nr. 18
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 mei 2005
In de uitwerkingsnotitie is opgenomen een stroomlijning van de stichtings-
en opheffingsnormen. Dit met de uitgesproken intentie deze normen niet structureel
te verhogen of te verlagen. Daarbij zou één opheffingsnorm per
schoolsoort gaan gelden ook binnen een scholengemeenschap, om een eind te
maken aan de bevoordeling van de scholengemeenschap t.o.v. de categorale school.
Het effect van het toepassen van één opheffingsnorm per
schoolsoort blijkt echter voor scholengemeenschappen te leiden tot een substantieel
aantal opheffingen (of gedwongen fusies) voor met name vwo scholen (zie de
bijlage)1. Dat was niet de intentie van de notitie.
Ik stel dan ook voor om voor scholengemeenschappen de opheffingsnorm toe
te passen op het niveau van de scholengemeenschap (zoals voorheen het geval
was) en niet per schoolsoort. De problematiek geschetst in de bijlage is daarmee
van tafel, behoudens het punt van het praktijkonderwijs in categorale scholen.
Ik blijf vooralsnog bij mijn voornemen om voor het praktijkonderwijs een
opheffingsnorm in te voeren net als voor andere schoolsoorten. Op basis van
de huidige leerlingtelling zou die norm leiden tot de opheffing van 7 categorale
scholen (6%).
Bij de invoering van de opheffingsnorm wil ik echter een ruime overgangsperiode
in acht nemen bijvoorbeeld vijf jaar (vanaf 2006 gerekend dus in 2011).
Gelet op de groei van het aantal leerlingen is dan wellicht het aantal scholen
dat onder de opheffingsnorm valt, substantieel verder gedaald.
Graag wil ik ook ruimte vragen voor overleg met het Landelijk Werkverband
Praktijkonderwijs en de organisaties voor bestuur en management over de nadere
uitwerking van bijvoorbeeld een ontheffingsmogelijkheid, i.v.m. de bereikbaarheid
voor leerlingen. De uitkomst van dat overleg vormt dan een bouwsteen voor
het aan u voor te leggen wetsvoorstel.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
M. J. A. van der Hoeven