28 223
Regeling van het lidmaatschap koninklijk huis alsmede daaraan verbonden titels (Wet lidmaatschap koninklijk huis)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

In 2001 heeft de regering bij verschillende gelegenheden aangekondigd een wijziging van de Wet lidmaatschap koninklijk huis in voorbereiding genomen te hebben.

Dit was het geval bij de behandeling van de toestemmingswetten voor de huwelijken van prins Constantijn en prins Willem-Alexander door de verenigde vergadering van de Staten-Generaal en van de begroting van het ministerie van Algemene Zaken door de Tweede Kamer. Bij deze gelegenheden is aangegeven dat de wijziging betrekking zou hebben op de regeling van het lidmaatschap van het koninklijk huis alsmede de daaraan verbonden titels, met name de titel «Prins (Prinses) van Oranje».

Het wetsvoorstel houdt in dat het koninklijk huis, naast de Koning en de afgetreden Koning alsmede hun echtgenoten, bestaat uit de erfopvolgers in de eerste en tweede graad van bloedverwantschap met de Koning alsmede hun echtgenoten.

De erfopvolgers in de derde graad van bloedverwantschap alsmede hun echtgenoten zijn daarmee geen lid meer van het koninklijk huis. Hun grondwettelijk recht op erfopvolging blijft ongewijzigd bestaan. Verder omvat het wetsvoorstel een regeling voor de aan het lidmaatschap van het koninklijk huis verbonden prinselijke titels.

De voorgestelde regeling sluit aan bij de praktijk die zich heeft ontwikkeld sedert de inwerkingtreding van de Wet lidmaatschap koninklijk huis in 1985. De leden van het koninklijk huis die erfopvolgers in de derde graad zijn, worden slechts bij hoge uitzondering betrokken bij de uitoefening van de koninklijke functie. Door het enkele feit van hun lidmaatschap is de ministeriële verantwoordelijkheid evenwel formeel van toepassing.

Dat schept onduidelijkheid tussen de feitelijke situatie en de Wet lidmaatschap koninklijk huis. Dit klemt temeer naarmate het aantal personen dat het betreft, groter is. Daarom is een regeling gewenst die beter dan thans tot uitdrukking brengt voor wie er een betrokkenheid bij de koninklijke functie is of kan zijn.

Deze overweging houdt mede in dat erfopvolgers in de derde graad en hun echtgenoten zoveel mogelijk ruimte wordt geboden bij hun persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing. De voorgestelde regeling heeft geen gevolgen voor hun grondwettelijk recht op erfopvolging dat ongewijzigd behouden blijft, maar houdt uitsluitend in dat zij geen lid van het koninklijk huis zullen zijn met de daaraan verbonden ministeriële verantwoordelijkheid voor hun handelen en nalaten.

Het wetsvoorstel brengt geen wijziging in de positie van de huidige leden van het koninklijk huis die erfopvolgers in de derde graad zijn. Zij blijven lid van het koninklijk huis zolang zij erfopvolgers in de derde graad zijn. Op het moment dat zij als gevolg van de opvolging door prins Willem-Alexander niet langer tot de grondwettelijke kring van erfopvolgers in de derde graad behoren, verliezen zij van rechtswege tevens het lidmaatschap van het koninklijk huis.

Dit zou ook het geval zijn op grond van de huidige Wet lidmaatschap koninklijk huis.

Ten aanzien van de aan het lidmaatschap van het koninklijk huis verbonden titels, sluit de voorgestelde regeling aan bij de praktijk die sedert het begin van de vorige eeuw is ontstaan inzake de verlening bij koninklijk besluit van titels en namen.

Daarmee wordt de relatie verduidelijkt tussen het lidmaatschap van het koninklijk huis en deze titels met hun bijzondere en historische betekenis. De Hoge Raad van Adel heeft daarover geadviseerd1.

Hieronder zal nader worden ingegaan op deze hoofdlijnen van het wetsvoorstel en de nadere uitwerking daarvan.

2. Grondwet en erfopvolging

Het grondwettelijke stelsel van erfopvolging is essentieel voor de continuïteit en stabiliteit van het koningschap. De Grondwet bepaalt dat de bloedverwanten van de Koning tot en met de derde graad de Koning kunnen opvolgen in een precies bepaalde volgorde (artikelen 24 tot en met 31). Wanneer een erfopvolger voornemens is in het huwelijk te treden, is daarvoor voorafgaande toestemming van de wetgever vereist om zijn plaats in de erfopvolging te behouden. Zonder die toestemming wordt de erfopvolger die een huwelijk aangaat, uitgesloten van de erfopvolging, met inbegrip van zijn eventuele nakomelingen.

Dit stelsel verzekert een zodanige kring van erfopvolgers dat de continuïteit van het koningschap in toereikende mate gewaarborgd is, ook indien de Koning kinderloos is en geen broers of zusters heeft. Er bestaat dan ook geen aanleiding de Grondwet op dit punt te wijzigen.

3. Grondwet en koninklijk huis

De Grondwet regelt uitputtend wie tot de kring van erfopvolgers behoort, maar laat de regeling van het lidmaatschap van het koninklijk huis over aan de wetgever. Het ligt derhalve in de Grondwet besloten dat de kring van erfopvolgers niet behoeft samen te vallen met de kring van leden van het koninklijk huis. De wetgever heeft ook bepaald dat beide kringen niet samenvallen. Zo kunnen de echtgenoten van erfopvolgers de Koning niet opvolgen maar zijn zij wel lid van het koninklijk huis.

De grondslag voor de voorgestelde wettelijke regeling van het lidmaatschap van het koninklijk huis is gelegen in de beschikbaarheid voor de verlening van bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie. De grondslag ligt dus niet in het stelsel van de erfopvolging.

De koninklijke functie kan uitsluitend door de Koning zelf worden uitgeoefend. Voor zover het niet gaat om taken die in staatkundig opzicht geen vervanging toelaten, kan de Koning wel op andere leden van het koninklijk huis een beroep op verlening van bijstand doen. Deze bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie wordt in de regel vooral verleend door de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger en diens echtgenoot. Indien daartoe aanleiding bestaat kan ook op andere leden van het koninklijk huis een beroep worden gedaan.

4. Ministeriële verantwoordelijkheid

Voor leden van het koninklijk huis geldt de ministeriële verantwoordelijkheid.

Deze ministeriële verantwoordelijkheid is, met uitzondering van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de onschendbare Koning (art. 42, tweede lid, van de Grondwet), gebaseerd op de beschikbaarheid voor verlening van bijstand bij de uitoefening van de koninklijke functie. Deze beschikbaarheid houdt tevens in dat de leden zich behoren te onthouden van handelen en nalaten waardoor het openbaar belang kan worden geschaad.

De ministeriële verantwoordelijkheid is gericht op het waarborgen van een goede uitoefening van de koninklijke functie en omvat daartoe de verlening van ondersteuning, bescherming en advisering aan leden van het koninklijk huis. Gelet op zijn bijzondere positie is het duidelijk dat het openbaar belang snel zal worden geraakt door het optreden van de vermoedelijke opvolger en, zij het niet in dezelfde mate, van de echtgenoot van de Koning en de echtgenoot van de troonopvolger. Zij zijn immers nauw betrokken bij uitoefening van de koninklijke functie. De ministeriële verantwoordelijkheid is in beginsel aan de orde voor al hun handelen. Dienovereenkomstig draagt de minister er zorg voor dat hun handelen overeenstemt met het openbaar belang of dat duidelijk wordt gemaakt dat het openbaar belang niet aan de orde is. Voor de overige leden van het koninklijk huis geldt deze ministeriële verantwoordelijkheid slechts voor zover hun optreden het openbaar belang raakt, in het bijzonder indien het gaat om bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie. De daadwerkelijke betrokkenheid daarbij kan voor deze leden per persoon en ook in de tijd veranderingen ondergaan.

Het wetsvoorstel sluit aan bij een in de praktijk ontwikkeld onderscheid in de werking van de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van leden die door hun positie of anderszins nauw betrokken zijn bij de uitoefening van de koninklijke functie en de leden waarvoor dat in mindere mate het geval is geweest. Volledigheidshalve wordt er hier op gewezen dat de ministeriële verantwoordelijkheid zich enerzijds dient te richten op een goede uitoefening van de koninklijke functie en anderzijds op behoud van een privé-sfeer voor de leden van het koninklijk huis. In beide aspecten is de ministeriële verantwoordelijkheid niet alleen beperkend, maar ook ondersteunend en ruimtebiedend. Invulling van de ministeriële verantwoordelijkheid in deze laatste zin houdt de bereidheid in ook daarvoor aan de Staten-Generaal actief verantwoording af te leggen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 409, nr. 1 en 27 400 III, A).

De ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van het koninklijk huis is te onderscheiden van de ministeriële verantwoordelijkheid voor grondwettelijke erfopvolgers als zodanig. Deze ministeriële verantwoordelijkheid reikt niet verder dan hetgeen de Grondwet daarover bevat, namelijk de indiening van een wetsvoorstel inzake toestemming voor hun huwelijk (art. 28) en hun eventuele uitsluiting van de erfopvolging (art. 29).

Omdat de erfopvolgers in de derde graad hun grondwettelijke recht op erfopvolging ongewijzigd behouden, geldt het uitgangspunt dat bij een voorgenomen huwelijk van deze erfopvolgers de regering daarvoor toestemming aan de wetgever zal vragen teneinde het recht op erfopvolging voor hen te kunnen behouden.

5. Toekomstig lidmaatschap

Algemeen

De praktijk die zich op basis van de Wet lidmaatschap koninklijk huis sedert 1985 heeft ontwikkeld, vertoont het volgende beeld.

In het algemeen geldt dat de plaats die een lid van het koninklijk huis inneemt in de volgorde van de erfopvolging in belangrijke mate bepalend is voor mogelijke verlening van bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie. De praktijk laat zien dat verlening van bijstand door erfopvolgers in de eerste en tweede graad alsmede hun echtgenoten, toereikend is. Voor de verlening van bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie is geregeld een beroep gedaan op prinses Margriet als erfopvolger in de tweede graad. Het is niet noodzakelijk gebleken om op dezelfde wijze een beroep te doen op de erfopvolgers in de derde graad.

Het ligt daarom in de rede om bij deze ontwikkeling aan te sluiten en de kring van degenen die op grond van hun lidmaatschap van het koninklijk huis beschikbaar zijn voor een beroep tot verlening van bijstand bij de uitoefening van de koninklijke functie, niet langer bij de erfopvolgers in de derde graad te leggen maar bij de erfopvolgers in de tweede graad. Daarmee wordt de erfopvolgers in de derde graad en hun echtgenoten ruimte geboden waar die kan zijn.

De onduidelijkheid tussen de feitelijke situatie en de suggestie die uitgaat van het lidmaatschap ten aanzien van een potentiële betrokkenheid bij uitoefening van de koninklijke functie, is de reden om de bestaande regeling aan te passen. Daarmee zal voor de erfopvolgers in de derde graad en hun echtgenoten meer ruimte voor hun persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing ontstaan.

Bijzondere omstandigheden

Het voorgaande laat echter onverlet dat in een concreet geval in de toekomst de beschikbaarheid van een erfopvolger voor verlening van bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie wél aan de orde kan komen. Een dergelijke situatie zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan indien erfopvolgers in de tweede graad ontbreken en een erfopvolger in de derde graad daadwerkelijk rekening moet houden met een eventuele vervulling van het koningschap.

Met het oog op een dergelijke uitzonderlijke situatie is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die verlening van het lidmaatschap van het koninklijk huis bij koninklijk besluit aan erfopvolgers in de derde graad alsmede hun echtgenoten, mogelijk maakt.

Overgangsregeling

Tot slot bevat het wetsvoorstel ten aanzien van de huidige erfopvolgers in de tweede en derde graad een overgangsregeling voor het lidmaatschap. Die houdt in dat Prinses Margriet en haar zonen alsmede hun echtgenoten het lidmaatschap behouden tot het moment waarop zij dit verloren zouden hebben op grond van de huidige Wet lidmaatschap koninklijk huis.

Prinses Margriet verleent in haar bijzondere rol al lang bijstand bij de uitoefening van de koninklijke functie. Voor haar zonen is de positie van grondwettelijk erfopvolger in de derde graad en het daaraan thans wettelijk verbonden lidmaatschap altijd duidelijk begrensd geweest door het moment van de opvolging door de Prins van Oranje. Er is geen reden daarin nu verandering te brengen.

Op grond van deze overgangsbepalingen behouden prinses Margriet en haar echtgenoot het lidmaatschap van het koninklijk huis naar verwachting tot het moment dat het oudste kind van prins Willem-Alexander zijn vader opvolgt als Koning. De zonen van prinses Margriet en hun (toekomstige) echtgenoten behouden krachtens deze overgangsregeling het lidmaatschap van het koninklijk huis tot het moment waarop prins Willem-Alexander zijn moeder opvolgt.

6. Titels en namen

Naast de regeling van de kring van leden, benoeming en ontslag en het vereiste van het Nederlanderschap, bevat dit voorstel tevens een regeling inzake de titels die historisch verbonden zijn aan het lidmaatschap van het koninklijk huis.

Het gaat erom de gevolgde praktijk van de afgelopen decennia te regelen en te verduidelijken met behoud van de positie van de huidige dragers van deze titels en namen.

Zoals de regering eerder aankondigde, bepaalt het voorstel dat de titel «Prins (Prinses) van Oranje» van rechtswege uitsluitend toekomt aan de vermoedelijke opvolger van de Koning. Daarmee wordt de bestaande situatie die gebaseerd is op artikel 27 van de Grondwet van 1972, in de wet vastgelegd.

Eertijds bepaalde de Grondwet dat alleen een vermoedelijke opvolger van het mannelijk geslacht de titel «Prins van Oranje» toekwam. In aansluiting op hetgeen bij de grondwetsherziening van 1983 is vastgesteld (Kamerstukken II 1979/80, 16 034, nr. 3, p. 20) en hetgeen de regering daarover heeft opgemerkt bij de behandeling van de toestemmingswet voor het huwelijk van prins Willem-Alexander, zal in de toekomst een vermoedelijke opvolger van het vrouwelijk geslacht van rechtswege «Prinses van Oranje» zijn.

Het gaat dus om een titel die verbonden is aan een bepaalde functie. Uitsluitend degene die de vermoedelijke opvolger van de Koning is, komt deze titel van rechtswege toe vanaf het moment dat de hoedanigheid van vermoedelijke opvolger wordt verkregen. De titel vervalt van rechtswege met het verlies van die hoedanigheid.

Hierboven is aangegeven dat de regering het voorts wenselijk acht een regeling te treffen die de titels «Prins (Prinses) der Nederlanden» en «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» als functionele titels verbindt aan het lidmaatschap van het koninklijk huis. Uitgangspunt is dat deze titels niet worden gedragen door personen die geen lid zijn van het koninklijk huis.

Beide titels hebben door hun historische verbondenheid met het koninklijk huis een voorname betekenis en bekendheid in de Nederlandse samenleving verworven. Dit houdt thans in dat degene die (een van) beide titels draagt, kenbaar behoort tot de kring van erfopvolgers van de Koning en hun echtgenoten. De kring van erfopvolgers heeft een zodanige omvang bereikt dat zonder nadere besluitvorming nu de mogelijkheid ontstaat dat beide titels in de nabije toekomst ook gedragen kunnen worden door personen die niet tot de grondwettelijke erfopvolgers behoren en de Koning slechts in een verre (en in de toekomst steeds verdere) graad verwant zullen zijn. De historische relatie tussen de titels en de nauwe verbondenheid met de Koning en het koninklijk huis raakt dan op de achtergrond. Dit kan ertoe leiden dat onnodige misverstanden kunnen ontstaan over het gebruik van de titels en de positie van de dragers ervan.

De regering acht een dergelijke ontwikkeling niet wenselijk. Daartoe is een regeling in het voorstel opgenomen die de bestaande situatie en de tot dusverre gevolgde lijn terzake bestendigt.

De titels «Prins (Prinses) der Nederlanden» en «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» worden verbonden aan het lidmaatschap van het koninklijk huis. Bepaalde leden van het koninklijk huis dragen deze titels van rechtswege. Aan andere leden van het koninklijk huis kunnen de titels bij koninklijk besluit worden verleend.

De titel «Prins (Prinses) der Nederlanden» kan niet worden gedragen door de Koning. Hij is immers Koning der Nederlanden. De titel kan wel worden gedragen door andere leden van het koninklijk huis, met name de echtgenoot van de Koning en de kinderen van de Koning. Het gaat daarmee om een functionele titel die aangeeft dat de drager behoort tot de kring van degenen die door hun huwelijk of door hun positie in de volgorde van de erfopvolging het dichtst bij de Koning staan.

De titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» wordt wel gedragen door de Koning (vergelijk ook artikel 24 Grondwet en artikel 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden) en thans tevens door alle huidige grondwettelijke erfopvolgers. Deze titel is naar zijn historische aard en betekenis mede een familietitel die de verwantschap met de Koning en het koninklijk huis aangeeft.

Aan deze verschillen tussen beide titels wordt als gevolg verbonden dat de functionele titel «Prins (Prinses) der Nederlanden» uitsluitend kan toekomen aan bepaalde leden van het koninklijk huis en van rechtswege vervalt met het verlies van het lidmaatschap. De titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» die van rechtswege of krachtens koninklijk besluit gedragen wordt door leden van het koninklijk huis, kan in beginsel als persoonlijke titel behouden blijven na verlies van het lidmaatschap.

Behoud van de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» als persoonlijke titel kan in elk geval aan de orde komen bij degenen die een groot deel van hun leven lid van het koninklijk huis zijn geweest en het lidmaatschap uitsluitend verliezen omdat zij door de opvolging van de Koning niet langer behoren tot de erfopvolgers in de tweede graad.

Ten aanzien van de historische geslachtsnaam «van Oranje-Nassau» zal de sedert het begin van de vorige eeuw (KB van 8 februari 1901, Stb. 1908, nr. 425) gevolgde lijn worden aangehouden waardoor deze geslachtsnaam in drie opvolgende generaties is behouden voor leden van het koninklijk huis en niet is overgegaan op personen die geen lid zijn van het koninklijk huis.

Dit betekent dat op grond van artikel 5, twaalfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bij koninklijk besluit ter gelegenheid van een huwelijk van een lid van het koninklijk huis de geslachtsnaam wordt bepaald van kinderen die uit het huwelijk geboren mochten worden.

De geslachtsnaam «van Oranje-Nassau» zal uitsluitend worden bepaald voor de kinderen van de Koning en de kinderen van de vermoedelijke opvolger van de Koning. Zij zullen naar verwachting hun gehele leven of het grootste deel daarvan lid zijn van het koninklijk huis.

Voor de kinderen die naar verwachting niet of slechts voor een beperkte duur tot het koninklijk huis zullen behoren, wordt een andere geslachtsnaam bepaald. In overeenstemming met deze lijn hebben de kinderen van prins Constantijn krachtens koninklijk besluit de geslachtsnaam «van Oranje-Nassau van Amsberg» met de erfelijke titel graaf (gravin) en het predikaat jonkheer (jonkvrouw) (KB van 11 mei 2001, Stb. 227).

Bij verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis kan bij koninklijk besluit een andere geslachtsnaam worden bepaald voor degenen die daarvoor de geslachtsnaam «van Oranje-Nassau» hadden of kan worden bepaald dat zij deze naam uitsluitend voor zichzelf behouden. Op deze wijze wordt verzekerd dat de geslachtsnaam «van Oranje-Nassau» langs deze weg niet overgaat op personen die geen lid zijn van het koninklijk huis.

Tot slot is van belang dat een bepaling is opgenomen die inhoudt dat degenen die hun titels en namen dragen op grond van de koninklijke besluiten van 1937 en 1967, deze ongewijzigd behouden. Het gaat om onderscheidenlijk de dochters van prinses Juliana en de zonen van prinses Margriet.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

In het eerste lid van dit artikel wordt de Koning aangeduid als hoofd van het koninklijk huis.

De Koning is tevens het enige lid van het koninklijk huis wiens lidmaatschap rechtstreeks berust op de Grondwet (artikel 40, eerste lid, van de Grondwet). De aanduiding van de Koning als hoofd van het koninklijk huis geeft aan dat de Koning onder de leden van het koninklijk huis de eerste plaats inneemt. Hij zal altijd betrokken zijn bij de vraag in hoeverre andere leden van het koninklijk huis bijstand verlenen bij de uitoefening van de koninklijke functie.

Het artikel bepaalt voorts welke personen lid van het koninklijk huis zijn op grond van het feit dat zij het koningschap hebben vervuld of op grond van hun plaats in de volgorde van de grondwettelijke erfopvolging. De aanduiding onder c. van een Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan, een aanduiding die is overgenomen uit de huidige Wet lidmaatschap koninklijk huis, kan in uitzonderlijke omstandigheden betrekking hebben op meer dan een persoon die aan het gestelde vereiste voldoet. De ervaring leert dat de afgetreden Koning grote diensten kan bewijzen bij verlening van bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie. De tweede groep, genoemd onder a., omvat de erfopvolgers die de Koning niet verder bestaan dan in de tweede graad van bloedverwantschap. Het betreft derhalve de kinderen, kleinkinderen en broers en zusters van de Koning.

De vermoedelijke opvolger zal vrijwel altijd behoren tot deze groep en valt daarmee onder a. In het zeer uitzonderlijke geval dat erfopvolgers in de eerste en tweede graad ontbreken, kan de vermoedelijke opvolger evenwel een erfopvolger in de derde graad zijn. Daarom is hij als zodanig afzonderlijk genoemd onder b. Het stelsel van de grondwettelijke erfopvolging waarin de vermoedelijke opvolger de voornaamste plaats inneemt, brengt met zich dat de vermoedelijke opvolger als zodanig van rechtswege lid is van het koninklijk huis.

Artikel 2

De tekst van deze bepaling komt geheel overeen met artikel 2 van de Wet lidmaatschap koninklijk huis uit 1985 met dien verstande dat haar reikwijdte betrekking heeft op een andere kring van personen als gevolg van de wijziging van artikel 1.

In het eerste lid zijn de personen opgenomen die van rechtswege lid zijn van het koninklijk huis op grond van hun huwelijk met degenen die in artikel 1 zijn genoemd. Voor deze groep personen gaat het lidmaatschap derhalve van rechtswege verloren door ontbinding van het huwelijk.

Het tweede lid bevat daarop een uitzondering in het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden. In dat geval behoudt de weduwe of weduwnaar het lidmaatschap gedurende de staat van weduwe of weduwnaar zolang de overledene bij leven lid zou zijn geweest. Dit houdt in dat de weduwe of weduwnaar het lidmaatschap van het koninklijk huis van rechtswege verliest bij het aangaan van een nieuw huwelijk met iemand die geen lid is van het koninklijk huis.

Voorts verliest de weduwe of weduwnaar het lidmaatschap van rechtswege indien de overleden echtgenoot door een verschuiving in de volgorde van de grondwettelijke erfopvolging niet langer tot de bloedverwanten van de Koning in de tweede graad behoord zou hebben.

Artikel 3

De artikelen 1 en 2 bevatten te zamen het nieuwe stelsel van het lidmaatschap van het koninklijk huis. Dit nieuwe stelsel gaat functioneren op het moment van inwerkingtreding van dit voorstel.

Dit artikel bevat in het eerste lid een overgangsregeling. Deze houdt in dat de bloedverwanten in de tweede en derde graad van H.M. de Koningin die bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel meerderjarig lid van het koninklijk huis zijn op grond van de huidige Wet lidmaatschap koninklijk huis, hun lidmaatschap behouden tot het moment waarop zij dit lidmaatschap volgens de huidige Wet lidmaatschap koninklijk huis verloren zouden hebben. Dit geldt derhalve voor prinses Margriet en haar zonen.

Krachtens het tweede en derde lid geldt een vergelijkbare regeling voor hun huidige en mogelijk toekomstige echtgenoten, ook in hun staat van weduwnaar of weduwe zoals ook in artikel 2, tweede lid is bepaald. Deze bepalingen zien op de echtgenoot van prinses Margriet en hun schoondochters alsmede op hun toekomstige schoondochters zolang hun echtgenoten erfopvolgers in de derde graad zijn.

Artikel 4

De wijziging van de kring van personen die krachtens dit voorstel lid zijn van het koninklijk huis, maakt het gewenst de mogelijkheid te openen tot verlening van het lidmaatschap bij koninklijk besluit.

In deze bepaling is vastgelegd dat het daarbij gaat om een koninklijk besluit waarover de Raad van State wordt gehoord. In bijzondere omstandigheden kan het, gelet op de beschikbaarheid voor verlening van bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie, wenselijk zijn om een erfopvolger in de derde graad en zijn echtgenote het lidmaatschap te verlenen. Het ligt in de rede dat daarbij de volgorde van de erfopvolging zoveel mogelijk in acht wordt genomen. Een dergelijk besluit zou bijvoorbeeld aan de orde komen in het uitzonderlijke geval dat er geen of onvoldoende meerderjarige leden beschikbaar zijn voor bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie.

Artikel 5

Deze bepaling is overgenomen uit de huidige Wet lidmaatschap koninklijk huis.

Het ontslag kan betrekking hebben op alle leden, zowel de leden van rechtswege als de benoemde leden, met uitzondering van de Koning gelet op artikel 40, eerste lid, van de Grondwet. Ontslag uit het lidmaatschap van een erfopvolger brengt geen wijziging in diens recht op erfopvolging dat is vastgelegd in de Grondwet.

Een verzoek van het betrokken lid om ontslag wordt getoetst aan het publiek belang bij besluitvorming over de mogelijke inwilliging daarvan. De Raad van State adviseert over een koninklijk besluit tot verlening van ontslag.

Artikel 6

Deze bepaling is overgenomen uit de Wet lidmaatschap koninklijk huis van 1985.

De bepaling geldt voor alle vormen van verkrijging van het lidmaatschap krachtens de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het wetsvoorstel.

Het ligt in de rede dat het Nederlanderschap een voorwaarde vormt voor de beschikbaarheid voor bijstand bij uitoefening van de koninklijke functie. Het dragen van een meervoudige nationaliteit staat daaraan niet in de weg.

Artikel 7

De tekst van deze bepaling sluit zo nauw mogelijk aan bij artikel 27 van de Grondwet van 1972 die gold tot de algehele grondwetsherziening van 1983. De toenmalige tekst van artikel 27 maakte deel uit van de Grondwet sedert de grondwetsherziening van 1815.

De exclusieve relatie tussen de functionele titel «Prins (Prinses) van Oranje» en de hoedanigheid van vermoedelijke opvolger van de Koning is toegelicht in het algemeen deel van deze memorie.

Artikel 8

In het algemeen deel van deze memorie is in hoofdlijnen uiteengezet hoe de titels «Prins (Prinses) der Nederlanden» en «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» als functionele titels verbonden zijn aan het lidmaatschap van het koninklijk huis. Die verbondenheid krijg in hoofdzaak gestalte door de bepaling dat deze titels van rechtswege toekomen aan bepaalde leden van het koninklijk huis en de bepaling inzake verlening van deze titels aan de daarvoor in aanmerking komende kring van leden.

Het eerste lid bepaalt welke leden van rechtswege de titel «Prins (Prinses) der Nederlanden» dragen. De Koning der Nederlanden kan niet tevens Prins der Nederlanden zijn.

In het tweede lid is een limitatieve opsomming opgenomen van de leden die in aanmerking voor verlening van de titel. De onder a. tot en met d. genoemde leden hebben gemeen dat zij na verkrijging van het lidmaatschap naar verwachting hun gehele leven of het grootste deel daarvan lid van het koninklijk huis zullen zijn.

Mede gelet op de sedert het begin van de vorige eeuw gevolgde praktijk, ligt het in de rede dat in elk geval de titel «Prins (Prinses) der Nederlanden» wordt verleend aan de echtgenoot of echtgenote van de Koning en aan de echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koning. Verlening van de titel aan kinderen van de vermoedelijke opvolger is alleen mogelijk indien zij lid zijn van het koninklijk huis. Verlening wordt per geval beoordeeld.

Het derde lid bepaalt dat de titel «Prins (Prinses) der Nederlanden» van rechtswege vervalt met het lidmaatschap. Dit is het sluitstuk van de exclusieve functionele relatie tussen deze titel en het lidmaatschap van het koninklijk huis.

Artikel 9

In het algemeen deel van deze memorie is in hoofdlijnen uiteengezet hoe de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» en de geslachtsnaam «van Oranje-Nassau» verbonden zijn aan het lidmaatschap van het koninklijk huis. Zij hebben een bijzondere betekenis door hun herkenbare relatie met de huidige en voorgaande generaties van de familie. Daarmee heeft de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» meer dimensies dan die van een functionele titel als «Prins (Prinses) der Nederlanden». De inhoud van dit artikel is daarop toegesneden.

De verbondenheid tussen de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» en het koninklijk huis is in het eerste artikel neergelegd door te bepalen dat de Koning, diens vermoedelijke opvolger en de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan, deze titel van rechtswege dragen.

In het tweede lid wordt bepaald dat de titel alleen verleend kan worden aan leden van het koninklijk huis. Het kan derhalve gaan om een ruimere kring van leden dan de personen genoemd in artikel 8, tweede lid, omdat de titel naast het functionele element ook betekenis heeft voor de verbondenheid met de familie.

In het algemeen deel van de memorie is uiteengezet dat de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» en de geslachtsnaam «van Oranje-Nassau» in beginsel verbonden zijn aan het lidmaatschap van het koninklijk huis en niet toekomen aan personen die daarvan geen lid zijn.

Hierop wordt in het derde en vierde lid een uitzondering gemaakt voor degenen die het lidmaatschap van het koninklijk huis hebben verloren. Bij koninklijk besluit wordt binnen drie maanden na verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis beslist over het behoud van de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» als persoonlijke titel. Zolang het koninklijk besluit niet in werking is getreden, draagt de betrokkene de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» als persoonlijke titel. Met de Hoge Raad van Adel gaat de regering er vanuit dat tot dat moment vaststaat dat de betrokkene van adel is. Daarna schept het koninklijk besluit duidelijkheid. De bepaling bevat de wettelijke verplichting om in alle gevallen binnen uiterlijk drie maanden bij koninklijk besluit een beslissing te nemen inzake het behoud van de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» als persoonlijke titel. Daarbij kan tevens worden bepaald dat de betrokkene de geslachtsnaam «van Oranje-Nassau» behoudt met dien verstande dat deze niet kan overgaan op personen die geen lid zijn van het koninklijk huis. Op deze wijze blijft de verbondenheid tussen de titel en naam met het koninklijk huis, gehandhaafd.

Hiernaast is te onderscheiden de situatie dat het lidmaatschap verloren is gegaan en daarmee de mogelijkheid is komen te ontbreken om toepassing te geven aan artikel 2, tweede lid, van de Wet op de adeldom en een adellijke titel te verlenen.

Teneinde in deze lacune te voorzien is door een wijziging van de Wet op de adeldom die is opgenomen in artikel 13, bepaald dat binnen drie maanden na verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis aan de betrokkene bij koninklijk besluit een adellijke titel kan worden verleend. Ten aanzien van de verheffing is de regering met de Hoge Raad van Adel van opvatting dat het gaat om alle vormen van verlening die niet zijn vervat in de begrippen inlijving en erkenning, zoals geregeld in de artikelen 2, derde en vierde lid, van de Wet op de adeldom. Hierbij kan gedacht worden aan verlening van een erfelijke titel die verschilt van de titel die betrokkene eerder persoonlijk voerde en de omstandigheid dat betrokkene reeds van adel was voor het lidmaatschap van het koninklijk huis. Het zal gaan om een zeer beperkt aantal gevallen van bijzondere aard door de relatie met het lidmaatschap van het koninklijk huis en de daaraan verbonden titels. Er wordt dus geen wijziging gebracht in het uitgangspunt van de Wet op de adeldom dat de adel als historisch instituut wordt gehandhaafd.

Verlening van een adellijke titel op grond van artikel 13 kan krachtens het vierde lid van artikel 9 vergezeld gaan van de bepaling van een geslachtsnaam.

Toepassing hiervan kan ook gecombineerd worden met het koninklijk besluit tot behoud van de persoonlijke titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau».

Artikel 10

De artikelen 7, 8 en 9 bevatten een nieuwe regeling voor de aan het koninklijk huis verbonden titels. Deze regeling gaat functioneren op het moment dat deze wet in werking treedt.

Deze bepaling bevat een overgangsregeling die verzekert dat de leden die deze titels en namen dragen op grond van de koninklijke besluiten van 1937 en 1967, deze ook behouden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Het betreft prinses Margriet en haar zonen.

De zusters van H.M. Koningin Beatrix die geen lid zijn van het koninklijk huis, behouden hun titels en namen eveneens.

Artikel 13

Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 9.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Het advies van de Hoge Raad van Adel is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven