nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 mei 2004
Graag ga ik hierbij in op de toezegging van mijn voorganger gedaan tijdens
het algemeen overleg Raad van Europa op 11 september 2003 (TK 28 810/28 687,
nr. 2, blz. 9) inzake de motie Van Oven en Blaauw (TK 23 936 (R1523),
nr. 9) inzake de bevordering van gebruikmaking door de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa van zijn bevoegdheid op grond van artikel 52 EVRM.
Artikel 52 EVRM biedt een bijzondere bevoegdheid aan de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa tot het vragen van inlichtingen aan de lidstaten ten
aanzien van de wijze waarop zij nationaal de uitvoering waarborgen van de
in het verdrag neergelegde rechten. Van de bevoegdheid van artikel 52 wordt
spaarzaam gebruik gemaakt. De Secretaris-Generaal maakte hiervan enkele jaren
geleden voor het laatst gebruik ten aanzien van Rusland in verband met de
situatie in Tsjetsjenië. Omdat dit niet tot enig concreet resultaat leidde,
gingen stemmen op voor een andersoortig gebruik van het instrument, minder
gekoppeld aan politieke of humanitaire brandhaarden in Europa en dus wellicht
tot minder weerstanden bij aangezochte staten leidend. De motie van de Tweede
Kamer paste in die trend. Echter, sinds het aannemen van de motie in 1996
heeft zich in Straatsburg een aantal ontwikkelingen voorgedaan die mij ertoe
leiden te concluderen dat het voorstel inmiddels is ingehaald door de huidige
situatie.
In de eerste plaats beschikt de Raad van Europa sinds eind jaren negentig
over een Commissaris Mensenrechten. De Commissaris is bevoegd, ook daar waar
sprake is van structurele misstanden, namens de Raad van Europa onderzoek
te doen en handelend op te treden.
In de tweede plaats is de discussie in de Raad over monitoring activiteiten
van de Raad van Europa hernieuwd. Algemene monitoring, gekoppeld aan bepaalde
thema's, vindt plaats door het Comité van Ministers en door de Parlementaire
Assemblée. Over de wijze waarop daaraan invulling wordt gegeven door
het Comité van Ministers bestaat onvrede onder de lidstaten.
Daarom wordt sinds enige tijd gesproken over plannen die de monitoring op
andere leest dienen te schoeien. Zo heeft de Secretaris-Generaal voorgesteld
jaarlijks een alomvattend rapport uit te brengen, op te stellen door experts
uit (een roulerend aantal van) 15 van de 45 lidstaten van de Raad. Dit rapport
dient dan mede gebaseerd te zijn op alle monitoring – activiteiten uitgevoerd
door de Raad en gericht te zijn op concrete verbetering van een situatie.
Bij dit proces wordt ook meer dan tot nu toe gelet op het voorkomen van duplicatie.
Een systematischer, meer neutraal gebruik van artikel 52 leidt potentieel
tot een geheel nieuw, alomvattend monitoring instrument van de Raad van Europa.
Overigens moet niet uit het oog worden verloren dat de tenuitvoerlegging van
de rechten neergelegd in het EVRM grote (zo niet alle) onderdelen van wet-
en regelgeving, rechtspraktijk en maatschappelijk leven raakt. Dat te monitoren,
los van een indicatie van een structurele misstand, lijkt niet alleen een
doublure van de voornemens waar thans over wordt gesproken, maar ook een omvangrijke
exercitie waarvoor toch al schaarse financiële middelen moeten worden
aangewend.
Tot slot moet niet worden veronachtzaamd dat het risico bestaat van rapportagemoeheid
bij lidstaten. Ondanks bonafide inspanningen ter bescherming en bevordering
van de rechten van de mens, moeten lidstaten daarvan keer op keer en op verschillende
fronten verantwoording afleggen ten overstaan van internationale mechanismen,
zelfs bij afwezigheid van de geringste indicatie van schendingen.
Ik onderschrijf de gedachte achter de motie. Het toezien op de naleving
van Verdragsbepalingen dient op een aantal onderdelen te worden verbeterd.
Sinds het aannemen van de motie wordt daaraan in Straatsburg gewerkt. De huidige
discussie over hervorming van het monitoringsysteem en de uitbreiding van
het mandaat van de Commissaris Mensenrechten zijn hiervan het bewijs. Ik kan
u verzekeren dat Nederland een actieve rol speelt bij de hervormingsdiscussie
van het monitoring systeem, dat één van de pilaren vormt van
de Raad van Europa. Dit past in het Nederlandse streven naar de verbetering
van de tenuitvoerlegging van de mensenrechtennormen in de lidstaten van de
Raad van Europa, één van de prioriteiten van ons voorzitterschapsprogramma.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot