28 269
Wijziging van de Uitkeringswet gewezen militairen

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging van de Uitkeringswet gewezen militairen.

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

21 maart 2002

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een modernisering van het diensteindestelsel voor militairen, zoals dat is vastge legd in de Uitkeringswet gewezen militairen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Uitkeringswet gewezen militairen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, komt te luiden:

1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze minister: Onze Minister van Defensie;

b. ontslag: een ontslag, verleend aan een beroepsmilitair, «reservist onbepaald verband» of «reservist kort verband» in de zin van de Algemene militaire pensioenwet,

1°. ter zake van het bereiken of overschrijden van de bij of krachtens artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 geldende ontslagleeftijd;

2°. ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 50 jaren, wanneer hij naar Ons oordeel of naar het oordeel van Onze Minister in verband met zijn leeftijd voor het vervullen van de dienst niet meer ten volle geschikt is en de onder 1° bedoelde ontslagleeftijd nog niet heeft bereikt;

3°. ter zake van het bereiken of overschrijden van een bij koninklijk besluit vastgestelde tijdelijk geldende andere leeftijd;

4°. ter zake van een wisseling van betrekking, bedoeld in onderdeel c, onder 3°;

c. gewezen militair:

1°. hij aan wie een ontslag in de zin van deze wet is verleend en behoort tot diegenen:

a. voor wie de ontslagleeftijd met ingang van 1 januari 2006 bij of krachtens artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 is gewijzigd, dan wel

b. die zich op of na 1 januari 2001 hebben verbonden tot het onmiddellijk vrijwillig nadienen na de ontslagleeftijd voor een periode van ten minste twee jaren, een en ander met dien verstande dat onder a voor hen niet van toepassing is, zolang die periode niet is verstreken;

2°. anderen dan bedoeld onder 1° aan wie een ontslag in de zin van deze wet is verleend;

3°. hij, wiens betrekking als militair met ingang van een datum tussen 1 januari 2001 en 1 januari 2006, dan wel een door Onze Minister nader te bepalen datum is geëindigd, indien

a. die datum is gelegen binnen tien jaar vóór de in onderdeel a onder 1° bedoelde ontslagleeftijd,

b. die beëindiging van de betrekking is gevolgd door aanvaarding, dan wel aanvaarding en latere wisseling van dienstbetrekking dan wel werkzaamheden, bedoeld in artikel 5, vierde lid, met dien verstande dat

c. de onder b bedoelde dienstbetrekking dan wel werkzaamheden ten minste tot aan het bereiken van die ontslagleeftijd zijn aangehouden.

d. laatstelijk genoten bezoldiging:

1°. van de datum van het ontslag af tot aan het tijdstip, bedoeld onder 2°: de som van de bij het vaststellen van de pensioengrondslag voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen in beschouwing te nemen inkomsten en baten – in geld uitgedrukt –, waarop de gewezen militair op de dag voorafgaande aan zijn ontslag aanspraak had of zou hebben gehad, met dien verstande dat de vaste vergoeding voor extra beslaglegging voor de gewezen militair, bedoeld in:

a. onderdeel c, 1°, voor een percentage van 9,3 zal meetellen;

b. onderdeel c, 2°, buiten beschouwing wordt gelaten;

2°. van de datum af, waarop, indien de gewezen militair in dezelfde rang of stand en klasse in dienst was gebleven, de onder 1° bedoelde som, anders dan ten gevolge van wijziging in de voor bezoldiging geldende diensttijd, een ander bedrag zou hebben belopen: dat andere bedrag.

B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

De gewezen militair heeft met ingang van de dag waarop zijn ontslag is ingegaan recht op een maandelijkse uitkering, maar niet eerder dan zodra hij de in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, bedoelde ontslagleeftijd heeft bereikt.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd

1. In het eerste, derde en vierde lid wordt telkens na de zinsnede «Het bedrag van de uitkering» de zinsnede ingevoegd: , waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft.

2. Na het vijfde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, dat komt te luiden:

6. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, aanspraak heeft, is gelijk aan 73% van de laatst genoten bezoldiging.

D

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

1. De inkomsten die de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, geniet of gaat genieten in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag, ter zake waarvan de uitkering is toegekend, worden gedurende de eerste twee jaren, te rekenen vanaf de dag, waarop de uitkering is ingegaan of had kunnen ingaan, met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben, dan wel over de maand waarop deze inkomsten daarvoor in aanmerking kunnen worden gebracht. Deze verrekening geschiedt aldus, dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag, waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging overschrijdt.

2. Met arbeid of bedrijf, aangevangen met ingang van of na de dag, waarop het ontslag is ingegaan, wordt gelijkgesteld arbeid of bedrijf, aangevangen tijdens non-activiteit, vakantie-verlof of ander verlof of verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag. Onder ander verlof als bedoeld in de vorige volzin, wordt voor de toepassing van dit artikel mede begrepen de tijd van ontheffing uit de functie, als bedoeld in het Koninklijk besluit van 2 juni 1969, Stb. 231.

3. Wanneer de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, arbeid of bedrijf heeft aangevangen voor het tijdstip van zijn ontslag en na dat tijdstip uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, worden die inkomsten of die meerdere inkomsten in aanmerking genomen voor de toepassing van het eerste lid, tenzij deze aannemelijk maakt, dat die inkomsten, die meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag, in welk geval die inkomsten, die meerdere inkomsten of dat gedeelte daarvan niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het eerste lid.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als inkomsten aangemerkt hetgeen is verkregen uit dienstbetrekking bij het Ministerie van Defensie of door werkzaamheden die zijn voorbehouden aan:

a. personeel ter zake van het geven van feitelijk onderricht in de onderwijssector;

b. medisch en paramedisch personeel voor het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zorgsector;

c. executief politie- dan wel douanepersoneel.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt een uitkering krachtens deWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid.

6. Onverminderd het vierde en vijfde lid stelt Onze Minister nadere regelen voor hetgeen bij de toepassing van dit artikel al dan niet als inkomsten wordt begrepen. Daarbij kan Onze Minister bij ministeriële regeling tevens:

a. de in het vierde lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde beroepsgroepen nader duiden;

b. voor gevallen of groepen van gevallen een termijn, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag bepalen, waarover ten minste arbeid of bedrijf, als bedoeld in het derde lid, moet zijn verricht of uitgeoefend.

7. In naar het oordeel van Onze Minister bijzondere gevallen, waarin toepassing van dit artikel voor het aanmerken als inkomsten en de berekening daarvan tot een onredelijke uitkomst zou leiden, kan hij van het bepaalde in dit artikel ten gunste van de gewezen militair afwijken.

E

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de woorden «gewezen militair» ingevoegd:, die een uitkering geniet, waarop een vermindering kan worden toegepast als bedoeld in artikel 5,.

2. In het tweede en derde lid wordt telkens na de woorden «gewezen militair» ingevoegd:, bedoeld in het eerste lid.

ARTIKEL II

De artikelen 1, eerste lid, onderdeel d, en 3 van de Uitkeringswet gewezen militairen, zoals deze op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet luidden, blijven op de gewezen militair die op die dag aanspraak had op een uitkering ingevolge die wet van toepassing, totdat de eerste 60 maanden nadat de uitkering is ingegaan zijn verstreken.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Defensie,

Naar boven