28 645
Informatievoorziening grote projecten

nr. 3
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 november 2002

De commissie voor de Rijksuitgaven1 heeft een aantal vragen aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd over de brief van de Algemene Rekenkamer aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 29 oktober 2002, kamerstuk 28 645, nr. 1, waarin zij haar rapport aanbiedt, getiteld: «Informatievoorziening grote projecten».

1

In hoeverre is er overlap tussen de voortgangsrapportages door kenniscentrum PPS en de voortgangsrapportages door de ministeries per Groot Project? Wordt het kenniscentrum PPS betrokken bij het opstellen van de individuele voortgangsrapportages?

Het kenniscentrum PPS is niet in het onderzoek van de Algemene Rekenkamer betrokken geweest. De relatie tussen de voortgangsrapportages door het kenniscentrum PPS en de voortgangsrapportages door de ministeries per groot project is dan ook niet onderzocht.

2

Bij welke projecten was het tekort schieten van de informatievoorziening zo substantieel dat dit van invloed geweest moet zijn op de besluitvorming door de Tweede Kamer?

De Algemene Rekenkamer heeft vastgesteld dat de organisatie van de informatievoorziening rijksbreed gebreken vertoont. Dit betekent niet automatisch dat daar waar gebreken zijn geconstateerd, de Tweede Kamer onvolledige of kwalitatief onvoldoende informatie heeft ontvangen. Dit heeft de Algemene Rekenkamer ook niet onderzocht. Wel heeft zij geconstateerd dat in elk geval een deel van de informatie niet aan de Tweede Kamer is geleverd. Voor een overzicht van de projecten waarbij dit het geval was wordt verwezen naar pagina 18 van het rapport. Daarnaast heeft zij voor een beperkt aantal onderdelen de kwaliteit van de informatie beoordeeld. Een overzicht van de geconstateerde gebreken in de kwaliteit van de informatie treft u aan in bijlage 5 van het rapport.

De Algemene Rekenkamer heeft niet onderzocht op welke manier de door de ministeries verschafte informatie door de Tweede Kamer is of kon worden gebruikt in de besluitvorming en kan derhalve ook niet aangeven wat de invloed is geweest van de geconstateerde gebreken op die besluitvorming.

3

Waarom hecht de Algemene Rekenkamer zo aan het nu al opnemen van een handreiking voor de controle van niet-financiële informatie in het «Handboek Controle Departementale Accountantsdiensten? Waarom kan niet worden gewacht op het nieuwe normenkader in 2005?

Voor een weloverwogen besluitvorming over grote projecten en een effectieve controle op de uitvoering ervan heeft de Tweede Kamer niet alleen financiële, maar ook niet-financiële informatie nodig. In de Procedureregeling Grote Projecten wordt de betrokken bewindspersonen dan ook gevraagd beide soorten informatie te verstrekken.

Het oordeel van de accountant over onder meer de kwaliteit van de verstrekte informatie is voor de Tweede Kamer een hulpmiddel bij haar besluitvormende en controlerende taak. De afgelopen jaren hebben accountants in de praktijk ook al in meer of mindere mate geoordeeld over niet-financiële informatie over grote projecten. De (beoordeling van) niet-financiële informatie heeft in de Procedureregeling volgens de tekstversie van 1996 een nog prominentere plaats gekregen.

De Algemene Rekenkamer constateert voorts dat het Handboek Controle DAD in toenemende mate als basis geldt voor de accountantscontrole over grote projecten. Het hierin niet opnemen van een (voorlopige) handreiking voor de controle van niet-financiële informatie, zou tot gevolg kunnen hebben dat dit soort informatie de komende jaren niet of nauwelijks door de departementale accountants wordt gecontroleerd. Zodoende wordt niet tegemoet gekomen aan de wens van de Tweede Kamer om een oordeel van een accountant te ontvangen over de kwaliteit van niet-financiële informatie. Dit betekent dat de Tweede Kamer bij haar besluitvormende en controlerende taak wordt belemmerd.

4

Waarom is er in de uitgebreide rapportagestructuur van de HSL-Zuid expliciet vermeld dat deze structuur niet geldt voor de rapportages aan de Tweede Kamer? Voor welke rapportages geldt deze structuur wel?

De Algemene Rekenkamer is niet nagegaan wat de redenen zijn geweest van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat om in de rapportagestructuur voor HSL-Zuid expliciet op te nemen dat deze niet geldt voor rapportages aan de Tweede Kamer. De structuur is ingericht om het projectbureau HSL zich te laten verantwoorden jegens de directeur HSL over afwijkingen, kansen en bedreigingen ten opzichte van de vastgestelde plannen, genomen beheersmaatregelen en realisatie en prognose ten aanzien van scope, tijd en geld.

5

Wat is volgens de Algemene Rekenkamer de oorzaak van het feit dat er klaarblijkelijk «licht» zit tussen de Procedureregeling Grote Projecten en wettelijke regelingen (bij voorbeeld de Tracéwet), interne voorschriften etc. als het gaat om het verwachtingspatroon aangaande te leveren informatie aan de Kamer? Kan de Algemene Rekenkamer weergeven op welke manier deze leemte zou kunnen worden opgevuld?

De Procedureregeling Grote Projecten en de andere in de vraag bedoelde regelingen, zoals de Tracéwet, stellen elk afzonderlijk eisen aan de informatievoorziening over grote projecten. Daarbij betreft het bij de bedoelde wettelijke regelingen informatie die primair nodig is voor de besluitvorming over het project, terwijl bij de Procedureregeling de controle door de Tweede Kamer het hoofddoel is. Gezien dit verschil is er niet zozeer een leemte in de regelingen; zij dienen een verschillend doel.

De Algemene Rekenkamer acht het overigens een goede zaak wanneer op ministeries de informatievoorziening die wordt verzorgd in het kader van de Procedureregeling, intern ingebed is in de organisatie van de informatievoorziening die de bedoelde wettelijke regelingen vereisen. Voor de overige, niet bij wet vereiste aspecten waar de Tweede Kamer via de Procedureregeling om vraagt, zullen ministeries iets aparts moeten regelen om te zorgen dat de informatie wordt geleverd.

6

Zou het – gelet op zaken als efficiency, onafhankelijk en eenduidigheid – naar de mening van de Algemene Rekenkamer aanbeveling verdienen om één extern accountantsbureau met één duidelijke opdracht over de ministeries heen alle projecten te laten beoordelen?

Volgens de Procedureregeling Grote Projecten mogen de gevraagde accountantsoordelen zowel door een departementale accountantsdienst als door een externe accountant gegeven worden. In de praktijk doen beide situaties zich voor. De Algemene Rekenkamer kan op basis van haar onderzoek niet aangeven of de keuze voor één externe accountant per saldo voordelen zal hebben op het gebied van efficiëntie, onafhankelijkheid en eenduidigheid vergeleken met de controle door departementale accountantsdiensten.

Zo geldt op het punt van «efficiëntie» dat controle door één externe accountant zowel voor- als nadelen kan hebben. Wanneer bijvoorbeeld de beoordeling van de toereikendheid van de projectorganisatie door één externe accountant gebeurt, hoeft slechts op één plek de betreffende expertise beschikbaar te zijn en hoeft slechts eenmaal een normenkader te worden ontwikkeld. Anderzijds zijn de departementale accountants door hun reguliere controlewerk veel beter ingewerkt in de projectorganisaties, waardoor de controle daarvan hen vermoedelijk minder inspanning kost. Bovendien is het zo dat delen van de financiële informatie standaard al door de departementale accountantsdiensten wordt gecontroleerd. Wat per saldo het meest efficiënt is, is op voorhand niet aan te geven.

Wat de onafhankelijkheid betreft wijst de Algemene Rekenkamer op het gevaar van botsende belangen bij inschakeling van slechts één externe accountant. Het is immers mogelijk dat de geselecteerde accountant ook op een andere wijze, bijvoorbeeld als adviseur, bij een of meer grote projecten is ingeschakeld.

Verder merkt de Algemene Rekenkamer op dat de keuze voor één externe accountant uit het oogpunt van een gezonde marktwerking minder gewenst is.

Welke keuze ook wordt gemaakt, de belangrijkste voorwaarde voor een kwalitatief goede accountantscontrole is een eenduidige opdrachtformulering, een toereikend controleprogramma en – vanzelfsprekend – een goede uitvoering van dat programma.

7

De Algemene Rekenkamer stelt dat het Handboek Controle Departementale Accountantsdiensten belangrijke omissies bevat, waardoor deze diensten de Tweede Kamer niet goed kunnen informeren over onder andere niet-financiële zaken. Hoe moet volgens de Algemene Rekenkamer de taken worden verdeeld tussen accountantsdienst, afdeling Grote Projecten en de directies Financieel-economische Zaken? Wie moet er verantwoordelijk zijn voor welke informatieverstrekking?

De geconstateerde omissies in het Handboek Controle DAD maakt het voor de ministeries zeker niet onmogelijk om de Tweede Kamer goed te informeren. Toch maakt de Algemene Rekenkamer zich zorgen over de omissies, omdat het (voor de rest goed uitgewerkte) handboek in toenemende mate geldt als basis voor de accountantscontrole over grote projecten.

Over de verdeling van de taken tussen accountantsdiensten, afdelingen Grote projecten en de directies Financieel-Economische Zaken merkt de Algemene Rekenkamer het volgende op. Binnen een ministerie zijn voor de informatievoorziening over grote projecten drie taken van belang. Deze taken zijn complementair en de vervulling van elk ervan draagt bij aan het doel van de Procedureregeling, te weten een weloverwogen besluitvorming over grote projecten en een nauwgezette controle op de uitvoering ervan door de Tweede Kamer. Het betreft:

1. De informatievoorziening zelf. Een ministerie met een groot project zal de informatievoorziening binnen het ministerie en van het ministerie naar de Tweede Kamer moeten organiseren. Voor welke informatie de voorziening geregeld moet worden staat in principe beschreven in de Procedureregeling, maar kan nader worden ingevuld door specifieke afspraken tussen de betrokken bewindspersoon en de Kamercommissie. Een aparte afdeling Grote Projecten zoals het Ministerie van Verkeer en Waterstaat hiervoor heeft opgericht is een mogelijke, maar niet de enige organisatorische invulling die aan deze rol gegeven kan worden.

2. Toezicht op de informatievoorziening. Binnen een ministerie met een groot project moet structureel worden toegezien op de informatievoorziening over grote projecten aan de Tweede Kamer. Dit toezicht, dat gericht zou moeten zijn op zowel de opzet als de werking van de organisatie van de informatievoorziening, zou bijvoorbeeld opgedragen kunnen worden aan de directies Financieel-Economische Zaken.

3. Controle van de projectorganisatie en van de kwaliteit en volledigheid van de verstrekte informatie. Deze controle dient door een accountant te worden uitgevoerd. Dat kan een departementale accountantsdienst zijn en/of een externe accountant. De onderdelen van deze controle zijn in de Procedureregeling Grote Projecten specifiek aangegeven en hebben betrekking op de projectorganisatie, de kwaliteit van onderdelen van het projectvoorstel en de kwaliteit en volledigheid van de informatie in de periodieke voortgangsrapportages. In dit verband wijst de Algemene Rekenkamer op de in haar rapport gedane suggestie om de controletaak van de accountant uit te breiden tot het geven van een oordeel over de kwaliteit en volledigheid van het projectvoorstel.

8

Het instellen van een afdeling Grote Projecten bij Verkeer en Waterstaat wordt door de Algemene Rekenkamer als een van de succesfactoren genoemd. Wat zijn precies de taken en verantwoordelijkheden van deze afdeling? Is de Algemene Rekenkamer van mening dat ook bij andere ministeries een dergelijke afdeling moet worden ingericht? Zo ja, bij welke?

De afdeling Grote Projecten is belast met de uitvoering van de procedureregeling Grote Projecten voor die projecten die onder Rijkswaterstaat vallen en in de fase van uitvoering zijn. Zij probeert onder meer een grotere uniformiteit te bewerkstelligen tussen de voortgangsrapportages van de verschillende projecten. Zij heeft hiertoe een informatieprofiel voor de voortgangsrapportage opgesteld. Tevens vormt de afdeling samen met de afdeling Control van Rijkswaterstaat een verbindingsschakel tussen het hoofdkantoor van Rijkswaterstaat en de rest van het ministerie enerzijds, en de afzonderlijke projectdirecties anderzijds.

De Algemene Rekenkamer is van mening dat de genoemde afdeling een belangrijke taak vervult in de totstandkoming en bewaking van de kwaliteit van de voortgangsinformatie. Deze taak zou echter ook op een andere manier ingevuld kunnen worden. Voor een overzicht van de te vervullen taken wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.

9

De Algemene Rekenkamer vindt het van belang dat de ministeries voor ieder project expliciete afspraken maken met de Tweede Kamer over aard en omvang van ieder project. Tijdens de (soms lange) looptijd van het project kan de behoefte aan het geven/vragen van informatie qua aard en omvang wijzigen. Hoe kan naar de mening van de Algemene Rekenkamer worden voorkomen dat bij het afsluiten van het project blijkt dat per saldo niet de (complete) gewenste informatie op tafel ligt. Anders gezegd: moeten tussenevaluaties worden ingebouwd?

Een wijziging in de informatiebehoefte van de Tweede Kamer in de loop van een project kan zich om verschillende redenen voordoen. Wanneer aan het begin heldere afspraken worden gemaakt, kan in een latere fase ook goed worden aangegeven op welke punten de informatiebehoefte zich wijzigt. Daarbij zou dezelfde systematiek kunnen worden gehanteerd als die de Algemene Rekenkamer bij de aanwijzing als groot project heeft aanbevolen: de Tweede Kamer maakt haar wensen kenbaar; de minister gaat vervolgens na in welke mate en in welke vorm hij/zij tegemoet kan komen aan de informatiebehoefte van de Kamer en ten slotte maken minister en Kamer gezamenlijk expliciete nadere afspraken. Het «standaard» uitvoeren van een tussenevaluatie lijkt de Algemene Rekenkamer niet per se noodzakelijk.

10

Vanuit verschillende ministeries wordt gemeld dat de huidige Procedureregeling Grote Projecten niet volstaat voor niet-infrastructurele projecten. Acht de Algemene Rekenkamer het raadzaam om een universele Procedureregeling Grote Projecten te laten bestaan? Zo ja, waarom?

De Procedureregeling Grote Projecten richtte zich oorspronkelijk op grote, centraal geleide infrastructurele projecten. Gaandeweg kwamen er echter steeds meer andersoortige grote projecten, zoals aanschaf- en reorganisatieprojecten bij. Verschillende departementen (met name de Ministeries van Justitie, OCenW en SZW), menen dat de Procedureregeling niet goed aansluit op deze andersoortige projecten.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek heeft de Algemene Rekenkamer vastgesteld dat de Procedureregeling over het algemeen ook geschikt is voor andere dan de «klassieke» grote projecten. Ook wanneer verschillende, naast elkaar staande procedureregelingen zouden worden gecreëerd, zal in specifieke gevallen het bezwaar opgeworpen kunnen worden dat een project niet onder de door de Kamer aangewezen regeling past. Dit lost derhalve niets op.

De Algemene Rekenkamer heeft daarom niet aanbevolen om de huidige universele Procedureregeling grote projecten te vervangen door aparte procedureregelingen voor verschillende soorten projecten. Voor ministeries die regelmatig grote projecten hebben is het uit efficiëntie-overwegingen zelfs aantrekkelijk dat er een universele regeling is, omdat er dan ook een uniforme structuur voor de informatievoorziening mogelijk is.

De Algemene Rekenkamer merkt wel op dat daar waar de Procedureregeling niet helemaal aansluit op de opzet en uitvoering van een project, er wel gemakkelijk interpretatieverschillen kunnen ontstaan. Het risico is daar groter dat de Tweede Kamer op basis van haar interpretatie een bepaald soort informatie verwacht, terwijl de minister op basis van zijn of haar lezing van de regeling niets regelt om deze informatie te leveren.

De Algemene Rekenkamer benadrukt in dit verband nogmaals het belang dat de ministeries voor ieder groot project expliciete afspraken met de Tweede Kamer maken over de informatie die geleverd moet worden.

11

De Algemene Rekenkamer raadt aan om de informatievoorziening via directies Financieel-economische Zaken te laten lopen. Hoe verhoudt zich dit tot het inrichten van een speciale afdeling Grote Projecten?

De Algemene Rekenkamer heeft niet aanbevolen dat de informatievoorziening via de directies Financieel Economische Zaken (FEZ) te laten lopen. Zij is van mening dat er intern toezichtdient te bestaan op de organisatie van de informatievoorziening. Zij heeft hierbij als voorbeeld de directie Financieel Economische Zaken genoemd, maar deze taak zou ook door een ander onderdeel van het ministerie uitgevoerd kunnen worden.

Voor de verhouding tussen de verschillende te vervullen taken binnen een ministerie wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.

12

Wat houdt de Handreiking informatievoorziening Grote Projecten in, die is opgesteld door Algemene Rekenkamer en hoe verhoudt deze handreiking zich tot alle wetgeving en richtlijnen over informatievoorziening aan de Tweede Kamer?

De genoemde handreiking is bedoeld om ministeries te ondersteunen bij het opzetten van een goede informatievoorziening. Hierbij is de Procedureregeling Grote Projecten versie 2002 als uitgangspunt genomen.

De procedureregeling geeft aan welke inhoudelijke wensen er zijn aan de kant van de Tweede Kamer. In aanvulling hierop beoogt de handreiking aan te geven op welke manier aan de wensen van de Tweede Kamer praktisch organisatorisch invulling kan worden gegeven. Hiertoe is gekeken naar bestaande werkwijzen die als goed voorbeeld zouden kunnen dienen voor andere projecten. Deze goede voorbeelden zijn uitgebreid beschreven en te vinden op de website www.rekenkamer.nl onder publicaties/handreikingen. Op deze manier kunnen de organisatorische inspanningen die de wensen van de Tweede Kamer met zich meebrengen beperkt blijven. Zie verder het antwoord op vraag 5.

13

In het rapport worden vele verschillende richtlijnen en wetten genoemd (o.a. OEEI-leidraad, Tracewet, PKB-procedure, Handboek Controle Departementale Accountantsdiensten, VBTB, Procedure Regeling Grote Projecten, RPE, departementale richtlijnen) waarin bepalingen zijn opgenomen over de informatievoorziening aan de Tweede Kamer. Kan er een overzicht gegeven worden per Groot Project van alle richtlijnen en wetten over informatievoorziening die van toepassing zijn? Kan hierbij ingegaan worden op eventuele overlappingen en discrepanties tussen de verschillende bepalingen? Benevens noemt de Algemene Rekenkamer het draaiboek «Voortgangsrapportages Groot Project Modernisering AWBZ» een succesfactor en stelt zij tevens dat alle betrokken departementale accountantsdiensten per groot project een specifiek controleprogramma op moeten stellen. Bij welke projecten is dit reeds gedaan?

De Algemene Rekenkamer heeft de Procedureregeling Grote Projecten als uitgangspunt genomen in haar onderzoek. Overige richtlijnen en wetten zijn in het onderzoek betrokken voor zover ministeries deze hebben aangedragen als waarborgen voor een goede informatievoorziening over grote projecten volgens de aanwijzingen uit de Procedureregeling. De Algemene Rekenkamer beschikt niet over een compleet overzicht van alle geldende richtlijnen en wetten voor de informatievoorziening over de verschillende grote projecten richting Tweede Kamer.

Over de beschikbaarheid van specifieke controleprogramma's bij departementale accountantsdiensten merkt de Algemene Rekenkamer op dat zij bij twee van de elf op dit punt onderzochte projecten een specifiek controleprogramma ten behoeve van het accountantsoordeel over het projectvoorstel heeft aangetroffen. Het betrof de projecten «Vervanging F-16» en «Rekening rijden». Het werkprogramma «Rekening rijden» van de accountantsdienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat was echter niet voldoende uitgewerkt. Voor de uitvoeringsfase was bij negen van de vijftien op dit punt onderzochte projecten een specifiek controleprogramma beschikbaar. Het betrof hier de projecten HSL-Zuid, Betuweroute, Deltaplan Grote Rivieren, PKB Schiphol, Westerscheldetunnel, ICT in het onderwijs, Contourennota modernisering rechterlijke organisatie, Voorbereiding en invoering van de Vreemdelingenwet 2000 en SUWI.

14

De minister van Financiën vindt dat de Tweede Kamer wat passief is omgegaan met de Procedureregeling. Deelt de Algemene Rekenkamer die mening en zo ja, welke aanbevelingen heeft de Algemene Rekenkamer op dit punt?

De minister van Financiën heeft in zijn nawoord aangegeven dat naar zijn mening in het onderzoek van de Algemene Rekenkamer meer aandacht had kunnen worden besteed aan de wijze waarop de Tweede Kamer met de opzet en de uitvoering van haar eigen regeling omgaat.

De wijze waarop de Tweede Kamer omgaat met aangeleverde informatie op basis van de Procedureregeling is niet onderzocht. De Algemene Rekenkamer is het met de minister van Financiën eens dat de Procedureregeling op aspecten aangescherpt kan worden en heeft daartoe in de richting van de Tweede Kamer voorstellen gedaan. Ook heeft zij aanbevolen, aan zowel ministers als Tweede Kamer, om betere afspraken te maken over de te verstrekken informatie over een groot project (Tweede Kamer, 28 645 p. 24).

15

Waarom is de kwaliteit van de informatie niet als uitgangspunt genomen, maar de organisatie van de informatievoorziening?

Na twee onderzoeken – Groeicijfers Schiphol (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 265, nrs. 1–2) en Beleidsinformatie Betuweroute (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 27 195, nrs. 1–2) – naar de kwaliteit van beleidsinformatie rondom grote projecten, heeft de Algemene Rekenkamer het zinvol geacht een rijksbreed onderzoek te richten op de organisatie van een goede informatievoorziening over grote projecten. Het is de bedoeling geweest om bestaande voorbeelden voor de organisatie van de informatievoorziening die navolgbaar zijn voor andere ministeries te inventariseren en op basis hiervan een handreiking op te stellen.

Daarnaast zou het voor de Algemene Rekenkamer praktisch niet uitvoerbaar zijn geweest om voor twintig projecten de kwaliteit van de aan de Tweede Kamer verstrekte informatie vast te stellen.

16

Een van de criteria voor het betitelen van de organisatie van de informatievoorziening als «in opzet goed voorbereid» is dat procedureel geregeld moet zijn dat de informatie naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Bij hoeveel toetspunten was dit niet het geval en in hoeveel gevallen werd de informatie toch naar de Tweede Kamer gestuurd?

Bij 57% van de 322 toetspunten was op papier geregeld dat de informatie gegenereerd werd, intern terechtkwam bij de verantwoordelijke bewindspersoon en opgenomen moest worden in de informatievoorziening aan de Tweede Kamer. Bij de resterende 43% van de toetspunten was dit niet het geval.

Alleen in de gevallen waar de Algemene Rekenkamer constateerde dat de informatievoorziening wat deze opzet betreft een goed voorbeeld vormde, is zij nagegaan of informatie ook de Tweede Kamer had bereikt. Niet onderzocht is dus in hoeveel gevallen de informatie de Tweede Kamer wel bereikte wanneer de opzet van de informatievoorziening níet goed geregeld was.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Rosenmöller (GroenLinks), Van Heemst (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), ondervoorzitter, Crone (PvdA), Rouvoet (ChristenUnie), Van Oven (PvdA), Van Blerck-Woerdman (VVD), Luchtenveld (VVD), Atsma (CDA), voorzitter, Vendrik (GroenLinks), Kant (SP), Oplaat (VVD), De Haan (CDA), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Van Ruiten (LPF), Smulders (LPF), Teeven (LN), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Pater-van der Meer (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Van der Velden (LPF) en Van Loon-Koomen (CDA).

Plv. leden:, Vacature (GroenLinks), Van Nieuwenhoven (PvdA), Wolfsen (PvdA), Vacature (D66), Bos (PvdA), Van der Vlies (SGP), Kalsbeek (PvdA), Hofstra (VVD), Wilders (VVD), Kortenhorst (CDA), Vacature (GroenLinks), Gerkens (SP), Van den Doel (VVD), Mosterd (CDA), Te Veldhuis (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Hoogendijk (LPF), T. de Graaf (LPF), Jense (LN), Jan de Vries (CDA), Eberhard (Groep De Jong), Ferrier (CDA), Mastwijk (CDA), Palm (LPF) en Rambocus (CDA).

Naar boven