28 504
Plan van Scholen 2003–2005

nr. 18
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2005

In de uitwerkingsnotitie is opgenomen een stroomlijning van de stichtings- en opheffingsnormen. Dit met de uitgesproken intentie deze normen niet structureel te verhogen of te verlagen. Daarbij zou één opheffingsnorm per schoolsoort gaan gelden ook binnen een scholengemeenschap, om een eind te maken aan de bevoordeling van de scholengemeenschap t.o.v. de categorale school.

Het effect van het toepassen van één opheffingsnorm per schoolsoort blijkt echter voor scholengemeenschappen te leiden tot een substantieel aantal opheffingen (of gedwongen fusies) voor met name vwo scholen (zie de bijlage)1. Dat was niet de intentie van de notitie.

Ik stel dan ook voor om voor scholengemeenschappen de opheffingsnorm toe te passen op het niveau van de scholengemeenschap (zoals voorheen het geval was) en niet per schoolsoort. De problematiek geschetst in de bijlage is daarmee van tafel, behoudens het punt van het praktijkonderwijs in categorale scholen.

Ik blijf vooralsnog bij mijn voornemen om voor het praktijkonderwijs een opheffingsnorm in te voeren net als voor andere schoolsoorten. Op basis van de huidige leerlingtelling zou die norm leiden tot de opheffing van 7 categorale scholen (6%).

Bij de invoering van de opheffingsnorm wil ik echter een ruime overgangsperiode in acht nemen bijvoorbeeld vijf jaar (vanaf 2006 gerekend dus in 2011). Gelet op de groei van het aantal leerlingen is dan wellicht het aantal scholen dat onder de opheffingsnorm valt, substantieel verder gedaald.

Graag wil ik ook ruimte vragen voor overleg met het Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs en de organisaties voor bestuur en management over de nadere uitwerking van bijvoorbeeld een ontheffingsmogelijkheid, i.v.m. de bereikbaarheid voor leerlingen. De uitkomst van dat overleg vormt dan een bouwsteen voor het aan u voor te leggen wetsvoorstel.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven