28 186
Wijziging van de Wet tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met een overgangsregeling kosten administratie, beheer en bestuur bij verzelfstandiging van het openbaar onderwijs in een gemeente

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 7 februari 2002

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer van haar bevindingen als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslagingen over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De leden van de PvdA-fractie betreuren dat men in de Eerste Kamer kennelijk zo zwaarwegende bezwaren had tegen het amendement Lambrechts/Dijksma dat zij goedkeuring aan het onderhavige wetsvoorstel meenden te moeten onthouden. Deze leden blijven ervan overtuigd dat er goede redenen waren om de gemeenten de mogelijkheid te bieden om bij de verzelfstandiging van openbaar onderwijs een bedrag ineens mee te geven zonder oormerking of terugbetalingsverplichting, zoals destijds ook uitgebreid is gewisseld bij de behandeling in de Tweede Kamer. Niettemin vinden deze leden het van zo groot belang dat er voor de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs een soort bruidsschatregeling komt, dat zij nu instemmen met de wijze waarop de staatssecretaris tegemoetkomt aan de bezwaren in de Eerste Kamer. Kan de staatssecretaris nog preciseren hoeveel vertraging de inwerkingtreding nu heeft opgelopen en wat dit betekent voor de gemeenten en de scholen voor openbaar onderwijs? Zij hopen dat de beide Kamers nu snel hun goedkeuring aan het wetsvoorstel kunnen verlenen zodat de wet van kracht kan worden.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.

Zij willen het openbaar onderwijs niet bevoordelen noch benadelen ten koste van respectievelijk ten gunste van het bijzonder onderwijs. Deze leden zijn wel van mening dat het verzelfstandigde openbaar onderwijs een gelijke startpositie dient te krijgen als het bijzonder onderwijs, rekening houdend met de materiële financiële gelijkstelling. Bij de behandeling van het wetsvoorstel was het voor de aan het woord zijnde leden cruciaal dat de besturenorganisaties en de VNG konden instemmen met de in het wetsvoorstel gekozen oplossing. Met het indienen en aannemen van het amendement op stuk nummer 11 van Lambrechts, Dijksma en Rabbae werd op een belangrijk onderdeel afgeweken van de bereikte overeenstemming met de besturenorganisaties en de VNG.

De leden van de VVD-fractie hebben de indieners van het amendement er destijds op gewezen dat hierdoor het maatschappelijk én het politiek draagvlak wel eens zou kunnen wegvallen. Hetgeen ook is gebeurd. Hierdoor is vertraging opgelopen met betrekking tot het van kracht worden van de overgangsregeling kosten ABB bij verzelfstandiging openbaar onderwijs, hetgeen deze leden betreuren en waarvoor zij de leden van de fracties van D66, PvdA en GroenLinks verantwoordelijk houden. Bovendien wordt de regering thans gedwongen om bij novelle het amendement Lambrechts, Dijksma en Rabbae weer terug te draaien wat op gespannen voet staat met een normaal wetgevingsproces. Deze leden roepen de leden van de fracties van D66, PvdA en GroenLinks op om de gemaakte fout snel te herstellen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel betreffende een overgangsregeling kosten administratie, beheer en bestuur bij verzelfstandiging van het openbaar onderwijs in een gemeente.

Begrijpen zij het goed dat onderhavige novelle uitsluitend tot doel heeft het bestuur van het verzelfstandigd openbaar onderwijs niet in de gelegenheid te stellen om een eventueel klein overschot op de tijdelijke extra vergoeding het jaar daarop voor hetzelfde doel in te zetten? Betekent dat dat de besturen aan de hand van bonnetjes en dergelijke jaarlijks op de feitelijke uitgaven zullen worden afgerekend? Wordt op deze manier spaarzaam gedrag en verantwoord financieel beheer niet ontmoedigd? Hoe verhoudt dit zich tot de maatschappelijke behoefte aan autonomievergroting en deregulering?

De aan het woord zijnde leden willen graag weten wat erop tegen is dat ook het verzelfstandigd openbaar onderwijs in de gelegenheid wordt gesteld voor het doel, administratie, beheer en bestuur, een kleine reserve op te bouwen zoals het bijzonder onderwijs die veelal wel heeft?

Het eerdere wetsvoorstel betreffende de bruidsschat was toch eerst en vooral bedoeld om het openbaar onderwijs de kans te geven in dezelfde financiële positie te komen als het bijzonder onderwijs? De regering is het toch hopelijk met de leden van de D66-fractie eens dat het niet gaat om bevoorrechten van het openbaar onderwijs maar om het inlopen van een achterstand ten opzichte van het bijzonder onderwijs om zo in gelijke positie te kunnen komen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel komt enigszins tegemoet aan de bezwaren die zij hebben tegen het in september 2000 ingediende voorstel tot wijziging van een drietal sectorwetten in verband met een overgangsregeling ABB-kosten bij verzelfstandiging van het openbaar onderwijs. Naar de mening van genoemde leden continueert het in 2000 ingediende voorstel voor een aantal jaren een praktijk die de materiële gelijkstelling tussen het openbaar en bijzonder onderwijs ondergraaft. Zij vinden het daarom een goede zaak dat door middel van het onderhavige wetsvoorstel verzelfstandigde openbare scholen die een aantal jaren extra vergoedingen krijgen voor de ABB-kosten, de plicht krijgen het in een kalenderjaar niet aangewende geld voor ABB-kosten terug te storten in de gemeentekas. Hoewel hierdoor de genoemde ondergraving van de materiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder blijft bestaan, doet het onderhavige wetsvoorstel deze iets minder zwaar voelen.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

De griffier van de commissie,

Coenen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Van der Hoeven (CDA), Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Wagenaar (PvdA), Belinfante (PvdA), ondervoorzitter, Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD), Eurlings (CDA), Slob (ChristenUnie) en Van Splunter (VVD).

Plv. leden: Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Van Baalen (VVD), Valk (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), De Cloe (PvdA), Gortzak (PvdA), Molenaar (PvdA), Cörüz (CDA), Spoelman (PvdA), Passtoors (VVD), Poppe (SP), Arib (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Wijn (CDA), Stellingwerf (ChristenUnie) en Blok (VVD).

Naar boven