien de budgettaire problematiek niet voor gekozen de prijsbijstelling in 2003 geheel achterwege te laten? Kan een totaal overzicht worden gegeven van de exacte omvang van de misgelopen prijsbijstelling per departement, zowel in absolute termen als relatief (als aandeel van het begrotingstotaal)? Wat zijn de beleidsmatige consequenties van het niet uitdelen van de prijsbijstelling? Welke departementen, beleidsterreinen en sectoren worden relatief het hardst getroffen?

Departementen hebben jaarlijks te maken met hogere uitgaven door prijsstijgingen. Van belang is dat deze bijstelling wordt vastgehouden op de aanvullende post. Voor een deel liggen deze hogere uitgaven in enig jaar vast uit hoofde van contractuele verplichtingen (circa 25%). Dit jaar is ondanks de huidige problematiek ruimte gevonden voor een uitkering van 40% van de prijsbijstelling. De nadere invulling van deze maatregel zal per departement plaatsvinden.

In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de prijsbijstelling per departement voor 2003 en het effect op de begrotingen.

Tabel. Prijsbijstelling 2003 (mln euro)

 Uitgedeeld (40%)Niet uitgedeeld (60%)Totale begroting (miljoenennota 2003)Niet uitgedeeld (% van begroting)
HCvS0,40,6185,30,3%
AZ0,10,247,30,4%
Koninkrijksrelaties0,81,2137,60,9%
Justitie19,928,24 604,70,6%
BZK13,719,44 917,40,4%
OCW56,680,224 766,60,3%
IXa Nationale Schuld0,00,012 698,00,0%
IXb Financiën12,617,93 705,50,5%
Defensie33,247,17 311,70,6%
VROM15,121,43 485,70,6%
V&W76,1107,85 914,01,8%
EZ4,56,41 742,00,4%
LNV6,79,42 061,30,5%
SZW1,42,020 624,10,0%
VWS5,98,39 524,40,1%
Totaal247,1350,0101 725,60,3%

Uit deze tabel komt naar voren dat het ministerie van V&W zowel absoluut als relatief de meeste prijsbijstelling ontvangt. Het niet uitkeren van een deel van de prijsbijstelling komt dan ook in absolute en relatieve termen in hoogste mate terecht bij V&W.

21

Kan een overzicht gegeven worden van de rijksbrede kosten van asiel in 2002 en kan per post worden aangegeven of er sprake is van een onderschrijding dan wel een overschrijding?

Onderstaande overzichtsconstructie asiel en migratie komt uit het Financieel Jaarverslag Justitie 2002, pagina 309.

Bedragen x € 1 miljoen

JustitieBegroot 2002Realisatie 2002
IND317,1350,7
Opvang8891 004,4
Ama's242,4150,5
VK's49,360,3
Rechtsbijstand50,168,4
Raad van State116,3
BZK/Politie65,885,3
OCW72,5116,7
BZK/DCIM24,124,2
Defensie/KMAR87,893,2
Buitenlandse Zaken10,011,0
Totaal1 819,11 971,0

De overzichtconstructie asiel en migratie geeft aan dat er per saldo een overschrijding van de budgetten heeft plaatsgevonden van € 151,9 mln. Voor een groot deel is de vertraagde uitstroom van asielzoekers hiervoor verantwoordelijk. Er zijn hierdoor ten opzichte van de raming, meer opvangplaatsen aangehouden. Deze relatieve stijging van de bezetting heeft ook consequenties voor de andere ketenpartners. Dit geldt met name voor de politie en het onderwijs waarvan de werkzaamheden nauw samenhangen met de omvang van de asielpopulatie.

Voor de ketenpartners uit het vreemdelingenproces, geldt dat de overschrijding bij de IND met name samenhangt met een verhoogd aantal MVV-aanvragen, het wegwerken van achterstanden op het gebied van asiel en de extra procesvertegenwoordiging van vreemdelingen die in beroep gaan bij de Vreemdelingenkamers (VK's). De VK's hebben te maken gehad met een verhoogde instroom aan zaken die vanuit de IND zijn doorgestroomd. Dit geldt ook voor de rechtsbijstand, waarbij in de realisatiecijfers tevens de kosten van de tolken zijn verwerkt (deze waren bij de begroting per abuis niet opgenomen in de overzichtsconstructie). Het aantal zaken hoger beroep bij de Raad van State komt nog altijd niet zo sterk op gang, waardoor er een onderuitputting heeft plaatsgevonden. De uitzetting van illegale vreemdelingen is opgevoerd, waardoor de activiteiten van de Kmar zijn toegenomen.

De onderschrijding op het AMA-budget hangt samen met een lagere instroom en een taakoverheveling naar het COA.

22

Wat is het verschil tussen «departementale maatregelen», «oplossingen» en «ramingsbijstellingen»? Kan een overzicht worden gegeven waaruit blijkt welk departement welke bijdrage levert (absoluut en relatief) aan de maatregelen en ramingsbijstellingen ad 680 miljoen euro op de rijksbegroting. Kan van de diverse onvermijdelijke tegenvallers die in totaal 2,14 miljard bedragen, aangegeven worden of deze incidenteel of structureel van karakter zijn? Kan van de diverse maatregelen en ramingsbijstellingen aangegeven worden of deze incidenteel of structureel van karakter zijn?

Zie vraag 17.

23 en 49

Asiel kost altijd meer dan geraamd. Als er meer mensen in de opvang verblijven dan geraamd moet het budget verhoogd worden omdat er bij het COA extra plaatsen nodig zijn; als er minder plaatsen nodig zijn bij het COA moet het budget ook verhoogd worden als gevolg van exploitatietekorten. Hoe zit dit?

Hadden de exploitatietekorten bij de COA's niet kunnen worden voorkomen? Bij de aanneming van de Vreemdelingenwet was toch te voorzien dat de instroom van asielzoekers drastisch zou verminderen? Waarom is niet geanticipeerd op de afkoopkosten die nu ontstaan door de inkrimping?

Het asielbudget is een dynamisch budget. Dit geldt met name voor de kosten van de opvang van asielzoekers. Aan de hand van ramingen over de instroom en de bezetting, wordt, gecombineerd met een opvangprijs per asielzoeker, een opvangbudget vastgesteld. Uitgaande van een vaste opvangprijs per asielzoeker, leidt een hoger aantal asielzoekers – ceteris paribus – tot een stijging van het budget en een lager aantal asielzoekers, tot een daling van het budget.

Met deze systematiek is in de begroting altijd gewerkt. Bij een groeiende opvangbehoefte is het COA door schaalvoordelen in staat geweest tegen een vaste vergoeding op te vangen. In 2001 heeft het COA tegen een goedkopere gemiddelde prijs opvang verleend vanwege de hoge bezettingsgraad in de opvang. Deze lagere prijs is in de begroting verwerkt.

Medio 2002 is de instroom lager geworden dan de uitstroom en is er per saldo een afname van de behoefte aan opvangplaatsen. Deze daling in de bezetting is bij het Strategisch Akkoord ook in de begroting doorgevoerd, die derhalve een sterk dalend budget kent. Bij de vaststelling van dit budget is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van een dalende bezettingsgraad en afnemende schaalvoordelen in de exploitatie, hetgeen in 2002 reeds tot een exploitatieverlies heeft geleid.

Daarbij gaat deze omgekeerde beweging zo snel, dat veel locaties eerder moeten worden afgestoten (kosten leegstand) en dat de onderliggende contracten met gemeenten, toeleveranciers en personeel eerder moeten worden beëindigd dan was voorzien. Dit zijn additionele krimpkosten die voorheen nooit in beeld zijn gekomen vanwege de ongekende groei.

24

Is de vrijval van de middelen voor de invoering van de Wet basisvoorziening kinderopvang eenmalig of is voor meer jaren geld bezuinigd?

De vrijval is tijdelijk. Omdat de invoering van de Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK) is uitgesteld van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 schuiven de implementatiekosten voor zowel SZW als de Belastingdienst deels door van 2003 naar 2004.

25

Is de schuldkwijtschelding aan ontwikkelingslanden met 300 mln verminderd of wordt de schuldkwijtschelding nu op een andere manier verwerkt? Indien het laatste het geval is, wat is de reden voor die andere wijze van verwerking?

Op grond van te verwachten hogere kwijtschelding van schulden van ontwikkelingslanden is in het Hoofdlijnenakkoord de raming voor schuldkwijtschelding verhoogd met € 300 m per jaar voor de hele kabinetsperiode. Voor het overige wordt de schuldkwijtschelding niet op een andere manier verwerkt en wordt de methodiek van Paars I en Paars II gecontinueerd.

26

Waarop is de verwachting gebaseerd dat in een neergaande conjunctuur invoering van de sollicitatieplicht voor 57,5 jarigen tot besparingen zou leiden? Zouden deze mensen bij toenemende werkeloosheid wél aan een baan komen, c.q. zouden zij niet worden ontslagen?

Bij invoering van de sollicitatieplicht voor 57,5 jarigen en ouder worden WW-gerechtigden geprikkeld om werk te zoeken, ongeacht de conjuncturele situatie. Hiernaast zullen werkgevers terughoudender zijn om ouderen te ontslaan en een bovenwettelijke regeling aan te bieden, aangezien de werkloze toch weer een baan zal moeten zoeken. Beide effecten zullen tot besparingen leiden.

27 en 36

Waarom werden de nominale ziekenfondspremies en de wachtgeldpremies door de fondsen hoger vastgesteld dan geraamd ten tijde van de Miljoenennota 2003?

Wat betekent het dat de raming 2002 opwaarts is bijgesteld? Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag?

De ziekenfondspremies en wachtgeldpremies worden aan het eind van het jaar door de afzonderlijke besturen van de ziekenfondsen en wachtgeldfondsen vastgesteld. Dit is na verschijning van de Miljoenennota. De premievaststelling is hoger dan de raming ten tijde van de Miljoenennota 2003. Door het decentrale karakter kan niet met zekerheid worden gezegd wat de beweegredenen van de ziekenfondsen zijn geweest. Waarschijnlijk is rekening gehouden met hogere kosten voor geneesmiddelen. Wellicht heeft ook meegespeeld dat de reserves van de fondsen door tegenvallende beleggingsresultaten kleiner zijn geworden.

28

Hoe verhoudt het besluit tot tussentijdse premieverhoging AWBZ zich tot het uitgangspunt van één budgettair hoofdbesluitvormingsmoment? Wordt met het besluit tot tussentijdse premieverhoging dat ingegeven is door uitgaventegenvallers, het principe van de scheiding tussen de uitgavenontwikkeling en de inkomstenontwikkeling verlaten?

De begrotingsregels stellen dat besluitvorming over de hoofdlijnen van de uitgaven- en inkomstenkant van de begroting plaatsvindt in het voorjaar bij het hoofdbesluitvormingsmoment. Het besluit tot tussentijdse premieverhoging AWBZ is genomen dit voorjaar bij het hoofdbesluitvormingsmoment en is in lijn met dit uitgangspunt.

De principiële scheiding van uitgaven en inkomsten is niet verlaten. Om tegenvallende uitgaven in de zorgsector en de andere sectoren op te vangen is besloten tot het treffen van voornamelijk specifieke maatregelen. Dit zijn departementale maatregelen en ramingbijstellingen op met name de terreinen Zorg, HGIS en Sociale Zekerheid. Daarnaast zijn generieke maatregelen getroffen, door tranche 2003 van de incidentele loonontwikkeling in te houden en de prijsbijstellingstranche 2003 voor 60% niet uit te delen.

Omdat in 2003 sprake is van een EMU-tekort en dit tekort groter dreigt te worden dan bij de Miljoenennota 2003 nog werd verwacht, vindt het kabinet het nodig om inkomstenverhogende maatregelen te nemen. Gegeven de financiële positie van het AWBZ-fonds is gekozen voor een verhoging van de AWBZ-premie.

29

Er dient volgens de OESO-DAC-criteria sprake te zijn van netto overdracht van middelen. Is hiervan sprake bij het kwijtschelden van exportkredietschulden?

Bij kwijtschelding van herverzekerde exportkredieten aan ontwikkelingslanden is sprake van een schenking van een commerciële overheidsvordering aan een ontwikkelingsland. Dit is hetzelfde als het vertrekken van een geldschenking die vervolgens wordt aangewend voor het aflossen van een schuld. Dergelijke kwijtscheldingen gelden volgens de OESO-DAC als Official Development Assistance (ODA) en worden ook door andere landen aan ODA toegerekend.

30

Dient het stelsel van exportkredietverzekering kostendekkend te zijn? Zo ja, betekent dit dan ook dat schuldkwijtschelding betaald dient te kunnen worden uit de premieopbrengsten?

Het streven is gericht op kostendekkendheid van het pakket van herverzekeringsfaciliteiten op de middellange termijn. Dit streven vloeit voort uit internationale afspraken om subsidiëring van exporten te voorkomen. Kostendekkendheid wil zeggen dat gemiddeld genomen de premie voldoende moet zijn om de uitvoeringskosten plus de netto schades – d.w.z. uitgekeerde schades minus de later ontvangen betalingen (zogenaamde provenuen) – te dekken. Kostendekkendheid is primair een bedrijfseconomisch begrip. De termijn waarover de faciliteit kostendekkend moet zijn is niet precies vastgelegd.

De Rijksbegroting wordt opgesteld op basis van het kasverplichtingenstelsel. Voor de exportkredietverzekering betekent dit dat premie-ontvangsten worden geboekt als ontvangsten, schades als uitgaven en provenuen als ontvangsten op de begroting van Financiën in het jaar dat de inkomsten en ontvangsten zich manifesteren. Het is van belang om op te merken dat kwijtscheldingen niet leiden tot kasuitgaven, maar tot een neerwaartse bijstelling van de vordering waardoor verwachte toekomstige provenuen niet ontvangen zullen gaan worden.

Los van het streven naar kostendekkendheid is er sinds de herijkingsnota uit 1997 een politieke afspraak van kracht dat 0,8% van het BNP wordt besteed aan ODA. Uitgangspunt bij deze afspraak is dat aan het ODA-budget wordt toegerekend wat volgens de OESO-DAC-criteria als ODA wordt aangemerkt. Kwijtschelding van exportkredietschulden wordt volgens de OESO-DAC criteria aangemerkt als ODA. De mate van kostendekkendheid van de exportkredietverzekeringsfaciliteit is hiervoor niet relevant. De Nederlandse wijze van rapportage van de kwijtschelding van deze vorderingen aan de DAC is sinds 1997 praktijk en is in overeenstemming met die van andere OESO-landen. Bovengenoemde politieke afspraak is herbevestigd in het Hoofdlijnen Akkoord.

31

Worden de premieopbrengsten van exportkredietverzekeringen gereserveerd voor risico's? Is schuldkwijtschelding ook zo'n risico, gelet op de omstandigheid dat een land niet aan zijn betalingsverplichting voldoet?

De rijksbegroting wordt opgesteld op kasbasis. Dit betekent o.a. dat er geen reserveringen worden gemaakt voor risico's en dus ook niet voor het risico dat er moet worden kwijtgescholden. Indien de verwachting is dat een risico zal optreden wordt uiteraard in het kasstelsels dit wel meegenomen.

32

Wat is de totale opbrengst geweest aan verzekeringspremies sinds de start van het Nederlandse exportkredietstelsel? Waar is het geld gebleven?

Het Nederlandse exportkredietstelsel is gestart in 1932. Het is op deze korte termijn echter alleen mogelijk om betrouwbare cijfers vanaf 1950 te leveren. De totale opbrengst aan nettopremies sinds 1950 bedraagt € 916 mln. (netto premies zijn de premies uit hoofde van kredietverzekering verminderd met de kostenvergoeding aan de NCM, tegenwoordig Gerling NCM).

Tegenover de netto premies staan de netto schades (netto schades zijn de bruto schades verminderd met latere ontvangsten (provenuen), die in de financiën begroting worden verantwoord).

33

Bedrijven die een exportkredietverzekering afsluiten bij de Staat dragen hiervoor behalve premieafdracht ook een stuk eigen risico. Hoe groot is dit doorgaans? Waarom declareert Financiën bij schuldkwijtschelding toch de volle honderd procent bij het ODA-budget?

Het eigen risico van een verzekerde varieert in de meeste gevallen van 10% tot 2% van het verzekerde bedrag. Bij een schadeuitkering aan verzekerde, draagt deze zijn vordering, incl. zijn eigen risicodeel, over aan de verzekeraar (GerlingNCM), die deze ondeelbare vordering ten laste houdt voor de Staat. De verzekerde behoudt een voorwaardelijk recht op eventuele latere provenuen naar rato van zijn eigen risico. Bij kwijtschelding wordt aan het schuldenland de gehele vordering, incl. het eigen risicodeel kwijtgescholden.

Zoals gesteld in het antwoord op vraag 30, is er sinds de herijkingsnota van 1995 een politieke afspraak van kracht dat 0,8% van het BNP wordt besteed aan ODA. Hierbij is afgesproken dat wat volgens de OESO-DAC-criteria als ODA kan worden aangemerkt ook aan deze 0,8%-norm zal worden toegerekend. In antwoord op kamervragen van de heren Koenders en Fierens van 13 mei jongstleden is door de minister van Ontwikkelingssamenwerking de bereidheid uitgesproken om navraag op dit punt te doen bij het secretariaat en de leden van het DAC.

34

Hoe groot is het deel van de tegenvaller uit de loon- en inkomstenbelasting respectievelijk de vennootschapsbelasting dat is toe te schrijven aan hogere aftrekbare pensioenpremies?

Ten opzichte van de Miljoenennota 2003, is de raming van de te betalen pensioenpremies van de werkgevers met 0,9 miljard en voor de werknemers met 0,6 miljard opwaarts bijgesteld. Vanwege de aftrekbaarheid van deze premies leidt dit ceteris paribus respectievelijk tot ongeveer 0,3 miljard lagere vennootschapsbelasting en 0,3 miljard lagere loon- en inkomstenbelasting.

35

Waarom konden bedrijven over voorgaande jaren hun winst bijstellen? Welke wettelijke bepalingen liggen hieraan ten grondslag? Wat waren de overwegingen hiervoor?

Het vaststellen van een definitieve aanslag voor de verschuldigde vennootschapsbelasting over een boekjaar kan afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de complexiteit van de aangifte enkele jaren in beslag kan nemen. Teneinde de belastingheffing zoveel mogelijk in de actualiteit te kunnen uitvoeren, wordt daarom de definitieve aanslag vennootschapsbelasting in de praktijk voorafgegaan door één of meerdere voorlopige aanslagen. Deze werkwijze is gebaseerd op de AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen). De voorlopige aanslagen zijn gebaseerd op een schatting van de winst. Wanneer er nieuwe informatie beschikbaar komt, kan de geschatte winst en de opgelegde voorlopige aanslag worden bijgesteld. Pas na indiening van het aangiftebiljet vennootschapsbelasting, wordt de belastbare winst formeel vastgesteld en wordt de definitieve aanslag opgelegd.

36

Wat betekent het dat de raming 2002 opwaarts is bijgesteld? Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag?

Zie vraag 27

37 en 39

Wat zijn de oorzaken van het verslechteren van het EMU-saldo van de lokale overheid met ruim 0,5 mld in 2003 ten opzichte van de ramingen in de Miljoenennota 2003? Welke mogelijkheden/instrumenten heeft het Kabinet om een verdere teruggang van het positieve EMU-saldo bij de lokale overheden tegen te gaan?

Wat zijn de oorzaken van het verslechteren van het EMU-saldo van de lokale overheid met ruim 0,5 mld in 2003 ten opzichte van de ramingen in de Miljoenennota 2003? Welke mogelijkheden/instrumenten heeft het Kabinet om een verdere teruggang van het positieve EMU-saldo bij de lokale overheden tegen te gaan?

Deze verslechtering van het EMU-saldo 2003 van de lokale overheid hangt vooral samen met de meerjarige doorwerking van de neerwaartse bijstelling van het EMU-saldo 2002 van de lokale overheid. Op basis van de realisatiegegevens van het CBS is het EMU-saldo 2002 in het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2002 namelijk neerwaarts bijgesteld met 0,4 miljard euro naar 0,4 miljard euro. De precieze oorzaak van deze neerwaartse bijstelling is nu nog niet bekend.

Het Kabinet heeft alleen in uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid om in te grijpen in de ontwikkeling van het EMU-saldo van de lokale overheden. Op basis van de Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet FIDO) heeft het Kabinet de bevoegdheid om als ultimum remedium in te grijpen in het saldo van de lokale overheden als er sprake is van een budgettaire noodsituatie. In de Wet FIDO is aangegeven dat er sprake is van een budgettaire noodsituatie indien de grenswaarde van het EMU-saldo van 3% uit het Verdrag van Maastricht dreigt te worden overschreden en bovendien de lokale overheden aanwijsbaar hebben bijgedragen aan deze dreigende overschrijding.

38

Klopt het dat de geraamde nominale schuld in 2003 met 8,7 mld euro toeneemt ten opzichte van de Miljoenennota, terwijl het geraamde EMU-saldo met 5,3 miljard euro toeneemt? Wat verklaart de sterkere toename van de nominale EMU-schuld in 2003 dan op grond van het EMU-saldo verwacht zou mogen worden.? Kan een overzicht gegeven worden van mutaties die wel meetellen voor de EMU-schuld, maar niet voor het EMU-saldo.

De nominale schuld 2003 is met 9,0 mld toegenomen van Miljoenennota 2003 naar Voorjaarsnota 2003. De raming van het EMU-saldo 2003 is van Miljoenennota 2003 naar Voorjaarsnota 2003 neerwaarts bijgesteld met 5,4 miljard euro. De toename van de EMU-schuld bedraagt 3,6 miljard euro meer dan op basis van de saldo ontwikkeling verwacht zou mogen worden. Deze 3,6 miljard euro is zo goed als volledig te verklaren uit de opwaartse bijstelling van de EMU-schuld 2002. De EMU-schuld 2002 is van Miljoenennota 2003 naar Financieel Jaarverslag van het Rijk 2002 opwaarts bijgesteld met 3,2 miljard euro; deze bijstelling komt omdat bij Miljoenennota 2003 de schuld ultimo 2002 ook nog een ramingskarakter heeft. De resterende 0,4 miljard euro is de resultante van een aantal kleinere mutaties bij de zogenoemde financiële transacties en kas-transactiecorrecties.

In de navolgende tabel is de ontwikkeling van de EMU-schuld 2003 sinds Miljoenennota 2002 weergegeven.

Tabel ontwikkeling EMU-schuld 2003; In miljarden euro

1. Stand Miljoenennota 2003233,9
2. Mutatie schuld 20023,2
3. Mutatie EMU saldo 2003 bij VJN 20035,4
4. Mutatie overig (o.a. financiële transacties en kas-transactiecorrecties)0,4
5. Stand VJN 2003 (5=1+2+3+4)242,9

39

Wat zijn de oorzaken van het verslechteren van het EMU-saldo van de lokale overheid met ruim 0,5 mld in 2003 ten opzichte van de ramingen in de Miljoenennota 2003? Welke mogelijkheden/instrumenten heeft het Kabinet om een verdere teruggang van het positieve EMU-saldo bij de lokale overheden tegen te gaan?

Zie vraag 37

40

Uitgaande van een tekort van 7 593 mln euro oftewel 1,6%BBP staat 0,1%BBP gelijk aan 475 mln euro. Dat zou betekenen dat het totale BBP 475 miljard euro bedraagt. Hoe verhoudt deze berekening zich tot het opgeheven BBP van 462 miljard euro in tabel 1.1?

Tabel 1.1. laat zien dat het EMU-saldo 2003 geraamd wordt op minus 7593 mln euro en het BBP 2003 geraamd wordt op 462 mld euro. Bij deling van het EMU-saldo door het BBP resulteert een EMU-saldo van 1,6% BBP. Bedacht zij dat dit cijfer van 1,6% BBP een afgerond cijfer is met één cijfer achter de komma. Voorts zij bedacht dat het onafgeronde BBP 2003 461,6 miljard euro bedroeg. Indien nu teruggerekend wordt van het saldocijfer 1,6% met één cijfer achter de komma resulteert niet het precieze BBP 2003. Om dat te berekenen dient gerekend te worden met een EMU-saldo uitgedrukt in meerdere cijfers achter de komma. Ingeval gerekend wordt met een cijfer met vier cijfers achter de komma (1,6450) resulteert bij het tekort van 7 593 mln euro precies het (onafgeronde) BBP 2003 van 461,6 miljard euro.

41

Is de 9,I miljoen euro op de begroting IV Koninkrijksrelaties ter versterking van de Kustwacht en het Recherche Samenwerkingsteam bedoeld voor de problematiek van de bolletjesslikkers?

Van genoemd bedrag is € 2,1 miljoen bestemd voor de problematiek van de bolletjesslikkers. Voor het plan van aanpak drugskoeriers was op hoofdstuk IV in 2002 € 4,5 miljoen beschikbaar. Niet alle beschikbare middelen zijn in 2002 tot besteding gekomen. Via de systematiek van de eindejaarsmarge zal in 2003 nog een bedrag van € 2,1 miljoen worden aangewend voor de aanschaf van röntgenapparaten/scanners, slikkerstoiletten met spoelmechanismen, speurhonden, kogelwerende vesten voor de douane en de verbouwing van de cellencomplexen van politiebureaus op Bonaire en Curaçao.

Van het bedrag van € 9,1 miljoen zal € 1,7 miljoen worden gebruikt voor uitgaven voortvloeiende uit verplichtingen op het gebied van de terrorismebestrijding op de Nederlandse Antillen. Het resterende deel is beschikbaar voor de versterking van de Kustwacht en het Recherchesamenwerkingsteam (RST).

42

Heeft de overheid het asielbeleid wel onder controle, gegeven het grote aantal (forse) ramingsbijstellingen op dit terrein? Wat is nu de hoofdoorzaak van de discrepantie tussen beleidsvoornemens en de uitkomsten?

De verklaring voor de discrepantie tussen beleidsvoornemens en de uitkomsten is te vinden in een complex samenstel van vele processen binnen de vreemdelingenketen. De kosten van de opvang van asielzoekers zijn moeilijk te ramen. De belangrijkste reden hiervoor is de onvoorspelbaarheid van de instroom van asielzoekers. De asielinstroom is een exogene variabele die niet op korte termijn valt te sturen. Crises en vluchtelingenstromen laten zich niet altijd evengoed voorspellen. Verder zij verween naar het antwoord op vraag 23 en 43.

43

Waarom is het kabinet er niet in geslaagd de voorgenomen uitstroom van asielzoekers te realiseren? Moet achteraf worden geconstateerd dat de plannen van het kabinet niet realistisch waren?

Met de ramingen van de instroom, de duur van de asielprocedures en de ontwikkelingen in de asielketen, wordt beoogd een realistische berekening te maken ten aanzien van de uitstroom van asielzoekers en de bezetting van de opvang. De uiteindelijke uitstroom wordt echter bepaald door een complex van factoren, waaronder:

• het tempo waarin de IND de procedures afhandelt,

• de mate waarin asielzoekers na een afwijzing in beroep of hoger beroep gaan,

• het tempo waarin de Vreemdelingenkamers en de Raad van State de beroepsprocedures kunnen afhandelen,

• de snelheid waarmee uitgeprocedeerden uit de opvang kunnen worden verwijderd;

• de snelheid waarmee statushouders in de gemeenten kunnen worden gehuisvest;

• het specifieke landenbeleid.

Indien één of een combinatie van bovenstaande factoren wijzigt, dan heeft dit direct implicaties op het aantal personen dat uit de opvang verwijderd kan worden. Het niet realiseren van de geraamde uitstroomcijfers wil derhalve niet zeggen dat de ramingen (op alle onderdelen) niet realistisch zijn geweest.

De belangrijkste afwijkingen ten aanzien van de eerder gemaakte ramingen wordt momenteel veroorzaakt door de (lichte) stijging van het percentage afgewezen asielzoekers dat in beroep gaat, de bijstelling van de beschikbare capaciteit bij de Vreemdelingenkamers als gevolg van de latere wetswijziging bij de toets Vreemdelingenbewaring, het lager dan geraamde aantal gehuisveste statushouders, het wegwerken van oude werkvoorraden van de periode voor de nieuwe Vreemdelingenwet 2000 en het gewijzigde landenbeleid ten aanzien van Irak. Hierdoor is de verwachting van het aantal vreemdelingen dat de opvangvoorzieningen daadwerkelijk kon verlaten, naar beneden bijgesteld.

44

Impliceert de maatregel om gemeenten opdracht te geven meer statushouders te huisvesten een bezuiniging ten laste van de gemeenten?

Nee, het is wettelijk vastgelegd dat statushouders gehuisvest dienen te worden binnen de daarvoor geldende taakstellingsperiode. Het verzorgen van huisvesting voor statushouders is en blijft een wettelijke taak van de gemeenten, die is vastgelegd in de Huisvestingswet. Daarbij kan de taakstelling nooit hoger worden gelegd dan het aantal vreemdelingen dat een verblijfsvergunning krijgt/heeft. Het opleggen van de huisvestingstaakstelling is niet zozeer een doel, alswel de uitkomst en afronding van een gehonoreerde asielaanvraag en het wegwerken van de achterstanden. De kosten van huisvesting komen overigens niet ten laste van de gemeentebegroting maar ten laste van de gehuisveste.

45

Hoe kan het dat de geraamde opbrengst van de eigen bijdrage inburgering in (de resterende helft van) 2003 net zo hoog is als de opbrengst over de (gehele) jaren 2004 e.v.?

De in de VJN opgenomen bedragen betreffen salderingen van geïnde eigen bijdragen enerzijds en gedeeltelijke teruggave van eigen bijdragen anderzijds. De systematiek waarvan werd uitgegaan – gebaseerd op het Strategisch Akkoord van Balkenende I – behelst dat inburgeraars een eigen bijdrage betalen aan het begin van hun inburgeringstraject ter grootte van de totale cursuskosten, en daarvan de helft via het rijk terugkrijgen bij succesvolle afronding.

Het bijzondere aan 2003 is dat voor dat jaar de eerste inkomsten waren voorzien waartegenover nog geen terugstortingen stonden. Dit omdat de eerste cursussen die onder de nieuwe systematiek gaan vallen pas in 2004 tot afronding komen.

46 en 53

Waaraan wordt gedacht bij een taakstelling van 13.7 mln voor niet-belastingontvangsten?

Met welke maatregelen wordt de taakstelling niet-belastingmiddelen gerealiseerd op Justitie?

Momenteel wordt er binnen Justitie bezien welke mogelijkheden er zijn om de taakstelling voor de niet-belastingontvangsten te realiseren.

47

Wat is de reden voor het groter beroep (oplopend tot 50 mln. per jaar) op de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie?

De hogere uitgaven van de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie hangen samen met de toename van het aantal politieagenten, inclusief politieagenten in opleiding, en de stijging van de kosten van de gezondheidszorg. Tegenover de hogere uitgaven staan hogere premieontvangsten. De ontvangsten lopen gelijk op met de stijgende uitgaven.

48

Hoe zeker is de een half jaar latere oplevering van C2000? Welke bedragen zijn hier de afgelopen jaren reeds aan uitgegeven en welke bedragen zijn er nog voor geraamd?

Op 16 mei jl. heeft voormalig staatssecretaris Hessing de Tweede Kamer schriftelijk gemeld dat, naar de huidige inzichten, de uitrol van de C2000 infrastructuur niet begin 2004, maar medio 2004 gereed zal zijn. Voor deze periode is € 38 miljoen additioneel uitgetrokken. Dit bedrag kan worden onderverdeeld in € 14,5 miljoen projectkosten (het instandhouden van de projectorganisaties) en € 23,5 miljoen exploitatiekosten. In de voortgangsrapportage, die komende maand aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden, is de nieuwe planning opgenomen waarin wordt ingegaan op de consequenties hiervan voor de regio's.

Door het Rijk is ten behoeve van het project C2000 in de periode 1996 t/m 2002 € 264,3 miljoen uitgegeven. Ten laste van het desbetreffende begrotingsartikel op de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bovendien tot en met 2002 € 19,4 mln. uitgegeven voor o.a. het proefproject in de startregio Amsterdam, het radiobediensysteem en de koppeling van C2000 aan het Geïntegreerd Meldkamer Systeem.

Het beschikbare budget voor C2000 dit jaar bedraagt € 176,1 miljoen en voor 2004 € 115,2 miljoen.

49

Hadden de exploitatietekorten bij de COA's niet kunnen worden voorkomen? Bij de aanneming van de Vreemdelingenwet was toch te voorzien dat de instroom van asielzoekers drastisch zou verminderen? Waarom is niet geanticipeerd op de afkoopkosten die nu ontstaan door de inkrimping?

Zie vraag 23.

50

Waardoor wordt de vertraging veroorzaakt van de repatriëring van de ex-AMA's?

Als uitvloeisel van het (terugkeer)beleid in de AMA-nota van 1 mei 2001, wordt de opvang van ex-AMA's stop gezet zodra zij zijn uitgeprocedeerd en de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. In de begroting van 2003 is er van uitgegaan dat dit beleid er toe zou leiden dat de groep ex-AMA's versneld de opvang zou verlaten.

Het nieuwe beleid werd vastgelegd in een uitvoeringsregeling met de opvangverzorgende partij (Stichting het NIDOS). Deze regeling heeft een lang en moeizaam afstemmingstraject gekend met alle ketenpartners en kon daarom pas halverwege 2002 worden gepubliceerd. Omdat er een voorbereidingsperiode nodig was, waarin de betrokken AMA's werden voorbereid en geïnformeerd, is de regeling met ingang van 15 september 2002 in werking getreden.

Het nieuwe beleid heeft er inderdaad toe geleid dat nieuwe ex-AMA's ook daadwerkelijk de opvang verlaten binnen 28 dagen na hun 18e verjaardag. Voor de groep ex-AMA's, die reeds als ex-AMA's opvang genoten, heeft de vertraagde implementatie tot gevolg gehad dat hun repatriëring vertraging oploopt. Dit leidt tot een incidentele verlenging van hun verblijfsduur in de opvang.

51

Hoe wordt de 110 miljoen euro die dit jaar extra wordt uitgegeven in het kader van het veiligheidsplan verdeeld over de verschillende doelen?

Het bedrag van € 110 miljoen betreft het aandeel van Justitie in de zgn. enveloppe Veiligheid van het Strategisch Akkoord. Dit bedrag is bestemd voor het Veiligheidsprogramma. Door intertemporele compensaties en mutaties binnen het Justitiebudget komt het totale bedrag voor het Veiligheidsprogramma op de begroting van het ministerie van Justitie in 2003 uit op € 181,4 miljoen.

Het bedrag van € 181,4 miljoen is bestemd voor de volgende doelen:

1. Openbaar ministerie en zittende magistratuur: € 30,9 miljoen, o.a. ten behoeve van de afhandeling van 10 000 extra door de politie bij het OM aan te brengen zaken.

2. Overige ketenpartners, inclusief rechtsbijstand: € 8,1 miljoen.

3. Sanctiecapaciteit: € 142,4 miljoen voor de financiering van 2200 extra plaatsen.

52

Welk bedrag is er naast de nu overgehevelde € 341,7 mln in totaal gemoeid met integratie voor dit jaar?

Het bedrag van € 341,7 mln heeft alleen betrekking op de uitgaven van de Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden (DCIM) van het ministerie van Justitie. Het grootste deel daarvan heeft betrekking op inburgering (€ 250 mln).

De rijksbrede uitgaven voor integratie zijn terug te vinden in de Horizontale Overzichtsconstructie (HOC), die jaarlijks opgesteld wordt en in de Ontwerpbegroting wordt opgenomen (laatstelijk in de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). In het overzicht zijn naast specifiek op het integratiebeleid gerichte maatregelen, die voor 100% ten goede komen aan het integratiebeleid, ook algemene maatregelen opgenomen die voor minder dan 100% ten goede komen aan het integratiebeleid, maar waarbij wel expliciete beleidsdoelstellingen en/of prestatie-afspraken op het terrein van het integratiebeleid etnische minderheden zijn geformuleerd in de begroting, in beleidsnota's of in de integratiemonitor. Volgens de laatste HOC (bij ontwerpbegroting 2003) bedraagt het totaalbedrag van de maatregelen dat voor 100% ten goed komt aan het integratiebeleid € 805 mln, inclusief de € 341,7 mln uitgaven van DCIM. Bij de categorie uitgaven die voor minder dan 100% ten goede komen aan minderheden gaat het vooral om uitgaven in de sfeer van veiligheid en educatie. Vanwege de onzekerheid over welk deel precies ten goede komt aan de integratie van minderheden, is het niet mogelijk exact aan te geven hoeveel geld met deze categorie uitgaven is gemoeid. Uitgaande van bestaande schattingen in de HOC ligt dit bedrag in de buurt van de € 250 mln.

Tot slot kan nog gewezen worden op de zelfstandige bevoegdheid van gemeenten en provincies om eigen middelen in te zetten op het terrein van integratie. Hoe groot dit bedrag voor alle gemeenten en provincies tezamen bedraagt is niet bekend.

53

Met welke maatregelen wordt de taakstelling niet-belastingmiddelen gerealiseerd op Justitie?

Zie vraag 46

54

De verlaging van de leerplichtige leeftijd gaat niet door om ruimte te laten voor scholen en om de eigen verantwoordelijkheid van ouders te benadrukken. Waarom wordt de leerplicht om die redenen niet geheel afgeschaft?

De leerplicht dient door het opleggen van de plicht tot geregeld schoolbezoek twee belangen: enerzijds het belang van het kind om de eigen persoonlijkheid en talenten te kunnen ontwikkelen; anderzijds het belang van de samenleving op maatschappelijk voldoende toegeruste burgers. Om deze belangen te beschermen strekt de leerplicht zich uit over 12 jaar. De wetgever heeft door de leerplichtwet een afweging gemaakt tussen het belang van het kind en van de samenleving en andere belangen, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van de ouders. De vraag of de leerplicht al dan niet met een jaar naar beneden kan is, mede gezien de huidige praktijk ten aanzien van vierjarigen, van een andere orde dan de vraag of de hele leerplichtwet met bijvoorbeeld een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de ouders niet kan worden afgeschaft.

55

Kan de post «Irak» op de begroting van BZK nader worden gespecificeerd?

De post «Irak» van € 12,2 miljoen op de begroting van BZK kan als volgt worden gespecificeerd:

Bedragen in mln. euro's

Veiligheidsmonitor0,5
Opschaling Nationaal Coördinatiecentrum0,3
Uitvoering Handboek Veiligheidsbeleid Nederlandse Politie6,0
Beveiliging diplomatieke vestigingen en andere objecten5,0
AIVD (o.a. vergoedingen overwerk)0,4

56

Hoe groot is het bedrag dat gemoeid is met de schade als gevolg van de overstroming van de Maas? Is dit bedrag ondergebracht in de post «afwikkeling Enschede»?

Voor tegemoetkomingen in verband met schade als gevolg van de overstroming van de Maas begin dit jaar is een bedrag van € 4 miljoen euro uitgetrokken. Dit bedrag is verwerkt in de post «wateroverlast 1998/2003» onder de mee- en tegenvallers.

57

Wat zijn de achterliggende beleidsvoornemens bij de 25 miljoen euro voor vernieuwing human resource management?

Onder de titel «Vernieuwing HRM-stelsel Rijk» zal een samenhangend programma worden uitgevoerd met als algemeen doel het zodanig omvormen en inrichten van het HRM-stelsel dat de kwaliteit van de HRM-functie bij de afzonderlijke ministeries en voor het Rijk als geheel wordt verhoogd. Hierbij wordt voor de HRM-kolom een efficiencyslag voorbereid door te werken aan een plan van aanpak invoering van een Shared Service Center HRM. Verwezen wordt naar de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 april 2003 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal over dit onderwerp. De kamer zal na de zomer, na MR-besluitvorming, nader worden geïnformeerd.

58

Wat zijn de budgettaire gevolgen van de vertraging van de nieuwe huisvesting voor BZK?

Geen. De intertemporele compensatie van het (spaar)bedrag van € 22,8 mln is bedoeld om de eenmalige investeringskosten voor de nieuwbouw BZK op het moment van verhuizing te kunnen bekostigen. Verhuizing vindt nu vanaf medio 2008 plaats, waardoor dit bedrag een jaar later nodig is dan waar bij de start van het project van werd uitgegaan.

59 en 70

Op welke wijze gaat het ministerie van Financiën voor € 11,6 mln bezuinigen op de inhuur van externen.

Hoe is de taakstelling voor inhuur van externen feitelijk gerealiseerd?

Over de invulling van de taakstelling binnen het kerndepartement is nog niet besloten. Vooralsnog is de taakstelling technisch verwerkt op het artikel Onvoorzien. De komende maanden wordt nadere invulling bezien in het kader van de uitvoering van de begroting.

60

Hoe zijn de hogere uitvoeringskosten van de Belastingdienst voor fiscale wetsvoorstellen te verklaren? Waarom worden «uitvoeringskosten fiscale wetsvoorstellen» en «walvis/sub» in de tabel apart genoemd en in de toelichting gezamenlijk?

De hogere uitvoeringskosten zijn het gevolg van nieuwe fiscale maatregelen zoals E-commerce en herziening fiscale eenheid. Daarnaast is in dit bedrag de indexatie van het WOZ-plafond opgenomen en de extra uitvoeringskosten die verband houden met naijleffecten door het opheffen van de energiepremieregeling.

Walvis/sub wordt in de tabel apart genoemd vanwege de hoogte van het bedrag. De in de tabel genoemde bedragen betreffen de invoeringskosten die de Belastingdienst maakt in verband met de overgang van taken van de UWV. Grofweg bestaan de kosten uit het aanpassen van automatiseringssystemen en voorlichting. Overigens wordt het eindrapport hiervoor binnenkort aan de 2e kamer aangeboden.

61

Waaraan is het feit dat het aantal ingevulde formatieplaatsen in het primair onderwijs hoger is dan geraamd te danken? Betekent dit dat het lerarentekort in het primair onderwijs ook sneller afneemt?

De kosten voor personeel primair onderwijs zijn hoger dan geraamd. Deels komt dit omdat er meer formatie is toegekend en meer formatie is gedeclareerd dan verzilverd. Voor een belangrijk deel komen de hogere kosten echter door hogere personele lasten per formatieplaats.

Een specifieke oorzaak voor de hogere declaratie is niet aan te wijzen.

Wat de gevolgen zijn voor de omvang van het lerarentekort in het PO als gevolg van deze realisatiegegevens is onbekend. In het document «Werken in het Onderwijs», die in waarschijnlijk oktober zal verschijnen, wordt hier meer aandacht aan besteed.

62

Op welke manier is het risico afgekocht dat het huidige pand in Zoetermeer onvoordelig verkocht of onverhuurbaar zou zijn? Wat waren de nog resterende afschrijvingskosten? Waarop is het bedrag van 10 miljoen gebaseerd? Heeft de RGD zijn beleid aangepast om te voorkomen dat experimentele bouwprojecten als in Zoetermeer leiden tot onverkoopbare of onverhuurbare overheidseigendommen?

Door de verhuizing van het departement van OCenW van Zoetermeer naar Den Haag bestond het risico dat het achtergebleven pand onverhuurbaar zou zijn en onvoordelig zou moeten worden verkocht. Voor dekking van eventuele onvermijdelijke schade die zou kunnen ontstaan door de overtolligheid van het pand zijn afspraken gemaakt tussen OCenW en de RGD. Er is afgesproken dat OCenW maximaal € 12,2 mln. aan dekking zou voorzien wanneer sprake zou zijn van leegstandsschade. Het eventuele restant van de leegstandsschade zou worden gedekt door de RGD via de voorziening leegstand.

De nog resterende afschrijvingskosten omvat de boekwaarde van het pand in Zoetermeer op het moment dat het pand wordt verlaten. Dat is € 53,157 mln. Aangezien het pand bij verkoop in de markt minder zal opleveren dan de boekwaarde, is aanvullend op het risico dat voor rekening komt van OCenW (maximaal € 12,2 mln.), een voorziening boekwaarde risico gevormd ter grootte van € 34,724 mln. Deze voorziening is destijd opgenomen in de openingsbalans, zodat het risico bij de start van het stelsel per 1 januari 1999 financieel al is afgedekt.

Er is een nieuwe huurder gevonden, de AIVD, die door de bijdrage van OCenW in de verbouwingskosten van het pand Europaweg bereid was naar Zoetermeer te verhuizen. Door een bijdrage te leveren van € 10 mln. in de kosten voor het aanpassen van het gebouw Europaweg is OCenW binnen het begrensde risico gebleven, terwijl het pand nu niet misschien onvoordelig voor het Rijk verkocht hoeft te worden. Het bedrag van € 10 miljoen is de uitkomst van onderhandelingen met de RGD en de AIVD, waarbij de kosten voor de aanpassing van het gebouw Europaweg zijn meegewogen. Een bijkomend voordeel voor OCenW is dat binnen dit bedrag ook de benodigde aanpassingen aan het gebouw Europaweg worden gerealiseerd ten behoeve van de OCenW-uitvoeringsorganisatie CFI, die niet meeverhuist naar Den Haag.

Het eventuele overtolligheidsprobleem van het OCenW-gebouw te Zoetermeer en de geplande nieuwbouw van de Hoftoren te Den Haag speelde rond de invoering van het nieuwe huisvestingsstelsel op 1 januari 1999. Voor deze problematiek zijn destijds specifieke afspraken gemaakt, zoals hierboven benoemd. Voor het overige vastgoed in eigendom van de RGD geldt dat bij de overgang van het nieuwe stelsel de RGD gerichte maatregelen heeft geïntroduceerd om risico's die voorvloeien uit onverkoopbare of onverhuurbare overheidseigendommen te dekken. Aan rijkshuisvesting worden soms zulke specifieke eisen gesteld dat bepaalde type panden moeilijk verkoopbaar zijn in de markt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan penitentiaire inrichtingen. Voor deze specifieke panden worden de risico's bij verkoop geminimaliseerd door deze risico's financieel te dekken via de te betalen gebruiksvergoeding.

63

Wat is de reden dat de ontvangst van de ESF-middelen voor voortijdige schoolverlaters en beroepsbegeleidende leerweg is vertraagd?

De aanvragen voor de ESF-subsidies zijn tijdig door OCW bij het ESF-agentschap ingediend. Besluitvorming over de aanvragen vindt plaats door het ESF-agentschap. Deze besluitvorming is nog niet afgerond.

64

Kan een gedetailleerd overzicht worden gegeven van de verwachte ontvangsten en uitgaven van de exportkredietverzekering voor 2003 en voor volgende jaren?

Voor een gedetailleerd overzicht van verwachte ontvangsten en uitgaven van de exportkredietverzekering voor 2003 en de volgende jaren zij verwezen naar de begroting IXB 2003, artikel 5. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt een overzicht gegeven van verwachte ontvangsten en verwachte uitgaven. De verwachte ontvangsten worden uitgesplitst naar:

– premie-ontvangsten uit hoofde van exportkredietverzekering;

– premie-ontvangsten uit hoofde van investeringsverzekering;

– ontvangsten uit hoofde van provenuen.

De verwachte uitgaven worden uitgesplitst naar:

– schade-uitkeringen uit hoofde van exportkredietverzekering;

– schade-uitkeringen uit hoofde van investeringsverzekering;

– de kostenvergoeding voor Gerling NCM;

– personeel en materieel.

Bedacht zij dat de exportkredietverzekering en investeringsverzekering vraaggestuurde verzekeringen zijn, waardoor altijd onzekerheid blijft bestaan over de feitelijk aan te gane verplichtingen en de daaruit voortvloeiende inkomsten en uitgaven.

65

Waarom en aan wie wordt het NOB verkocht?

De plannen voor de privatisering van het NOB dateren al uit de jaren negentig (bij wijziging van de Mediawet in het voorjaar van 1999). Privatisering van het NOB als geheel bleek echter niet uitvoerbaar vanwege de diversiteit van de verschillende activiteiten. Inmiddels is bij NOB een herstructurering doorgevoerd (afgerond 2002) die heeft geleid tot een splitsing van het concern in drie onderdelen; (i) vastgoed, (ii) registratie- en nabewerkingsactiviteiten en (iii) beheer- en strategische taken voor de omroep en digitaliseringsactiviteiten (resterend NOB-kernbedrijf). Het onderdeel vastgoed (Mediapark in Hilversum), is recentelijk verkocht aan TCN Property Projects («TCN»). Op dit moment wordt gewerkt aan de voorbereidingen voor de verkoop van de registratie- en nabewerkingsactiviteiten, via een zogenoemde «controlled auction» procedure. De regie bij dit verkoopproces is in handen van de directie van NOB Holding (dat ook formeel verkoper is). Met het oog op het welslagen van dit traject kan ik hierover op dit moment geen verdere mededelingen doen. Wel kan ik opmerken dat ieder afzonderlijk verkooptraject (waaronder het profiel van potentiële kopers) zorgvuldig wordt getoetst aan de privatiseringscriteria zoals die in de MvT bij bovengenoemde wijziging van de Mediawet zijn geformuleerd. Ten aanzien van het resterende NOB-kernbedrijf – zijnde de kernactiviteiten van het uitzendproces – worden momenteel de verschillende mogelijke opties in kaart gebracht.

66 en 78

Kan de post «intertemporele compensatie ISV» (bij XIA Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening) toegelicht worden?

Waarom wordt de post «intertemporele compensatie ISV» niet toegelicht? Waarom komt dit jaar 181,2 mln niet tot besteding?

De post «intertemporele compensatie ISV» heeft betrekking op een drietal bij de ISV-budgetten verwerkte wijzigingen in kasritme.

In de Nota van Wijziging op de ontwerp-begroting 2003 is een intertemporele compensatie van € 55 mln. van 2003 naar 2004 verwerkt als onderdeel van de dekking van de financiële gevolgen van de door de Tweede Kamer bij de Algemene Politieke Beschouwingen van vorig jaar aangenomen moties.

Twee intertemporele compensaties van 2003 naar 2004 en 2005 van in totaal € 126,2 mln. zijn verwerkt in de onderhavige Voorjaarnota en in de 1e suppletore begroting 2003 van VROM.

Van dit bedrag heeft € 66,2 mln. betrekking op de eindejaarsproblematiek 2002 op de VROM-begroting en betreft € 60 mln. de totale uitvoeringsproblematiek op de Rijksbegroting.

Implementatie van de wijzigingen in kasritme maakt het noodzakelijk tot aanpassing van de met gemeenten en provincies afgesloten meerjarige ISV-convenanten te komen.

67

Is in de bijgestelde rentelasten al rekening gehouden met de verlaging van de rente door de ECB?

De renteraming is gebaseerd op de CEP-cijfers van het CPB. Daarin is voor het jaar 2003 een lagere rentevoet voorzien dan voor 2002. Later in het jaar zal de renteraming worden geactualiseerd op basis van nieuwe tekortramingen, nieuwe realisaties en nieuwe prognoses voor de rentevoet.

68

Moet het woord «hoger» in de zin «Een groter beroep op de kapitaalmarkt door een hoger dan geraamd feitelijk saldo van het Rijk en de Sociale fondsen»niet zijn «lager». Zo nee, waarom niet?

Dat is correct. De zin zou moeten luiden: «Een groter beroep op de kapitaalmarkt door een lager dan geraamd feitelijk saldo van het Rijk en de Sociale fondsen».

69

Waarom wordt de 300 mln. toerekening van ODA aan EKI niet tegengeboekt op de begroting van Financiën?

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 30 leidt schuldkwijtschelding tot een neerwaartse bijstelling van de EKI-vordering waardoor verwachte toekomstige provenuen op de begroting van Financiën niet ontvangen zullen gaan worden.

70

Hoe is de taakstelling voor inhuur van externen feitelijk gerealiseerd?

Zie vraag 59.

71

De ontvangsten voor de exportkredietverzekering vallen hoger uit dan geraamd; waarom wordt deze meevaller niet aangewend voor kwijtschelding van exportkredietschulden?

Zoals gezegd is de politieke afspraak dat aan het ODA budget wordt toegerekend wat volgens de OESO-DAC criteria als ODA wordt aangemerkt. Kwijtschelding van exportkredietschulden wordt volgens OESO-DAC criteria aangemerkt als ODA. De ontvangsten uit hoofde van de exportkredietverzekering zijn geen onderdeel van de ODA-ontvangsten en is dus niet relevant voor EKI-schuldverlichting.

72

Waarom zijn de standen duurzame luchtvaart niet relevant voor de ijklijn en waarom was dat in eerste instantie kennelijk niet zo voor de hand liggend?

In het trendmatig begrotingsbeleid geldt een scheiding tussen uitgaven en inkomsten. De ontvangsten in kwestie op het artikel duurzame luchtvaart hebben betrekking op de ontvangsten in het kader van het Geluidsisolatieprogramma Schiphol (GIS). Deze ontvangsten zijn heffingen die vallen onder de definitie van een collectieve last. Volgens de begrotingsregels (zie MN02 bijlage 10 p280 regel 1) tellen heffingen die onder de definitie van een collectieve last vallen, mee aan de inkomstenkant van de begroting. Technisch wordt dit vormgegeven aan de uitgavenkant door de ontvangsten uit die heffingen niet relevant (voor het uitgavenkader) te boeken. Zoals in de toelichting bij de VJN is aangegeven is deze mutatie abusievelijk foutief relevant geboekt. Met de (tegengestelde) mutatie bij VJN wordt dit hersteld.

73

Kan de «tegenboeking subsidietaakstelling (SA 2002)» bij XIII Economische Zaken toegelicht worden?

Het betreft dat deel van de ombuigingen uit het Strategisch Akkoord 2002 dat bij Miljoenennota nog niet feitelijk ingevuld was, maar geparkeerd stond op het verdeelartikel. Bij Nota van Wijziging zijn deze ombuigingen verdeeld over beleidsartikelen. Het eerste moment na Miljoenennota om deze verdeling technisch te verwerken is de eerste suppletore wet.

74

Wanneer is het voornemen aan de Kamer bekend gemaakt om de satellietinterceptie-capaciteit uit te breiden?

Bij actiepunt 18 van het aan de Tweede Kamer bij brief van 5 oktober 2001 toegezonden actieplan Terrorismebestrijding en Veiligheid is de uitbreiding van de satellietinterceptie-capaciteit ten behoeve van de AIVD en de MIVD aangekondigd.

75

Is de veilingopbrengst van de radiofrequenties al ontvangen en is deze opbrengst al verdisconteerd in het budgettair beeld van de Voorjaarsnota 2003? Wordt deze opbrengst, naar analogie met de UMTS-veiling, in latere jaren en voor de duur van de concessie ten gunste gebracht van het FES?

De eerste termijn van het financieel bod à 35 mln is recentelijk ontvangen op een rekening courant van het Ministerie van OCenW, maar nog niet budgettair verwerkt. Ook het overige gedeelte is budgettair nog niet verwerkt. De opbrengst wordt conform de FES-wet ten gunste van het FES wordt gebracht.

76

Hoe groot zijn nu de totale kosten over de afgelopen jaren die gemoeid zijn met de nieuwe uitvoeringssystematiek van de huursubsidie (EOS)? Wat zijn de verwachte besparingen en op welke termijn treden die naar verwachting op? Waaraan wordt de 10,3 mln euro voor dit jaar besteed?

Het project EOS is eind 1999 gestart. Sindsdien zijn daarvoor de volgende kosten gemaakt:

Jaarbedrag (in mln. euro)
1999/20002,2
20015,5
20023,2
20031,5
Totaal12,4

Met het EOS-project is inmiddels een structurele besparing op de VROM-begroting van € 23 miljoen gerealiseerd.

De in de eerste suppletoire begroting genoemde € 10,3 miljoen dient om de kosten van het project «de Uitweg» over 2003 te dekken. Voor de onderbouwing van dit bedrag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 9, door u gesteld naar aanleiding van de eerste suppletoire begroting VROM.

77

Nu op de BEW een laag beroep wordt gedaan, waarom wordt deze koopsubsidie dan niet afgeschaft?

Daar kan op dit moment nog geen uitspraak over worden gedaan.

78

Waarom wordt de post «intertemporele compensatie ISV» niet toegelicht? Waarom komt dit jaar 181,2 mln niet tot besteding?

Zie vraag 66

79

Wat zijn de feitelijke activiteiten die uitvoering van het bouwstoffenbesluit voor gemeenten met zich meebrengt?

Het Bouwstoffenbesluit stelt op grond van de Wet bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewater milieuhygiënische eisen aan het gebruik van steenachtige bouwstoffen voor bouwwerken (bijv. beton) en infrastructurele werken (bijv. zand). Het kan daarbij gaan om primaire of secundaire bouwstoffen (bijv. hoogovenslakken). In het kader van het Bouwstoffenbesluit is aan de gemeenten een aantal toezichts- en handhavingstaken toegewezen, zoals het registeren van meldingen in een meldingssysteem voor grond en categorie 2-bouwstoffen. Voor andere bouwstoffen moeten zij steekproefsgewijze controles uitvoeren, dat wil zeggen bouwlocaties bezoeken en inspecteren, alsmede monsters nemen en analyseren. Daarbij zien de gemeenten speciaal toe op de handhaving, certificering en controle bij grote infrastructurele projecten.

80

Valt de verbouwing van het Catshuis ook onder de post huisvestingsprojecten?

Nee, de kosten die gemoeid zijn met de renovatie van het Catshuis, inclusief de beveiliging van pand en terrein vallen niet onder de post huisvestingsprojecten.

Voordat er gestart kan worden met bouwactiviteiten dient de dekking te zijn verzorgd. De middelen voor het Catshuis zijn daarom al eerder aan de begroting van VROM toegevoegd. Met de voorbereiding van het renovatieplan van het Catshuis is in 2001 al gestart.

81

De tegenvallers op de apparaatskosten van het ministerie van LNV worden verhaald op de programmabudgetten. Hoe verhouden de apparaatskosten van het ministerie van LNV zich nu tot de programmabudgetten, en hoe verhoudt dit zich tot deze verhouding bij andere ministeries?

De verhouding programmabudgetten versus apparaatskosten van het ministerie van LNV bedraagt circa 81% – 19%. In de apparaatskosten van het ministerie van LNV zitten de uitvoeringskosten van LASER, Bureau heffingen, Plantenziektekundige Dienst, Dienst Landelijk Gebied en de Algemene Inspectie Dienst.

In onderstaande tabel staan de percentages uitgaven programma en apparaat van andere ministeries, deels stand Miljoenennota 2003, deels stand Voorjaarsnota 2003.

De vergelijking met overige departmenten is moeilijk te maken, aangezien het beleidsterrein zeer bepalend is voor de verhouding programma-apparaatsuitgaven.

De percentages zeggen overigens niets over (de mate van) het verhalen van apparaatskosten op de programmabudgetten.

BegrotingNota% programma% apparaat
IVKoninkrijksrelatiesMN 200394,95,1
VBuZaMN 200393,66,4
VIIBZKMN 200395,64,4
VIIIOCWMN 200399,10,9
IXbFinanciënMN 200369,031,0
XDefensieVJN 200382,117,9
XIVROMVJN 200390,010,0
XIIV&WMN 200381,218,8
XIIIEZMN 200379,021,0
XIVLNVVJN 200381,019,0
XVSZWVJN 200398,71,3
XVIVWSVJN 200395,84,2

82

Welke aandeelhouderschappen worden door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat overgeheveld naar Financiën?

De volgende aandeelhouderschappen zijn door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat overgedragen aan Financiën: NV Luchthaven Schiphol, KLM NV, Connexxion Holding NV.

Ten overvloede wijs ik erop dat het aandeelhouderschap van de deelnemingen KPN en TPG, die tot 2002 onder beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat vielen maar sinds 2002 onder het Ministerie van Economische Zaken, eveneens aan Financiën is overgedragen.

In 2003 wordt overgedragen: NV Westerscheldetunnel.

Begin 2004 wordt overgedragen: Nederlandse Spoorwegen.

83

Waarom is er slechts 20 mln euro vrijgemaakt voor de tijdelijke scheepsbouwregeling, terwijl de Minister van Economische Zaken bij brief van 24 oktober 2002 60 mln heeft toegezegd?

Het gaat inderdaad in totaal om € 60 mln waarvan bij Voorjaarsnota reeds € 20 mln is verwerkt voor 2003. De overige € 40 mln voor latere jaren zal bij Miljoenennota worden verwerkt.

84

Hoe kan het dat het beroep op de uitkeringen voor oorlogsslachtoffers jaar in jaar uit wordt onderschat?

Bij de aanpassing van de budgetten voor de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen dient een onderscheid te worden gemaakt in loonbijstellingen en volumebijstellingen. De uit te keren loonbijstelling wordt jaarlijks gereserveerd op de aanvullende post. Gedurende het begrotingsjaar wordt de loonbijstelling aan de wetten en regelingen toegevoegd. Bij een volumebijstelling kan het gaan om een hogere nieuwe instroom in de wetten of een groter beroep van reeds erkende oorlogsgetroffenen op de bijzondere voorzieningen die in de wetten zijn vastgelegd. In de jaren 1999–2001 was sprake van een hogere instroom dan verwacht. Deze hogere instroom hing waarschijnlijk samen met de toegenomen aandacht, ontstaan rondom het gebaar van de regering aan de Joodse, Indische en Sinti en Roma gemeenschappen. Op basis van de instroomcijfers van de eerste 5 maanden van 2003 kan voorzichtig geconcludeerd worden dat de verhoogde instroom voorbij is en dat de trendmatige daling van vóór 1999 zich voortzet. Een tweede volumeaspect hangt samen met het gebruik van bijzondere voorzieningen door het bestand aan erkende oorlogsgetroffenen. Het betreft hier onder andere vergoedingen of tegemoetkomingen voor huishoudelijke hulp, vervoer en «deelname maatschappelijk verkeer». In 2001 en 2002 is een groter beroep gedaan op de bijzondere voorzieningen dan aanvankelijk op basis van de voorstellen van de Adviescollege van Galen (Kamerstukken II 1999–2000, 27 259, nrs. 1–2) was geraamd. Voor 2003 en volgende jaren wordt nog slechts een beperkte stijging in de bijzondere voorzieningen verwacht omdat de meeste oorlogsgetroffenen reeds één of meerdere voorzieningen ontvangen. Het toegenomen beroep op deze voorzieningen hangt samen met het ouder worden van de doelgroep van de wetten.

85

Hoe wordt de taakstelling niet-belastingontvangsten bij Economische Zaken feitelijk ingevuld?

Aangezien deze taakstelling kort voor de termijn van de Voorjaarsnota is opgelegd, is vooralsnog niet bekend hoe deze wordt ingevuld. De taakstelling staat voorlopig geboekt op het verdeelartikel.

86

Waarom is aan UCN door EZ een «shareholdersloan» verleend. In welk kader is dit gebeurd?

De term «shareholdersloan» heeft betrekking op een door Urenco Ltd. aan UCN NV verschuldigd gebleven bedrag uit hoofde van de inbreng in 1993 van Urenco Nederland BV in de Urenco Group, die tot uitbetaling zou komen op het ogenblik dat de vermogenspositie van Urenco Ltd. dit zou toelaten. In 2002 heeft uitbetaling van de «shareholdersloan door Urenco Ltd. aan UCN NV plaatsgevonden.

87

Hoe groot is de EU-bijdrage aan de kosten voor de vogelpest? In welke post is deze verwerkt?

Op basis van de voorlopige kostenraming voor bestrijdingsmaatregelen van de Klassieke Vogelpest wordt een EU-bijdrage verwacht van € 92,0 mln. Deze wordt door het Rijk voorgefinancierd. Het is de verwachting dat deze EU-bijdrage in 3 tranches van € 10,0 mln., € 41,0 mln. en nogmaals € 41,0 mln. in de jaren 2003 t/m 2005 wordt ontvangen. De EU-bijdrage is verwerkt onder (ontvangsten) beleidsartikel 6 op de begroting van het ministerie van LNV.

88

Welke bestuurlijke en juridische verplichtingen liggen ten grondslag aan de versnelde besteding van de gereserveerde middelen voor natuurbeleid?

Aan de versnelde besteding van deze middelen liggen ten grondslag:

1. de overloop van subsidies voor grondaankopen in het kader van de Regeling Particuliere terreinbeherende organisaties (PNB) (verplichting aangegaan in 2002 die leidt tot uitbetaling in 2003);

2. aankoopverplichtingen van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) in 2002;

3. grondaankopen in het kader van onteigeningsprocedures;

4. aankopen in 2002 waarbij een beroep is gedaan op de koopplicht en

5. verplichtingen die voortvloeien uit bestuurlijke afspraken (o.a. programma's van LNV en VenW zoals NURG, Grensmaas)

89

Betekent de ombuiging van 70 mln, oplopend tot 90 mln in 2005, op natuurbeleid dat in de komende jaren eveneens niet aan bestuurlijke en juridische aangegane verplichtingen kan worden voldaan?

Nee. Door het opschorten van de koopplicht en het publiceren van een budgetplafond in de regeling Particuliere terreinbeherende organisaties (PNB) is dit voorkomen.

90 en 98

Kan exact worden aangegeven op welke gronden de EKI-toerekening met 300 mln. is verhoogd? Waarom is de exportkredietverzekering niet kostendekkend? Wat gebeurt er met dit geld voor ontwikkelingssamenwerking als de 300 mln. achteraf een onjuiste raming blijkt te zijn geweest?

Betekent de toerekening van 300 mln. ODA-geld aan EKI ook dat deze 300 mln. daadwerkelijk wordt besteed in 2003? Wat gebeurt er met dit geld als dit niet het geval is?

De eki-toerekening is verhoogd vanwege de verwachting dat meer schulden van ontwikkelingslanden zullen worden kwijtgescholden dan tot nu toe geraamd. Aangezien met betrokken schuldenlanden nog onderhandeld moet gaan worden, is het niet verstandig hier nu al in al te groot detail op in te gaan. De verwachting van extra schuldkwijtschelding is in belangrijke mate gebaseerd op een al enige tijd lopende discussie in internationale fora over schuldkwijtschelding. In het bijzonder wijs ik u daarbij op de verklaring van de ministers van Financiën van de G7-G8 in Deauville van 17 mei jl., herbevestigd door de regeringsleiders op hun top in Evian van 3 juni jl. De G7-G8 zijn het, volgens deze verklaringen, eens geworden dat in de Club van Parijs voor een ruimere categorie van landen met een onhoudbare schuld, dan tot nog toe, in uitzonderlijke gevallen ook schuldkwijtschelding beschikbaar zou moeten zijn. Nederland heeft juist op enkele landen die mogelijk hiervoor in aanmerking zouden kunnen gaan komen, zeer aanzienlijke vorderingen uitstaan.

Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 30 en in het antwoord van de minister van Ontwikkelingssamenwerking op kamervragen van de leden Koenders en Fierens, is de mate van kostendekkendheid niet relevant voor de vraag of kwijtscheldingen aan ODA kunnen worden toegerekend. Inzicht in de mate van kostendekkendheid van het pakket van herverzekeringsfaciliteiten van de Staat vraagt om een meer geavanceerde methode van bedrijfseconomische resultaatbepaling, dan alleen toepassing van het kasverplichtingenstelsel. Op dit moment is er tussen Financiën, EZ, GerlingNCM en DNB overleg gaande over de invoering van een betere methode in 2005.

Mocht de verhoogde raming onjuist blijken te zijn geweest, dan blijven de daarmee gemoeide bedragen beschikbaar onder de 0.8% voor de hulp aan ontwikkelingslanden om via begrotingsuitgaven te worden besteed.

91

Waarom is gekort op de AKW-uitgaven?

Als gevolg van een herverdeling van de uitvoeringskosten over de verschillende fondsen zijn de AKW-uitgaven neerwaarts bijgesteld.

92

Waarom is het nodig om aan de ene kant de subsidies aan de medefinancieringsorganisaties voor ontwikkelingssamenwerking te verhogen, terwijl aan de andere kant de terugvordering van door deze organisaties niet bestede middelen voorspoediger verlopen dan verwacht?

Het interdepartementaal beleidsonderzoek Medefinancieringsprogramma (IBO MFP) was de aanleiding voor het nieuwe Medefinancieringsprogramma-breed (MFP-breed). In het nieuwe subsidiesysteem zijn de beschikkingen aan de MFO's vastgelegd voor 2003–2006. Deze verhoging staat los van de terugvordering van restfondsen die voorspoediger verloopt dan verwacht. Bij de MFO's is geen sprake van restfondsen. Het betreft hier andere organisaties (veelal ngo's en multilateralen).

93

Wat zijn de gemiddelde extra netto kosten van een ID-baan voor de schatkist in vergelijking tot de kosten van een bijstandsuitkering?

In 2002 bedroegen de gemiddelde kosten van een ID-baan € 19 149, de gemiddelde ABW-uitkering bedroeg in 2002 € 10 029. De netto kosten van een ID-baan bedragen dan € 9 120. Deze netto kosten per ID-baan kunnen in 2003 lager uitvallen doordat gemeenten met de werkgevers een lagere vergoeding overeen kunnen komen dan onder de oude ID-regeling was toegestaan. Dat heeft evenwel geen directe gevolgen voor de schatkist, omdat voor ID-banen in 2003 een vooraf vastgesteld macrobudget aan gemeenten wordt verstrekt.

94

Wat is de aard van de onvermijdelijke problematiek uit hoofde van overloop van verplichtingen en nabetalingen uit 2002?

De problematiek bestaat uit diverse posten. Er is sprake van vertraagde facturering door de «Veranderorganisatie SUWI». Tevens is er sprake van vertraging bij het Inlichtingenbureau: gemeenten kunnen tot 30 juni 2003 een subsidie aanvragen voor aansluiting bij het Inlichtingenbureau en veel gemeenten blijken dit in 2002 nog niet te hebben gedaan. Er zijn verplichtingen aangegaan in het kader van het doelgroepenbeleid voor ouderen, jongeren en herintredende vrouwen, waarvoor de afrekening komt in 2003. De drie-jaarsprojecten van Equal blijken een ander kasritme te hebben dan begroot.

95

Waaruit wordt de storting in het Ouderdomsfonds gefinancierd?

De storting in het Ouderdomsfonds is een voor het EMU-saldo niet-relevante vermogensoverheveling van het Rijk naar de sociale fondsen.

96

Waarom wordt het profijtbeginsel niet toegepast op de uitvoeringskosten van ruimingen in het kader van de vogelpest?

Voor de financiering van de kosten van de bestrijding van besmettelijke dierziekten wordt het profijtbeginsel toegepast. In 2000 is namelijk een convenant met de productschappen gesloten waarbij de productschappen zich tot en met 31 december 2004 garant stellen voor de financiering van de bestrijdingskosten van besmettelijke dierziekten tot bepaalde maxima. Voor de rundveesector betreft dit maximaal € 227 mln., voor de varkenssector maximaal € 227 mln., voor pluimveesector € 11 mln. en voor de schapen/geitensector maximaal € 2 mln.

Bij de bestrijding van pluimveeziekten is het maximum relatief laag. De reden hiervan is gelegen in het feit dat ten tijde van het opstellen van het convenant de kans op een uitbraak van vogelpest historisch gezien zeer laag was. In de besprekingen over de verlenging van het convenant met ingang van 2005 is het de inzet van het Rijk om het maximum plafond voor de pluimveesector te verhogen.

97

Wat gebeurt er met restantbedrag van € 81,2 mln op de aanvullende post Prijsbijstelling / indexering WSF? Idem voor de aanvullende post arbeidsvoorwaarden.

Op de aanvullende post indexering WSF wordt de prijsbijstelling over de uitgaven voor de studiefinanciering gereserveerd. Jaarlijks wordt de prijsbijstelling uit deze aanvullende post overgeboekt naar de departementale begrotingen. Dit jaar heeft deze overboeking nog niet plaatsgevonden. Dit zal bij Miljoenennota 2004 gebeuren.

Bij VJN is de loonbijstelling tranche 2003 toegedeeld aan de verschillende begrotingen. De loonbijstelling voor de groep oorlogsgetroffenen wordt echter jaarlijks eenjarig uitgekeerd bij NJN en meerjarig bij Voorjaarsnota in het opvolgende begrotingsjaar. Ten behoeve van deze uitdeling resteert na VJN derhalve nog een bedrag op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden.

98

Betekent de toerekening van 300 mln. ODA-geld aan EKI ook dat deze 300 mln. daadwerkelijk wordt besteed in 2003? Wat gebeurt er met dit geld als dit niet het geval is?

Zie vraag 90.

99

Als ODA taakstellend wordt gekort en al voor het BNP wordt bijgesteld, hoe hoog is het ODA-budget dan in 2003 in % BNP?

ODA wordt niet taakstellend gekort. Er is alleen sprake van een naar verwachting groter toerekening van EKI-schuldverlichting aan ODA. Vanwege de koppeling aan de BNP blijft het ODA budget op een niveau van 0,8% BNP.

100

De post diversen onder beleidsmatige mutaties is volgens de toelichting een verdeelartikel en bestaat uit de BNP-bijstelling, de EKI-toerekening en de eindejaarsmarge. De som van deze posten is echter –/– 235,8 mln. euro terwijl de post diversen 101, 7 mln. euro groot is. Wat verklaart het verschil? Hoe is de post diversen samengesteld?

De BNP-bijstelling, de EKI-toerekening en de eindejaarsmarge mutaties behoren tot de belangrijkste beleidsmatige mutaties. De technische verwerking van het beleid vindt plaats onder de post diversen. Via een verdeelartikel wordt de BNP-bijstelling, de EKI-toerekening en de eindejaarsmarge naar de diverse artikelen verwerkt. Dit verklaart waarom de post diversen sterk positief is.

Naast de bovengenoemde mutaties worden aan de post diversen alle mutaties onder € 10 mln toegerekend. Dit betreft onder meer HGIS uitgaven van en aan diverse departementen (waaronder loonbijstelling en programmauitgaven), kleine bijdragen aan maatschappelijke organisaties, bijdragen aan internationale organisaties en apparaatskosten.

101

Kan nader worden aangegeven uit welke onderdelen de aanvullende post bestaat met daaraan gekoppeld het budgettaire beslag?

Op de aanvullende post Algemeen staan middelen waarvan op het moment van besluitvorming nog niet expliciet kan worden aangegeven op welke begroting(en) zij uiteindelijk worden verantwoord. Daarnaast worden op deze aanvullende post taakstellingen geparkeerd die uiteindelijk door de diverse begrotingen ingevuld worden (bijvoorbeeld de ramingstechnische veronderstelling in=uit bij de eindejaarsmarge). Totaal resteert er bij Voorjaarsnota 230 mln aan de uitgavenkant op de aanvullende post. Dit is een saldo van de ramingstechnische in = uit taakstelling en (technische) posten als BTW Openbaar Vervoer, Suwi en Tegoeden WOII/Enschede. Aan de ontvangstenkant staat ruim 1,6 mld op de aanvullende post. Dit betreft de verkoop staatsdeelnemingen.

102

Waaruit bestaat de meevaller in de bouw van zorginstellingen?

Bij het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen zijn in 2002 minder investeringen positief getoetst (op basis van de meldingsregeling voor instandhoudingsbouw) dan verwacht. Dit leidt naar verwachting tot lagere exploitatiegevolgen in 2003.

103

Welke aanleiding is er om te veronderstellen dat de instellingsbudgetten en tarieven van vrije beroepsbeoefenaren daadwerkelijk met 0,8% dalen op grond van efficiëntie? Wat betekent het voor het zorgvolume als de geraamde opbrengst van 250 mln niet wordt gerealiseerd?

De sterke productietoename in de zorg rechtvaardigt een prikkel om efficiencywinst te behalen. Omdat de efficiencykorting wordt ingehouden op de nominale component van de budgetten voor 2003 bestaat er geen risico dat de opbrengst niet wordt gerealiseerd. Het is voor zorgaanbieders niet goed mogelijk de korting af te wentelen op het volume omdat zij in toenemende mate op basis van werkelijk geleverde prestaties worden afgerekend.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Giskes (D66), Crone (PvdA), De Grave (VVD), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Atsma (CDA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Smits (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Rambocus (CDA), Tichelaar (PvdA), voorzitter, Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Fierens (PvdA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Heemskerk (PvdA) en Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD).

Plv. leden: Rouvoet (CU), Bakker (D66), Koenders (PvdA), van Beek (VVD), Balemans (VVD), Kortenhorst (CDA), Mosterd (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Duyvendak (GL), Van Gent (GL), De Ruiter (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Ferrier (CDA), Eerdmans (LPF), vacature CDA, Noorman-den Uyl (PvdA), Van Bommel (SP), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), Samsom (PvdA), Luchtenveld (VVD), Smeets (PvdA), Douma (PvdA) en De Vries (VVD).

XNoot
1

Een andere verklaring voor het verschil tussen de resultaten van het CBS en HP de Tijd is de weging van de verschillende goederen en diensten. HP de Tijd is waarschijnlijk uitgegaan van een gelijk gewicht voor alle producten terwijl het CBS kijkt naar het bestedingspatroon van consumenten.

Naar boven