nr. 17
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 februari 2005
Inleiding
De «Uitwerkingsnotitie grotere planningvrijheid vo» schetst
de beleidsmatige hoofdlijnen van een wetswijziging die moet leiden tot een
belangrijke deregulering en vermindering van de administratieve lasten van
de scholen in het voortgezet onderwijs. Aan de notitie zijn diverse schriftelijke
stukken voorafgegaan, zoals de beleidsnotitie «Planningsvrijheid in
het vmbo» (2002) (27 903, nr. 4), het advies «Ruimte voor
scholen» (2003) (28 504, nr. 8) en het rapport «Plannen of
polderen» (2003) (28 504, nr. 12). Genoemde rapporten zijn al aan
de Kamer toegestuurd.
Ter informatie stuur ik u, bijgaand, tevens het verslag van de veldraadpleging
«Eindrapportage klankbordgroep voorzieningenplanning voorgezet onderwijs»1 oktober 2004 van het bureau Sardes.
Hoofdlijn uitkomst Algemeen Overleg 17 december 2003
(28 504, nr. 13)
Over «Plannen of polderen» en de opvatting van de minister
van OCW daarover, verwoord in de brief van 5 december 2003 aan de Tweede
Kamer, is op 17 december een Algemeen Overleg gevoerd. Daarbij is ook
het spanningsveld besproken tussen het bevorderen van maatwerk en concurrentie
enerzijds en het nog kunnen hanteren van beleidsdoelstellingen als doelmatigheid
en bereikbaarheid anderzijds. De conclusie van het rapport «Plannen
of polderen» dat volledige planningsvrijheid in het vo niet past bij
deze beleidsdoelstellingen van de planning werd door de minister en de Kamer
breed onderschreven. Er is toen voor gekozen om weliswaar veel meer ruimte
te scheppen, maar die te begrenzen voorzover landelijke beleidsdoelstellingen
als macro-doelmatigheid en bereikbaarheid dat vereisen. In aanvulling daarop
is van belang dat de marktwerking grotendeels al is gewaarborgd doordat het
geld de leerling volgt en doordat de markt transparant is gemaakt o.a. door
de kwaliteitskaarten van de inspectie.
Landelijke regelgeving en marktwerking
Het systeem zoals dat nu gepresenteerd wordt is van een duaal karakter,
deels landelijke regelgeving deels marktwerking:
– stichten van de eerste vestiging van een schoolsoort (vbo-sector,
mavo, havo of vwo) blijft aan landelijke regelgeving onderhevig;
– het openen van een tweede vestiging van een schoolsoort, het verplaatsen
e.d. wordt overgelaten aan de samenwerkende scholen in de regio, binnen een
aantal landelijke randvoorwaarden;
– ook wordt de vrijheid van de individuele school vergroot (m.n.
het programma-aanbod zoals intrasectorale programma's).
Betere aansluiting op wensen leerlingen/ouders, vervolgonderwijs
en arbeidsmarkt
Naast een belangrijke vermindering van regels wordt op deze wijze beoogd
het onderwijsaanbod beter aan te laten sluiten op de wensen van leerlingen/ouders,
vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. Belanghebbenden moeten dan wel een duidelijke
positie in de samenwerking in de regio hebben. Daarom is in de uitwerkingsnotitie
opgenomen dat de positie van het vervolgonderwijs bij met name de vorming
van een visie van de regio op het onderwijsaanbod, als onderdeel van een regionale
samenwerkingsovereenkomst, wettelijk wordt vastgelegd. Tevens wordt de positie
van de provincie in de samenwerkingsovereenkomst wettelijk geregeld wat betreft
haar inbreng bij de aansluiting op het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt,
de zorgstructuur, de bereikbaarheid en de doelmatigheid. In dezelfde lijn
wordt een versterking van de medezeggenschap (w.o. de positie van de ouders)
nagestreefd, ter verbetering van de aansluiting; dit zal bij de wijziging
van de WMO voor het voortgezet onderwijs nader worden uitgewerkt.
Procedureel
De toezeggingen in het Algemeen Overleg op 17 december 2003 zijn
als volgt nagekomen:
– de uitwerkingsnotitie ontvangt u samen met deze brief;
– eerder is door mij in de Kamer mondeling aangegeven, dat het wetsvoorstel
flexibilisering scholenbestand zou worden ingetrokken; de intrekking is gepubliceerd
in de Staatscourant van 14 december 2004;
– de informatie over schoolkeuzemotieven is u verstrekt in mijn
brief van 16 maart 2004, kenmerk (28 504, nr. 15)
Ik zie een overleg met u over de notitie graag tegemoet.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. J. A. van der Hoeven