28 237
Voorlopige Rekening 2001

nr. 4
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 21 mei 2002

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft over de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 26 februari 2002 over de voorlopige rekening sociale zekerheid en arbeidsmarkt in 2001 (Kamerstuk 28 237, nr. 2) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd. De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 21 mei 2002. Vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier van de commissie,

Nava

1

Waarom is de aanvullende post SUWI niet volledig besteed?

De aanvullende post SUWI is voor een bedrag van 2,7 miljoen euro niet besteed omdat voor dat bedrag concrete (project)plannen ontbraken.

2

De grotere uitstroom uit de WAO wordt toegeschreven aan een grotere herstelkans die op haar beurt weer mede het gevolg is van een relatief groter aandeel instromers. Welke andere oorzaken dan genoemd, zijn er voor de grotere uitstroom uit de WAO verder aan te wijzen? Wat zegt dit over de tijdigheid en doelmatigheid van de keuringen?

In 2001 zijn er 5000 WAO-uitkeringen meer beëindigd dan in 2000. De stijging is volledig toe te schrijven aan een groter aantal herstelgevallen. De uitstroom door andere redenen (pensionering, overlijden etc.) is in 2001 vrijwel gelijk gebleven aan 2000. Naast de gevolgen van de hoge instroom van de afgelopen jaren spelen nog verschillende andere factoren een rol, zoals het geïntensiveerde reïntegratiebeleid, maar de effecten hiervan zijn moeilijk te isoleren.

Over tijdigheid en doelmatigheid van de herbeoordelingen kunnen op basis van de nieuwe uitstroomcijfers geen conclusies worden getrokken. Het aantal beëindigingen door herbeoordelingen is in 2001 gestegen want de hoge instroom van de afgelopen jaren leidt zowel tot relatief veel «spontane» herstelgevallen als tot relatief veel herstelgevallen na de eerstejaars herbeoordeling

3

Waarom slaat de tegenvaller in de premies volksverzekeringen in z'n geheel neer op de AOW?

De premietegenvaller bij de volksverzekeringen bedraagt € 0,6 miljard ten opzichte van de Najaarsbrief. Deze tegenvaller is volgens de gebruikelijke sleutels verdeeld over de AOW, Anw en Awbz en de desbetreffende bedragen zijn € 320 miljoen, € 26 miljoen respectievelijk € 279 miljoen. In de rapportage voorlopige rekening sociale zekerheid en arbeidsmarkt is alleen de premietegenvallers AOW en Anw vermeld, welke zijn afgerond op € 0,3 en € 0 miljard. De ontwikkelingen in de AWBZ zijn relevant voor de budgetdiscipline sector zorg.

4 en 5

Wat zijn de mogelijke oorzaken voor de tegenvaller (0,3 miljard euro) aan inkomsten premies volksverzekeringen?

Hoe verhouden de tegenvallende ontvangsten loon- en inkomstenbelasting (op basis van gegevens van de belastingdienst) en de hogere premieplichtige loonsommen (op basis van de januarinota van de UWV) zich tot elkaar?

Bij de loon- en inkomstenbelasting is sprake van een tegenvaller, terwijl er bij het Awf sprake is van een meevaller in de premiegrondslagen. De verklaring voor dit verschil in ontwikkeling hangt samen met de systematiek van de premieheffing van de loon- en inkomstenbelasting enerzijds en de premieheffing werknemersverzekeringen anderzijds. Hierover kan het volgende worden opgemerkt.

De premies volksverzekeringen worden door de belastingdienst gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting in de 1e en 2e schijf. De oorzaak van de premietegenvaller is in de voorlopige rekening 2001 op pagina 16 en 26 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 237, nr. 1) verklaard uit andere kaspatronen bij de belastinginning, afwijkende verwachtingen aangaande het proces van belastinginning of nieuwe inzichten omtrent de samenstelling van de economische groei. Hierbij geldt dat deze premieafdracht door de werkgevers achteraf op basis van de werkelijk betaald inkomen geschied. Andere economische ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld in de tweede helft van 2001, komen in deze afdracht direct tot uitdrukking. Het betreffen definitieve cijfers aangezien de premie-inkomsten in deze verzekeringen op zogenaamde één maandsverschoven kasbasis worden gemeten (dat is februari 2001 tot en met januari 2002).

De premieheffing werknemersverzekeringen, waaronder het Awf, wordt uitgevoerd door het UWV en geschiedt voor een groot deelvooraf op basis van voorschot. De premiegrondslag vormt het bruto loon voordat de belastingafdracht wordt berekend. De specifieke omstandigheden van de belastingdienst en de invoering van het fiscaal stelsel 21e eeuw (zoals bijvoorbeeld de heffingskortingen) zijn niet relevant voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Ook gewijzigde economische omstandigheden behoeven bij een heffingssystematiek vooraf op basis van voorschot niet direct tot uitdrukking te komen in deze afdracht. Er gelden dus specifieke omstandigheden voor beide heffingssystemen waardoor er enerzijds bij de loon- en inkomstenbelasting van tegenvallers sprake kan zijn en anderzijds er meevallers zijn gemeld wegens hogere premieplichtige loonsommen bij het Awf.

De meevallende premie-ontvangsten werknemersverzekeringen zijn voorts in de voorlopige rekening sociale zekerheid en arbeidsmarkt 2001 gebaseerd op informatie van het UWV in de zogenaamde januari-nota. Hierin is gemeld dat de premieontvangsten gunstig zijn beïnvloed door een hoge afdracht door de wachtgeldfondsen van wachtgeldpremiebaten over uitkeringen aan het Awf1. Tegenover deze meevaller staat dus een tegenvaller bij de wachtgeldfondsen. Het betreffen overigens voorlopige cijfers. De definitieve afrekening over 2001 moet nog plaatsvinden en kan leiden tot andere uitkomsten dan thans zijn gemeld. In de zogenaamde mei-rapportage zal het UWV hierover informatie verschaffen.

6

Waarom blijft het vermogen van de sociale fondsen afwijken van de norm die hiervoor is afgesproken?

De achtergronden omtrent de exploitatie- en vermogenspositie van de sociale fondsen zijn toegelicht in de Sociale Nota 2002 op pagina 149–151. Hierin is opgemerkt dat een premieverlaging gepaard zou gaan met lastenverlichting en een belasting van het EMU-saldo en EMU-schuld. Daarom vindt de besluitvorming over de premies en belastingen in onderlinge samenhang plaats tegen de achtergrond van het integrale lastenbeeld en de koopkracht- en loonkostenontwikkeling in een jaar. Een substantiele premieverlaging ter vermindering van de overschotten is binnen deze budgettaire kaders niet altijd haalbaar.

7

Hoe beoordeelt de Regering de wenselijkheid van een saldo van 7,4 miljard euro van het totaal van de sociale fondsen? Wat zijn de maatregelen die de Regering van plan is te nemen om het vermogenssaldo af te bouwen?

In de Sociale Nota 2002 is aangekondigd dat het kabinet dit vraagstuk nader zal onderzoeken.

8

Hoeveel meer Wajong-gerechtigden zijn er dan bij de najaarsbrief werd verwacht?

Het Wajong-volume is met 1500 uitkeringsjaren opwaarts bijgesteld. Het aantal uitkeringsjaren bedroeg in 2001 123700.

9

Hoeveel meer keuringen zijn verricht dan bij de najaarsbrief werd verwacht en in hoeverre is de achterstand in einde-wachttijd beoordelingen ingelopen?

Er zijn in 2001 172 000 einde-wachttijd keuringen verricht, een even groot aantal als verwacht ten tijde van de najaarsbrief. De achterstand in einde-wachttijd keuringen is in 2001 gedaald van 16 000 naar 9000. De daling van het aantal achterstandsgevallen is voornamelijk in de eerste helft van 2001 tot stand gekomen. De achterstand in herbeoordelingen is daarentegen juist in de laatste maanden van het jaar meer dan verwacht ingelopen.

10

Heeft de abusievelijk niet aan Arbeidsvoorziening uitgekeerde loon- en prijsbijstelling inmiddels wel plaats gevonden? Zo ja, ten laste van welk jaar wordt dit gebracht? Zo nee, gaat die nog plaatsvinden en heeft dat nog gevolgen voor het rapport-Koopmans?

De loon- en prijsbijstelling zal niet meer worden uitbetaald aan Arbeidsvoorziening. De beschikbare middelen zijn teruggevloeid naar de Algemene middelen. Het niet uitkeren van de loon- prijsbijstelling werkt evenwel via het exploitatieresultaat 2001 door in het (negatieve) liquidatiesaldo Arbeidsvoorziening, die vervolgens door het rijk wordt gedekt. Per saldo heeft het niet uitbetalen van de loon- en prijsbijstelling aan Arbeidsvoorziening geen gevolgen voor het beslag op de rijksmiddelen.

1

Hoe komt het dat de uitgaven voor de Abw zijn toegenomen terwijl in de Sociale Nota is aangegeven dat het aantal bijstandsgerechtigden daalt? Kunnen de uitgaven voor de Abw verder worden gespecificeerd?

De uitgaven voor de Abw hebben betrekking op de eindafrekeningen van gemeentelijke declaraties over de jaren voorafgaand aan 2001 (de overige bijstandsuitgaven staan op het artikel FWI). Er is derhalve geen verband tussen de toename van deze uitgaven ten opzichte van de Najaarsbrief en de ontwikkeling van het bijstandsvolume zoals aangegeven in de Sociale Nota. Een nadere uitsplitsing van de bijstandsuitgaven in 2001 zal worden gegeven in de Financiële Verantwoording 2001.

12

Zijn er op grond van de uitgaven voor de Abw concentratiegebieden van bijstandsgerechtigden aan te wijzen?

Het merendeel van de bijstandsuitgaven wordt gedaan door de grote steden. Ook relatief ten opzichte van het inwonertal zijn de bijstandsuitgaven in de grote gemeenten hoger dan in kleine gemeenten. Het bestaan van regionale concentratiegebieden van bijstandsafhankelijkheid is niet specifiek onderzocht.

Bij de ontwikkeling van het Objectief Verdeelmodel voor de bijstandsuitgaven, dat gebruikt wordt bij het vaststellen van de gemeentelijke FWI-budgetten, is nagegaan of er sprake is van een systematische concentratie van de bijstandsuitgaven in bepaalde regio's, die niet door objectieve factoren verklaard kan worden. Systematische afwijkingen van die aard zijn in dat onderzoek niet gevonden.

13

Gemeenten declareren lagere bedragen dan verwacht binnen het FWI. Wat is de ontwikkeling van de gemiddelde uitkering in de afgelopen jaren?

In onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van de gemiddelde bijstandsuitkering gegeven. Het gaat hierbij om Abw aan thuiswonenden jonger dan 65 jaar, inclusief toeslagen. De eerste reeks geeft de nominale ontwikkeling van de gemiddelde uitkering weer. Deze reeks is vergelijkbaar met de uitkeringsbedragen zoals die in de SZW-begroting worden vermeld.

De tweede reeks geeft de ontwikkeling weer van de gemiddelde uitkering in de SZW-begroting, gecorrigeerd voor loon- en prijsbijstellingen (de bijstandsbedragen worden conform de netto-netto-koppeling aangepast met de WKA-index).

Jaar199920002001
Nominale gemiddelde uitkering (bruto x € 1,–)9 1679 71911 041
Reële gemiddelde uitkering (x € 1,–), prijspeil 19999 1679 4519 615

Zowel in nominale als in reële termen laat de gemiddelde uitkering een stijgende trend zien. De forse stijging van de gemiddelde uitkering van 2000 op 2001 blijkt grotendeels veroorzaakt te worden door de loon- en prijsbijstelling. Die is hoger dan in de voorgaande jaren als gevolg van de invoering van het belastingstelsel 2001. In het nieuwe belastingstelsel is de wijze van belastingheffing op bijstandsuitkeringen in geval van bijverdiensten aangepast. Per saldo leidt dit tot een stijging van de bruto bijstandslasten in vergelijking met het oude belastingstelsel.

Een andere wijziging is de invoering van het FWI op 1 januari 2001. Met ingang van die datum worden de bijstandsuitgaven voor 100% verantwoord op de SZW-begroting. Voorheen was dat 90%. Dit leidt tot een stijging van de reële gemiddelde uitkering, zoals vermeld in de SZW-begroting. 6

Dit wordt echter weer gecompenseerd door het feit dat een groot deel van de bijstandsgerechtigden onder het nieuwe belastingstelsel een Voorlopige Teruggave ontvangt, die wordt uitgekeerd door de Belastingdienst. De bijstandsuitkering, die hierop aanvult, is daardoor lager dan onder het oude belastingstelsel.

Als gevolg van deze wetswijzigingen in 2001, de invoering van het FWI en het nieuwe belastingstelsel, is de gemiddelde uitkering in 2001 dus niet goed meer vergelijkbaar met de gemiddelde uitkering in voorgaande jaren.

14

Wat is de laatste stand van zaken wat betreft de ontwikkeling van CWI's, bedrijfsverzamelgebouwen en regionale platforms?

In januari zijn 130 CWI's van start gegaan. Op dit moment zijn er al tien bedrijfsverzamelgebouwen. De verwachting is dat dit aantal in de komende maanden zal gaan toenemen.

In 2001 is de vorming van een landelijk dekkend netwerk door de oprichting van 25 regionale platforms voor het arbeidsmarktbeleid afgerond. De thematische ontwikkeling van en door de platforms is in oktober 2001 opgestart. Eind 2001 waren de onderzoeksopdrachten, die hieruit voortvloeiden, goeddeels gereed. In 2002 zullen nog vervolgstappen worden gezet om de platforms goed te kunnen laten functioneren.

15

Waardoor is de achterstand in de beschikbare middelen voor de stimuleringsmiddelen CWI, bedrijfsverzamelgebouwen en regionale platforms veroorzaakt? Wat zijn daarbij de gevolgen voor de uitvoering en de cliënten (hun toegeleiding naar de arbeidsmarkt)?

Aansluitend op de stimuleringsregeling SWI is, ter ondersteuning van de totstandkoming van 130 CWI's, de Tijdelijke Stimuleringsregeling CWI in het leven geroepen. Hiervoor is een totaal bedrag van 18,2 miljoen euro (40 miljoen gulden) beschikbaar gesteld, 14,5 miljoen euro (32 miljoen gulden) voor 2001 en 3,6 miljoen euro (8 miljoen gulden) voor 2002. In totaal zijn 102 aanvragen ontvangen.

Op grond van de regeling kunnen slechts aanvullende kosten worden vergoed. Voor een deel zullen de kosten via het bestedingsplan CWI worden gefinancierd. Begin november 2001 is aan de aanvragers verzocht de aanvragen, in overleg met de CWI Districtsmanager, aan een herbeoordeling te onderwerpen.

Op basis van de reacties worden de aanvragen dan beoordeeld.

Al met al heeft deze regeling voor het jaar 2001 niet tot uitgaven geleid en zullen alle kosten in het jaar 2002 vallen. De beschikbare middelen zijn inmiddels overgeheveld van 2001 naar 2002

Voor de inrichting van bedrijfsverzamelgebouwen is voor het jaar 2001 een bedrag van 15,9 miljoen euro (35 miljoen gulden) beschikbaar gesteld. Hiervan is 1 miljoen euro (2,2 miljoen gulden) uitgegeven voor het maken van plannen van aanpak.

Voor het jaar 2002 is evenals voor 2001 het geval was, een bedrag van 15,9 miljoen euro (35 miljoen gulden) beschikbaar. In december 2001 is een nieuwe (vervolg)regeling gepubliceerd op basis waarvan aanvragen kunnen worden ingediend tot 31 december 2002. De resterende middelen voor 2001 zijn, zoals bij de CWI-regeling, overgeheveld naar 2002.

De uitgaven van zowel de CWI- als de BVG-regeling zullen dan ook ten laste van 2002 komen.

Om de samenwerking op regionaal niveau te bevorderen is de stimuleringsregeling regionale platforms arbeidsmarktbeleid 2001 in het leven geroepen.

Voor 2001 was een bedrag van ruim € 9 mln beschikbaar, waarvan € 7,9 mln is uitgegeven. Het overschot ad € 1,1 mln is veroorzaakt door indiening van subsidieaanvragen ná 30 juni 2001, waardoor het verstrekte subsidiebedrag, conform de voorwaarden in de stimuleringsregeling, per hoofd van de beroepsbevolking voor 2001 lager is vastgesteld dan de maximale € 1,27 (f 2,80) per hoofd van de beroepsbevolking. Het resterende bedrag voor 2001 zal in 2002 niet meer tot uitbetaling komen.

Zoals bekend zal in 2002 opnieuw een bijdrage aan de regionale platforms worden verstrekt. Bedacht dient te worden dat de regelingen slechts een zeer beperkt deel uitmaken van de financiële middelen die beschikbaar zijn voor het uitvoeringsproces van de gemeenten, de CWI en UWV. Omdat deze middelen (budget uitvoeringskosten en reïntegratiemiddelen) wel voluit worden benut door de organisaties is ook de dienstverlening aan de cliënt niet in het geding.

16

Wordt het overschot op de post SUWI van 38,1 miljoen euro geheel of gedeeltelijk meegenomen naar 2002? Zal het deel van de beschikbare middelen voor de stimuleringsregelingen CWI, bedrijfsverzamelgebouwen en regionale platforms dat dit jaar niet tot betaling is gekomen alsnog tot betaling komen en op welk jaar wordt deze betaling dan geboekt?

Het overschot op de post SUWI is meegenomen naar 2002. Daarin zijn de overschotten voor de drie stimuleringsregelingen begrepen.

17, 24

Kan, met het oog op de kans op doorstroom naar het Awf, een profiel worden gegeven van de nieuwe instromers in het Wgf?

Kan de Regering specifieker zijn omtrent de oorzaken van hogere uitgaven in het Wgf volgens de januari-nota van het UWV? Wat zijn de oorzaken van de verhoogde instroom?

Van de instroom in 2001 was 12% jonger dan 25 jaar, 32% tussen 25 en 35 jaar, 27% tussen 35 en 45 jaar, 20% tussen 45 en 55 jaar en 9% ouder dan 55 jaar. Van de instroom was 54% man en 46% vrouw. Het profiel van de instroom is, bezien naar leeftijd en geslacht, ten opzichte van het voorgaande jaar nauwelijks gewijzigd. De belangrijkste factor die de kans op doorstroom van het Wgf naar het Awf beïnvloedt is de economische conjunctuur. De economische groei bedroeg in 2001 1% op jaarbasis en was daarmee minder gunstig dan in 2000, toen de groei nog ruim 3% bedroeg. De lagere economische groei veroorzaakt minder gunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, zoals een minder sterke groei van de werkgelegenheid. De instroom in de werkloosheidsregelingen kan hierdoor oplopen. Omdat het eerste half jaar van de WW-uitkeringen wordt gefinancierd uit het Wgf is in dit fonds het effect van een conjuncturele teruggang op de uitgaven als eerste voelbaar. Naar verwachting zullen de uitgaven van het Awf pas in 2002 toenemen.

18

Wat zijn de meest recente ontwikkelingen in de jeugdwerkloosheid?

De geregistreerde werkloosheid onder jongeren tot 25 jaar bedraagt volgens het CBS in januari 2002 21 000. In oktober, november en december 2001 was dit in elke maand 22 000. Het gaat in al deze gevallen om een driemaandsgemiddelde (niet voor seizoen gecorrigeerd). In dezelfde periode een jaar daarvoor (oktober 2000 t/m januari 2001) bedroeg de geregistreerde werkloosheid onder jongeren 22 000 (oktober, november) en 26 000 (december, januari).

19

Welke invloed heeft het meer keuren (in het kader van wegwerken van de achterstand) gehad op het volume WAO ?

Het wegwerken van achterstanden heeft alleen invloed op het WAO-volume als uitkeringen pas geregistreerd worden als de te late keuring heeft plaatsgevonden. Dit is het geval bij UWV-USZO. Bij de andere (voormalige) uvi's worden uitkeringen al voorafgaand aan de te late keuring geregistreerd omdat in zo'n geval een voorschot verstrekt wordt.

Ongeveer 4000 van de 104 000 nieuwe WAO-uitkeringen in 2001 zijn toe te schrijven aan het wegwerken van achterstanden bij UWV-USZO. Zonder het meer keuren in het kader van wegwerken van de achterstand zou de instroom in 2001 ongeveer gelijk geweest zijn aan het niveau van 2000.

20

Kan de regering aangeven wat de uitstroom is uit de WAO uitgedrukt in afname van het aantal uitkeringsjaren, uitgesplitst naar nieuwe instromers die snel weer uitstromen en diegenen die reeds een tijd aanwezig zijn in de WAO en uitstromen?

In 2001 zijn 81 000 WAO-uitkeringen beëindigd. Dit komt neer op ongeveer 61 000 uitkeringsjaren.

Van die beëindigde uitkeringen betreft 35% uitkeringen die minder dan twee jaar gelopen hebben. Dit zijn in grote meerderheid de zgn. «snelle herstellers». De andere 65% betreft uitkeringen die langer dan twee jaar gelopen hebben. Hier komt ook nog herstel voor, maar de belangrijkste redenen van uitstroom zijn hier pensionering en overlijden.

21

Bij welke projecten in het kader van de ICT-plannen SUWI (behalve CWIntake) is vertraging in de uitvoering opgetreden? Hoe groot zijn de vertragingen? Hoeveel geld is er met deze projecten gemoeid? En brengen deze vertragingen nog extra kosten met zich mee? En ten laste van welk jaar worden de totale kosten nu gebracht? Wat zijn daarbij de gevolgen voor de uitvoering en de cliënten (hun uitkeringen en hun toegeleiding naar de arbeidsmarkt)?

In de derde Voortgangsrapportage SUWI (TK 2001–2002, 26 448, nr. 35) is reeds naar de Tweede Kamer een beeld geschetst van de voortgang van de ICT-projecten van de VO SUWI in 2001. Naar aanleiding van deze rapportage kan geconcludeerd worden dat een klein aantal van deze ICT projecten (exclusief projecten in het kader van CWIntake) enige vertraging heeft opgelopen. De voornaamste projecten hierbij zijn:

– Het project Verwijsindices, centrale zoekfunctie en routeringberichten

– Het project SUWI-brede netwerkvoorziening. De totale kosten van deze projecten (ten laste van 2001) bedroegen c.a. 182 000,- euro. (400 000,- gulden).

Aangezien de projecten grotendeels begin 2002 zijn afgerond heeft dit geen gevolgen voor de cliënt.

Een groot deel van de SUWInet en CWI projecten is wel per 1 januari 2002 gerealiseerd: SUWI-gegevensregister als onderdeel van de ministeriële regeling SUWI, stelselontwerp SUWI, raadpleegfunctie op bestanden ander SUWI-partijen (HTML-Inkijk), SUWI-breed toegangsbeveiligingspakket, gebruikersadministratie, de beheerorganisatie SUWI (BKWI), CWI-Inkijk bij UWV, beschikbaarheid Werk.nl op alle CWI's en Management Informatie Portal op alle CWI's.

22

Wat zijn precies de uitgaven aan de kinderopvangregeling en waarom zijn deze lager uitgevallen? Wat is de relatie tussen de tekorten van kinderopvangplaatsen en de onderbesteding in de kinderopvangregeling?

Aan de lagere uitgaven voor de Kinderopvang, in totaal € 10,4 mln, liggen twee oorzaken ten grondslag. In de eerste plaats zijn de middelen die in het voorjaar beschikbaar zijn gekomen voor de bestuurlijke afspraken (4,5 mln euro) niet in 2001 tot uitbetaling zijn gekomen. Dit is het gevolg van vertraging in de uitvoering van de bestuurlijke afspraken met gemeenten. De afspraken die in dit kader met gemeenten worden gemaakt leiden pas in 2002 tot uitgaven. De resterende onderuitputting hangt samen met de declaratiesystematiek. Van het beschikbare budget wordt 80% aan gemeenten bevoorschot. De overige 20% is beschikbaar voor de afrekening van declaraties van gemeenten uit het jaar t-2. Bij de afrekening hebben gemeenten minder gedeclareerd dan verwacht. De oorzaak hiervan kan nu niet worden aangegeven.

Momenteel loopt er een onderzoek naar het gebruik van de regeling in 1999 en 2000, waaruit meer informatie over de oorzaak van het geringere gebruik van de regeling naar voren moet komen. De relatie tussen de tekorten van kinderopvangplaatsen en de onderbesteding in de kinderopvangregeling kan dus nog niet worden aangegeven.

23

Hoeveel bedragen de lagere uitgaven voor Wvg, welke posten beslaat deze onderuitputting en waarom zijn deze lager uitgevallen terwijl er lokaal uitputting bestaat?

De onderbesteding bij de Wvg voor de specifieke uitkeringen (bovenregionaal vervoer, sociaal vervoer en woningaanpassingen) staat los van de lokale uitputting van de middelen die voor de Wvg via het gemeentefonds worden uitgekeerd.

De lagere uitgaven voor de Wvg op de SZW-begroting bedragen in totaal 10,6 miljoen euro. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat het college voor zorgverzekeraars (CVZ) in 2001 geen declaratie heeft ingediend. Deze declaratie volgt in 2002.

24

Zie antwoord bij vraag 17.

25

Hoeveel burgers, uitgesplitst naar doelgroepen, maken gebruik van het vangnet ZW?

In december 2001 werden gemiddeld bijna 110 000 uitkeringen verstrekt via het vangnet ZW. Het betrof 52 000 uitkeringen wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, 32 400 uitkeringen voor zieke flexwerkers, 18 400 uitkeringen voor zieke werklozen en 7 100 uitkeringen voor overige personen die recht kunnen doen gelden op het vangnet ZW (waaronder bijvoorbeeld orgaandonoren en vrijwillig verzekerden).

26

In welke mate wordt in de eerste fase overal een sluitende aanpak gerealiseerd, gezien het overschot in het FWI? Zo niet, welke oorzaken liggen daaraan ten grondslag?

Er bestaat geen relatie tussen de sluitende aanpak en het overschot op FWI. In de desbetreffende passage wordt uitsluitend gedoeld ip het inkomensdeel van het FWI, waaronder vallen de uitgaven Abw, IOAW en IOAZ. De bij het rijk gedeclareerde uitgaven van het FWI – 75% van de totale uitgaven – vallen € 42.2 mln lager uit. Dit is volgens de thans bestaande inzichten een gevolg van het feit dat de gerealiseerde gemiddelde uitkering lager is uitgekomen dan de destijds geraamde gemiddelde uitkering.

27

Hoe is het mogelijk dat de gemiddelde uitkering WAO een uitgaventegenvaller oplevert, terwijl het aantal mensen in de WAO afneemt? Kan de verwijzing naar een hogere stijging van de lonen in 2001 dan verwacht uitvoerig (cijfermatig) worden onderbouwd?

De ontwikkeling van het aantal mensen en van de gemiddelde uitkering staan in principe los van elkaar. Een volumemeevaller kan ook gepaard gaan met een lastentegenvaller indien de stijging van de gemiddelde uitkering de volumemeevaller overcompenseert.

Het WAO-volume is met ongeveer 4000 uitkeringsjaren neerwaarts bijgesteld (van 640 000 naar 636 000 uitkeringsjaren; totale bijstelling € 52,3 mln.). De gemiddelde WAO-uitkering is met ongeveer 70 euro opwaarts bijgesteld (ongeveer 0,5%; totale bijstelling € 40,2 mln.). Dit laatste wordt veroorzaakt doordat het gemiddelde loon van de nieuwe WAO'ers hoger bleek dan geraamd.

28

Welke invloed heeft de hoger dan verwachte loonontwikkeling in het algemeen op de voorlopige rekening?

Het belangrijkste deel van de loonstijging in 2001 is opgetreden vóór de najaarsnota. De invloed hiervan is al eerder verwerkt. Na de najaarsnota is de loonontwikkeling in 2001 nauwelijks meer gewijzigd waardoor de invloed op de voorlopige rekening marginaal is.

29

Waarom is de verwachte groei van arbeidsongeschikten dat werkzaam is in de WSW achtergebleven?

In de brief is een bedrag van € -12,9 aan lagere anti-cumulatiebaten WSW aangegeven. Inmiddels zijn bij Slotwet 2001 de anti-cumulatie afdrachten € 9,3 hoger gebleken. Hierdoor zijn de afdrachten uiteindelijk slechts € 3,5 lager uitgevallen dan bij Najaarsnota was geraamd. Het (minieme) verschil tussen verwachte en gerealiseerde groei van het aantal arbeidsongeschikten werkzaam in de Wsw hangt samen met het achterblijven van de realisatie van de extra taakgestelde arbeidsplaatsen in de Wsw in 2001.

30

Waarom verkeert een groter aantal bedrijven dat in betalingsmoeilijkheden verkeert waardoor het Awf de loondoorbetalingsplicht overneemt? Om hoeveel bedrijven gaat het in totaal? En hoe verhoudt dit zich tot de afgelopen jaren?

De minder gunstige economische omstandigheden in 2001 hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de groei van het aantal bedrijven dat in betalingsmoeilijkheden verkeert en daardoor gebruik moet maken van de overname van de loondoorbetalingsplicht door het Awf. Een indicatie hiervoor vormt de toenaming van het aantal faillissementen. Cijfers van het CBS laten zien dat het aantal faillissementen van bedrijven en instellingen is gegroeid van 3238 in 1999 en 3579 in 2000 tot 4329 in 2001. Hiermee samenhangend is het beroep op de overname van de loondoorbetalingsplicht door het Awf toegenomen van ca. 115 mln euro in 2000 tot ca. 163 mln euro in 2001.


XNoot
1

Samenstelling:

Terpstra (VVD), voorzitter Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter Kamp (VVD), Van Lente (VVD), Van Dijke (ChristenUnie), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Van der Knaap (CDA), Balkenende (CDA), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA), Bolhuis (PvdA) en vacature GroenLinks.

Plv leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), J Ten Hoopen (CDA), Mosterd (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Dankers (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD), Van Splunter (VVD), Van der Hoek (PvdA), Hamer (PvdA) en Vendrik (GroenLinks).

XNoot
1

Wachtgeldfondsen moeten de wachtgeldpremies over uitkeringen aan het Awf overdragen indien en voorzover de wachtgeldpremie over uitkeringen hoger is dan de bedrijfstakspecifieke wachtegeldpremie. De wachtgeldpremie over uitkeringen was in 2001 hoog (1,11%). Tegenover de Awf-meevaller staat dan ook een tegenvaller bij de wachtgeldfondsen.

Naar boven