nr. 4
VERSLAG
Vastgesteld 1 oktober 2002
De vaste commissie voor Economische Zaken1,
belast met het voorbereidend onderzoek naar bovengenoemd wetsvoorstel, heeft
de eer de regering de navolgende vragen en opmerkingen voor te leggen.
Onder het voorbehoud dat de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam
zijn beantwoord acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennis genomen van bovengenoemd
wetsvoorstel. In de memorie van toelichting geeft de regering aan, dat enige
tijd gewacht is met de indiening van het onderhavige wetsvoorstel omdat zij
wilde wachten op mogelijke verdere kleine aanpassingen in de Mededingingswet,
onder andere als gevolg van de evaluatie van deze Wet. Waarom, zo vragen deze
leden, komt de regering op dit moment wel met deze wijziging? Zij zijn niet
overtuigd van het feit dat er in de nabije toekomst geen verdere wijzigingen
in de Mededingingswet te verwachten zijn. Zeker nu er al zo lang gewacht is
met de wijziging van het wetsvoorstel, en inmiddels de evaluatie van de wet
beschikbaar is, zou het volgens deze leden wellicht beter zijn deze wijzigingswet
te betrekken bij een eventuele omvangrijkere aanpassing van de Mededingingswet.
De leden van de VVD-fractie hebben met groeiende irritatie kennis genomen
van dit wetsvoorstel. Daarbij werd de irritatie niet zozeer veroorzaakt door
de inhoud van het wetsvoorstel als wel door de praktisch onleesbare memorie
van toelichting. De verwijzing naar een grote hoeveelheid artikelen van andere
wet- en regelgeving, zonder die artikelen in een bijlage toe te voegen of
anderszins weer te geven maakt een en ander zoals gezegd zeer moeilijk leesbaar.
Afgezien van dit redactionele bezwaar hebben de leden van de VVD-fractie met
belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. In grote lijnen kunnen
zij er mee instemmen. Er resten hen slechts enkele vragen.
In het kader van de evaluatie van de Mededingingswet vragen de leden van
de CDA-fractie naar een nadere aanduiding van de omschrijving «zullen
de resultaten van de evaluatie in mei van dit jaar beschikbaar komen».
Welk jaar wordt hier bedoeld, aangezien het wetsvoorstel in juli 2002 is ingediend?
Op welke wijze, zo vragen de leden van de CDA-fractie, kan de voorliggende
wetswijziging een bijdrage leveren aan de wens van de regering «dat
de NMa haar inzet op het gebied van de handhaving van de Mededingingswet fors
intensiveert»?
De bevoegdheid tot het intrekken van een EG-vrijstelling wordt krachtens
dit wetsvoorstel toegekend aan de Raad van Bestuur van de NMa. Welke invloed
heeft het aanhouden van het wetsvoorstel inzake de omvorming van de NMa tot
een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) (27 639) op het onderhavige wetsvoorstel?
Acht de regering het toekennen van een dergelijke vergaande bevoegdheid –
het afwijken van een EG-verordening – behorend tot de gangbare competentie
van een ZBO? De leden van de CDA-fractie hechten belang aan de mogelijkheid
voor de Tweede Kamer controle uit te oefenen op beslissingen, die afwijken
van geldende EG-regelgeving. Kan de regering aangeven op welke wijze deze
controle kan plaatsvinden indien de bevoegdheid tot het intrekken van vrijstellingen
bij een ZBO komt te liggen?
De regering verwijst in de memorie van toelichting naar andere soorten
mededingingsafspraken, waarvoor in EG-vrijstellingsverordeningen een vergelijkbare
ontheffingsmogelijkheid is opgenomen. Kan de regering aangeven welke concrete
verordeningen zij op dit punt kent dan wel verwacht? Kan de regering het belang
van de genoemde termijnen in artikel II aanduiden, zo vragen de leden van
de CDA-fractie, nu de regering het voorstel heeft gedaan de Tijdelijke Referendumwet
in te trekken?
In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het denkbaar is, «dat
er ook voor andere soorten mededingingsafspraken EG-vrijstellingsverordeningen
zullen worden vastgesteld die een mogelijkheid bevatten dat de nationale autoriteit
toch weer art 81.1 van toepassing verklaart». De leden van de VVD-fractie
willen graag een nadere aanduiding van de regering aan welke mogelijkheden
hier moet worden gedacht. Voorts vragen de leden van de VVD-fractie waarom,
mede gezien de argumentatie met betrekking tot dit wetsvoorstel op dit moment,
op basis van dezelfde argumentatie een dergelijk wetsvoorstel niet eerder
aan de Tweede Kamer is aangeboden.
Tenslotte, de leden van de VVD-fractie respecteren het subsidiariteitsbeginsel,
maar tegelijkertijd vragen zij of alle Europese landen van de hen in dit verband
geboden mogelijkheid gebruik zullen maken. Waarom wordt niet toch aan een
algemeen geldende Europese regel de voorkeur gegeven; en indien niet alle
landen de hier geboden mogelijkheid gebruiken rijst de vraag waarom niet,
alsmede de vraag of daardoor situaties kunnen ontstaan met een ongewenste
uitstraling naar Nederland.
De voorzitter van de commissie,
Timmermans
De griffier van de commissie,
Tielens-Tripels
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Verbugt (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (ChristenUnie),
B.M. De Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van den Doel (VVD), Netelenbos (PvdA),
Van Hoof (VVD), Timmermans (PvdA), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter,
Atsma (CDA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Hoogendijk (LPF), T.
De Graaf (LPF), Eberhard (LPF), Jense (LN), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst
(CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Stuger (LPF), Van Fessem (CDA) en Algra
(CDA).
Plv. leden: Klein Molekamp (VVD), Bakker (D66), Dijksma (PvdA), Van der
Vlies (SGP), Hofstra (VVD), Bos (PvdA), Blok (VVD), Koenders (PvdA), Van Beek
(VVD), Tichelaar (PvdA), Van Dijk (CDA), vacature CDA, Van Gent (GroenLinks),
vacature CDA, Varela (LPF), Smulders (LPF), Wiersma (LPF), Teeven (LN), Vos
(GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Wit (SP), Zeroual
(LPF), De Haan (CDA) en vacature CDA.