28 085
Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Leerplichtwet 1969 in verband met onder meer de wijziging van enkele leeftijdsgrenzen

nr. 12
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 oktober 2002

Bij brief van 30 augustus 2002 heeft de minister-president u een overzicht doen toekomen van wetsvoorstellen die de regering wil heroverwegen. Een van die wetsvoorstellen was het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Leerplichtwet 1969 in verband met onder meer de wijziging van enkele leeftijdsgrenzen, welk voorstel in de Eerste Kamer werd aangehouden. In aansluiting op genoemde brief stel ik u thans in kennis van het voornemen van het kabinet de Koningin te verzoeken om machtiging tot het op korte termijn intrekken van het bovengenoemde wetsvoorstel. Deze brief vormt tevens een reactie op vragen van Uw Kamer over het voornemen tot intrekking van het wetsvoorstel gesteld bij de regeling van werkzaamheden van 29 oktober 2002.

Na amendering introduceert genoemd wetsvoorstel niet alleen de invoering van de leerplicht voor vierjarigen, maar ook de mogelijkheid tot (ruime) vrijstelling van die verplichting. Op schriftelijk verzoek van de ouders en na overleg met de directeur van de school kan daardoor worden gekomen tot een vrijstelling ter voorkoming van overbelasting van jonge leerlingen. In de praktijk zal die procedure de schoolbesturen een forse vermeerdering van administratieve lasten opleveren. Bovendien kan deze vrijstellingsmogelijkheid er toe leiden dat minder vierjarigen dan nu het geval is aan het onderwijs zullen deelnemen.

Met de verlaging wordt slechts een kleine groep kinderen van vier jaar bereikt die tot nu toe niet deelneemt aan het basisonderwijs. Op basis van onder meer een vergelijk van het aantal vier- en vijf-jarige deelnemers aan het onderwijs in verschillende schooljaren, geldt voor het schooljaar 2001–2002 dat reeds circa 99,11% van alle vierjarigen onderwijs volgt.

De afgelopen periode is veel geïnvesteerd in voor- en vroegschoolse educatie (VVE) voor risicoleerlingen tussen de 2- en 6 jaar. Deze gestructureerde programma's zijn er op gericht de ontwikkelings- en taalachterstand van deze risicoleerlingen terug te dringen. Naar verwachting zal het deelnamepercentage van de doelgroep de komende jaren fors stijgen. Verwacht kan worden dat de leerlingen die éénmaal zijn ingestapt in VVE programma's, op 4-jarige leeftijd zullen instromen in het basisonderwijs.

Daarnaast gaat invoering van de verlaging van de leerplichtige leeftijd ten koste van de vrijheid van ouders en verzorgers om te beoordelen of schoolbezoek opportuun is voor hun vierjarige kinderen.

De nadelen die aan de verlaging van de leerplichtige leeftijd zijn verbonden, stroken naar hun inhoud en te verwachten effect derhalve niet met het beleid, dat juist meer ruimte voor scholen voorstaat, de verantwoordelijkheid van ouders en leerlingen benadrukt en administratieve lasten waar mogelijk, wil beperken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

M. J. A. van der Hoeven

Naar boven