28 248
Onregelmatigheden bekostiging in het (hoger) onderwijs

nr. 17
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 juni 2002

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 bestond de behoefte over de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 9 april 2002 ter aanbieding van het rapport van de Taskforce Rekenschap «Kwetsbaarheden bekostiging onderwijs» en de beleidsreactie daarop, (28 248, nr. 14) enkele vragen en opmerkingen aan de minister voor te leggen. De minister heeft de vragen beantwoord bij brief van 5 juni 2002. De brief van de minister en de vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Van der Vlies

De wnd. griffier van de commissie,

De Kler

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 5 juni 2002

1. Inleiding

U hebt mij in kennis gesteld van de behoefte binnen de Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen enkele vragen en opmerkingen aan mij voor te leggen over mijn brief van 9 april 2002 ter aanbieding van het rapport van de Taskforce Rekenschap «Kwetsbaarheden bekostiging onderwijs» en de beleidsreactie daarop. In bijlage 1 bij deze brief beantwoord ik, mede namens mijn ambtsgenoot van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de mij gestelde vragen.

Naast de concrete beantwoording van de vragen wil ik in deze brief graag van de gelegenheid gebruik maken om op drie onderwerpen afzonderlijk wat uitvoeriger in te gaan. Het betreft:

– reden en doel van de aanpak intern onderzoek bij de instellingen voor BVE, HBO en WO;

– procesbeschrijving/tijdplanning van het onderzoek;

– de relevante feiten en signalen uit de afgelopen jaren («feitenoverzicht»).

2. Reden en doel van de aanpak intern onderzoek bij de instellingen voor BVE, HBO en WO

In mijn brief van 4 maart jl. en de brief van 12 maart jl. van mijn ambtgenoot van LNV en mij aan de Tweede Kamer heb ik aangegeven wat de reden voor en het doel van het onderzoek zijn. In de kern is de reden dat de in februari 2002 bij enkele HBO-instellingen geconstateerde onregelmatigheden de goede naam van het HBO en het vertrouwen in deze sector hebben geschaad en dat in de publieke beeldvorming dit ongewild op de sectoren BVE en WO afstraalt. Er is toen – d.m.v. de aanpak intern onderzoek – gekozen voor een krachtige aanpak om ongewilde negatieve imagovorming te voorkomen en ontstane negatieve imagovorming te herstellen. Alle instellingen zijn d.m.v. deze aanpak in de gelegenheid om hun wijze van omgaan met de gebruiksruimte van de bekostiging te melden. Tevens biedt deze aanpak de instellingen een beheersbaar en bestuurlijk kader om eventueel misbruik of oneigenlijk gebruik te melden.

De keuze voor deze aanpak intern onderzoek is gemaakt tegen de achtergrond van de mijns inziens niet wenselijke alternatieven van een forensisch (dus intensief en langdurig) onderzoek over de volle breedte van de drie velden aan de ene kant en aan de andere kant een aanpak waarbij uitsluitend wordt gereageerd op binnenkomende signalen over fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik.

Graag benadruk ik dat de gekozen bestuurlijke aanpak tegelijkertijd waarborgen omvat voor onafhankelijkheid en volledigheid betreffende de controle op alle instellingen. Ik licht dat toe.

In de eerste plaats zal de Algemene Rekenkamer een review van het proces en de uitkomsten daarvan geven. De Rekenkamer zal in dit kader, maar ook op basis van het verzoek van uw Kamer, eigen onderzoek kunnen doen. Voorts is het van belang erop te wijzen dat de departementale Accountantsdienst in het kader van deze aanpak en in het kader van het vervolg daarop drie soorten onderzoek zal doen. Het eerste type onderzoek beoogt de validiteit van de beantwoorde vragenlijsten te bewerkstelligen en betreft in ieder geval ook steekproeven bij die instellingen die geen bijzonderheden hebben gemeld bij het invullen van de vragenlijsten. Het tweede type onderzoek beoogt het feitelijk vaststellen van eventuele onregelmatigheden bij instellingen ten aanzien waarvan naar aanleiding van de ingevulde vragenlijsten twijfel bestaat, dan wel dat de instelling zelf onregelmatigheden heeft gemeld. Het derde type onderzoek maakt deel uit van de aangekondigde revitalisering van de ATC-cyclus (Accountability, Toezicht en Control), in het kader waarvan een aanscherping en intensivering van de controle van alle instellingen past. Aan die aangescherpte en geïntensiveerde controle zullen alle instellingen in de komende periode onderworpen worden.

3. Procesbeschrijving en tijdplanning van het intern onderzoek

In de kern kan het proces van het intern onderzoek als volgt worden beschreven:

– De vragenlijsten zijn op 12 maart 2002 aan de instellingen gezonden

– De beantwoording dient binnen zes weken plaats te vinden.

– Na binnenkomst van de ingevulde vragenlijsten checken de velddirecties (BVE, HBO en WO) op volledigheid en juiste ondertekening.

– Daarna voert de Accountantsdienst een proces van verificatie en validatie van het ontvangen materiaal uit. Doel: bepalen van de betrouwbaarheid en volledigheid van het ontvangen materiaal. Bij twijfel vindt aanvullend onderzoek plaats. Daarnaast wordt steekproefsgewijs ook onderzoek gedaan bij instellingen die geen bijzonderheden hebben gemeld, dit met het oog op het bewerkstelligen van de validiteit van de aanpak.

– Vervolgens pleegt de directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ) een juridische toets. Het betreft een inhoudelijk oordeel over de beantwoording van de vragen, met het oogmerk om vast te stellen wat groen, rood of oranje is. Groen: niet in strijd met letter of geest van de wet. Rood: wel in strijd met letter of geest van de wet. Oranje: onduidelijk of wel of niet in strijd met letter of geest van de wet.

– De onafhankelijke Commissie van Deskundigen geeft een advies aan de minister over de bevindingen van de directie WJZ en over de categorie «oranje». De commissie krijgt overigens alle onderzoeksresultaten, dus ook die van de categorieën groen en rood.

– Op basis van mijn bevindingen uit het voorgaand beschreven proces en op basis van het advies van de Commissie bepaal ik mijn standpunt betreffende de te volgen handelwijze ten aanzien van individuele instellingen en rapporteer ik de Kamer.

– Uiterlijk zes weken daarna publiceert de Algemene Rekenkamer zijn rapport behelzende de door mij gevraagde review en de resultaten van het door de Kamer verzochte onderzoek.

Alle vragenlijsten zijn op tijd ontvangen. Op dit moment is het beoordelingsproces in de fase van de verificatie en validatie door de Accountantsdienst. Wat betreft de tijdplanning kan ik melden dat ik – zoals ik heb aangegeven in het Algemeen overleg op 19 en 20 maart jl. – uitga van rapportage aan de Kamer over de resultaten van de aanpak intern onderzoek in september 2002. Een precieze planning is daarvoor echter niet te geven, omdat niet exact is te bepalen wat het tijdsbeslag per fase zal zijn. Wel ben ik mij er terdege van bewust – zonder op enigerlei wijze af te doen aan mijn actieve inzet in dezen – dat zorgvuldigheid en precisie in de aanpak en beoordeling in deze fase meer gewicht in de schaal moeten leggen dan snelle voortgang alleen. Daar komt ook bij dat mijn inzet erop gericht is om zo spoedig mogelijk een totaalbeeld te geven van de bevindingen van het onderzoek, omdat een goede beoordeling van onderdelen het best kan plaatsvinden vanuit kennis van het geheel.

4. De relevante feiten en signalen uit de afgelopen jaren

In de vragen wordt wederom aandacht besteed aan een onderwerp dat wij in het Algemeen Overleg en in het plenaire debat uitvoerig hebben besproken: alle relevante feiten en signalen uit de afgelopen jaren m.b.t. fraude en oneigenlijk gebruik, in vraag 8 aangeduid als «feitenoverzicht vanaf de start van deze kabinetsperiode». De motie Hamer c.s (28 248, nr. 7) heeft hierop betrekking. Ik hecht eraan in deze brief afzonderlijk op dit onderwerp in te gaan. Ik heb in het plenaire debat aangegeven deze motie te zullen uitvoeren. Teneinde daarover mogelijke misverstanden te vermijden, is het van belang te melden dat de motie impliceert dat ik de Algemene Rekenkamer alle door de Rekenkamer gevraagde informatie zal geven, daaronder vanzelfsprekend begrepen alle mij bekende relevante feiten en signalen, maar dat ik niet in staat ben om zonder gerichte vragen van de Rekenkamer te bepalen wat ik tot een dergelijk feitenoverzicht zou moeten rekenen. Gelet op de herhaald daarover gestelde vragen vanuit de Kamer, heb ik de Rekenkamer verzocht dit onderdeel van zijn werkzaamheden zoveel mogelijk in de tijd naar voren te halen.

Ik zal het materiaal dat ik ter zake aan de Rekenkamer geef ook ter beschikking stellen voor informatie aan de Kamer.

5. Aanbevelingen Taskforce

In de vragen wordt ook ingegaan op mijn voornemen zeer spoedig een deel van de voorstellen van de Taskforce door middel van een wetsvoorstel over te nemen. Gevraagd wordt waarom ik hiermee niet wacht totdat de Algemene Rekenkamer aan u heeft gerapporteerd. Ik constateer echter dat de Taskforce voor de korte termijn een aantal aanbevelingen doet die, los van de uitkomsten van het onderzoek bij de instellingen, nu al kunnen worden overgenomen, omdat ik ze zie als «no-regret» maatregelen, die in ieder geval genomen moeten worden. Juist daarom kunnen deze maatregelen naar mijn mening niet wachten.

6. Ten slotte

Als bijlagen voeg ik bij deze brief, naast de beantwoording van de gestelde vragen (bijlage 1), ook ter informatie de brief aan de instellingen betreffende het proces van de aanpak intern onderzoek (bijlage 2)1 en de opdrachtbrief aan de Commissie van deskundigen (bijlage 3)1

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

BIJLAGE

Vragen en opmerkingen van leden van de PvdA-fractie

1

In zijn begeleidende brief meldt de minister dat hij de voorstellen van de Taskforce Rekenschap overneemt. Kan de minister concreter aangeven welke maatregelen hij dan gaat nemen en welke aanpassingen hij wil doen voor de korte termijn? Betekent de mededeling dat hij de voorstellen nu gaat overnemen, dat er met de uitvoering van de voorstellen niet wordt gewacht op het oordeel van de Algemene Rekenkamer? Deze leden zijn van mening dat volledige uitvoering pas ter hand kan worden genomen als er meer zicht is op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer over de oorzaken van het oneigenlijk gebruik van regelgeving.

In mijn brief van 9 april 2002 schrijf ik dat ik de analyse van de Taskforce deel en dat ik de aanbevelingen en adviezen overneem. Voorts maak ik onderscheid tussen de korte, middellange en langere termijn. De Taskforce doet voor de korte termijn voorstellen in hoofdstuk 6. De uitvoering van die concrete voorstellen heb ik inmiddels ter hand genomen. Waar het de bekostigingssystematiek betreft gaat het om maatregelen die beogen de mogelijke kwetsbaarheden te reduceren. Ik beschouw dit als «no regret» maatregelen. Ik ben voornemens spoedig een wetsvoorstel ter zake aan de Kamer te zenden. Waar het het stelsel van accountability, toezicht en controle (ATC) betreft gaat het eveneens om maatregelen die op korte termijn de werking van het ATC-stelsel kunnen versterken.

Wat betreft de middellange termijn heb ik mijn brief van 9 april 2002 expliciet vermeld dat ik mijn maatregelen zal laten aansluiten bij de resultaten van het nu lopende onderzoek en bij de review die de Algemene Rekenkamer daarop uitvoert. Op de uitkomsten van onderzoek en review wil ik – anders dan in de vragen wordt verondersteld – niet vooruitlopen. Bovendien heb ik in mijn brief gemeld dat zodra een onderbouwd beeld ontstaat van aard en omvang van eventueel misbruik, of oneigenlijk gebruik, ik de Kamer zal laten weten welke inhoudelijke aanpak ik daaraan precies wil verbinden.

Met deze benadering beoog ik dus op geen enkele wijze de review van de Algemene Rekenkamer te negeren, dan wel het Rekenkamerrapport vóór te zijn. Ik wil verder opmerken dat zowel het Taskforce rapport als mijn maatregelen voor de korte termijn volledig inzichtelijk zijn voor de Algemene Rekenkamer.

2

Op basis waarvan komt de heer van Lunteren, voorzitter van de Taskforce Rekenschap, tot de conclusie dat de huidige aanpak in beginsel toereikend is? Hoe verhoudt zich dit tot de conclusie van de minister in zijn nader antwoord op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen nr. 433, vergaderjaar 2001–2002) dat er een cultuur op de instellingen lijkt te zijn ontstaan waarbij het er op lijkt dat alles wat niet expliciet verboden is, is toegestaan, ook als de aard van de regelgeving een andere intentie heeft? Hoe kan de huidige aanpak van controle en bekostiging in beginsel toereikend zijn als het ministerie aangeeft het strategische en/of oneigenlijk gedrag niet op het spoor te zijn gekomen? Deze leden zijn van oordeel dat in een toereikende aanpak mogelijk oneigenlijk gebruik, maar ook ongewenst strategisch gedrag door instellingen via controle van inspectie en accountants boven tafel had moeten komen. Uit het feit dat dit niet is gebeurd, moeten deze leden constateren dat de aanpak niet toereikend is geweest. Dat kan niet alleen een kwestie van meer samenwerking van actoren zijn, zoals de minister in zijn begeleidende brief stelt. Dit vraagt ook om een aanpassing in de aanpak van de controle en het toezicht. De leden van de PvdA-fractie hechten eraan deze aanpassingen mede te baseren op het onderzoek van de Algemene Rekenkamer.

Op basis van een beoordeling van de opzet van het stelsel van Accountability, Toezicht en Controle (ATC) komt de heer van Lunteren, voorzitter van de Taskforce, tot de conclusie dat een in beginsel toereikend stelsel tot stand is gekomen. De Algemene Rekenkamer kwam in januari 2000 tot hetzelfde oordeel (zie stuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2000–2001, 27 656, nrs. 1–2, blz. 29). Het gaat dus niet om het stelsel zelf, maar om de uitvoering ervan. Zoals ik in mijn brief schrijf zijn mijn departement en ik de afgelopen maanden indringend geconfronteerd met het gegeven dat een aantal zaken verder verbeterd moeten worden. Daarop is mijn beleid dan nu ook nadrukkelijk gericht, waarbij vanzelfsprekend het onderzoek van de Algemene Rekenkamer een belangrijke rol zal spelen.

De veranderingen die de departementsleiding het afgelopen jaar in gang hebben gezet betreffen – in het kader van een breder verandertraject – de versterking van de planning en controlcyclus en de herinrichting van de departementale financiële functie. De aanbevelingen van de Taskforce en de bevindingen van de Algemene Rekenkamer zullen bij de verdere invulling uiteraard een belangrijke rol spelen.

3

Wat is er nieuw aan de constatering van de heer van Lunteren dat het einde van de sturingsmogelijkheden van het huidige bekostigingssysteem in zicht is? Wat bedoelt de minister met zijn opmerking dat de voorbereiding en invoering van een nieuw bekostigingssysteem moet worden voortgezet? Is er sprake van geweest dat deze voorbereiding zou worden gestaakt? Met de Tweede Kamer was toch al afgesproken dat er een nieuw bekostigingsysteem voor HBO en WO zou komen? De leden van de PvdA-fractie willen graag inzicht hebben in de stand van zaken omdat de afspraken hierover ten tijde van het regeerakkoord zijn gemaakt. Zij zijn buitengewoon teleurgesteld over het feit dat de minister niet in staat is geweest tot een voorstel te komen voor adequate financiering (hoeveelheid geld per student) met nieuwe bekostigingsparameters voor het hoger onderwijs en dat de verschillende moties die door de leden van de PvdA-fractie zijn ingediend en door de Kamer zijn aangenomen, tot nu toe niet zijn uitgevoerd c.q. tot resultaat hebben geleid.

De voorbereiding van een nieuw bekostigingsysteem voor het HBO of WO is niet gestaakt. De berichten over fraude en de rapportage van de heer van Lunteren zijn voor mij juist aanleiding om extra aandacht te schenken aan de eisen die aan een nieuw bekostigingsysteem moeten worden gesteld met betrekking tot de onderwijsinspanning van de instelling en de accountability, het toezicht en de controle. Ik ben met de HBO-Raad en de VSNU in overleg over wijzigingen van de bekostiging, die tot gevolg hebben dat beide bekostigingsstelsels naar elkaar zullen toe groeien. Met de HBO-Raad voer ik bestuurlijk overleg over het bekostigingsmodel op basis van behaalde punten. Ten aanzien van een adequate financiering van het hoger onderwijs heb ik u reeds met mijn brief van 29 januari 2002 gemeld dat er een onderzoekt loop naar een « realistische» prijs per student in het HBO. Zodra dit onderzoek is afgerond zal ik u over de resultaten daarvan informeren.

4

Op welke veranderingen van de departementsleiding doelt de minister als hij het heeft over de werkwijze van professionele ondersteuning van het ministerie van de instellingen? Kan de minister concreter aangeven wat er nu gaat wijzigen in de aanpak op het departement? Is de minister niet met deze leden van mening dat – gelet op de vraagstelling van de Tweede Kamer aan de Algemene Rekenkamer – het gepast is eerst de bevindingen van de Algemene Rekenkamer af te wachten? Welke veranderingen vindt de minister los daarvan zo noodzakelijk dat deze op zeer korte termijn ingevoerd moeten worden? Betekent dit dat een en ander op dit moment onvoldoende is geregeld?

Zie het antwoord op vraag 2

5

De leden van de PvdA-fractie hebben tijdens het overleg in de Kamer gemeld geen behoefte meer te hebben aan de door de minister voorgestelde commissie ter beoordeling van het zelfonderzoek van de instellingen, omdat de Kamer de Algemene Rekenkamer gevraagd heeft een onafhankelijk onderzoek te verrichten. Zij zijn daarnaast van mening dat de minister de samenstelling van de commissie niet gelukkig heeft gekozen, zowel wat betreft het aantal als wat betreft de personen. Uiteraard respecteren deze leden beide genoemde kandidaten zeer, maar zij moeten constateren dat beiden – respectievelijk als adviseur en als bestuurlijk en politiek verantwoordelijke – in het verleden een betrokkenheid hebben gehad bij het hoger onderwijs en het beroepsonderwijs. Als er al een commissie zou moeten komen, dan zou deze toch moeten bestaan uit mensen die op geen enkele wijze een betrokkenheid hebben gehad. Deze leden zijn van mening dat met de inwilliging van het verzoek van de Kamer door de Algemene Rekenkamer deze commissie inmiddels overbodig is. Zij verzoeken de minister dan ook van de instelling van de commissie af te zien.

De onafhankelijke Commissie van deskundigen vormt een belangrijk onderdeel van de aanpak van het interne onderzoek, waarover ik u heb geïnformeerd bij mijn brieven van 4 en 12 maart 2002. Ik betreur dat de PvdA-fractie geen behoefte heeft aan deze commissie, maar constateer dat in het proces van het intern onderzoek de Algemene Rekenkamer een andere rol dan de Commissie vervult. Voorts constateer ik – mede i.v.m. de vraag naar personen die de Commissie van deskundigen vormen – dat de Kamer in zijn verzoek aan de Algemene Rekenkamer tot een «onderzoek naar mogelijk oneigenlijk gebruik en misbruik van bekostigingsregelingen in het hoger onderwijs en de BVE-sector» (brief 3 april 2002) vraagt om een beoordeling van de positie en de onafhankelijkheid van de Commissie van deskundigen. De Rekenkamer heeft geantwoord dat in zijn rapport aandacht zal worden besteed aan de door de Kamer genoemde aspecten. Het lijkt mij goed het inzicht van de Rekenkamer in dezen af te wachten.

6

Kan de minister aangeven in welk stadium het zelfonderzoek van de instellingen is? De leden van de PvdA-fractie gaan er vanuit dat de Kamer de beschikking krijgt over het onderzoek op het moment dat dit aan de Algemene Rekenkamer ter beschikking wordt gesteld. Eerder heeft de minister aangegeven dat dit rond eind april beschikbaar zou zijn. Op welke termijn kan de Kamer de resultaten ontvangen?

Alle vragenlijsten zijn geretourneerd en door het departement beoordeeld op de formele aspecten (volledigheid, ondertekening etc.). De Accountantsdienst van mijn departement is nu bezig met de verificatie van de antwoorden.

In mijn inleidende brief treft u een beknopte beschrijving aan van het proces betreffende de behandeling van beantwoorde vragenlijsten. Ook de instellingen zullen hierover geïnformeerd worden. Omdat per fase niet eenvoudig is in te schatten welk tijdsbeslag hiermee gemoeid is, is ook geen goede totaalplanning te geven. Het feit dat het per fase nodig kan blijken aanvullende informatie te vragen, speelt daarin sterk mee. Mijn inspanning is er uiteraard op gericht om u zo snel mogelijk over de resultaten en mijn beoordeling daarvan te berichten.

7

Op welke wijze worden de medezeggenschapsorganen betrokken bij het zelfonderzoek? Is de minister op de hoogte van signalen dat de medezeggenschapsraden niet de kans krijgen bepaalde constructies aan de orde te stellen. Is de minister bereid de medezeggenschapsorganen erop te attenderen dat zij ook zelf de mogelijkheid hebben eventuele constructies te melden bij de Algemene Rekenkamer of het ministerie?

De brief aan de instellingen met de vragen over het zelfreinigend onderzoek is gericht aan de colleges van besturen van de instellingen. De medezeggenschapsraden zijn niet rechtstreeks door mij benaderd. Ik heb uit de media vernomen dat er signalen zijn dat medezeggenschapsraden zouden worden gehinderd bij het melden van bepaalde constructies. Wanneer deze praktijken inderdaad blijken voor te komen dan keur ik dat ten sterkste af. Ik zal de medezeggenschapsraden er, via een brief aan de Colleges van Besturen, op attenderen dat zij eventuele constructies kunnen melden bij mijn ministerie.

8

In de motie Hamer c.s.( 28 248 nr. 7) is gevraagd om, ten behoeve van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer, een feitenoverzicht vanaf de start van deze kabinetsperiode ter beschikking te stellen aan Algemene Rekenkamer en Tweede Kamer. Tot op heden heeft de Kamer dit feitenonderzoek niet ontvangen. De leden van de PvdA-fractie hechten eraan dit feitenonderzoek nu zo spoedig mogelijk te ontvangen.

Zoals ik al eerder heb aangegeven, zal ik de motie Hamer en c.s. 28 248 nr. 7) uitvoeren. In de motie wordt verzocht om alle relevante feiten en signalen uit de afgelopen jaren aan de Algemene Rekenkamer ter beschikking te stellen, zodat de Rekenkamer deze kan meenemen bij zijn onderzoek. Ik zal dit doen, en ik zal deze ook aan de Kamer ter beschikking stellen. Overigens moet ik daarvoor de eventuele nadere vragen van de Rekenkamer afwachten. Ik ben bereid het met de beantwoording daarvan gemoeide feitenmateriaal ook gelijktijdig ter beschikking te stellen voor uw Kamer.

9

In de brief bij de beantwoording van vragen naar aanleiding van amendementen en moties bij de onderwijsbegroting meldt de minister dat, ondanks de groei in de studentenramingen, het HBO geen extra middelen ontvangt. Kan de minister de Kamer een overzicht doen toekomen van de ontwikkeling in de studentenramingen van de afgelopen vier jaar en de compensatie aan de instellingen voor de groei van de studentenaantallen?

Het lijkt de leden van de PvdA-fractie redelijk dat, als er nu geen compensatie voor de groei ter beschikking wordt gesteld in afwachting van het onderzoek, dit bij de volgende onderwijsbegroting – op basis van de onderzoeksgegevens – zo nodig alsnog zal gebeuren. Dit te meer omdat het HBO al eerder mogelijk ten onrechte is gekort vanwege onduidelijkheden over de ontwikkelingen in de studentenaantallen (wel of niet minder meer studenten). Deelt de minister deze opvatting?

Het door u gevraagde overzicht over de ontwikkeling van de studenten ramingen en de compensatie over de afgelopen vier jaar treft u hierbij aan in bijlage 1. Ten aanzien van uw vraag of in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek bij de volgende begroting het HBO zal worden gecompenseerd voor de groei van het aantal studenten, verwijs ik u naar mijn brief van 25 april jl. aan de Tweede Kamer, kenmerk HBO/FI/2002/15 302 inzake compensatie volume stijging HBO.

10

Wat gaat de minister nu feitelijk ondernemen om studenten die het risico lopen de via O&O opgezette opleidingen niet te kunnen afronden, toch deze kans te geven?

Ten aanzien van deze vraag verwijs ik naar de afzonderlijke brief die ik u op 18 april 2002. over deze kwestie heb doen toekomen.

Opmerkingen van leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het rapport van de Taskforce Rekenschap. De Tweede Kamer heeft een onafhankelijk onderzoek gevraagd van de Algemene Rekenkamer. Dit rapport vormt een onderdeel van dit onafhankelijk onderzoek. Na ommekomst van het rapport van de Algemene Rekenkamer zullen deze leden reageren.

Vragen en opmerkingen van leden van de CDA-fractie

11

Het valt de leden van de CDA-fractie op dat de minister van plan lijkt op verschillende terreinen conclusies te trekken en aanpassingen door te voeren nog voordat het onafhankelijk onderzoek van de Algemene Rekenkamer tot conclusies heeft geleid. Deze leden lijkt dit een weinig verstandige weg. In het belang van het veld zelf is het zaak in één keer tot goede, werkende aanpassingen te komen in plaats van nu aanpassingen te doen en deze, aan het eind van het onafhankelijk onderzoek eventueel alweer te moeten bijstellen. Onderschrijft, zo vragen genoemde leden zich af, de minister deze stellingname? Kan de minister garanderen dat de conclusies van de Algemene Rekenkamer zullen worden afgewacht? Zo nee, welke inhoudelijke argumentatie heeft de minister dan om dit niet te doen?

Zie het antwoord op vraag 1

12

Eén van de gevallen waarbij de minister het oordeel van de Algemene Rekenkamer niet lijkt te willen afwachten betreft de beoordeling van de voorstellen van de Taskforce Rekenschap. Kunnen we het feit dat de minister meldt dat hij deze voorstellen overneemt inderdaad zo interpreteren? Zo ja, op basis van welke overwegingen komt de minister dan tot het onderschrijven van deze voorstellen? Indien de minister toch voornemens is op de conclusies van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer te wachten, wat wordt dan bedoeld met de opmerking dat de voostellen worden overgenomen?

Zie het antwoord op vraag 1

13

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat aanpassingen in de aanpak van controle en toezicht op hun plaats lijken. Dit vanwege het feit dat jarenlang oneigenlijk gebruik van regelingen door sommige instellingen niet via controle van inspectie en accountants is ontdekt, hetgeen volgens genoemde leden wel had moeten gebeuren. In dit licht bezien komt de conclusie van de heer van Lunteren dat de huidige aanpak in beginsel toereikend is vreemd op deze leden over. Op basis waarvan komt de heer van Lunteren tot deze conclusie? En op basis waarvan stelt de minister in zijn begeleidende brief dat het ontoereikend werken van toezicht en controle alleen een zaak van meer samenwerking van actoren is? Deze leden zijn van mening dat aanpassingen in de aanpak van toezicht en controle wel degelijk wenselijk lijken en dat voor de goede afweging over de gewenste aanpassingen de conclusies van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer dienen te worden meegenomen. Kan de minister deze leden toezeggen dat dit zal gebeuren?

Zie het antwoord op vraag 2

14

Betekent het feit dat de minister aangeeft dat hij op korte termijn tot aanpassingen wil komen dat de regering niet voornemens is de conclusies van de Algemene Rekenkamer af te wachten? Welke aanpassingen zal het hier betreffen en hoe kan de minister er afdoende zeker van zijn dat deze aanpassingen de juiste zijn als het onafhankelijk onderzoek nog niet is afgerond?

Zie het antwoord op vraag 1

15

De leden van de CDA-fractie vragen wat de minister bedoelt met de opmerking dat de voorbereiding en invoering van een nieuw bekostigingssysteem moet worden voortgezet? Was er reden om aan de wenselijkheid van de voortgang op dit vlak te twijfelen? Welke doelen stelt de minister zich ten aanzien van dit nieuw bekostigingsmodel? Deze leden zijn van mening dat in ieder geval met dit nieuwe systeem dient te worden bereikt dat de keuzevrijheid en flexibiliteit voor de studenten wordt vergroot, terwijl de toegankelijkheid en financiering van initiële opleidingen naar de toekomst toe wordt gewaarborgd, zowel voor de student (blijvende financiering nominale studieduur) als voor de instellingen (vast bedrag per student/geleverde studieprestatie). Genoemde leden vragen of de minister deze uitgangspunten onderschrijft. Zo ja, kan dan worden aangegeven op welke manier hij denkt aan deze uitgangspunten vorm te gaan geven? Zo nee, wat zijn dan de uitgangspunten voor de minister wat betreft het financieringssysteem van de toekomst?

Ten aanzien van de vragen over het bekostigingsmodel wordt verwezen naar vraag 3.

De door de leden van de CDA-fractie genoemde uitgangspunten worden door mij in principe gedeeld met dien verstande dat ik een afweging wil maken met andere doelstellingen zoals het bevorderen van een doelmatige besteding van door de overheid verstrekte middelen, het bevorderen van het numeriek rendement van het onderwijs door het hanteren van output-gerichte variabelen, het bevorderen van de kwaliteit en het garanderen van rechtszekerheid voor de instellingen in de vorm van een algemene berekeningswijze. Voorts meen ik dat voldaan moet worden aan randvoorwaarden zoals eenvoud en transparantie van het model, uitvoerbaarheid waaronder de aanwezigheid van eenduidige en controleerbare gegevens, die relatief weinig fraudegevoelig zijn en voorspelbaarheid van het middelenperspectief voor instellingen

16

De genoemde leden vragen wanneer het feitenoverzicht dat de minister in het debat over de HBO-fraude heeft toegezegd gereed zal zijn. Herinnert de minister zich de toezegging dat dit feitenoverzicht niet alleen aan de Algemene Rekenkamer zou worden toegezonden als bouwsteen voor haar onafhankelijk onderzoek, maar dat het gelijktijdig ook aan de leden van de Tweede Kamer zou worden toegezonden? Op welke termijn kunnen de leden van de CDA-fractie dit toegezegde feitenrelaas tegemoet zien?

Zie voor het antwoord op deze vraag mijn antwoord op vraag 8

17

Eén van de hoofdonderwerpen van het onafhankelijk onderzoek door de Algemene Rekenkamer zal de bestuurscultuur op het ministerie betreffen. Ook ten aanzien van dit onderzoeksonderwerp valt het op dat het erop lijkt dat de onderzoeksresultaten van de Algemene Rekenkamer niet worden afgewacht om tot beslissingen over ingrepen op het departement te komen. Is dit waar? Waarom worden ook hier de conclusies van het onafhankelijk onderzoek niet afgewacht? En indien de minister wel de conclusies wil afwachten, op welke veranderingen van de departementsleiding doelt de minister dan als hij het heeft over de werkwijze van professionele ondersteuning?

Kan de minister duidelijk uiteenzetten welke ideeën (incl. gepland tijdpad van introductie) er nu bestaan met betrekking tot het ingrijpen op het departement?

Zie het antwoord op vraag 1

Vragen en opmerkingen van leden van de D66-fractie

18

De minister kondigt in zijn reactie aan voornemens te zijn de korte termijn voorstellen van de Taskforce Rekenschap over te nemen. In de brief aan de Kamer valt te lezen dat «sommige daarvan betreffen het aanpassen van de bestaande bekostigingssystemen, andere strekken tot betere invoering van het stelsel van accountability, toezicht en controle.» Hoewel de leden van de fractie van D66 zeer goed begrijpen waar deze maatregelen op zijn gericht, vragen zij de minister hoe deze kortetermijnmaatregelen zich in de tijd en naar hun aard verhouden tot het lopende onderzoek naar fraude met en oneigenlijk gebruik van de bekostigingsregels? Is het gelet op het lopende onderzoek niet veel logischer om nu maar eerst de uitkomsten van het onderzoek af te wachten alvorens tot definitieve voorstellen voor wijziging van het bekostigingsstelsel over te gaan? Lijkt het er nu niet op dat de minister de uitkomsten van het Rekenkamerrapport vóór wil zijn?

Zie het antwoord op vraag 1

19

De minister meldt voorts dat hij de heren Cohen en Van Wieringen heeft benoemd in de onafhankelijke commissie die straks over grensgevallen zal moeten gaan oordelen. Zijn deze twee leden nu uiteindelijk voorgedragen door het veld, zoals eerder met HBO en WO was afgesproken? Waarom zijn het er slechts twee?

Is het wel gepast om een oud-staatssecretaris van onderwijs hiervoor te vragen? Is het wel wenselijk dat de voorzitter van de Onderwijsraad, die uit hoofde van zijn functie verwacht wordt onafhankelijk en ongevraagd te kunnen adviseren, voor een dergelijke ambtelijke «commissie» te vragen? Is er niet een toezegging van de minister in de richting van de leden van de D66-fractie gedaan dat het beter ware om de Onderwijsraad of leden van de Onderwijsraad niet steeds opnieuw als verlengde arm van het ambtelijk apparaat te gebruiken omdat dit de functie van de Onderwijsraad doorkruist?

Waarom heeft de minister gemeend toch over te moeten gaan tot het benoemen van een dergelijke commissie waar de Kamer zo expliciet heeft aangegeven het nut van een dergelijke commissie niet in te zien en weinig vertrouwen te hebben in een dergelijke commissie?

Zie beantwoording van vraag 5. Daarnaast merk ik op dat ik de Bve Raad, VSNU en HBO-Raad weliswaar de ruimte heb geboden kandidaten voor te dragen, maar niet om zo'n voordracht heb gevraagd. Bve Raad, HBO-Raad noch VSNU hebben ook zo'n voordracht gedaan.

20

De fractie van D66 delen mede dat onlangs vertegenwoordigers van de gezamenlijke medezeggenschapsraden in het HBO aan leden van de fracties van D66 en CDA hebben de laten weten dat zij over het algemeen slecht geïnformeerd worden over de gang van zaken met betrekking tot het zelfonderzoek en slechts gebrekkig inzicht krijgen in de beantwoording van de vragen die de minister aan de bestuurders van de hogescholen heeft gesteld met het doel inzicht te verschaffen in de «creatieve» financiële constructies die worden gebezigd om de bekostiging te optimaliseren. De leden van de fractie van D66 vragen de minister aan te geven welke rechten de medezeggenschapsraden in deze hebben en dit ook met de hogescholen en de medezeggenschapsraden te communiceren.

Voorts hebben de leden van de medezeggenschapsraden aan de leden van de Tweede Kamer laten weten onder druk gezet te zijn om vooral hun mond te houden en niet te persisteren in de door leden van de Medezeggenschapraden geuite wens om ook de financiële constructies die niet werden vermeld, maar waarvan wel het vermoeden bestond dat ze onrechtmatig dan wel oneigenlijk waren/zijn, door te geven aan het ministerie van OCenW. Daarbij werden de vertegenwoordigers van de medezeggenschapsraden er door de bestuurders nadrukkelijk op gewezen dat er een reële kans zou zijn dat de hogeschool dit geld terug zou moeten betalen als ook deze specifieke constructies vermeld zouden worden. De boodschap aan de medezeggenschapsraden is dus duidelijk: wie alles eerlijk en open wil vermelden is schuldig aan het feit dat de hogescholen straks zullen moeten terugbetalen. Dat lijkt dus op chantage. Hoe beoordeelt de minister deze gang van zaken? Is dit de eerste keer dat hij, lopende het onderzoek, stuit op onwil van de kant van bestuurders om met alle relevante feiten en gegevens op tafel te komen? Welke andere incidenten zijn nu reeds te vermelden? Tot welke actie van de kant van de minister gaat dit nu leiden? Kunnen de Kamer en de Rekenkamer op de hoogte worden gebracht van deze incidenten die getuigen van onwil? Kan er op deze manier nog wel vertrouwen bestaan in de uitkomst van dit deel van het onderzoek? De fractie van de PvdA vragen ook naar de rol van de medezeggenschap en vragen of de minister bereid is medezeggenschapsorganen er op te attenderen dat zij ook zelf de mogelijkheid hebben eventuele constructies te melden bij de Algemene Rekenkamer of het ministerie van OCenW.

Zie antwoord op vraag 7.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Fng. Voorzitter, Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), B.M. De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Atsma (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Vendrik (GroenLinks), Albayrak (PvdA), Mosterd (CDA), Van Ruiten (LPF), Bonke (LPF), Vergeer-Mudde (SP), Jense (LN), Tichelaar (PvdA), Bijlhout (LPF), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), J.M. De Vries (CDA), Azough (GroenLinks), Wijnschenk (LPF).

Plv. leden: Veling (ChristenUnie), Ferrier (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Dittrich (D66), Vacature (VVD), Vacature (VVD), Vacature (VVD), Vacature (PvdA), Hessels (CDA), Van Bochove (CDA), Vacature (PvdA), Vacature (CDA), Vacature (GroenLinks), Vacature (PvdA), Çörüz (CDA), Zeroual (LPF), Eberhard (LPF), Van Bommel (SP), Teeven (LN), Vacature (PvdA), Wiersma (LPF), Joldersma (CDA), Vacature (CDA), Halsema (GroenLinks), Hoogendijk (LPF).

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven