Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 28001 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 28001 nr. 3 |
Vastgesteld 9 november 2001
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft over de Sociale Nota 2002 (Kamerstuk 28 000, nr. 2) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op 9 november 2001 gegevens antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.
Waarom is er voor gekozen ook de uitwerking van substantiële onderdelen (o.a. toetrederskorting) via Financiën te laten lopen?
Zoals in de Miljoenennota 2001 (bijlage 4, paragraaf 4.8) uitvoerig is besproken, wordt bij de afweging tussen de inzet van een fiscale maatregel of een subsidie gekeken naar aspecten als eenvoud, adequaatheid van de vormgeving en uitvoerbaarheid. Dat is afgelopen voorjaar ook gebeurd bij de afwegingen rondom de invoering van de toetrederskorting. Het feit dat een fiscale maatregel primair onder de verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van Financiën valt en een subsidieregeling in de regel niet, speelt bij deze afweging geen rol. Voorop staat de doeltreffendheid en doelmatigheid van maatregelen. Overigens is het de bedoeling om in het kader van de nieuwe VBTB-begrotingssytematiek, de belastinguitgaven die betrekking hebben op beleidsterreinen waarvoor een ander departement dan Financiën primair verantwoordelijk is, zoveel mogelijk toe te lichten op de betreffende begroting van dat departement
Is herijking van de arbeidsmarktinstrumenten – zoals onderzocht in het IBO-onderzoek «Aan de slag» – in 2002 noodzakelijk, gezien de verwachte toename van de werkloosheid? Kan gemotiveerd worden aangegeven hoe en in welke verhouding de verschillende arbeidsmarktinstrumenten in 2002 worden ingezet in het licht van de gesignaleerde trends?
Een herijking van de arbeidsmarktinstrumenten is hoe dan ook toekomstgericht. Belangrijk is daarbij de vraag of het instrumentarium ook voldoende conjuctuur bestendig is. Het IBO-onderzoek heeft zich daarvan rekenschap gegeven.
Het rapport «Aan de slag» heeft overigens geen invloed gehad op de inzet van de arbeidsmarktinstrumenten in 2002. Het rapport behelst voorstellen voor de toekomstige organisatie van het arbeidsmarktbeleid en vormt als zodanig een goede basis voor oordeelsvorming over de vormgeving van het toekomstige arbeidsmarktbeleid.
Het arbeidsmarktbeleid is in het verleden sterk gericht geweest op vergroting van de arbeidsparticipatie via stimulering van de vraag naar – vooral laaggeschoolde-arbeidskrachten. Hiervoor worden vooral maatregelen om laaggeschoolde arbeid goedkoper te maken ingezet: naast fiscale kortingen voor werkgevers is het volume gesubsidieerde banen uitgebreid. Gelet op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt – de loon(kosten)ontwikkeling, de arbeidsmarktknelpunten en vergrijzing op te vangen – is de uitstroom uit gesubsidieerde arbeid naar ongesubsidieerde arbeid en versterking van het potentiële arbeidsaanbod voor directe plaatsing op de reguliere arbeidsmarkt meer op de voorgrond getreden.
Het kabinet zet in op generieke en specifieke maatregelen (deze laatste gericht op doelgroepen) om de kwaliteit en de kwantiteit van het arbeidsaanbod te verbeteren.
Algemene maatregelen om de arbeidsdeelname te verhogen bevatten een verdere verkleining van de armoedeval, een brede toetrederskorting , het verbeteren van de mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren en flexibele beloningsvormen.
Voor specifieke groepen, werknemers in gesubsidieerde arbeid ouderen, laagopgeleiden en etnische minderheden worden naast de bovengenoemde generieke maatregelen, extra maatregelen ingezet.
Deze maatregelen variëren van specifieke prikkels en acties om uitstroom uit de verschillende regelingen voor gesubsidieerde arbeid te vergroten, fiscale voordelen voor werkende ouderen en fiscale voordelen voor werkgevers die hun werknemers opscholen tot startkwalificatieniveau tot het afsluiten van MKB-convenanten ter bevordering van de arbeidsinpassing van etnische minderheden.
Naast deze meer preventieve maatregelen wordt ook het activerings- en reïntegratiebeleid versterkt door middel van onder meer de sluitende aanpak van de werkloosheid, specifieke bestuurlijke afspraken met de VNG in de Agenda voor de Toekomst, de invoering van het Fonds Werk en Inkomen, en de wijziging van de Wet Rea.
Met betrekking tot de benodigde middelen voor de verschillende arbeidsmarktinstrumenten is in de ramingen (artikel 2 t/m 4 in de begroting) rekening gehouden met de veranderde situatie op de arbeidsmarkt. Bij artikel 2 is dit voornamelijk terug te vinden bij het aantal dienstbetrekkingen in het kader van de Wiw en bij artikel 3 in het aantal RSP arbeidsplaatsen. Bij de ID-banen (artikel 3) heeft de situatie op de arbeidsmarkt een geringe invloed op de benodigde middelen. In beide gevallen (WSW en ID) is conform afspraken in het Regeerakkoord sprake van een jaarlijkse uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen.
Is de regering voornemens in 2002 een deel van de I/D-banen om te zetten in reguliere functies?
Neen. In het recent verschenen IBO-rapport «Toekomst van het arbeidsmarktbeleid» komt het op termijn regulier maken van een deel van de functies uitgeoefend op ID-banen, als aanbeveling voor. In reactie daarop heeft het kabinet het standpunt ingenomen, dat het denkbaar is dat voor werknemers op ID-banen gezocht wordt naar mogelijkheden voor een meer reguliere inpassing in de werkgelegenheid van de betreffende instellingen. Het kabinet heeft tevens aangegeven dat waarborgen daarbij onmisbaar zijn, zoals met betrekking tot de rechtspositie van de zittende werknemers als het voorkomen van verdringing door hoger gekwalificeerde arbeid. Voorts zijn er overgangsvraagstukken, onder andere op het gebied van over te hevelen financiering. Van dit kabinetsstandpunt bent u in kennis gesteld bij brief van 7 september jl. Van beleidswijziging in 2002 is geen sprake.
Wat zijn de gevolgen van flexibele beloningsvormen voor de koppeling van de uitkeringen aan de gemiddelde contractlonen?
Flexibele beloningsvormen vallen buiten de contractloonstijging, omdat ze niet deel uitmaken van het vaste loon. Hierdoor werkt de winstdeling niet door in de koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de gemiddelde contractloonstijging.
Welke concrete maatregelen gaat de regering nemen om de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen te bestrijden?
In de Voortgangsbrief gelijke beloning (27 099, nr. 3), die op 11 april 2001 aan de Tweede Kamer is aangeboden, wordt de stand van zaken aangegeven van de maatregelen die vorig jaar mei in het Plan van aanpak gelijke beloning (27 099, nr. 1) zijn aangekondigd. Deze maatregelen betreffen onder meer: ontwikkeling en verspreiding van een kwaliteitstoets waarmee functiewaarderingssystemen kunnen worden gescreend op sekseneutraliteit, onderzoek naar het waarborgen van gelijke beloning bij overgang naar nieuwe beloningsvormen, voorlichting, activering van ondernemingsraden en uitbreiding van de bevoegdheid van de Commissie gelijke behandeling tot het doen van onderzoek uit eigen beweging. Ook wordt in de Voortgangsbrief gelijke beloning een drietal aanvullende maatregelen vermeld, namelijk verdiepend onderzoek op micro/meso-niveau naar beloningsverschillen, financiële ondersteuning van sociale partners ter bevordering van het gebruik van de checklist gelijke beloning en subsidie voor de ontwikkeling van een quickscan gelijke beloning door de Commissie gelijke behandeling.
Op 13 september jl. heeft de vaste commissie voor Sociale zaken en Werkgelegenheid overleg gevoerd over de Voortgangsbrief met Staatssecretaris Verstand. De staatsssecretaris heeft toen toegezegd om in het voorjaar van 2002 de Tweede Kamer opnieuw te informeren over de laatste stand van zaken van het gelijke beloningsbeleid door middel van een nieuwe Voortgangsbrief gelijk beloning.
Welke gevolgen heeft de fiscale ondersteuning van winstdeling op vrouwen die werkzaam zijn in de publieke sector?
De fiscale faciliteit voor flexibele beloningsvormen betreft winstdelingsregelingen. Het is per definitie niet mogelijk om deze toe te passen in de publieke sector. Op voorhand is niet te zeggen wat de consequenties van het invoeren van de stimulans zijn voor vrouwen die werkzaam zijn in de publieke sector. De concurrentiepositie van de overheid ten opzichte van het bedrijfsleven zal bij de evaluatie in 2003 aan bod komen.
Op welke wijze is de regering voornemens om werknemers te stimuleren om via scholing een startkwalificatie te halen? Om welke maatregel(en) gaat het precies?
Om werknemers toe te leiden naar een startkwalificatie wordt ingezet op:
– Een investering in het beroepsonderwijs. Onderwijsinstellingen voor vmbo, mbo en hbo, sociale partners en het kabinet werken samen om de positie van het beroepsonderwijs te versterken. Daartoe komt voor de resterende kabinetsperiode 226,9 miljoen euro beschikbaar, waarvan 136,1 miljoen euro structureel vanaf 2002 voor de versterking van de beroepskolom.
– Per 1 januari 2001 is de scholingsaftrek voor de profitsector en de afdrachtvermindering scholing voor de non-profitsector verhoogd voor scholing van laagopgeleide werknemers tot startkwalificatieniveau en Nederlands als tweede taal.
Daarnaast wordt vanaf 2002 extra geld (45 miljoen euro) beschikbaar gesteld in de vorm van een extra fiscale tegemoetkoming voor de werkgever in geval van scholing van voormalig werkloze werkenden naar een startkwalificatie toe.
Komt het standpunt van de regering over levensloop bewust regeringsbeleid nog voor de begrotingsbehandeling van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de Kamer?
Nee. De Verkenning Levensloop zal rond de jaarwisseling aan het parlement aangeboden.
Met hoeveel (Fte's, middelen) wordt de capaciteit van de Arbeidsinspectie uitgebreid?
Vanaf 2002 wordt de Arbeidsinspectie uitgebreid met:
• 50 fte inspectiecapaciteit op arbeidsomstandigheden en Arbeidstijden
• 15 fte capaciteit met betrekking tot toezicht op het Besluit Risico's Zware Ongevallen
• 6 fte capaciteit met betrekking tot toezichthoudende taken Vuurwerkbesluit
Inclusief materiële kosten voor deze nieuwe medewerkers en ondersteunende capaciteit is voor deze uitbreiding in 2002 € 6,13 miljoen beschikbaar stijgend tot € 6,35 miljoen vanaf 2003.
Wanneer kan de Kamer het advies van de SER over het rapport van de commissie-Donner en het kabinetsstandpunt daarover verwachten?
De SER streeft er naar om op zo kort mogelijke termijn een advies over het rapport van de Commissie Donner vast te stellen. Na ommekomst van het SER-advies zal het kabinet zijn standpunt bepalen.
Wordt op blz. 18, waar staat dat vanaf 2002 gemeenten in staat worden gesteld aan mensen die geen arbeidsmarktperspectief hebben eenmaal in de drie jaar een extra vergoeding te geven, gedoeld op uitvoering van de motie-Noorman-den Uyl (27 400 XV, nr. 29), welke motie gericht was een jaarlijkse inkomensondersteuning (zie ook blz. 79 en 194)? Hoe gaat de regering deze motie precies uitvoeren? Waar komt de dekking van deze extra uitgaven vandaan? Wat betekent de motie voor andere instrumenten die gemeenten hebben om gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid te voeren? Zo ja, betekent deze formulering dat gemeenten er ook voor kunnen kiezen de extra vergoeding niet uit te keren? Komt de vergoeding in plaats van de bestaande gemeentelijke regelingen?
Met de VNG is overeenstemming bereikt over de uitvoering van de zogeheten motie «lang-laag» van Noorman-den Uyl c.s.
De «lang-laag»-voorziening richt zich op de groep die al drie jaar of langer moet rondkomen van het sociaal minimum. Daarbij gaat het om f 1 000,00 (€ 453,78) per jaar (resp. 90% en 70% daarvan voor alleenstaande ouders en alleenstaanden). Degenen in deze groep die geen arbeidsmarktperspectief hebben, hebben er recht op. Het vaststellen van het arbeidsmarktperspectief geschiedt aan de hand van het bestaande dossier van betreffende aanvrager. De wijze waarop de toets feitelijk moet worden uitgevoerd is nog onderwerp van overleg tussen het ministerie van SZW en de VNG. Voor de groep «lang-laag» die zijn inkomen niet via de gemeente ontvangt (m.n. WAO en Anw), is de betreffende uitkeringsinstantie verantwoor-delijk voor de beoordeling. De gemeentelijke rol blijft dan beperkt tot het verstrekken van de voorziening.
Afgesproken is dat 75% van de kosten voor «lang-laag» declarabel zijn. Op het punt van een bijdrage uit het gemeentefonds is het overleg nog niet afgerond.
Kan de tabel op blz. 19 worden aangevuld met gegevens over 1994 en 1998?
Is de regering voornemens aanvullende maatregelen te
nemen om scholing alsnog te stimuleren? Zo ja, welke?
De regering neemt diverse maatregelen om scholing te stimuleren.
Aandacht gaat specifiek uit naar laagopgeleiden (zie vraag 7). Algemene maatregelen zoals de verdere verkleining van de armoedeval, de introductie van een brede werkaanvaardingspremie en de verbetering van de afstemming tussen werk en privé zijn hieraan ondersteunend.
Zijn er ook signalen dat veel vrouwen in deeltijd gingen werken bij gebrek aan goede regelingen (kinderopvang, verlof, schooltijden) om langer te kunnen werken?
Zoals in hoofdstuk 2 van de SN (p. 20) is opgemerkt, sluiten deeltijdbanen aan bij de behoeften van vrouwen en mannen om minder dan voltijd te werken. Als gevolg van de collectieve arbeidsduurverkorting ontstaat er ook bij werkgevers een grotere behoefte aan deeltijdwerkers. Aanbod en vraag naar deeltijdarbeid sloten zodoende dus goed op elkaar aan. Hierdoor konden vrouwen massaal tot de arbeidsmarkt toetreden. In het algemeen staat overigens niet vast wat oorzaak en wat gevolg is: de groei van de arbeidsparticipatie van (gehuwde) vrouwen of de groei van het deeltijdwerk.
Momenteel geldt dat het merendeel van de vrouwen die in deeltijd werken, dit vrijwillig doen. Circa 1 op de 10 vrouwen met een deeltijdbaan geeft aan langer te willen werken (bron: OSA Arbeids aanbod panel, 1998). Vrouwen die deeltijd werken en meer zouden willen werken, hebben sinds het van kracht worden van de Wet Aanpassing Arbeidsduur (per 1 juli 2000) het recht op uitbreiding van hun arbeidsduur.
Het gebrek aan kinderopvangvoorzieningen is in het verleden negatief van invloed geweest op het arbeidsaanbod. Dit is ook de reden waarom in de jaren negentig de kinderopvang-faciliteiten en kinderopvangsubsidies substantieel zijn uitgebreid.
Volgens het CPB (Arbeidsparticipatie van vrouwen; 28 mei 2001) is in de jaren negentig het arbeidsaanbod van vrouwen als gevolg van het kabinetsbeleid (waaronder kinderopvang) toegenomen met in totaal 12 procentpunt. De vergrijzing had een negatief effect op het arbeidsaanbod van in totaal 1 procentpunt in deze jaren, zodat de groei van het aanbod van vrouwen in de jaren negentig in totaal 11 procentpunt bedroeg.
Hoeveel banen waren er medio 1994 en hoe voor banen waren er medio 2001?
In het tweede kwartaal van 2001 bedroeg het aantal banen 7,5 miljoen. In 1994 bedroeg het aantal banen het tweede kwartaal 5,6 miljoen; een werkgelegenheidsgroei dus van 1,9 miljoen banen.
In welke mate is de daling van het kindertal van invloed op de forse groei van het arbeidsaanbod? Is er wel een directe causale relatie?
In welke mate is het uitstel van het moederschap van invloed op de forse groei van het arbeidsaanbod? En betekent dit niet juist dat later een daling van het arbeidsaanbod alsnog optreedt (op het moment dat mensen alsnog kiezen voor kinderen)?
Zoals in de Sociale Nota is aangegeven liggen verschillende onwikkelingen ten grondslag aan de forse groei van het arbeidsaanbod, namelijk deeltijdarbeid, de stijging van het opleidingsniveau onder vrouwen, maar ook de veranderende taakverdeling tussen mannen en vrouwen, de daling van het kindertal en uitstel van het moederschap. Met betrekking tot deze laatste twee geldt dat de mediane leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen is toegenomen van 24,1 jaar bij de generatie geboren in 1945 tot 30,2 jaar bij de generatie van 1970: de hoogste leeftijd in de Westerse wereld. Hiernaast groeit de groep vrouwen die kinderloos blijft. Van de geboortegeneratie 1970 zal naar verwachting 21% van de vrouwen kinderloos blijven, van nog jongere generaties (verwachting CBS) zelfs een kwart. Het uitstel van geboorten wordt slechts ten dele gecompenseerd door een inhaalproces op hogere leeftijd van de vrouw.
Vergeleken met een aantal decennia geleden bestaan de meeste gezinnen uit tweeverdieners. Vrouwen van 20 tot 35 jaar werken niet veel minder dan mannen in dezelfde leeftijdscategorie. Het CPB verwacht daarom een forse participatietoename bij vrouwen ouder dan 35 jaar. Dit zijn vrouwen die momenteel jonger zijn dan 35 jaar en nu al meer participeren dan oudere vrouwen toen zij jong waren. Bovendien geldt dat, in tegenstelling tot vroeger, het krijgen van kinderen niet automatisch stoppen met werken impliceert. Veel meer dan vroeger wordt thans gekozen voor grotere deeltijdbanen – in plaats van terugtreding van de arbeidsmarkt – bij het krijgen van kinderen.
Het ligt voor de hand dat een laag kindertal op termijn leidt tot een lager arbeidsaanbod. Het NIDI stelt dat het uitstel van het moederschap gevolgen heeft voor de opbouw van de beroepsbevolking. SZW laat in 2002 onderzoeken hoe een verdere verbetering van voorzieningen voor de combinatie van arbeid en zorg de individueel gewenste timing van het krijgen van kinderen kan beïnvloeden.
Op welke wijze is de taakverdeling tussen mannen en vrouwen veranderd? In welke mate zijn mannen ook meer gaan zorgen? Willen mannen ook meer tijd aan zorg besteden?
Het percentage mannen dat zorgtaken draagt neemt toe. Dit is echter een gemiddelde en geldt niet voor alle mannen. De meeste mannen willen wel meer zorgtaken dragen maar in de praktijk komt daar minder van terecht. Dit blijkt uit het recent verschenen rapport van het SCP «trends in de tijd. Een schets van recente ontwikkelingen in tijdsbesteding en tijdsordening».
Uit de SCP publicatie «De kunst van het combineren, taakverdeling onder partners» (oktober 2000) blijkt dat de verdeling tussen partners van onbetaalde arbeid (zorg, huishouden) in sterke mate samenhangt met het verdienerstype, c.q. met de arbeidsduur van de vrouw. De tijdsbesteding van de man aan huishoudelijke en zorgtaken blijkt niet of nauwelijks gevoelig (weinig elastisch) voor de arbeidsduur van de vrouw. Met de toenemende arbeidsduur van de vrouw daalt hierdoor het aandeel van de vrouw in huishoudelijke en zorgtaken. De verdeling van taken wordt hierdoor iets gelijkwaardiger. Niettemin zijn het vooral vrouwen die het merendeel van de huishoudelijke taken verrichten.
Wat wordt bedoeld met «een adequate reactie» in het loonvormingsproces als de huidige conjuncturele terugslag zou leiden tot een betekenende stijging van de AIQ? Aan wat voor een maatregelen denkt de regering dan?
Bij een betekenende stijging van de AIQ kan van een adequate reactie in het loonvormingsproces worden gesproken indien de sociale partners in de loononderhandelingen tot afspraken komen die de weg effenen voor een terugkeer naar een meer evenwichtige AIQ. De verantwoordelijkheid voor de loonontwikkeling berust primair bij de sociale partners. Maar ook de regering bevordert de tot standkoming van een evenwichtige ontwikkeling. Daarbij kan aandacht voor een veelheid van beleidseffecten aan de orde zijn, in de sfeer van een evenwichtige lastenontwikkeling, bevordering van het arbeidsaanbod en in het algemeen een groei- en werkgelegenheidsbevorderend sociaal-economisch beleid.
Hoe hoog is het gebruik van de aanpassing van de arbeidstijden precies? Gaat het doorgaans om aanpassing van de arbeidstijden naar boven of naar beneden? Ging het om vrouwen of mannen? Hoe verhoudt het gebruik van het instrument zich tot het wettelijk recht op arbeidsaanpassing sinds medio 2000?
Inzicht in de betekenis van de Wet ontbreekt nog, omdat deze nog te kort bestaat. Afgesproken is dat twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet Aanpassing Arbeidsduur een voortgangsrapport aan de Kamer wordt aangeboden. Dit betekent dat per 1 juli 2002 duidelijk moet zijn wat de wet heeft betekent voor de arbeidstijden.
Hoe is het mogelijk dat het aantal scholingsmaatregelen nauwelijks is gestegen, terwijl sociale partners toch al jaren afspraken maken over employability? Betekent dit dat sociale partners hun afspraken met betrekking tot streefcijfers niet nakomen? Is de regering voornemens om de verantwoordelijkheidsverdeling ten aanzien van employability aan te passen en hier zelf via een intensivering van maatregelen meer verantwoordelijkheid voor te gaan nemen? Welke maatregelen gaat de regering hiervoor het aankomende jaar nemen?
In de enquête van de OSA (OSA-publicatie A 178, mei 2001) is de vraag voorgelegd welke maatregelen bedrijven met 1 of meer moeilijk vervulbare vacatures in de twee jaar voorafgaand aan de enquête hebben genomen om deze vacatures op te vervullen.
Zoals uit figuur 2.6 in de sociale nota (pag. 29) blijkt wordt zowel voor 1995–1997 als 1997–1999 het scholen van nieuwkomers en het scholen van zittend personeel het vaakst genoemd na het intensiever werven.
Tussen 1995–1997 en 1997–1999 is ook een toename te zien in de scholingsmaatregelen. De landelijke toename in gevolgde bedrijfsopleidingen die uit de cijfers van het CBS blijkt is echter veel groter. Deze landelijke toename is dus waarschijnlijk slechts deels veroorzaakt door de toenemende krapte. De toegenomen aandacht voor employability speelt waarschijnlijk een grotere rol. Doordat de economie dynamischer en kennisintensiever wordt, wordt van werknemers een bredere inzetbaarheid gevraagd binnen de onderneming, alsmede een grotere wendbaarheid op de arbeidsmarkt. Dat vereist van werknemers kwaliteiten en competenties die hen in staat stellen hierop in te spelen. Deze ontwikkeling komt ook tot uiting in afspraken met betrekking tot employability zoals deze in CAO's tot stand komen.
In het Voorjaarsoverleg 2001 zijn afspraken met sociale partners gemaakt over verdere investeringen in onderwijs en scholing. Hierbij is onder meer vastgesteld dat uitgaande van het belang van complementaire inspanningen sociale partners – naast de investeringen van het kabinet in beroepsonderwijs en scholing (zie vraag 7) – de reeds ingezette lijn van investeringen in scholing en beroepsonderwijs zullen voortzetten. In dit kader is onder meer het gebruik van persoonlijke ontwikkelingsplannen met een bijbehorend budget, zoals genoemd in de Stichtingsaanbeveling «Er is meer nodig» interessant. De noodzaak voor een goed employabilitybeleid is door de Stichting van de Arbeid verder uitgewerkt in de nota «Werk maken van employability-beleid!». Behalve op het hiervoor genoemde instrument wijst de Stichting er verder op dat binnen het employability-beleid aandacht moet bestaan voor specifieke doelgroepen. Ook de invoering van een EVC-systeem (Erkennen van Verworven Competenties) wordt gezien als een belangrijk nieuw instrument.
Voorts bepleit de Stichting van de Arbeid een aantal samenhangende en ondersteunende initiatieven. Belangrijk hierbij zijn onder meer: het aanstellen van employability-adviseurs en het uitvoeren van employability-scans en een meer faciliterende en actief ondersteunende functie van O en O fondsen, mede gericht op een grotere intersectorale mobiliteit.
Welke conclusies kunnen getrokken worden uit het gegeven dat scholingsmaatregelen door bedrijven om mensen te behouden of door te laten stromen nauwelijks gestegen zijn? Hoe verhoudt dit gegeven zich tot cijfers van het CBS (maandstatistiek van mei 2001) dat het percentage werknemers dat een opleiding volgt, tussen 1993 en 1999 is gestegen van 26% naar 41%?
Zie vraag 21
Waar bestaat de groep van 48 000 personen zonder werkloosheidsuitkering uit die aan het criterium niet-werkend maar wel werkzoekend voldoen? Gaat het hierbij met name om potentiële herintreders? Voorts wordt gevraagd naar de relatie tussen de genoemde 480 000 niet-werkende werkzoekenden en de werkloze beroepsbevolking die een omvang heeft van 270 000.
Potentiële herintreders vormen een belangrijke categorie van personen zonder werkloosheidsuitkering die als niet-werkende werkzoekenden zijn geregistreerd. De groep is echter breder. Het gaat namelijk ook om personen zonder arbeidsverleden die zich als werkzoekende melden op de arbeidsmarkt. Een belangrijke groep vormen hierbij de schoolverlaters. Daarnaast is er nieuw arbeidsaanbod van personen die zich, mede door de aanhoudend gunstige conjunctuur in de afgelopen periode, nu gaan melden op de arbeidsmarkt. Bij een minder florerende arbeidsmarkt zou deze laatste groep zich minder kansrijk achten op een baan en zich voor een belangrijk deel ook niet aanbieden.
Niet elke persoon uit de groep van 480 000 niet-werkende werkzoekenden wordt tot de werkloze beroepsbevolking van 270 000 personen gerekend. Om tot de werkloze beroepsbevolking te worden gerekend gelden de volgende voorwaarden:
a) men werkt niet of minder dan 12 uur per week en
b) men is beschikbaar om binnen 2 weken te beginnen en
c) men heeft de afgelopen 4 weken actief naar werk (12 uur of meer per week) gezocht.
Een groot deel van de niet-werkenden werkzoekenden voldoet niet aan alle 3 bovengenoemde voorwaarden. Men is bijvoorbeeld niet in staat om binnen 2 weken te beginnen of is de afgelopen 4 weken niet actief op zoek geweest naar een baan. Dit deel van het arbeidsaanbod wordt dus niet tot de werkloze beroepsbevolking gerekend.
Hoeveel procent van de circa 900 000 arbeidsongeschikten werkt op dit moment?
In 1999 (het meest recente jaar) was 24 procent van alle arbeidsongeschikten werkzaam. Het betrof 25 procent van de WAO'ers, 5 procent van de WAZ'ers en 27 procent Wajong'ers.
Worden de statistieken aangepast opdat inzicht kan worden verkregen in de groepen die formeel of de facto zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht?
Er zijn geen officiële statistieken waarin de ontheffing van sollicitatieplicht is verdisconteerd. Wel zijn er cijfers beschikbaar over het aantal personen met een ABW- en WW-uitkering dat formeel of de facto van de sollicitatieplicht is uitgesloten. Hierdoor is het mogelijk om een en ander te berekenen. In het IBO-rapport «Aan de slag» is een tabel hierover opgenomen.
Tabel Arbeidsverplichting in ABW en WW in 1999
| Status | Abw in % van het totaal | WW in % van het totaal |
|---|---|---|
| Formele arbeidsverplichting | 55 | 71 |
| – waarvan de facto ontheffing | 24 | 0 |
| Formele volledige ontheffing | 42 | 29 |
| Onbekend | 3 | 0 |
| Totaal aantal personen | 404 000 | 221 000 |
Bij brief van 27 april jl. (TK, 27 221, nr. 7) is de Kamer geïnformeerd over de facto ontheffingen. In deze brief is meegedeeld dat door mijn departement momenteel een onderzoek plaatsvindt naar de uitvoeringspraktijk van het gemeentelijke ontheffingenbeleid. De Kamer zal over de uitkomsten worden geïnformeerd. Dit onderzoek vormt tevens het vertrekpunt voor een structurele monitoring van de uitvoeringspraktijk van het ontheffingenbeleid. Langs deze weg zal het gevraagde inzicht worden verkregen.
Wat is de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in Nederland, gerelateerd aan internationale cijfers? Wat is de gewenste productiviteit? Hoe is verantwoordelijkheidsverdeling hier tussen overheid, werkgevers en werknemers?
Uit onderstaande tabel blijkt dat de stijging van de arbeidsproductiviteit in 1990–1998 is achtergebleven bij de stijging in andere landen. De tabel laat ook zien dat dit vooral wordt veroorzaakt door de ontwikkeling in de dienstensector, ook in de ICT-intensieve dienstentakken. Deze laatste takken hebben echter na 1996 een verbetering te zien gegeven.
De tabel illustreert dat de macro-economische ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in hoge mate samenhangt met de sectorale opbouw van de economie en de ontwikkelingen die zich daarin voordoen. Deze ontwikkelingen laten zich overigens moeilijk sturen.
De macro arbeidsproductiviteit is de resultante van veel factoren (kapitaalintensiteit, opleidingsniveau beroepsbevolking etc.) Bedrijfsleven, overheid en personen hebben daarin elk hun eigen verantwoordelijkheden. De verdeling van de verantwoordelijkheden van elk van de partijen is echter in zijn algemeenheid niet aan te geven (voor primair onderwijs bijvoorbeeld anders dan voor bedrijfsinvesteringen in human capital).
Tabel Arbeidsproductiviteitsstijging1 in internationaal perspectief, 1990–1998
| Denemarken | Frankrijk | Duitsland | Italië | VS | Nederland | gemiddelde | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| jaarlijkse procentuele mutaties | |||||||
| Totale economie | 1,5 | 1,1 | 2,3 | 1,6 | 1,5 | 1,0 | 1,5 |
| w.v. | |||||||
| ICT-intensieve industrie | 3,9 | 6,4 | 5,0 | 2,8 | 5,6 | 4,6 | 4,7 |
| Overige industrie | 0,8 | 2,9 | 3,2 | 2,1 | 2,7 | 2,5 | 2,4 |
| ICT-intensieve diensten | 1,9 | 0,6 | 2,9 | 2,0 | 2,2 | 1,3 | 1,8 |
| Overige diensten | 1,0 | 0,1 | 0,9 | 0,4 | 1,0 | 0,4 | 0,6 |
1 Volume toegevoegde waarde tegen factorkosten per werkende
Bron: F.J.H. Don, Het Nederlandse groeipotentieel op middellange termijn, CPB document 1, 2001
Kan nader worden aangegeven op welke onderdelen precies de sluitende aanpak tekortschiet?
De sluitende aanpak bij de gemeentes is goed op gang gekomen. In het kader van de Agenda van de toekomst is met de VNG afgesproken dat gemeenten zich inspannen om de sluitende aanpak al in 2001 volledig te realiseren.
Ook de uitvoeringsinstellingen (UVI's) presteren beter dan in 1999. Alleen de prestaties bij Arbeidsbureau Nederland vallen tegen. Hierover is de Kamer geïnformeerd per brief van 28 juni 2001. De groep waarvoor ABNL nu verantwoordelijk is (niet-uitkeringsgerechtigden/ANW) gaat per 1 januari 2001 over naar de gemeenten.
Voor deze overdracht van de moet ABNL deze groep uit de bestanden selecteren (opschoning). Zoals in het AO van 31 oktober jl. is gemeld aan de Kamer zijn met ABNL afspraken gemaakt dat de opschoning inclusief de uitvoering van de kwalificerende intake van het bestand niet-uitkeringsgerechtigden uiterlijk medio 2002 klaar zal zijn. Met de gemeenten worden afspraken gemaakt dat zij zich zullen inspannen om ook voor deze nieuwe doelgroepen een sluitende aanpak te realiseren, voorzover die dat willen en een traject nodig hebben.
In het AO van 31 oktober jl. is toegezegd toe te werken naar een verbetering van het inzicht in het totale actuele bestand en de rapportage aan de Kamer. Tevens wordt bekeken hoe aandacht besteed kan worden aan tevredenheidsonderzoeken. De Tweede Kamer wordt daarover ingelicht.
Kan een toelichting worden gegeven op de uitspraak dat oorzaken voor de geringe uitstroom uit de gesubsidieerde banen de financieringssystematiek en de arbeidsvoorwaarden zijn, waarbij de verschillende doelstellingen van het arbeidsmarktbeleid betrokken worden?
De dienstbetrekkingen van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) zijn vooral bedoeld als tijdelijke opstap naar meer regulier werk. De financieringssystematiek van de dienstbetrekkingen binnen de Wiw) komt er op neer dat gemeenten budget ontvangen naar rato van het aantal dienstbetrekkingen dat men realiseert. Dit geeft feitelijk een financiële incentive aan uitvoeringsorganisaties om instroom te bevorderen en uitstroom te beperken. Hogere uitstroom dan instroom is immers niet gewenst vanuit het perspectief van de uitvoeringsorganisatie.
Deze financieringssystematiek van de Wiw en het feit dat gemeenten deze systematiek meestal letterlijk doorvertalen naar de hun financiering van de Wiw-uitvoeringsorganisaties, dragen niet bij aan de uitstroomgerichtheid van de Wiw.
Daarbij komt dat de arbeidsvoorwaarden van de Wiw-dienstbetrekking onder meer uitgaan van 100% WML tot maximaal 120% WML.
Er zijn een aantal maatregelen getroffen om uitstroom te bevorderen. Zie antwoord op vraag 33.
Wat zijn de redenen waardoor de regiefunctie van de gemeente inzake het Wiw- en Wsw-beleid nog onvoldoende wordt doorvertaald naar de aansturing van de uitvoeringsorganisaties?
Uit de evaluatie Wiw/Wsw bleek dat de doorvertaling van beleid van gemeenten naar uitvoeringsorganisaties nog onvoldoende van de grond komt. Uit de evaluatie komen de volgende verklaringen naar voren. Ten eerste zijn in het verleden de Wsw, Wiw en ID-banen vaak als afzonderlijke, niet met elkaar samenhangende instrumenten gezien. Bij gemeenten is in veel gevallen per regeling een uitvoeringsorganisatie in het leven geroepen, die zich vervolgens gespecialiseerd heeft in de uitvoering van betreffende regeling.
Omdat vervolgens tot voor kort zowel uitkeringen (Abw) als de diverse regelingen gesubsidieerde arbeid (bijna) volledig bij het Rijk konden worden gedeclareerd, bestond er geen financiële noodzaak om als gemeentelijke uitvoeringsorganisaties met elkaar samen te werken en om regie hierop te voeren. Dit is ook terug te zien in de vormgeving van de contracten (doorgaans raamovereenkomsten) tussen gemeente en Wiw-uitvoeringsinstelling. Hierin zijn nog weinig kwantitatieve doelstellingen opgenomen. Mede als gevolg van deze situatie is bovendien de expertise bij gemeenten op het gebied van aansturing van deze uitvoeringsorganisaties over het algemeen nog niet voldoende ontwikkeld.
De aansturing door gemeenten van Wsw-uitvoeringsorganisaties heeft sinds de invoering van de nWsw vaak de vorm van een beperkte sturing op afstand, waarbij de nadruk ligt op het bewaken van de financiële randvoorwaarden en waarbij het initiatief voor de inhoudelijke beleidsbepaling feitelijk bij het uitvoerende SW-bedrijf ligt. Gemeenten maken nog weinig gebruik van de mogelijkheid om – op basis van nWsw – eigen beleidskeuzen te realiseren middels het gericht inzetten van rijkssubsidie voor Wsw en daarbij te kiezen voor de nieuwe alternatieve uitvoeringsmodaliteiten van SW-arbeidsplaatsen buiten het traditionele SW-bedrijf. Als verklaring hiervoor kan worden aangevoerd dat het SW-bedrijf traditioneel op afstand van de gemeente staat en reeds tientallen jaren de Wsw zelfstandig heeft uitgevoerd. Daarbij komt nog dat er zich vanuit het oogpunt van gemeenten weinig uitvoeringsproblemen voordoen, die gemeenten tot actieve sturing zouden aanzetten.
Welke maatregelen gaat de regering doorvoeren zodat gemeenten de Wiw/Wsw uitvoeringsorganisaties efficiënter kunnen aansturen?
Om de aansturing van de Wiw en de Wsw door gemeenten te verbeteren is een aantal acties ondernomen. Met de invoering van de eerste fase van het Fonds Werk en Inkomen per 1-1-2001 is vooral beoogd het voeren van regie door gemeenten op reïntegratiebeleid en -uitvoering te stimuleren. Met de invoering van 25% budgettering van de Abw-uitgaven slaat succes (en falen) van gemeentelijk reïntegratiebeleid van de gemeente ook financieel neer bij gemeenten. Het wetsvoorstel experimenten FWI geeft de mogelijkheid om te experimenteren met verdergaande budgettering in samenhang met verdergaande deregulering van de WIW.
Voorts ga ik er van uit dat de afspraken die ik heb gemaakt met gemeenten in het kader van de Agenda voor de Toekomst gemeenten stimuleren tot het steviger voeren van regie op het traject van uitkering naar werk. In ruil voor afspraken over uitstroom uit de Abw, ontvangen gemeenten financiële middelen. Deze zijn ook inzetbaar voor het verbeteren van de regie-voering richting uitvoeringsorganisaties.
Verder heb ik dit jaar een subsidie verstrekt aan Stimulansz om gemeenten te ondersteunen bij het professionaliseren van hun inkoopfunctie.
Met het oog op de ondersteuning van gemeenten en uitvoeringsorganisaties bij de implementatie van de nieuwe Wsw is aan vier gemeenten/schappen gevraagd als «pilot» in het transformatieproces te fungeren. De deelnemende gemeenten laten – als voorlopers – zien hoe zij de sturing op de uitvoering van de Wsw vormgeven binnen het gemeentelijk arbeidsmarkt-beleid. Andere gemeenten kunnen lering trekken uit de ervaringen die in de pilot-gemeenten zijn opgedaan. Er wordt een handboek samengesteld van de ervaringen die in de pilot-gemeenten zijn opgedaan. Naar verwachting zal een eerste deel van dit handboek tegen het eind van dit jaar beschikbaar komen voor alle gemeenten. Langs deze weg zal de overdracht van de leerresultaten uit de pilots aan andere gemeenten plaatsvinden.
De komende tijd zal mede op basis van de beleidsvoorstellen van het IBO-rapport «Toekomst van het arbeidsmarktbeleid» nader onderzocht worden hoe tot een meer heldere rolverdeling tussen gemeenten en SW-uitvoeringsorganisaties te komen en op meer structurele wijze de aansturing door gemeenten te versterken.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van geringe uitstroom uit de Wsw?
Er zijn verschillende oorzaken voor de geringe uitstroom uit de Wsw naar reguliere niet-gesubsidieerde arbeid. Om te beginnen is de primaire doelstelling van de Wsw niet het bewerkstelligen van uitstroom, maar het bieden van arbeid onder aangepaste omstandigheden aan arbeidsgehandicapten voor wie het verrichten van arbeid onder reguliere omstandigheden geen reële optie is. Dit heeft tot gevolg dat het potentieel aan SW-werknemers om uit de Wsw te stromen niet groot zal zijn. Dit potentieel zal overigens nog dalen door de aangescherpte indicatiestelling sinds 1998 (invoering nWsw). Een volgende oorzaak voor de geringe uitstroom is het feit dat de SW-organisatie weinig of geen bedrijfsbelang heeft bij het bevorderen van uitstroom van SW-werknemers. Voorts zijn werkgevers in het reguliere bedrijfsleven huiverig om SW-werknemers in dienst te nemen en aarzelen SW-werknemers soms om de stap te nemen naar reguliere niet-gesubsidieerde arbeid vanwege de zekere en veilige omgeving van het SW-bedrijf en de onzekerheid over de omstandigheden van een baan buiten de Wsw.
Op welke wijze bevordert de regering de doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt voor de Wiw en de Wsw?
In het belastingplan 2002 is een toetrederskorting opgenomen die onder meer bedoeld is om de uitstroom onder personen die langdurig werkzaam zijn geweest op gesubsidieerde banen (Wiw-dienstbetrekkingen, ID-banen, Wsw-arbeidsplaats) te bevorderen.
Voor de Wiw geldt dat met de uitstroomactie voor ex-banenpoolers (zie ook vraag 35) de doorstroom wordt bevorderd. Deze uitstroomactie wordt door mij ondersteund op de volgende manieren:
• een bedrag van 500 gulden (€ 227) voor iedere ex-banenpooler die op 1 juli 2000 bij de gemeente in dienst was ten behoeve van het nagaan van de mogelijkheden op uitstroom («screening»);
• een uitstroompremie voor gemeenten van 4000 gulden (€ 1815) bij uitstroom van de ex-banenpooler naar niet-gesubsidieerd werk;
• ondersteuning van gemeenten door de VNG en StimulanSZ met behulp van een subsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (zie antwoord vraag 31).
Met deze uitstroomactie is tevens het signaal afgegeven dat gemeenten – conform de doelstelling van de Wiw – meer inspanningen moeten verrichten om de Wiw-dienstbetrekkingen als tijdelijk instrument in te zetten.
Voor de Wsw geldt een terugkeergarantie die tot doel heeft de uitstroom van Wsw-geïndiceerden te bevorderen. De termijn waarbinnen de garantie van terugkeer naar de Wsw geldt, is volgens de huidige regelgeving één jaar. Teneinde alle betrokkenen te stimuleren de stap naar reguliere niet gesubsidieerde arbeid te zetten, wordt met ingang van 1 januari 2002 de garantietermijn verlengd naar drie jaar.
Over uitstroom uit ID-banen heb ik vorig jaar een handleiding uitstroom aan gemeenten aangeboden en bestuurlijke afspraken gemaakt met de VNG.
Ook verwacht het kabinet dat de structuurverandering in de sociale zekerheid (SUWI) en de verplichting van gemeenten om bij de inzet van reïntegratieinstrumenten aanbestedingsregels te volgen tot gevolg zal hebben dat gemeenten bij de inzet van reïntegratiemiddelen en gesubsidieerde arbeidsplaatsten meer op effectiviteit zullen letten.
Hoe zal het de ex-banenpoolers die nu in de Wiw-regeling zitten vergaan per 1 januari 2002?
Naar verwachting zal een deel van de ex-banenpoolers doorstromen naar een ongesubsidieerde baan, een deel van de ex-banenpoolers voor wie doorstroom naar een ongesubsidieerde baan geen reële optie zal blijken te zijn, zal doorstromen naar een ID-baan en de overige ex-banenpoolers zullen werkzaam blijven in een Wiw-dienstbetrekking. Gemeenten hebben de mogelijkheid om het financiële gat dat per 1 januari 2002 ontstaat voor de groep ex-banenpoolers door het wegvallen van de afdrachtsvermindering voor langdurig werklozen (VLW) na 4 jaar, te dichten door in het algemeen hogere inleenvergoedingen te vragen bij de werkgever waar de Wiw-werknemers bij gedetacheerd zijn.
Op dit moment voeren gemeenten gesprekken met alle ex-banenpoolers en gaan zij na welke mogelijkheden voor uitstroom naar reguliere arbeid er zijn. De bedoeling van de uitstroomactie is dat ook voor deze groep werknemers de doelstelling van de Wiw, namelijk het bevorderen van de toetreding tot reguliere arbeid, wordt waargemaakt. Over de voortgang van de uitstroomactie ex-banenpoolers zal de Tweede Kamer nog dit jaar worden geïnformeerd.
Wat is het precieze effect van de nieuwe Algemene bijstandswet op de arbeidsparticipatie van alleenstaande ouders met kinderen van 5 jaar en ouder over de jaren heen?
De vroegste cijfers over het aantal alleenstaande ouders in de bijstand, uitgesplitst naar leeftijd van het jongste kind, dateren van 1997. Het aantal alleenstaande ouders met kinderen van vijf jaar en ouder is tussen eind 1997 en het tweede kwartaal 2000 met 9,6% gedaald van 73 000 naar 66 000. Ten opzichte van het totaal aantal bijstandsgerechtigden nam het aantal alleenstaande ouders met kinderen ouder dan 5 jaar echter toe met 16,7% (eind 1997) naar 19% (tweede kwartaal 2000).
Bij de beoordeling van dit cijfer dient tevens betrokken te worden het gegeven dat veel alleenstaande ouders in de bijstand nog bezig zijn met een reïntegratietraject. Uit cijfers over de toepassing van activeringsinstrumenten in de Abw blijkt dat meer dan de helft van de alleenstaande ouders met een kind ouder dan vijf jaar aan een vorm van trajectactiviteit deelnam (situatie voorjaar 1999). Dit kan een indicatie zijn dat gemeenten alleenstaande ouders stimuleren zich voor te bereiden op toekomstige arbeidsdeelname.
Het precieze effect van de nieuwe Abw is overigens moeilijk te meten, daar de nieuwe Abw slechts één van de factoren is die invloed kunnen hebben op de arbeidsparticipatie van alleenstaande ouders. De ontwikkeling van de economie, de groei van het aanbod aan kinderopvangplaatsen en de veranderende maatschappelijke houding ten aanzien van de combinatie arbeid en zorg kunnen hierop evenzeer van invloed geweest zijn.
Kan de Kamer beschikken over de notitie «Arbeidsparticipatie van vrouwen» van het CPB (nr. 01/18, 28 mei 2001), waarnaar op de diverse plaatsen in de Sociale Nota wordt verwezen?
Deze notitie is 19 oktober jongstleden naar de Tweede Kamer verzonden.
Waardoor worden de grote verschillen tussen de deelname aan scholing tussen Nederland (14%), Denemarken (20%) en Zweden (24%) veroorzaakt? Wat voor een scholingsbeleid kennen deze landen? Welke scholingsregelingen kennen deze landen? Hoe is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheid en de sociale partners daar geregeld?
Denemarken en Zweden zijn de twee best presterende landen binnen de EU als het gaat om scholing van de beroepsbevolking. In Denemarken neemt bijna 20 procent van de bevolking deel aan enige vorm van scholing en in Zweden circa 24 procent. Aan deze grote verschillen tussen de landen liggen verschillende factoren ten grondslag:
• Definitie scholing beroepsbevolking: Cijfers over «enige vorm van scholing» zijn internationaal moeilijk vergelijkbaar. Hoe meet men de cursusdeelname (cursusdagen per tijdseenheid of wellicht studieverlofuren) en welke cursussen tellen mee (denk aan een vrijetijdscursus)? Beide cijfers verschillen sterk per lidstaat.
• Culturele factoren; In de Scandinavische landen is scholing altijd een belangrijk item geweest. Zowel door de overheid als door de sociale partners wordt in de Scandinavische landen veel in scholing en/of training geïnvesteerd. Niet alleen vanwege het belang dat wordt gehecht aan een goed opgeleide beroepsbevolking. Ook speelt mee dat via scholing de werkloosheid werd «gedrukt». Door deel te nemen aan een cursus werden de deelnemers niet tot de werkloze beroepsbevolking gerekend. Bovendien kon via deelname aan cursussen het recht op een uitkering worden verlengd.
• Geen leeftijdsonderscheid; De Scandinavische landen hebben een goede traditie als het gaat om afspraken over scholing gedurende de loopbaan. Zij werken bijvoorbeeld met een verplicht aantal scholingsuren voor iedere werknemer, ongeacht de leeftijd. In Nederland en veel andere Europese landen zijn mogelijkheden tot scholing vaak gekoppeld aan de leeftijd. Dat wil zeggen dat oudere werknemers veel minder voor scholing in aanmerking komen dan jongere werknemers, waardoor dus de gemiddelde scholingsdeelname daalt. Voor een gedetailleerd overzicht van het scholingsbeleid en de specifieke scholingsregelingen verwijzen wij naar de Nationale Actieplannen Werkgelegenheid 2001 van de betreffende lidstaten. Het meest recente Joint Employment Report (2001) biedt een internationaal overzicht van scholingsbeleid en -maatregelen (zie bv p. 16 met een overzicht van de «lifelong learning strategies» van lidstaten).
Op welke wijze worden de scholingsmogelijkheden voor bijstandsgerechtigden aangepast? Wanneer komen deze maatregelen naar de Kamer? Wat houden de maatregelen precies in?
De scholingsmogelijkheden voor bijstandsgerechtigden zijn aan de orde in het Wetsvoorstel tot wijziging van de Abw, IOAW en IOAZ met betrekking tot scholingsmogelijkheden voor uitkeringsgerechtigden. De verwachting is dat het wetsvoorstel in januari aan de Tweede Kamer kan worden aangeboden.
Door het wetsvoorstel wordt meer individueel maatwerk mogelijk. Scholing kan pas aan de orde komen, nadat er door de betrokkene een aantoonbare inspanning is verricht tot het vinden van passende arbeid en deze arbeid ondanks deze inspanning niet voorhanden is.
De noodzakelijke opleiding mag niet langer duren dan twee jaar en moet gericht zijn op werk. In de Regeling noodzakelijke scholing wordt een bepaling opgenomen dat B&W in uitzonderlijke gevallen van de termijn van twee jaar kan afwijken.
Tenslotte wordt het in het wetsvoorstel mogelijk dat scholing als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en studiekosten, voorzover er geen sprake is van een voorliggende voorziening, kan worden gevolgd.
Hoeveel wordt de scholingsaftrek verhoogd voor de scholing van laagopgeleide werknemers tot startkwalificatieniveau? Hoe groot wordt de tegemoetkoming voor werkgevers die voormalig werklozen van 23 jaar en ouder zonder startkwalificatie in dienst nemen?
Voor scholingskosten van werknemers die een opleiding tot startkwalificatieniveau volgen of Nederlands als tweede taal geldt voor de werkgever per 1 januari 2001 een additionele aftrek van 20%.
Werkgevers kunnen vanaf 1 januari 2002 rekenen op een tegemoetkoming in de kosten van 1529 euro per voormalige werkloze die tot startkwalificatie wordt geschoold.
Kan een toelichting worden gegeven op figuur 2.10?
Figuur 2.10 geeft de verhouding weer tussen het aantal inactieven en actieven binnen allochtone groepen verdeeld naar herkomstland. Bijvoorbeeld onder allochtonen in de leeftijd van 15 tot 64 jaar afkomstig uit vluchtelingen landen, ex-Joegoslavië, Marokko en Turkije staan tegenover 100 werkenden uit deze landen meer dan tachtig ontvangers van een uitkering.
Wat is de verklaring voor de uitzonderingspositie van Nederland, wat betreft het aantal asielmigranten in relatie tot het aantal arbeidsmigranten?
De uitzonderingssituatie komt doordat Nederland in de afgelopen jaren in vergelijking met andere landen veel asielmigranten heeft opgevangen. Asielmigranten gaan vaak naar het land waar kennissen of vrienden reeds naartoe zijn getrokken1. Dat is een reden waarom voor veel asielzoekers (uit o.a. Afghanistan en Irak) Nederland het bestemmingsland was. Sinds enkele jaren is de asielmigratie naar Nederland vrij stabiel.
De relatief hoge asielmigratie, is de reden waarom de verhouding tussen asielmigratie en arbeidsmigratie in Nederland anders is dan in andere landen. Op het punt van de arbeidsmigratie neemt Nederland geen uitzonderingspositie in.
Welke conclusie trekt de regering uit de constatering dat voor de handhaving van de Nederlandse beroepsbevolking op het huidige niveau tussen nu en het jaar 2050 2 miljoen immigranten extra nodig zijn, en voor handhaving van de huidige leeftijdstructuur zelfs 16 miljoen? Als arbeidsmigratie geen oplossing is, wat is voor de lange termijn dan wel de oplossing?
Uit deze constatering concludeert de regering dat arbeidsmigratie geen duurzame oplossing is voor de knelpunten op de arbeidsmarkt en de vergrijzing.
Met betrekking tot de vergrijzing wordt vaak gedacht dat alleen via extra arbeidsmigratie de verzorgingsstaat financieel houdbaar zou blijven. Echter, vanuit de budgettair invalshoek bezien zijn er geen redenen voor verruiming van het huidige arbeidsmigratiebeleid. Op een termijn van enkele decennia is een structurele budgettaire aanpassing van in totaal 0.7 procent BBP (7 miljard gulden) nodig om te voorkomen dat de schuldquote toeneemt. Bovendien zijn er mogelijkheden om deze budgettaire aanpassing te reduceren. Wanneer bijvoorbeeld de participatiegraad met 5 procentpunt toeneemt, is een budgettaire aanpassing van 0.1 procent BBP (1 miljard gulden) nodig.
Wat de knelpunten op de arbeidsmarkt betreft geldt in de eerste plaats dat de arbeidsmarkt aanpassingsmechanismen kent waardoor op langere termijn een evenwicht kan worden bereikt tussen vraag en aanbod. Verder geven analyses aan dat mogelijke arbeidsmarktknelpunten op middellange termijn bijna volledig op te lossen zijn via intensivering van beleid gericht op in Nederland reeds aanwezige arbeidskrachten. Het meest effectief is een verdere verhoging van de participatiegraad in combinatie met om-, her- en bijscholing en een stimulans voor oudere werknemers om langer deel te nemen aan het arbeidsproces. Tot slot is er de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) waarin de arbeidsmigratie vanuit de EU is geregeld. Deze wet werkt dusdanig dat in tijden van een ruime arbeidsmarkt weinig tewerkstellingsvergunningen worden afgegeven en bij een krappe arbeidsmarkt juist meer.
Voor meer informatie wordt verwezen naar de notitie «Knelpunten op de arbeidsmarkt en arbeidsmigratie» die 28 september jongstleden naar de Tweede Kamer is gestuurd.
Welke lange termijn vooruitzichten (tot aan 2050) zijn bekend over behoefte aan arbeidskrachten in Nederland. Is daarbij onderscheid gemaakt naar sectoren?
Lange termijn voorspellingen voor de economie en de arbeidsmarkt zijn met veel onzekerheid omgeven. Zelfs prognoses voor de middellange termijn zijn al erg onzeker. De reden hiervan is dat vooral het tempo van upgrading en groei van het arbeidsaanbod twee cruciale, maar moeilijk voorspelbare, factoren zijn. Er zijn dan ook geen vooruitzichten beschikbaar over de behoeften aan arbeidskrachten in Nederland tot aan 2050. Op lange termijn wordt de vraag naar arbeid uiteindelijk bepaald door het aanbod. Discrepanties kunnen zich uiteraard op korte termijn voordoen.
Het ROA in «Toekomstverkenningen arbeidsmarkt en scholing tot 2007» heeft een beeld geschetst hoe de arbeidsmarkt tot 2007 er uit kan komen te zien in drie scenario's: Divided Europe, European Coordination en Global Competition. Dit beeld houdt in dat er de komende jaren een groot tekort aan arbeidskrachten met een HBO en of WO niveau zal zijn. De omvang van het tekort aan hoogopgeleiden is tot 2007 circa een kwart van de hoeveelheid hoogopgeleiden die nu werkzaam zijn.
Op basis van de «Regionale arbeidsmarktprognose 2001–2006» van TNO geldt dat in 2006 de sectoren onderwijs, welzijn en overige zakelijke dienstverlening de meeste HBO vacatures zullen hebben in 2006. De onderwijssector en gezondheidszorg zijn koploper ten aanzien van WO vacatures in genoemd jaar.
Is de regering van mening dat zij voldoende invloed heeft op de verplicht te implementeren Europese regelgeving? Zo ja, welke instrumenten staan haar ter beschikking?
Deze regelgeving komt tot stand door besluitvorming in de Raad van ministers van de EG, op basis van een voorstel van de Europese Commissie en met inachtneming van de daarbij geldende regels aangaande (meerderheids-) besluitvorming. Alvorens besluitvorming plaatsvindt, wordt het Commissievoorstel besproken met ambtelijke vertegenwoordigers van de lidstaten in Raadswerkgroepen en het Coreper, waarbij, naar aanleiding van de door de verschillende lidstaten gemaakte opmerkingen en geleverde inbreng, het voorstel zo nodig wordt aangepast. Soms gaat aan deze fase van behandeling van een Commissievoorstel ook nog een fase van informele consultatie van de lidstaten vooraf, alvorens de Commissie een voorstel doet. Nederland kan door een adequate inbreng bij deze voorbereiding, en in de Raad, de besluitvorming in voor Nederland gewenste zin te beïnvloeden.
Is het poldermodel ofwel het overlegmodel nu uitgangspunt van beleid of wordt er een keuze gemaakt voor overheid en markt, waarbij de sociale partners in de toekomst hun inbreng verliezen?
Centraal staat staan het realiseren van belangrijke sociaal-economische doelstellingen. Het overlegmodel is hieraan instrumenteel, dus geen doelstelling op zich. Er is geen eenduidige, consistent te beargumenteren grens te trekken tussen overheidsregulering, zelfregulering door sociale partners en marktwerking. Het is telkens zoeken naar complementariteit: langs welke wegen kunnen het beste sociaal-economische doelstellingen worden gerealiseerd. Hierbij zijn sociale partners belangrijke spelers: zij zijn immers primair verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaardenvorming. Wel is duidelijk – zo is in de Sociale Nota geschetst – dat ook sociale partners zullen moeten inspelen op belangrijke trends in de samenleving. Met name de toenemende invloed van Europa enerzijds en de toenemende decentralisatie anderzijds, stellen eisen aan het coördinerend vermogen van centrale werkgevers- en werknemersorganisaties.
Deelt de regering de conclusies uit het rapport van de Eerste Kamer? Welke motivatie ligt daaraan ten grondslag?
Op verzoek van de Eerste Kamer heeft de regering de notitie «(Zelf)regulering: relatie wetgever, sociale partners/medezeggenschapsorgaan in de arbeidsverhoudingen» opgesteld en op 4 mei 2000 aan de Eerste Kamer gezonden. De regering heeft reeds in die notitie de conclusies getrokken zoals ook in de Sociale Nota op pagina 45 verwoord. Zoals aangegeven worden de belangrijke conclusies gedeeld door de door de Eerste Kamer geraadpleegde deskundigen op het gebied van de arbeidsverhoudingen. De Eerste Kamer heeft nog nadere vragen gesteld (Voorlopig verslag, 13 maart 2001). Op 24 september 2001 heeft de Eerste Kamer de Memorie van Antwoord van de regering ontvangen. Op 13 november 2001 volgt de openbare behandeling in de Eerste Kamer.
Welke antwoorden kunnen er worden gegeven op de opgeworpen vragen ten aanzien van de «werkende arbeidsverhoudingen»?
Hierop kunnen nu juist geen algemeen geldende antwoorden worden gegeven. In iedere concrete situatie moet de overheid haar bemoeienis (blijven) beargumenteren, rekening houdend met maatschappelijke ontwikkelingen. Telkens worden dus de genoemde vragen gesteld: worden sociaal-economische doelstellingen gerealiseerd en is daarbij de gekozen combinatie van overheidsregulering en zelfregulering effectief? De term «werkende arbeidsverhoudingen» benadrukt dus zowel het instrumentele karakter als de noodzakelijke effectiviteit.
Welke invloed heeft de huidige economische situatie op de verschuiving van kwantitatieve naar kwalitatieve vraagstukken?
De huidige economisch situatie en de geruime periode van groei die we achter de rug hebben, hebben er toe bijgedragen dat problemen als massale werkloosheid en enorme financieringstekorten achter de rug zijn. Uiteraard is dit niet vanzelf gegaan, hier heeft zeker ook verantwoordelijk gedrag van alle betrokken partijen aan bijgedragen. Door de nadruk op kwalitatieve investeringen te (blijven) leggen, kan worden voorkomen dat Nederland in tijden van tegenvallende groei (teveel) inlevert op concurrentiepositie en werkgelegenheid.
Kan het bestaan van de «nieuwe werknemer» met empirisch onderzoek ondersteund worden? Gaat het hierbij om een werknemer die aan alle kenmerken voldoet, of aan enkele van de genoemde kenmerken? In welke mate voldoen huidige werkgevers thans aan dit profiel?
De nieuwe werknemer en de nieuwe werkgever zijn vooral onderwerp van discussie, scenario-analyses en beeldvorming over de toekomst van de arbeid(sverhoudingen). Vooralsnog is er echter geen empirisch onderzoek bekend waarmee het bestaan van de nieuwe werknemer of nieuwe werkgever kan worden ondersteund. De SER-Commissie Sociaal-Economisch Deskundigen concludeert daarover o.a. het volgende:
«Uit nadere analyse (...) komt naar voren dat lang niet alles verandert, zoals in de publieke beeldvorming vaak wordt gesuggereerd. De media hebben de neiging ontwikkelingen op deelterreinen sterk uit te vergroten en te generaliseren, waardoor soms sprake is van mythevorming. Zo is de vaste baan nog steeds voor het overgrote deel van de werknemers de standaard en komt job hoppen vooral voor bij specifieke categorieën werknemers.» (Uit: «Levensloopbanen: gevolgen van veranderende arbeidspatronen» rapport van de Commissie Sociaal-Economisch Deskundigen, pag. 7, 12 september 2001.)
Indien de bedreigingen voor de vakbeweging, zoals het verder teruglopen van de organisatiegraad, bewaarheid worden, welke conclusies verbindt de regering daar dan aan?
De regering ziet geen reden om conclusies te verbinden aan het enkele feit van een eventueel teruglopende organisatiegraad. De positie van de vakbeweging in de Nederlandse samenleving is niet slechts afhankelijk van de mate waarin zij is georganiseerd.
De overheid beschouwt de vakcentrales, evenals de werkgeversorganisaties, al sinds jaar en dag als waardevolle gesprekspartners op sociaal-economisch terrein. De overheid schat die waarde niet slechts in door te kijken naar de mate van organisatie aan vakbondszijde, maar doet dat ook op grond van de inhoudelijke, kwalitatieve bijdrage die de vakbeweging levert in het overleg over sociaal-economisch beleid.
Daarnaast blijkt de organisatiegraad van de vakbeweging niet de enige graadmeter te zijn voor representativiteit, legitimiteit of draagvlak. Ook een meerderheid van de ongeorganiseerde werknemers acht de vakbeweging van belang voor onze samenleving en dichten de vakbeweging een grote mate van legitimiteit toe.
Op welke andere terreinen dan die van de arbeidsvoorwaarden is de bemoeienis van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met ondernemingen dan wel toegenomen? Of is de bemoeienis van andere ministeries op het gebied van arbeidsvoorwaarden dan wel toegenomen?
De conclusie die wordt getrokken in de – in de Sociale Nota aangehaalde – notitie «(Zelf)regulering: relatie wetgever, sociale partners/medezeggenschapsorgaan in de arbeidsverhoudingen», is dat er de afgelopen periode meer ruimte voor het bedrijfstak- en ondernemingsniveau is ontstaan op het terrein van de arbeidsvoorwaarden. Er is geen enkele aanwijzing dat «andere ministeries» zich (per saldo) meer zijn gaan bemoeien met de arbeidsvoorwaarden. Of «de bemoeienis van het ministerie van SZW met ondernemingen» op andere terreinen dan de arbeidsvoorwaarden is toegenomen, laat zich niet zonder meer beantwoorden. Dat zou – net als nu is gebeurd voor het terrein van de arbeidsverhoudingen/arbeidsvoorwaarden – per deelterrein nader onderzoek vergen.
Zijn de «nieuwe werknemer» en «nieuwe werkgever» uitgangspunt van beleid of ziet de minister het meer als mythe?
Zie het antwoord op vraag 49.
Wat zijn de kenmerken van een dynamische netwerksamenleving?
Een dergelijke term is – evenals bijvoorbeeld de term «nieuwe werknemer» (zie vraag 49) – vooral onderdeel van beeldvorming over de (toekomst van de) arbeidsverhoudingen. Door de snel stijgende opleidingsniveaus en door de ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologie komt veel gedetailleerde informatie beschikbaar. Informatie die snel kan worden uitgewisseld op allerlei niveaus in de samenleving. Op deze wijze kunnen directe relaties totstandkomen tussen individuen en tussen groepen, waardoor allerlei netwerken gaan ontstaan. De beschikbare informatie maakt in feite een nieuwe golf van maatwerk mogelijk, niet alleen in de productie van goederen en diensten, maar ook in de arbeidsverhoudingen. In de praktijk doen collectieve regelingen steeds vaker een beroep op individuele verantwoordelijkheid. Er wordt – binnen kaders – ingespeeld op individuele voorkeuren en op toegenomen kennis en mondigheid van de burger.
Wanneer komen de adviezen van de Nederlandse Orde van advocaten, de Nederlandse vereniging voor Rechtspraak, het Lisv en de Stichting van de Arbeid over het rapport van de Commissie-Rood? Voor wanneer is de behandeling van het rapport van de Commissie-Rood gepland?
De gevraagde reacties op het rapport van de Commissie-Rood van de Nederlandse Orde van Advocaten, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het Lisv zijn inmiddels ontvangen. Het wachten is nog op de reactie van de Stichting van de Arbeid. De Stichting heeft te kennen gegeven, dat door de complexiteit en de weerbarstigheid van de materie de beraadslagingen over het rapport meer tijd vergen dan voorzien. Op dit moment is niet aan te geven wanneer behandeling van het rapport in de Kamer kan plaatsvinden.
Welke invloed heeft de huidige inflatie in combinatie met de invoering van de euro voor de verantwoorde loonkostenontwikkeling?
Wat de invloed op de loonkostenontwikkeling zal zijn van de huidige inflatie in combinatie met de invoering van de (chartale) euro is niet op voorhand te voorspellen. De uitkomst hangt onder meer af van de wijze waarop de vakbeweging de looneis zal vaststellen en vervolgens van het verloop van de CAO-onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden.
Bekend is dat voor de vakbeweging bij de vaststelling van de looneis de stijging van de consumentenprijsindex (afgeleid laag) een belangrijke element is, naast de stijging van de arbeidsproductiviteit en de stijging van de productieprijzen. Bij de vaststelling van de (maximale) looneis van de vakcentrale FNV is het verder gebruikelijk dat ook wordt gekeken naar andere factoren, zoals bijvoorbeeld de situatie op de arbeidsmarkt. Of de invoering van de (chartale) euro direct invloed heeft op de verantwoord geachte loonkostenontwikkeling is niet bekend.
Na vaststelling van de looneis zal het verder van het verloop van de onderhandelingen met de werkgevers(organisaties) afhangen welke loonstijgingen voor het komende jaar daadwerkelijk worden afgesproken in de verschillende CAO's. Daarbij zullen overigens naast macro-economische indicatoren zoals de inflatie ook de bedrijfstak- of ondernemingsspecifieke omstandigheden van belang zijn.
Op grond van welke overwegingen komt de regering tot de conclusie dat er geen aanleiding is het normenstelsel in de Arbeidstijdenwet aan te passen? Over de evaluatie van de Arbeidstijdenwet moet toch nog in de Kamer gesproken worden?
Op 28 november is inderdaad een Algemeen Overleg gepland met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de evaluatie van de Arbeidstijdenwet. In het kabinetsstandpunt op het evaluatierapport geeft het kabinet aan geen aanleiding te zien het normenstelsel aan te passen. De belangrijkste overweging die tot deze voorlopige conclusie heeft geleid, is het gegeven dat uit het evaluatie-onderzoek noch aan de zijde van werknemers, noch aan de zijde van werkgevers, grote knelpunten zijn geconstateerd. Wel heeft het onderzoek uitgewezen dat 39% van de werknemers problemen ondervindt als gevolg van hun arbeids- en rusttijden.
Welke voorwaarden zijn nu aan de overlegregeling gebonden?
De wet kent een dubbel normenstelsel: de standaard- en de overlegregeling. In beginsel zijn de standaardnormen van toepassing. Afwijken van de standaardnormen is mogelijk tot aan de grenzen van de wettelijk vastgelegde overlegnormen. Voorwaarde voor het gebruik maken van de overlegregeling is dat dit dient te gebeuren in collectief overleg, in de eerste plaats in de CAO. Wanneer er geen CAO is kan de werkgever ook met de OR of met de personeelsvertegenwoordiging (pvt) overleggen over afwijking van de standaardnormen. Wanneer er wel een CAO is en die daartoe de ruimte biedt kan ook op ondernemingsniveau afgeweken worden van de standaardnormen.
Wanneer en hoe vaak wordt er gekozen voor afwijking van de wettelijke voorschriften op het niveau van CAO of medezeggenschapsorgaan? Hoe vaak wordt het instrument van maatwerk in CAO's opgenomen en wordt van die mogelijkheid tot maatwerk dan vervolgens veel gebruik gemaakt?
Uit het evaluatierapport1 blijkt dat 31 van de 207 onderzochte CAO's een inhoudelijke bepaling op het gebied van arbeidsduur bevatten die de ruimte van de overlegregeling benut. In de CAO wordt vaak een bepaling opgenomen die de mogelijkheid biedt op ondernemingsniveau afspraken te maken over verschillende onderwerpen. Met name voor de onderwerpen overwerk, zondagsarbeid en nachtarbeid wordt die mogelijkheid vaak geboden.
Van de organisaties met een OR/pvt heeft 58% schriftelijke afspraken gemaakt over arbeids- en rusttijden2. Het gaat hier met name om grotere organisaties en organisaties met wisselende arbeidspatronen. Indien er schriftelijke afspraken gemaakt zijn, hebben deze vooral betrekking op de maximale arbeidstijd per dienst of per week, of op de pauzes. Meestal vormen de schriftelijke afspraken een uitwerking van CAO-bepalingen. Bij deze bevindingen dient bedacht te worden dat voor zeker de helft van de organisaties afwijkende afspraken helemaal niet relevant zijn omdat daar volgens een vast patroon («9 tot 5») wordt gewerkt. Daarnaast biedt de CAO voor veel organisaties reeds voldoende ruimte of is er geen overlegorgaan.
Door welke oorzaken functioneert het overleg over arbeidstijden op ondernemingsniveau niet goed? Hoe ligt dat op andere terreinen?
Het effectief functioneren van het overleg op ondernemingsniveau is al langer een aandachtspunt van het kabinet. Uit onderzoek1 komt naar voren dat veel OR-en zich bevinden in een «spagaat» tussen overbelasting en onderbenutting van hun huidige wettelijke bevoegdheden. Ondernemingsraden houden zich voornamelijk bezig met reorganisaties, herstructureringen, fusies en inkrimpingen. Daarnaast heeft de OR aandacht voor werktijden en arbeidsomstandigheden. Maatschappelijke thema's worden alleen opgepakt als deze voldoende voedingsbodem hebben in de organisatie. Het gevaar van overbelasting is ook de terugloop van de bereidheid van werknemers om zitting te nemen in de OR. In het kader van de evaluatie van de WOR zal hieraan aandacht worden geschonken.
In het geval van de Arbeidstijdenwet geldt dat men vaak niet bekend is met de mogelijkheden om af te wijken van de wet door middel van het dubbele normenstelsel. Dat stelsel wordt vaak als complex ervaren. Om dit te verhelpen heeft het kabinet in zijn reactie op het evaluatierapport een vereenvoudiging aangekondigd. Het overleg op ondernemingsniveau wordt gelijk gesteld met het overleg op CAO-niveau, met dien verstande dat afspraken op ondernemingsniveau niet in strijd mogen zijn met afspraken op CAO-niveau. Daarnaast wil het kabinet de voorlichting en opleiding aan OR/pvt-en verbeteren. In overleg met sociale partners wil het kabinet nagaan welke andere effectieve methoden er zijn om het overleg op ondernemingsniveau te stimuleren.
Welke feitelijke stimuleringsmaatregelen zijn getroffen om het maatschappelijk verantwoord ondernemen te stimuleren?
Uit het kabinetsstandpunt eerder dit jaar naar aanleiding van het SER-advies over maatschappelijk ondernemerschap van december 2000, blijkt welke stimuleringsmaatregelen er getroffen zijn. Het betreft hier een inspanning van het gehele kabinet. SZW is één van de departementen die stimuleringsmaatregelen heeft getroffen. Op SZW-terrein valt bijvoorbeeld te vermelden het MKB-Minderhedenconvenant, Ruimbaan voor minderheden-projectorganisatie, de modernisering van het PBO-stelsel, arbo-convenanten nieuwe stijl. Voorts is het Nationaal Contactpunt Multinationale Ondernemingen nieuw leven ingeblazen en is het kabinet bezig met de uitwerking van enkele punten die zijn opgenomen in de kabinetsreactie naar aanleiding van het SER-advies. Dit betreft onder andere het binnen afzienbare tijd op te richten Kennis- en informatiecentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. De staatssecretaris van EZ zal u daar op een later moment nader over informeren.
Zal de evaluatie van de WOR nog in deze kabinetsperiode aan de Kamer worden aangeboden?
De planning van de WOR-evaluatie is er op gericht het kabinetsstandpunt hierover voor het zomerreces van 2002 aan de Tweede Kamer aan te bieden.
Hoe verloopt het stimuleringsproject voor kinderopvang in het MKB, dat door het ministerie van SZW wordt gesubsidieerd?
Het stimuleringsproject voor kinderopvang in het MKB bestaat uit twee onderdelen: een onderzoeksdeel en een activiteitendeel. Het onderzoeksdeel is op dit moment praktisch afgerond. Uit het onderzoek komt naar voren dat maar een klein percentage van de kleine bedrijven met minder dan tien werknemers een kinderopvangregeling kent. Het MKB heeft aangegeven op zoek te gaan naar een adequate manier om hier mee om te gaan.
Op welke wijze stimuleert het ministerie de kinderopvang in het MKB? Hoeveel geld is hiervoor gereserveerd? En voor welke jaren?
Het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid verstrekt subsidie aan de VOG en het MKB gezamenlijk voor onderzoek en ontwikkeling en uitvoering van een plan van aanpak. Vanuit de VOG en het MKB wordt overwogen extra voorlichting te verschaffen over mogelijke constructies voor kinderopvang die geëigend en uitvoerbaar in het MKB zijn, zoals fondsconstructies. Voor dit project is 100 000 gulden gereserveerd voor 2001. Dit dekt 50 procent van de uiteindelijke kosten die hiermee gemoeid zijn. Het project zelf loopt tot in de loop van 2002.
Welke mogelijkheden heeft de werknemer om financiële voorzieningen te treffen voor zijn eigen aandeel in het verlof? Zijn deze mogelijkheden afdoende en zou er derhalve niet een «vijfde pijler» aan het beleid moeten worden toegevoegd?
Financieringen om voorzieningen te treffen voor het eigen aandeel in het verlof, schaart het kabinet onder de vierde pijler (van verlofregelingen). Eén van deze voorzieningen betreft het verlofsparen. Een werknemer kan op een fiscaal aantrekkelijke wijze geld of dagen sparen voor verlof dat de werknemer later wil opnemen. Met behulp van de verlofspaarregeling kan op drie manieren verlof worden gespaard, te weten:
• geldsparen, waarbij jaarlijks ten hoogste 10% van het brutoloon kan worden ingehouden en gespaard op een geblokkeerde regeling bij een toegelaten instelling;
• tijdsparen, waarbij ten hoogste 10% van het aantal arbeidsuren van de werknemer kan worden gespaard en geen afzondering van gelden ten behoeve van de doorbetaling van het loon van de werknemer plaatsvindt;
• tijdsparen waarbij de met de gespaarde tijd overeenkomende gelden wel worden afgezonderd ten behoeve van de doorbetaling van het loon van de werknemer.
Daarnaast is er de mogelijkheid om, naast het verlofsparen, ook nog 250 vakantiedagen te sparen.
Een andere voorziening betreft de spaarloonregeling. Deze stelt de werkgever in staat een bedrag van maximaal f 1736,– per jaar in te houden op het brutoloon van de werknemer, waarbij de werkgever dit bedrag ten name van de werknemer stort op een spaarrekening. Over dit spaarloon is de werknemer geen belasting en premies verschuldigd, mits het bedrag minimaal vier jaar op de spaarloonrekening geblokkeerd wordt. Na vier jaar is het spaarloonbedrag vrij opneembaar; bij overlijden en voor specifieke doeleinden als verwerven eigen woning en effecten alsmede premiebetaling levensverzekering/spaarovereenkomst eerder. Sinds 1 januari 2001 bestaat tevens de mogelijkheid voor deblokkering voor verlof ten behoeve van zorg of opleiding.
Hoeveel hoger zouden de uitvoeringskosten zijn voor een specifieke compensatie van het zorgverlof?
Bij de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Arbeid en zorg is aangegeven dat de uitvoeringskosten voor een specifieke compensatie van het kortdurend zorgverlof door de korte duur van de uitkering uitermate hoog zijn. Zo heeft de Belastingdienst berekend dat boven op het geraamde bedrag van 185 miljoen gulden aan uitkeringen ter compensatie van werkgevers (de helft van het bedrag aan loondoorbetaling), een bedrag van 135 miljoen aan uitvoeringskosten komt. De kosten van uitvoering door een collectief fonds (bijvoorbeeld Awf) zijn op basis van door het Lisv verstrekte gegevens geraamd op 165 miljoen gulden.
Welk percentage van de CAO's en de bedrijfsregelingen bevat op dit moment een afspraak over kinderopvang?
In 1999 is in 64 procent van de CAO's afspraken gemaakt over kinderopvang. De verwachting is dat dit percentage in 2000 behoorlijk zal zijn gestegen, omdat 7 procent van de CAO's in 1999 een intentieverklaring bevat.
Acht de regering het streefpercentage van 90% haalbaar als het gaat om het percentage van de CAO's en bedrijfsregelingen dat een afspraak over kinderopvang omvat?
De regering acht het streefpercentage van 90 procent op termijn haalbaar. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit streefpercentage naar verwachting eerder gerealiseerd wordt bij organisaties die onder een CAO vallen dan onder organisaties die niet gebonden zijn aan een CAO. De aanbeveling van de Stichting van de Arbeid voor het bevorderen van CAO-afspraken over kinderopvang zal immers vooral invloed hebben op het georganiseerde bedrijfsleven.
Op welke termijn worden bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel gelijke behandeling op grond van leeftijd en wetsvoorstel gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekten ingediend?
Beide wetsvoorstellen zijn, na besluitvorming in de Ministerraad van 6 juli jl., voor advies aangeboden aan de Raad van State. De Raad heeft inmiddels schriftelijk laten weten uiterlijk medio november 2001 haar advies op beide wetsvoorstellen uit te brengen. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het advies van de Raad van State zal het wetsvoorstel gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep of beroepsonderwijs met nader rapport aangeboden worden aan de Tweede Kamer. Voor het wetsvoorstel Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte geldt hetzelfde; namens de Staatssecretaris van VWS geef ik aan dat, zo spoedig mogelijk na ontvangst van het advies van de Raad van State, het wetsvoorstel met nader rapport aangeboden wordt aan de Tweede Kamer.
Waarom is de opvang van kinderen, mede gezien het tekort aan kindplaatsen niet beter gediend met een vraag gestuurde benadering door middel van een persoonsgebonden budget?
Uit de vraag komt niet geheel duidelijk naar voren aan welke vormen van kinderopvang de vraagsteller denkt. Wanneer het gaat om formele kinderopvang dan wordt aan de ideeën van de vraagsteller (gedeeltelijk) invulling gegeven door middel van de invoering van de WBK: een van de uitgangspunten is vraagfinanciering, waarbij de ouders die om redenen van arbeid en zorg, danwel toeleiding tot arbeid, gebruikmaken van formele kinderopvang in aanmerking komen voor een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk.
Wanneer in de vraag echter gedoeld wordt op een standaardbedrag als bijdrage van overheidszijde aan de ouders, dan leidt dit of tot enorm hoge kosten wanneer de kinderopvang toegankelijk wordt gehouden voor iedereen of tot ontoegankelijkheid voor mensen met lage inkomens.
De regering heeft er tenslotte niet voor gekozen om in het geval van informele vormen van kinderopvang ouders een bijdrage van de overheid te bieden. De reden hiervoor is dat op deze vormen van kinderopvang geen toezicht kan worden gehouden, waardoor de kwaliteit van de kinderopvang niet is gewaarborgd.
Op grond van welke feiten wordt geconstateerd dat de aandacht voor beloningsverschillen toeneemt?
Toenemende aandacht voor beloningsverschillen blijkt op nationaal niveau onder meer uit diverse activiteiten van sociale partners zoals de ontwikkeling van de Checklist gelijke beloning mannen en vrouwen door de Stichting van de Arbeid. In dit kader kan ook gewezen worden op het initiatief van de FNV om samen met VNU en de Universiteit van Amsterdam een nieuwe website, de «Vrouwenloonwijzer.nl» genoemd, op te zetten. Verder is op initiatief van de FNV op 8 maart 2000 een Europese campagne van start gestaan, die in het teken staat van gelijke beloning.
Ook op internationaal niveau is er toenemende aandacht voor gelijke beloning. Zo worden er nu onder Belgisch voorzitterschap indicatoren voor gelijke beloning ontwikkeld. Onder het communautaire programma inzake gelijkheid tussen mannen en vrouwen (2001–2005) gaan diverse internationale projecten van start inzake gelijke beloning, waaraan ook Nederland zal deelnemen. In het kader van het EQUAL-programma heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een projectvoorstel ingeleverd dat onder andere onderzoek op het gebied van gelijke beloning bevat. De precieze inhoud van het project zal (na goedkeuring) in het najaar van 2001 worden vastgesteld in samenwerking met een aantal organisaties zoals Equality en de Commissie gelijke behandeling.
Hoe is het te verklaren dat de wetgeving onomstreden is, maar dat de problematiek en regelgeving gelijktijdig onvoldoende bekend zijn?
Uit het onderzoeksrapport «Gelijke behandeling: regels en realiteit» dat eind 1999 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer is aangeboden (brief van 30 november 1999, kenmerk CW99/95 792), blijkt dat het maatschappelijk draagvlak voor de grondgedachte van de gelijke-behandelingswetgeving groot is. In die zin is het bestaan van deze wetgeving onomstreden. De bekendheid met de diverse onderdelen uit deze regelgeving is echter onvoldoende. Zo weet slechts een minderheid van de respondenten uit het onderzoek dat het wettelijk verbod van onderscheid ook op arbeidsvoorwaarden, scholing en ontslag betrekking heeft.
Hoe vordert het asbestinstituut? Hoeveel claims behandelt dit instituut nu op jaarbasis? Hoe groot zijn de eventuele achterstanden? Hoe staat het met de erkenning van asbestose en longkanker als gevolg van asbest door het asbestinstituut?
Op 26 januari 2000 is het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) geopend. Sinds de opening, dus in een periode van ruim anderhalf jaar, hebben zich bij het instituut meer dan 770 slachtoffers een aanvraag ingediend. Inmiddels zijn 540 dossiers afgehandeld, terwijl de overige 230 in verschillende fasen van behandeling zijn. Het IAS is erin geslaagd om de vaak jarenlange procedures te bekorten en het schaderegelingsproces met de nodige zorgvuldigheid inhoud te geven. Het IAS streeft er naar om alle dossiers binnen zes maanden af te handelen.
Het IAS heeft een werkgroep ingesteld om te bezien of, en zo ja op welke wijze, het IAS zijn dienstverlening kan uitbreiden tot patiënten met asbestose. Bij de Gezondheidsraad is thans een adviesaanvraag in behandeling inzake het verband tussen blootstelling aan asbest en longkanker. Zodra dit advies beschikbaar is, de verwachting is in de loop van 2002, zal het IAS bezien of, en zo ja op welke wijze, de dienstverlening kan worden uitgebreid tot patiënten met longkanker ten gevolge van beroepsmatige blootstelling aan asbest.
Waarom niet dat ene overheidsloket voor alle bedrijven?
De gezamenlijke aanpak in het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo 1999) wordt gefaciliteerd doordat het ook als gezamenlijk besluit door VROM, BZK en SZW is opgesteld. Achtergrond van de wetgeving is dat uit een analyse van zware ongevallen is gebleken dat het merendeel ervan het gevolg is van beheerstechnische en organisatorische tekortkomingen. Het voorkomen van zware ongevallen met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen vraagt dus om een adequaat preventiebeleid met bijbehorend beheerssysteem. Alle aspecten van de beheersing van de risico's van zware ongevallen worden hierin geïntegreerd: arbeidsveiligheid, milieuzorg, externe veiligheid en rampenbestrijding.
De overheid springt hierop in met een gecoördineerde aanpak op dit ook vanuit het oogpunt van maatschappelijke veiligheid belangrijke beleidsterrein; ook hebben bedrijven slechts met één «adres» te maken, in plaats van met een aantal overheidsinstellingen. Belangrijk is dat het hier gaat om een relatief beperkt aantal bedrijven in combinatie met een hoge maatschappelijke importantie. Eén overheidsloket is hier daarom wenselijk en doelmatig.
Hoeveel gevallen van OPS zijn reeds erkend? Hoeveel personen hebben zich afgelopen jaar gemeld bij de Solventteams? Hoeveel hebben daarvan een OPS-diagnose gekregen? Om welke redenen worden mensen bij de Solventteams niet erkend?
Vanaf 1997 tot eind 2000 zijn door de solvent teams in Amsterdam en Enschede 251 gevallen met Organisch Psychosyndroom veroorzaakt door oplosmiddelenblootstelling (OPS) erkend. In opeenvolgende jaren waren de aantallen respectievelijk: 49, 60, 97, 45.
In 2000 hebben zich 285 mensen bij deze solvent teams voor intake gemeld. Daarvan hebben 45 de diagnose OPS gekregen. In die gevallen waarin OPS niet als (hoofd)diagnose werd gesteld ging het om de volgende redenen: klachten werden (mede) veroorzaakt door een andere psychische, psychiatrische of somatische aandoening; het solvent team kon geen afwijking constateren; men kon geen diagnose stellen vanwege het feit dat de onderzoeksresultaten niet betrouwbaar konden worden geïnterpreteerd; aanvullend of herhalingsonderzoek werd noodzakelijk geacht vooraleer een diagnose kan worden gesteld.
Op welke cijfers is de conclusie gebaseerd dat de verplichting om oplosmiddelen te vervangen goed opgepakt wordt, als de arbeidsinspectie daar nog onderzoek naar moet doen?
De uitspraak dat de verplichting om oplosmiddelen te vervangen goed wordt opgepakt is gebaseerd op bevindingen van de Arbeidsinspectie uit begin 2000. 77% van de geïnspecteerde bedrijven bleek toen reeds de nog nieuwe vervangingsplicht voor schilders, tapijtlijmers en parketleggers goed na te leven.
De Arbeidsinspectie voert thans een uitgebreid monitoringsonderzoek naar de effecten van het vervangingsbeleid uitvoeren. Daarbij wordt de aanwezigheid en het gebruik van oplosmiddelenbevattende producten gemonitord. Het betreft een herhaling van het onderzoek dat zij in 1997 heeft uitgevoerd. Tegelijkertijd wordt in bedrijven in de grafische sector en de autoschadeherstelbranche geïnspecteerd op naleving van de vervangingsplicht in die sectoren. Het monitoronderzoek en deze inspecties worden in het voorjaar 2002 afgerond.
Hoe werken de arbeids- en de publieksveiligheidseisen (financieel) uit voor vrijwilligersorganisaties en de non-profit sector?
De kosten van arbobeleid voor vrijwilligersorganisaties en non-profit organisaties variëren sterk met de risico's die binnen de organisaties aanwezig zijn. Non-profit organisaties zijn aansprakelijk voor schade die publiek of vrijwilligers wordt toegebracht. Investeren in veiligheid is dan één van de effectieve manieren om zowel menselijk leed als grote financiële schade te voorkomen.
Organisaties waarin per week minder dan 40 uur betaald werk wordt verricht hoeven hun risico-inventarisatie en -evaluatie overigens niet te laten toetsen door een arbodienst. Binnenkort komt hierover het volgende rapport gereed: «Arbeidsomstandigheden in het vrijwilligers werk: stand van zaken twee jaren na de invoering van de vrijstellingsregeling».
Hoe liggen de verhoudingen tussen bedrijven met een arbodienst en een ri&e en bedrijven zonder?
Vrijwel alle bedrijven voldoen aan de plicht tot aansluiting bij een arbodienst. Drie procent had in 2000 geen contract. Dit zijn vooral kleine bedrijven.
Een meerderheid van de bedrijven beschikt over een ri&e, te weten vijftig procent van de kleine bedrijven, drie kwart van de middelgrote bedrijven en bijna negentig procent van de grote bedrijven. De percentages stijgen gestaag.
Voor welke sectoren worden arboconvenanten gesloten en met name voor welke risico's worden daarin streefcijfers opgenomen?
Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de branches waarin naar de stand van 31 oktober 2001 intentieverklaringen zijn ondertekend en arboconvenanten zijn afgesloten. Per intentieverklaring en convenant worden tevens de daarin opgenomen arbeidsrisico's vermeld.
In elk convenant worden één of meerdere kwantitatieve doelstellingen opgenomen. Deze doelstellingen worden weergegeven in een streefcijfer over vermindering van het aantal werknemers dat is blootgesteld aan de arbeidsrisico's en/of in een streefcijfer over de vermindering van ziekteverzuim en/of de WAO-instroom. De doelstellingen worden gebonden aan een bepaalde termijn. Om deze doelstellingen te realiseren worden heldere uitvoerbare en toetsbare maatregelen geformuleerd.
Overzichtstabel convenantstrajecten, 31 oktober 2001
| Datum | intentieverklaring of convenant | Onderwerpen | |
|---|---|---|---|
| Intentieverklaringen | |||
| 1. HR | Thuiszorg-werkdruk | 03/03/99 | Werkdruk |
| 2. ZM | Vleesverwerkende industrie | 20/10/99 | RSI, vroegtijdige reïntegratie |
| 3. HR | Houthandel- en timmerindustrie | 22/11/99 | Geluid, tillen, werkdruk, oplosmiddelen, vroegtijdige reïntegratie, houtstof |
| 4. HR | Meubelindustrie | 22/11/99 | Tillen, oplosmiddelen, vroegtijdige reïntegratie |
| 5. ZM | Kappers | 23/11/99 | RSI, allergenen, vroegtijdige reïntegratie |
| 6. HR | Meelverwerking | 15/12/99 | Allergenen |
| 7. ZM | Funderingsbedrijven | 15/12/99 | Geluid, begaanbaarheid bouwterreinen |
| 8. HR | Bankwezen | 13/04/00 | RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 9. ZM | Openb. bibliotheken | 26/05/00 | Tillen, RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 10. HR | Papier- en kartonindustrie | 05/06/00 | Geluid, werkdruk, oplosmiddelen, vroegtijdige reïntegratie, machineveiligheid, klimaat |
| 11. HR | Ziekenhuizen (excl. psych.) | 27/06/00 | Tillen, RSI, werkdruk, allergenen, vroegtijdige reïntegratie, agressie en geweld |
| 12. HR | Verpleeg- en verzorgingshuizen | 28/06/00 | Tillen, werkdruk |
| 13. ZM | Podiumkunsten | 29/06/00 | Geluid, tillen, RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 14. HR | Architectenbureaus | 11/07/00 | RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 15. ZM | Wonenbranche | 11/08/00 | Tillen, werkdruk, oplosmiddelen, vroegtijdige reïntegratie |
| 16. HR | Schoonmaak- en reinigingssector | 27/09/00 | Tillen, RSI, werkdruk, allergenen, oplosmiddelen, vroegtijdige reïntegratie |
| 17. ZM | Linnenverhuur-, wasserij- en textielreinigingsbedrijven | 27/09/00 | Geluid, tillen, RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie, klimaat, biologische agentia |
| 18. ZM | Sociale werkvoorziening | 28/09/00 | Tillen, RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 19. ZM | Orkesten | 05/10/00 | Geluid |
| 20. HR | Uitgeverijen | 09/10/00 | RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 21. HR | Agrarische sectoren | 10/10/00 | Tillen, RSI, vroegtijdige reïntegratie, psychische belasting, gewasbeschermingsmiddelen |
| 22. HR | Defensie | 17/01/01 | Tillen |
| 23. ZM | Bit.dakdekkers | 24/01/01 | Werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 24. ZM | Verfindustrie | 07/02/01 | Oplosmiddelen |
| 25. HR | ICT | 21/02/01 | RSI, vroegtijdige reïntegratie |
| 26. HR | Afwerking gebouwen | 25/04/01 | Tillen, kwarts, vroegtijdige reïntegratie |
| 27. ZM | Uitzendbranche | 21/05/01 | Ziekteverzuimbegeleiding en vroegtijdige reïntegratie |
| 28. HR | Grootmetaal-electro | 03/07/01 | Geluid, (oplosmiddelen), lasrook |
| Convenanten | |||
| 1. HR | Thuiszorg-tillen | 03/03/99 | Tillen |
| 2. HR | Kinderopvang+peuterspeel-zalen | 20/12/99 | Tillen |
| 3. HR | Bouw-Arbovoorlichters | 28/03/00 | Voorlichting |
| 4. HR | Onderwijs-Pilot Poortwachter | 22/05/00 | Vroegtijdige reïntegratie |
| 5. ZM | Horeca | 31/05/00 | Werkdruk |
| 6. HR | Onderwijs-PO/VO | 28/11/00 | Werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 7. HR | Onderwijs-HOO | 28/11/00 | Werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 8. HR | Onderwijs-BVE | 28/11/00 | Werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 9. HR | Ac. ziekenhuizen | 16/01/01 | Tillen, RSI, werkdruk, allergenen, vroegtijdige reïntegratie, agressie en geweld |
| 10. HR | GGZ | 18/01/01 | Tillen, werkdruk, allergenen, vroegtijdige reïntegratie, agressie en geweld |
| 11. ZM | Bit.dakdekkers.-Arbovoorlichters | 24/01/01 | Tillen, veiligheid, arbovoorlichters |
| 12. HR | Rijksoverheid | 04/04/01 | Werkdruk, RSI, vroegtijdige reïntegratie |
| 13. HR | Woningbouwcorporaties | 06/06/01 | RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 14. HR | Gehandicaptenzorg | 04/07/01 | Tillen, werkdruk, allergenen, vroegtijdige reïntegratie, agressie |
| 15. HR | Gemeenten | 09/07/01 | Tillen, RSI, werkdruk, vroegtijdige reïntegratie, agressie en geweld |
| 16. HR | Politie | 16/08/01 | Werkdruk, vroegtijdige reïntegratie |
| 17. HR | Bouwbedrijven | 02/10/01 | Tillen, werkdruk, kwarts, oplosmiddelen |
| 18. HR | Grafische industrie | 09/10/01 | RSI, werkdruk, oplosmiddelen, vroegtijdige reïntegratie |
HR= hoogrisico-bedrijfstak
ZM-zelfmelder
Is de regering ook in staat zelf met goede alternatieven te komen voor de verplichte inschakeling van arbodiensten aanvullend op in plaats van SER-voorstellen?
De regering heeft over de mogelijkheid en wenselijkheid van alternatieven voor de verplichte inschakeling van arbodiensten de SER om advies gevraagd. De regering buigt zich uiteraard ook zelf over dit onderwerp. Zij zal haar definitieve standpunt over de verplichte aansluiting mede aan de hand van het SER-advies formuleren.
Wanneer komt de SER met haar advies over de verplichte inschakeling van arbodiensten?
Het advies van de SER over de verplichte aansluiting zal, naar zich laat aanzien, gegeven worden in het kader van het meeromvattende advies inzake Donner II (WAO-problematiek).
Op grond van welke signalen zal de verplichting tot het inschakelen van een arbodienst bezien worden?
Zowel de beleidsomgeving als het veld waarbinnen arbodiensten opereren is stevig in beweging. Initiatieven van verzekeraars en reïntegratiebedrijven zijn aanleiding om alternatieve vormen van ondersteuning bij arbo- en verzuimbeleid te overwegen.
De Arbeidsinspectie heeft minder inspecties gedaan maar vaker gebruik gemaakt van een zwaar handhavingsinstrument. Hoe is deze beleidsprioriteit ten koste van andere arbo-interventietrajecten tot stand gekomen?
Het teruglopen van het aantal inspecties op arbeidsomstandigheden gaat niet ten koste van ongevalsonderzoek of klachtenbehandeling. Die onderzoeken worden met prioriteit boven het projectmatige werk uitgevoerd. De invoering van de bestuurlijke boete heeft de snelle inzet van zware handhavingsinstrumenten mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de handhaving net zo lang voortgezet tot alle overtredingen zijn opgeheven. Door bij een relatief gelijkblijvende capaciteit op arbo in de afgelopen jaren in de uitvoering te sturen op het stringent toepassen van het handhavingsbeleid is daarmee het aantal inspecties binnen projecten afgenomen.
Juist om een teruglopende pakkans op grond van deze stringente toepassing van het handhavingsbeleid te corrigeren heeft de Arbeidsinspectie er inmiddels extra capaciteit bij gekregen. De extra inspecteurs op het terrein van Arbo en arbeidstijden zullen naar verwachting eerste helft 2002 instromen en na een opleidings- en inwerkperiode productief kunnen worden ingezet. In het antwoord op vraag 84 wordt aangegeven welke streefcijfers daarbij voor de inspanningen van de Arbeidsinspectie gelden.
Welke streefcijfers gelden er voor de inspanningen van de arbeidsinspectie?
De volgende inspectiefrequenties worden na de uitbreiding van de inspectiecapaciteit
op arbeidsomstandigheden en arbeidstijden door de AI nagestreefd (bron begroting
2002):
Om deze frequenties te kunnen bereiken wordt de Arbeidsinspectie uitgebreid met 50 fte. Deze extra inspectiecapaciteit op arbeidsomstandigheden en arbeidstijden zal na de werving, opleiding en inwerkperiode van extra inspecteurs effectief beschikbaar komen.
Kan een iets meer onderbouwde analyse worden gemaakt van de feitelijke oorzaken van het groeiende ziekteverzuim?
Een belangrijke oorzaak van het oplopen van het ziekteverzuim is de buitengewoon gunstige conjuncturele ontwikkeling in de afgelopen jaren. Als gevolg daarvan is een uiterst krappe arbeidsmarkt ontstaan.
Dit heeft geleid tot grotere arbeidsparticipatie van personen met hoge uitvalrisico's.
Dit manifesteert zich onder meer in sectoren als de uitzendsector en de sector gesubsidieerde arbeid. Een bijkomend aspect is dat deze sectoren in de afgelopen jaren qua omvang ook fors zijn toegenomen en aldus het landelijke ziekteverzuimpercentage opstuwen. Ook is onder invloed van de krappe arbeidsmarkt sprake van een hoge werkdruk in sectoren die moeite hebben in hun personeelsbehoefte te voorzien. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de zorgsector. Die werkdruk manifesteert zich eveneens in een hoog ziekteverzuim.
Welke oorzaken liggen er ten grondslag aan het hoge ziekteverzuim in de sectoren schoonmaak, uitzendwezen en gesubsidieerde arbeid?
In de sectoranalyse 1999 is aan genoemde sectoren specifieke aandacht gegeven. Naar aanleiding van de data analyses bestaan de volgende ideeën over de oorzaken.
Het hoge ziekteverzuim in de Schoonmaak- en Reinigingssector heeft van doen met diverse factoren. De werkzaamheden kenmerken zich door een laag opleidingsniveau. De fysieke belasting in het werk is zwaar en schoonmaken is vaak eenzijdig werk. Ook het werken met chemische schoonmaak- en oplosmiddelen, alsmede de beperkte taakinhoud gelden als risico's. Een beperkte taakinhoud geeft in het algemeen weinig regelmogelijkheden ten aanzien van werkdruk. Daar komt bij dat sprake is van «werkgeverschap op afstand», waardoor een driehoeksrelatie ontstaat tussen de formele werkgever, de opdrachtgever en de schoonmaker. Door deze relatie is de formele werkgever moeilijker in staat de arbeidsomstandigheden te beïnvloeden.
Uitzendkrachten zijn in alle sectoren werkzaam en krijgen zo met allerlei arbeidsomstandigheden en dus met diverse arbeidsrisico's te maken. Bij de inzet van uitzendkrachten schiet het ook nog wel tekort aan voorlichting en onderricht over werk in het algemeen en de arbeidsomstandigheden in het bijzonder. Het werkgeverschap op afstand maakt het er voor uitzendbureau's niet gemakkelijker om direct invloed uit te oefenen op ziekteverzuim en omstandigheden waardoor dat veroorzaakt wordt. Bij de verzuimbegeleiding en reïntegratie spelen bij zieke uitzendkrachten zowel het GAK (UWV) als het uitzendbureau een rol (afhankelijk van het type uitzend-arbeidsovereenkomst). De inspanning van en de afstemming tussen de diverse actoren in dit traject kan worden verbeterd en daarmee de verzuimbegeleiding en reïntegratie.
Het hoge ziekteverzuim in de sector gesubsidieerde arbeid (WIW) is vooral terug te voeren tot het feit dat gesubsidieerde arbeid zich richt op een speciale doelgroep die op eigen kracht geen plaats op de arbeidsmarkt heeft kunnen bemachtigen. De doelgroep heeft vaak geen of een gebrekkig arbeidsverleden, heeft een sociale en medische problematiek, een laag opleidingsniveau etc. Er is meestal een combinatie van de kenmerken. Vanwege het hoge ziekteverzuim in de sectoren worden er op dit moment gesprekken gevoerd met de sociale partners om te komen tot arbo-convenanten . In deze convenanten dienen kwantitatieve afspraken gemaakt te worden met sociale partners met als doel verbetering van de arbeidsomstandigheden en reductie van het ziekteverzuim.
Wil de regering ervoor zorgdragen dat de Kamer het rapport van de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid en het regeringsstandpunt daarover ruim voor de begrotingsbehandeling SZW zal ontvangen?
Op 7 november a.s. zal de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid een «Leidraad: aanpak verzuim om psychische redenen», het onderliggende rapport en een concept van het implementatieplan vaststellen. Het definitieve implementatieplan zal naar verwachting januari of februari 2002 gereed zijn. Dit betekent dat daarna pas een definitief kabinetsstandpunt bepaald kan worden.
Wat is de inhoud van de experimenten over een formele verwijsfunctie van bedrijfsartsen?
Om hoeveel experimenten gaat het? Op welke wijze is de inhoud van de formele verwijsfunctie vormgegeven?
In haar brief aan de Tweede Kamer d.d. 12 juli 2001 (GZB/CO-2194916) over de verwijsfunctie voor de bedrijfsarts heeft Minister Borst van VWS mede namens Staatssecretaris Hoogervorst aangegeven «op termijn een formele verwijsfunctie voor bedrijfsartsen te [willen] realiseren voor die aandoeningen waar de bedrijfsarts ter zake kundig is als specialist op het gebied van arbeid en gezondheid». Daarbij is globaal de lijn geschetst leidende tot besluitvorming in 2003, waarbij één van de punten is dat nagegaan zal worden of een aantal experimenten met een formele verwijsfunctie voor bedrijfsartsen uitgevoerd kan worden.
De afgelopen maanden is met vertegenwoordigers van betrokken partijen besproken hoe de formele verwijsfunctie tot stand gebracht kan worden en hoe de experimenten vormgegeven en ingevuld kunnen worden. De komende maanden zal met betrokken partijen het invoeringstraject nader worden geconcretiseerd. Het proces bevindt zich op dit moment in een stadium waarin het nog niet mogelijk is om concreet iets te kunnen zeggen over het aantal en de inhoud van de experimenten, noch over de vormgeving van de inhoud van de formele verwijsfunctie.
Welke subsidiemogelijkheden zijn er op dit moment voorhanden om telewerk te bevorderen?
Is de regering voornemens om met nadere maatregelen te komen om bedrijven te faciliteren die telewerk als werkaanpassing hanteren?
Om telewerk in te zetten als werkaanpassing om werknemers met een arbeidshandicap aan het werk te houden of zo vroeg mogelijk te laten reïntegreren staan de werkgever de gebruikelijke subsidiemogelijkheden op basis van de Wet REA ter beschikking.
In casu zullen deze mogelijkheden met name aangewend worden ter bekostiging van de eventueel nodige (bij)scholing en aanpassingen op de werkplek.
Uit een pilot die TNO Arbeid in 13 bedrijven uitvoerde, blijkt dat een ondersteuning, toegespitst is op de inzet van telewerk als werkaanpassing, de snelheid en het succes van toepassing van dit preventie- en reïntegratie-instrument in bedrijven bevordert.
Thans wordt de mogelijkheid onderzocht van een landelijke helpdesk/steunpunt om de specifieke vragen en knelpunten van bedrijven t.a.v. ICT-telewerk toepassingen in combinatie met preventie en reïntegratie te beantwoorden en op te lossen.
Wat is een inhoudelijke omschrijving van een «broos» proces?
De samenwerking tussen bedrijfsartsen en artsen in de curatieve zorg is minder vanzelfsprekend dan de bestaande samenwerking tussen bijvoorbeeld huisartsen en medisch specialisten. Het totstandbrengen van arbo-curatieve samenwerking is een kwetsbaar proces in een situatie waarin de samenwerkingspartners elkaar in de praktijk vaak nog onvoldoende lijken te vinden.
De bedrijfsarts vervult een functie in de bedrijfsgezondheidszorg; een terrein dat voor veel medici in de curatieve zorg relatief onbekend is. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat er vaak sprake is van negatieve beeldvorming ten aanzien van de bedrijfsarts (TNO Arbeid, Voor Verbetering Vatbaar deel I en II, resp. 1999 en 2000). Voor een goede arbo-curatieve samenwerking zijn wederzijdse bekendheid met en erkenning van het werkterrein, de expertise en rolverdeling belangrijke randvoorwaarden. Met het adequaat invullen van randvoorwaarden voor samenwerking kan veel gewonnen worden. Gaandeweg groeit daarmee het inzicht in het belang van arbocuratieve samenwerking en de bereidheid daartoe.
Welke instrumenten gaan er ingezet worden op de passiviteit van werkgever en werknemer bij werkhervatting?
Met de Wet Verbetering Poortwachter zullen de reïntegratie-inspanningen van werkgever en werknemer bij het indienen van een aanvraag voor de WAO, ook inhoudelijk worden getoetst. Als die inspanningen onvoldoende blijken, kunnen door het UWV sancties worden opgelegd. Enerzijds kan de werkgever worden geconfronteerd met een verlenging van zijn loondoorbetalingsplicht. Anderzijds kan de werknemer gekort worden op zijn WAO-uitkering. De inhoudelijke toetsing van reïntegratie-inspanningen gecombineerd met het risico van stevige sancties draagt bij aan een actieve opstelling van werkgever en werknemer gericht op werkhervatting.
Welke concrete afspraken heeft de rijksoverheid gemaakt om veranderingen in de bestuurlijke verhoudingen te bewerkstelligen?
Gedoeld wordt op de bestuurlijke afspraken die in het kader van de Agenda van de Toekomst met gemeenten zijn gemaakt. Deze afspraken zijn gemaakt in het perspectief dat rijk en gemeenten op een gelijkwaardige manier werken aan een nieuwe wijze van beleidsontwikkeling en -sturing. Daartoe wordt een sterker accent gelegd op het overeenkomen van resultaten, waarbij er meer ruimte ontstaat voor een op de lokale situatie toegesneden uitvoering. Vanuit dat perspectief worden nu concrete afspraken met gemeenten gemaakt over het realiseren van uitstroom en activering van uitkeringsgerechtigden.
Is er al een nieuw privacy-kader voor de Algemene bijstandswet gereed?
Er is een concept privacykader gereed, waarin momenteel het commentaar van verschillende gemeenten wordt verwerkt. In verband met de beoogde inwerkingtreding van de Suwi-wetgeving m.i.v. 1 januari 2002 zal onder meer ook de Algemene bijstandswet worden aangepast. Deze aanpassing heeft ook consequenties voor de privacyaspecten. Het ligt in de bedoeling om het privacykader in december uit te brengen; dan kunnen bedoelde consequenties in het privacykader worden meegenomen. Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) zal dan ook formeel hebben geadviseerd.
Op zeer korte termijn echter zal een circulaire over de uitbesteding waarin ook aandacht wordt besteed aan de daarmee verbonden privacy-aspecten, aan de gemeenten worden toegezonden.
Kan tabel 5.1 als het gaat om het WAO-volume in personen en tabel 5.3 als het gaat om uitkeringsjaren en ao-percentage van de beroepsbevolking bij ongewijzigd beleid worden doorgetrokken voor de jaren 2003 t/m 2010?
De ramingen van het laatste regeerakkoord lopen t/m 2002. De actuele ramingen van de ontwikkeling van het arbeidsongeschiktheidsvolume lopen momenteel t/m 2006. Hierin zijn effecten van lopend beleid verdisconteerd, evenals de besparingseffecten, zoals gecalculeerd bij het wetsvoorstel Poortwachter. Daarbij past wel de kanttekening dat die becijfering met zeer veel onzekerheden omgeven is en dat de hieronder resulterende reeksen derhalve ook zeer tentatief zijn en dat geen rekening is gehouden met eventuele nadere maatregelen. Zoals aangekondigd zal het kabinet na ommekomst van het SER-advies terzake van het rapport Donner II over standpunt bepalen.
| (x 1000) | 2003 | 2004 | 2005 | 2006 |
|---|---|---|---|---|
| Personen | 977 | 996 | 1 017 | 1 037 |
| Uitkeringsjaren | 838 | 852 | 866 | 880 |
Het ao-percentage wordt berekend door het aantal personen te delen door de beroepsbevolking volgens het CPB.
De gebruikte CPB-cijfers uit de MEV lopen t/m 2002. Zodra het CPB een MLT-raming t/m 2006 heeft gepubliceerd zal het ao-percentage kunnen worden doorgetrokken t/m 2006.
Wat is het (lagere) percentage WAO/ZW lasten waar de regering uiteindelijk naar streeft en reëel acht?
Het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke ZW/WAO-lasten bedraagt meer dan 11% van de loonsom. Zonder een precies percentage te kunnen geven, acht het kabinet een daling van dit cijfer gewenst. Daarnaast bestaat in de WAO vooral een probleem m.b.t. de arbeidsparticipatie. De volumegroei van de afgelopen jaren heeft in reële termen slechts tot een geringe overschrijding van de uitgaven geleid omdat het hogere volume grotendeels gecompenseerd is door een daling van de gemiddelde uitkering.
Hoe beoordeelt de regering het feit dat de WAO-instroomkansen fors meer zijn gestegen dan de uitstroomkansen en hoe zal dit patroon kunnen worden gekeerd?
De hogere instroomkans hangt samen met een aantal factoren. De eerste is de vergrijzing: de gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking is de laatste jaren gestegen en zal nog verder stijgen. Dit hangt zowel samen met demografische factoren maar ook met de grotere deelname van vrouwen (de vrouwelijke beroepsbevolking is nog relatief jong en naarmate de arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt, stijgt ook de gemiddelde leeftijd). Daarnaast speelt de arbeidsparticipatie van vrouwen op zich een rol, omdat vrouwen een hogere instroomkans hebben dan mannen. Een derde factor is de toename van werknemers met een lage belastbaarheid die onder invloed van de krappe arbeidsmarkt toch een baan hebben gekregen. De uitstroomkansen vertonen een stijgend patroon dat echter stabieler is. De reden hiervoor is dat de uitstroomkansen minder beïnvloedbaar zijn, namelijk alleen voor zover het mogelijke reïntegratie betreft. Uiteraard is dit laatste van het grootste belang.
Het kabinet beoordeelt de opwaartse tendensen als zorgelijk. Een beleidsreactie hierop is voorzien na ommekomst van het SER-advies terzake van het rapport van de Commissie Donner II.
Kan tabel 5.4 bij ongewijzigd beleid worden doorgetrokken voor de jaren 2001 t/m 2010?
Deze tabel geeft een beeld van de feitelijke ontwikkelingen tot nu toe. Daaraan ligt een bewuste keuze ten grondslag om geen extrapolatie te maken van de ontwikkeling bij ongewijzigd beleid. Aan een dergelijke extrapolatie is weinig voorspellende kracht te ontlenen.
Kunnen de effecten van de codificatie van de standaard «Geen duurzaam benutbare mogelijkheden» in het nieuwe schattingsbesluit cijfermatig worden weergegeven ?
De effecten van verbetering van de keuringspraktijk, zoals beoogd door het Plan van Aanpak WAO, uiten zich in een daling van de kans om een WAO-uitkering toegekend te krijgen en in een daling van het aandeel volledig arbeidsongeschikten in de instroom. Deze ontwikkelingen zijn cijfermatig onderbouwd in de figuren 5.1 en 5.2. van de SN. Aan de verbetering van de keuringspraktijk liggen een groot aantal maatregelen ten grondslag, waaronder codificatie van de standaard GDBM. De effecten van afzonderlijke onderdelen van de verbetering van de keuringspraktijk zijn echter niet geïsoleerd te herleiden.
Hoe verhoudt niet-betaalde arbeid zich tot betaalde arbeid ten aanzien van het bevorderen van de arbeidsdeelname?
In het regeringsbeleid neemt het bevorderen van arbeidsparticipatie op de reguliere arbeidsmarkt een centrale plaats in. De arbeidsdeelname van vrouwen is de laatste jaren sterk gegroeid. Met het oog op deze ontwikkeling heeft het kabinet verschillende maatregelen getroffen om werkenden (zowel mannen als vrouwen) ook de mogelijkheid te bieden om te participeren in de noodzakelijke onbetaalde arbeid (zoals de zorg voor kinderen).
De Wet Arbeid en Zorg voorziet in diverse (betaalde en onbetaalde) verlofmogelijkheden teneinde de combinatie van werk en zorgtaken te stimuleren, zoals de mogelijkheid om geheel of gedeeltelijk verlof op te nemen en het in bepaalde gevallen verstrekken van een uitkering tijdens verlof. Daarnaast bieden zowel het fiscaal gefacilieerde Verlofsparen als de Wet Financiering Loopbaanonderbreking de mogelijkheid om naast het opnemen van verlof voor zorgtaken ook verlof op te nemen voor andere activiteiten. Ook zijn er mogelijkheden om de arbeidsduur aan te passen.
Hoe zijn de keuringseisen na de TBA weer versoepeld, gezien de afnemende uitstroomkansen?
Eind 1994 heeft de Tweede Kamer de toepassing van het per 1 augustus 1993 ingevoerde nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium uitvoerig aan de orde gesteld.
Deze discussie over de zogenoemde schrijnende gevallen, evenals de daarop volgende uitkomsten van onderzoek naar de effecten van het nieuwe criterium, hebben geleid tot een aanpassing van het Schattingsbesluit: met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1993 werd een schatting op basis van minder dan drie (Fis-)functies niet langer toegestaan en werd de resterende verdiencapaciteit gemaximeerd op het maatmaninkomen.
Voorts werd naar aanleiding van de motie van de heer Van Dijke een regeling getroffen op grond waarvan snel een opnieuw een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou kunnen worden toegekend aan personen die wisselend belastbaar zijn, of wier gezondheidstoestand snel achteruit gaat.
Per november 1996 is vervolgens de verzekeringsgeneeskundige standaard «geen benutbare mogelijkheden» aangepast en veranderd in «geen duurzaam benutbare mogelijkheden». De aanpassing betreft de herbeoordeling van 80–100 procent arbeidsongeschikten, en ziet erop dat uitstel van de schatting mogelijk is zolang de (verbeterde) mogelijkheden van de betrokkene niet duurzaam kunnen worden bepaald. Aanvankelijk kon de schatting in deze situatie slechts éénmaal en tot maximaal drie maanden worden uitgesteld.
Naast deze aanpassingen in de regelgeving waarvan het getalsmatig effect op het Wao-volume niet goed is in te schatten, is zeker niet uit te sluiten dat zowel de kritische onderzoeksresultaten als de herhaalde discussie met het parlement over de effecten van de Wet TBA en de nieuwe keuringspraktijk ook zijn neerslag heeft gehad op de werkwijze van de verzekeringsgeneeskundigen. In de praktijk kan dit hebben geleid tot een soepeler hantering van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium.
Bij de beoordeling van de uit de cijfers blijkende afnemende uitstroomkansen moet echter ook rekening worden gehouden met een zeker opschoningseffect : Met de wet TBA werd tegelijkertijd met de introductie van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium en de periodieke herbeoordelingen, bepaald dat het zittende bestand jonger dan 45 jaar eenmalig herbeoordeeld moest worden op grond van het nieuwe criterium. Mede op aandringen van het parlement werden 45–50 jarigen uit het zittend bestand eenmalig herbeoordeeld op grond van het oude criterium en 50 jarigen en ouder vielen buiten deze eenmalige herbeoordeling.
Voor de herbeoordeling van de toen bestaande WAO-ers is een volgorde afgesproken, waarbij eerst de jongste en daarmee de kansrijkste WAO-ers werden opgeroepen.
De uitstroom ten gevolge van de herbeoordelingen was daardoor in het begin van de herbeoordelingsoperatie het hoogst. Dit opschonende effect van de éénmalige herbeoordeling van het zittend bestand – en de daarmee gepaard gaande relatieve vergrijzing van het bestand – verklaart mede de daarna terugvallende uitstroomcijfers.
Hoe beoordeelt de regering de ontwikkeling van de WAO-kerngetallen ten opzichte van de groei van het aantal inwoners, het aantal werkzame mensen en mogelijke risicogroepen of risico bedrijven op de arbeidsmarkt. Kan de regering van deze variabelen ook een meerjarig inzicht geven?
Het arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WAO is de verhouding tussen het aantal arbeidsongeschikten (exclusief nuluitkeringen) en het aantal verzekerden. Er is dus geen relatie met het aantal inwoners en niet met de totale beroepsbevolking; dit zou ook niet zinvol zijn omdat iemand die niet verzekerd is voor de WAO nooit een WAO-uitkering kan krijgen. Het arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WAO legt ook geen relatie met mogelijke risicogroepen of risicobedrijven. Wel worden er van sectoren arbeidsongeschiktheidsrisico's bepaald (zie de Sectoranalyse WAO 1999). Bij de analyse van die cijfers wordt gekeken naar de opbouw van het bestand in een bepaalde sector, en naar bijvoorbeeld de mate waarin bepaalde risico factoren een rol spelen. Dit alles neemt niet weg dat Nederland internationaal gezien een hoge mate van arbeidsongeschiktheid kent.
Hoe verhoudt de Nederlandse groei van het aantal arbeidsongeschikten zich met die van landen als Duitsland en Frankrijk. In hoeverre worden deze cijfers beïnvloed door de pensioengerechtigde leeftijd en het aantal werkenden boven de 55 jaar?
Sinds 1990 is de arbeidsongeschiktheid in Nederland gedaald van 16,0% van de verzekerde populatie in 1990 naar 13,0% in 1999, terwijl zij in alle andere Europese landen licht is gestegen of gelijk gebleven. In Duitsland is het percentage licht gestegen van 7,3% in 1990 naar 7,5% in 1999. In Frankrijk was het percentage 9,9% in 1990 en 1999. Desondanks blijft Nederland koploper.
In diverse andere landen vindt eerder een uitstroom plaats. In Frankrijk wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering met 60 jaar omgezet in een ouderdomspensioen. Ook in Duitsland kan de uitkering soms met 60 jaar worden omgezet in een ouderdomspensioen. Dit draagt ertoe bij dat het aantal arbeidsongeschikten in Nederland hoger is dan in andere landen.
In andere landen worden inactieven vaak ook via andere dan arbeidsongeschiktheidsregelingen financieel gecompenseerd.
Kan thans wel precies worden aangegeven in welke mate op de particuliere markt zogenaamde «premiedempingspolissen» zijn en worden afgesloten met als doel de effecten van de premiedifferentiatie in de WAO te verkleinen. Hoe is de groei van het afsluiten van dergelijke polissen ten opzichte van de afgelopen jaren?
Het afsluiten van premiedempingspolissen heeft nog geen grote vlucht genomen. In 1998, het eerste Pemba-jaar, had ruim 13% van de bedrijven een dergelijke verzekering afgesloten. Zoals verwacht mocht worden verzekerden kleine bedrijven zich vaker (ruim 14%) dan grote bedrijven (iets meer dan 1%). In 2000 was het percentage verzekerde bedrijven bijna 20%, dus iets hoger dan in 1998. Wederom waren de kleine bedrijven vaker verzekerd (bijna 22%). Van de grote bedrijven was in 2000 ruim 2% verzekerd.
Waarnaar stromen de WAO'ers uit ? Welke trend doet zich daarbij voor?
De beëindigde WAO-uitkeringen zijn in 2000 om de volgende redenen beëindigd:
| Reden | Percentage |
|---|---|
| Herstel | 25% |
| Herbeoordeling | 13% |
| Pensionering | 39% |
| Overlijden | 11% |
| Overig | 12% |
De categorie «Overig» bestaat overigens ook voor een groot deel uit herstelgevallen omdat een deel van de uvi's herstel/herbeoordelingsgevallen niet correct registreert.
Een analyse van de ontwikkeling van deze redenen in de tijd laat de volgende trends zien:
• Kort na TBA, in 1994 en 1995, steeg het aandeel beëindigingen door hesrtel/herbeoordeling tot ongeveer 55% onder invloed van de grootschalige herkeuringsoperatie.
• Vervolgens, toen de meer kansrijke herbeoordelingen afgewerkt waren, daalde het herstelpercentage tot een niveau lager dan voor TBA. Een deel van het natuurlijke herstel was als het ware vervroegd opgetreden.
Inmiddels stijgt het herstelaandeel weer. Met name onder invloed van de sterk gestegen instroom stijgt ook de uitstroom van kortdurende arbeidsongeschiktheidsgevallen.
Samenvattend kan worden gesteld dat ongeveer 50% van de uitstroom door pensionering of overlijden wordt veroorzaakt en 50% door herstel of herbeoordeling.
Hoe functioneert het CBBS en welke gevolgen heeft de invoering daarvan voor de individuele werknemer en zijn rechten of plichten?
Het CBBS is nog niet geïmplementeerd. In de zomer van 2001 zijn wel al de opleidingen gestart voor de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die met het nieuwe systeem zullen gaan werken. Momenteel wordt het nieuwe systeem getest in operationele omgeving; daarna wordt het operationeel voor degenen die de opleiding voltooid hebben. Vanaf 2002 zullen alle nieuwe beoordelingen met behulp van het CBBS geschieden. Het CBBS heeft geen gevolgen voor de rechten en plichten van de werknemers, anders dan die er nu al zijn. Het CBBS is immers een hulpmiddel voor de claimbeoordeling, en is net als het FIS gebaseerd op de bestaande regelgeving.
Kan een overzicht gegeven worden van de verschillende onderdelen van de Wet REA die gewijzigd worden en wat er voor in de plaats komt, uitgesplitst naar kosten en besparingen?
Kern van dit wetsvoorstel is dat een aantal nieuwe regelingen worden ingevoerd voor werkgevers die arbeidsgehandicapten in dienst hebben of nemen. In samenhang met de nieuwe toetrederskorting voor de werknemer, waardoor de werknemer er in inkomen op vooruit gaat indien hij betaalde arbeid accepteert, worden daarmee de prikkels meer verlegd van stimulansen voor werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen naar een stimulans voor de arbeidsgehandicapten om aan het werk te gaan.
| miljoen gulden | miljoen euro | |
|---|---|---|
| • stimulering herintrede | 395 | 179 |
| • stimulering ouderenparticipatie door middel van belastingvrije bonus en verhoging arbeidskorting ouderen | 225 | 102 |
| • Premievrijstelling voor werkgevers die arbeidsgehandicapte werknemers in dienst nemen (6 207 euro of 13 679 gulden bij een gemiddeld inkomen van 22 689 euro of 50 000 gulden) | 250 | 113 |
| • korting WAO-premie voor oudere werknemers | 330 | 150 |
Tegenover deze maatregelen staan de volgende aanpassingen:
| miljoen gulden | miljoen euro | |
|---|---|---|
| afschaffing plaatsingssubsidies | 355 | 161 |
| afschaffing van de vrijstelling en korting basispremie WAO | 130 | 59 |
De budgettaire effecten zijn ontleend aan de Memorie van toelichting bij deel V van het belastingplan 2002. Het betreft de effecten in de structurele situatie. Als gevolg van het overgangsrecht met betrekking tot subsidies die vóór de ingangsdatum van dit wetsvoorstel zijn aangevangen, zullen de besparingen in 2002 en 2003 lager uitvallen.
Is het nog steeds het voornemen van de regering om het door de Tweede Kamer aanvaarde wetsvoorstel Verbetering poortwachter op 1 januari van kracht te laten worden?
De regering streeft naar inwerkingtreding van het gehele wetsvoorstel per 1 januari 2002. Het definitieve besluit over de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal echter op korte termijn na overleg met de betrokken partijen worden genomen. Belangrijkste overwegingen daarbij zijn: de voorbereiding op de poortwachter bij de uitvoeringsinstellingen, de samenloop met SUWI en de stand van zaken met betrekking tot de voorlichting aan werkgevers en werknemers.
Wanneer komt het wetsvoorstel instroomcijfers WAO naar de Kamer? Wat is de verwachte datum? Is de regering voornemens om dit ook uit te bereiden naar de kleinere bedrijven?
Het kabinet beraad zich momenteel over het advies van de Raad van State ten aanzien van het wetsvoorstel Instroomcijfers WAO. Op korte termijn zal het wetsvoorstel toegezonden worden aan de Kamer.
Het kabinet is voornemens om de verplichting voor het UWV om WAO-instroomcijfers openbaar te maken, te beperken tot bij ministeriële regeling te benoemen categorieën werkgevers. Uitwerking van deze ministeriële regeling dient nog plaats te vinden. Wel is alvast aan het Lisv om advies gevraagd, specifiek ten aanzien van de aan te wijzen categorieën. Vooruitlopend op dit advies wil het kabinet nog geen uitspraken te doen over de openbaarmaking van WAO-instroomgegevens voor kleine werkgevers.
Had het voorstel ten aanzien van de REA in de Belastingplan 2002, deel V, niet beter deel uit kunnen maken van het nog voor te bereiden voorstel?
Het wetsvoorstel ten aanzien van de Wet REA in het Belastingplan 2002, deel V is het in de vraag bedoelde wetsvoorstel, waarin de voornemens die in de sociale nota zijn aangekondigd worden neergelegd.
Hoe werkt het stimulerender effect van de vrijstelling van WAO-premies ten opzichte van de reïntegratie? Is deze vrijstelling generiek?
In de huidige situatie heeft de werkgever van arbeidsgehandicapte werknemers recht op verschillende soorten instrumenten in de vorm van subsidies en tegemoetkoming in de premie (budgetten, pakket op maat en vergoeding kosten bij behoud van werk, vrijstelling en korting van de basispremie WAO) en krijgt hij extra premielasten voor arbeidsongeschikt geworden werknemers (premieopslag Pemba). In het belastingplan 2002, deel V wordt de transparantie van het stelsel verhoogd doordat de instrumenten gericht op reïntegratie worden samengebracht op de premienota. Deze samenvoeging van de instrumenten in een premievrijstelling zorgt ervoor dat zowel de tegemoetkoming aan de werkgever in verband met het in dienst nemen of houden van arbeidsgehandicapten als de extra lasten ten gevolge van uitstroom van werknemers naar de WAO in de premieheffing tot uiting worden gebracht. Daarmee wordt een duidelijk signaal afgegeven en wordt het reïntegratiebevorderend aspect van de premieheffing versterkt.
De premievrijstelling geldt voor de werkgever die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt gedurende drie jaar en voor de werkgever die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst houdt gedurende een jaar.
Wat is het effect van de toetrederskorting op de armoedeval? Is er niet slechts sprake van verschuiving van het moment van de armoedeval?
Het effect van de toetrederskorting op de armoedeval is, dat iemand die uitstroomt uit een uitkeringssituatie dan wel opnieuw toetreedt tot de arbeidsmarkt, in de eerste drie jaar compensatie wordt geboden voor het met de stijging van het inkomen samenhangende verlies aan inkomensafhankelijke subsidies. Gekozen is voor een aflopende korting, aangezien het arbeidsinkomen in de jaren na (her)intreden in de regel zal stijgen. Als de toetrederskorting vervalt, is het afhankelijk van de inkomensontwikkeling van een (her)intreder of deze op dat moment geconfronteerd wordt met de nadelige effecten van de armoedeval. Voor mensen die langjarig op een relatief laag arbeidsinkomen zijn aangewezen is het daarom noodzakelijk de armoedeval ook structureel aan te pakken via bijvoorbeeld verhoging van de arbeidskorting.
Welke effecten verwacht de regering van de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de Wet REA?
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de omvang van het onnodig gebruik van reïntegratiemiddelen te verminderen, de administratieve lasten voor de werkgevers te verminderen, het effect van de instrumenten transparanter te maken en de prikkels voor arbeidsgehandicapte werknemers en -werkzoekenden te verhogen. Door middel van versobering van het instrumentarium wordt ernaar gestreefd onnodig gebruik te beperken. Door samenvoeging van de instrumenten via de premienota wordt het systeem helderder. De verstrekking van subsidies wordt eenvoudiger doordat nog slechts één instantie, het UWV, de tegemoetkoming verstrekt. De administratieve lasten voor de werkgever worden verminderd doordat geen aparte aanvraag voor vrijstelling van en korting op de basispremie nodig is. Belemmeringen die door werkgevers worden ervaren bij het aanvragen van reïntegratie-instrumenten worden weggenomen en aldus wordt het in dienst nemen of houden van arbeidsgehandicapten bevorderd. Door verstrekking van een toetrederskorting aan personen die vanuit een uitkering werk aanvaarden (belastingplan 2002, deel I) wordt de arbeidsgehandicapte ook zelf geprikkeld om werk te aanvaarden. Tot slot kunnen meeneembare werkplekaanpassingen na invoering van dit wetsvoorstel aan de werknemer worden verstrekt, waardoor de arbeidsgehandicapte werknemer een onafhankelijkere positie op de arbeidsmarkt inneemt.
Heeft de publicatie van dergelijke cijfers geen stigmatiserend effect op bepaalde bedrijven of sectoren? Treed daardoor geen verdringingseffect op van dergelijke werkgelegenheid en mindere arbeidsomstandigheden richting de lage lonen landen?
Het openbaar maken van WAO-instroomcijfers wordt vormgegeven vanuit de gedachte dat dit een handvat biedt voor werkgevers, werknemers en overheid om gericht activiteiten te ondernemen met betrekking tot aanpak van het verzuim en beperking van de WAO-instroom. Om eventuele stigmatiserende effecten tegen te gaan ziet het kabinet ervan af om een «top 10» en «slechtste 10» openbaar te maken. Daarnaast is het van belang om te realiseren dat deze cijfers geen inzicht bieden in de oorzaken van arbeidsongeschiktheid of het gevoerde beleid van een werkgever. Teneinde een mogelijk verkeerde interpretatie door het publiek te voorkomen wordt op bovenstaande aspecten bij de openbaarmaking van de gegevens nadrukkelijk gewezen. Niet verwacht wordt dat de publikatie van deze cijfers een impuls in de door de vraagsteller genoemde richting zal geven.
Waardoor wordt de daling van het percentage volledig arbeidsongeschikten, die zich voornamelijk in het laatste half jaar voordoet, veroorzaakt ?
De trend van daling van het percentage volledig arbeidsongeschikten doet zich voor sinds 1998, mede onder invloed van het Plan van Aanpak WAO, en lijkt zich momenteel versterkt door te zetten. Mogelijk speelt hierbij tevens een rol dat de achterstanden bij de einde-wachttijduitkeringen teruglopen. Enerzijds betekent dit dat de meer ruimte hebben om nauwkeurig te beoordelen, anderzijds loopt door de daling van de achterstanden ook het aantal voorschotten op basis van volledige arbeidsongeschiktheid terug.
Welke conclusies zijn er te trekken uit het feit van grote dynamiek rond het einde van de wachttijd?
Het feit dat veel zieken die na 9 maanden ziekte een WAO-keuring hadden aangevraagd, toch nog vòòr einde wachttijd (dus binnen 3 maanden gemeten vanaf de aanvraag) blijken te herstellen, wijst erop dat veel langdurig zieken nog gerede herstelkansen hebben, maar dat de benutting van die kansen voor betrokkenen pas een issue wordt op het moment dat het toekomstpersectief van een WAO-uitkering ineens reëel wordt. Het belang van een goede Poortwachter is hiermee nog eens ten overvloede aangetoond. Een goede Poortwachter draagt bij aan tijdig herstel en reïntegratie en voorkomt het onnodig laten voortduren van het ziekteverzuim tot aan einde wachttijd.
Bestaat er inzicht in de rechtvaardigheid van de gevolgen van keuringen voor de werknemer? Zo ja, hoe luidt dit inzicht?
De rechtvaardigheid van de gevolgen van de keuringen voor de werknemer moet beoordeeld worden in het licht van de inhoud en de bedoeling van de WAO. De bedoeling van de WAO is – kortheidshalve – inkomensverlies ten gevolge van arbeidsongeschiktheid door ziekte te verzekeren.
Welke verklaring bestaat er voor de explosieve toename van het aantal WAO-aanvragen?
Een belangrijke verklaring ligt in de onstuimige groei van de werkgelegenheid van de afgelopen jaren. Bij grote krapte op de arbeidsmarkt nemen werkgevers ook werknemers met hogere gezondheidsrisico's aan. Bij een ruimere arbeidsmarkt zouden deze veelal werkloos gebleven zijn. Van een toenemend aantal werknemers met hogere uitvalrisico's is bijvoorbeeld sprake in de uitzendsector. Ook de sector gesubsidieerde arbeid draagt bij aan een toename van het beroep op de WAO. Daarnaast veroorzaakt de krappe arbeidsmarkt een toenemende werkdruk, hetgeen de kans op uitval aanmerkelijk groter maakt. Hierbij kan bijvoorbeeld aan de zorgsector worden gedacht.
Zijn de cijfers uit het regeerakkoord in tabel 5.3 uitgedrukt in personen of uitkeringsjaren?
Tabel 5.3 bevat zowel een volume-ontwikkeling in personen als in uitkeringsjaren. De ontwikkeling in personen wordt vergeleken met de in het regeerakkoord geraamde ontwikkeling in personen. Het ao-percentage wordt berekend door het aantal personen te delen door de beroepsbevolking.
Deelt de regering de mening dat alle de analyses over het dalende aantal volledig arbeidsongeschikten ten spijt, het werkelijke beeld is dat het WAO-volume gestaag groeit en vergaande aanvullende maatregelen onvermijdelijk zijn?
Het kabinet deelt de mening dat de ontwikkeling van het WAO-volume nog steeds zorgelijk is. Om deze reden is de Commissie Donner gevraagd om een fundamentele analyse en mogelijke voorstellen ten aanzien van de WAO. Het kabinet heeft eerder aangegeven dat het na ommekomst van het SER-advies over het rapport van de Commissie Donner zijn standpunt zal bepalen.
Wanneer wordt het fictief arbeidsverleden als maatstaf voor de eventueel toe te kennen WW en WAO-uitkeringen vervangen door het feitelijk arbeidsverleden?
Het voorstel tot vervanging van fictief arbeidsverleden door feitelijk arbeidsverleden in de WW en de WAO wordt vooralsnog aangehouden in afwachting van de ontwikkelingen naar aanleiding van het rapport van de commissie Donner.
Wanneer komt de SER met haar advies over het rapport van de Commissie-Donner II?
Komt dat nog voor de begrotingsbehandeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid?
Zie het antwoord op vraag 10.
Wanneer komt het advies van de Commissie-Donner I naar de Kamer en het standpunt van de regering daaromtrent?
Zie het antwoord op vraag 87.
Indien de SER onverhoopt niet voor december tot advisering over rapport van de Commisie-Donner II zal komen, zal de regering dan haar eigen verantwoordelijkheid nemen en nog dit jaar met een regeringsstandpunt incluis eigen WAO-voorstellen komen?
De SER streeft er naar om op zo kort mogelijke termijn advies uit te brengen. Het kabinet acht het op dit moment prematuur om hierop vooruit te lopen.
Wanneer komt de regering met voorstellen om prikkels voor uitvoeringsorganisaties WW in te bouwen zoals eerder aan de Kamer toegezegd?
Momenteel wordt door het kabinet een nota over dit onderwerp voorbereid. Conform de toezegging tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Suwi, zal deze nota in december aan de Kamer worden gezonden.
Op welke wijze zullen binnen de wachtgeldperiode risicogroepen worden ingevoerd?
Het voorstel voor invoering van risicogroepen binnen de wachtgeldperiode is momenteel nog in voorbereiding.
Wat is de inhoud en exacte functie van de risicogroepen binnen de wachtgeldperiode?
Het voornemen tot invoering van risicogroepen binnen de wachtgeldperiode beoogt werkgevers die hogere werkloosheidslasten veroorzaken meer premie te laten betalen.
Uitgaande van het gemiddelde risico wordt een werkgever op basis van zijn individuele risico ingedeeld in een risicogroep. Naarmate werkgevers een hoger dan gemiddeld risico hebben vallen zij in een risicogroep met een hoger dan gemiddelde premie. Omgekeerd worden werkgevers met een lager dan gemiddeld risico ingedeeld in een risicogroep met een lagere premie.
Kan de operatie Walvis inkomensneutraal plaatsvinden? Zo ja, hoe?
De Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (Walvis) ligt op dit moment ter advisering bij de Raad van State. Na ommekomst van het advies van de Raad van State en opstelling van het Nader rapport, zal het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het is de verwachting dat dit eind van dit jaar zal geschieden.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel zal nader op deze vraag worden ingegaan.
Waar komt het primaat ten aanzien van het loonbegrip te liggen bij het ministerie van SZW of bij dat van Financiën?
Met de voorziene aanpassing van het fiscale loonbegrip in het verlengde van dit wetsvoorstel wordt een goede afstemming van beide loonbegrippen beoogd.
De afwegingen hierbij zullen bij de behandeling van het wetsvoorstel nader aan de orde komen (zie ook het antwoord op vraag 127).
Hoe staan de verschillende instituties in relatie tot elkaar in een organogram?
Het onderstaande organogram toont de relaties tussen de verschillende
SUWI-instituties.
P.M. Dit schema moet nog op een enkel onderdeel worden aangepast.
Welke instituties gaan feitelijk de ingang c.q. loket voor de verschillende regelingen vormen (bijvoorbeeld de intake van de WAO: UWV of CWI?)
Alle werkzoekenden kunnen bij het CWI terecht voor het vinden van een (nieuwe) baan. Bijstandsgerechtigden en WW-gerechtigden kunnen tevens bij de CWI een aanvraag indienen voor een bijstands- of WW-uitkering. De CWI verzamelt zoveel mogelijk alle gegevens die nodig zijn voor het kunnen toekennen van een uitkering en draagt deze gegevens over aan de gemeente resp. het UWV. De uiteindelijke beslissing over het al dan niet toekennen van een bijstandsuitkering wordt genomen door de betreffende gemeente; het UWV beslist of iemand in aanmerking komt voor een WW-uitkering.
Het UWV is verantwoordelijk voor de claimbeoordeling in het kader van de WAO en baseert zich daarbij onder meer op de informatie uit het reïntegratieverslag dat door de betrokken werknemer, de werkgever en de arbodienst is opgesteld. De werknemer dient het reïntegratieverslag in bij het UWV.
Welke verplichtende of sturende bevoegdheden krijgt het regionaal platform?
Het regionaal platform is een overlegorgaan en heeft geen bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden. Het regionale platform heeft derhalve ook geen verplichtende of sturende bevoegdheden. De meerwaarde van het platform zit in een betere afstemming, het bij elkaar brengen van kennis van de regionale situatie, de afstemming van het sectorbeleid, het regionale beleid en het lokale beleid, het uitwisselen van best practices e.d. Op basis van hun kennis van de regionale (arbeidsmarkt)situatie kunnen (partijen betrokken bij) regionale platforms bij de Raad voor Werk en Inkomen voorstellen indienen voor regionale projecten en sectorale initiatieven.
Hoe zal het invoeren van Beursplein van werk en/of de verhuizing naar de bedrijfsverzamelgebouwen daadwerkelijk worden gerealiseerd en welke gevolgen heeft dat voor het onroerendgoedbezit?
De gemeenten hebben het initiatief bij de totstandkoming van bedrijfsverzamelgebouwen. Om de totstandkoming van bedrijfsverzamelgebouwen te bevorderen is een tijdelijke subsidieregeling ingesteld. Momenteel wordt door de initiatiefnemers geïnventariseerd welke panden in eigendom geschikt zijn voor de vestiging van een bedrijfsverzamelgebouw. Eerst op basis van deze inventarisatie kunnen de gevolgen voor het onroerendgoedbezit in kaart worden gebracht.
Wat zijn de laatste ontwikkelingen ten aanzien van de vorming van de landelijke cliëntenraad?
Wanneer kan de landelijke cliëntenraad daadwerkelijk aan de slag?
Met de ontwikkeling en vormgeving van de Landelijke Cliëntenraad is gestart (conform artikel 12 van het wetsvoorstel SUWI). Samen met de cliëntenorganisaties wordt hard gewerkt aan de invulling hiervan. Daarbij gaat het om de vertegenwoordiging vanuit de verschillende cliëntenorganisaties in de Landelijke Cliëntenraad en de ontwikkeling van de inhoudelijke taakopdracht van de Landelijke Cliëntenraad. Ondersteuning wordt geboden bij de inrichting van de Raad, waaronder het secretariaat. Ook de wijze waarop de Landelijke Cliëntenraad gefinancierd zal worden, is thans in ontwikkeling.
Het streven is erop gericht dat de Landelijke Cliëntenraad per 1 januari 2002 – de beoogde datum van inwerkingtreding van de SUWI-wetsvoorstellen – daadwerkelijk aan de slag kan.
Waarom wordt uit voorzorg geen minimum kwaliteitseisen gesteld aan reïntegratiebedrijven, zo'n belangrijke factor in het activeringsbeleid, daar waar dat bij arbodiensten wel reeds gebeurt? (blz. 81)
Zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel SUWI is toegelicht, is het kabinet van mening dat de reïntegratiemarkt de tijd moet krijgen om zich verder te ontwikkelen. Nu al drempels voor de kleinere en/of startende reïntegratiebedrijven opwerpen door kwaliteitseisen wettelijk op te leggen, staat haaks op de ontwikkeling van de markt. Waarborgen voor een kwalitatief goede dienstverlening op het gebied van de reïntegratie zijn op verschillende manieren ingebouwd. Voorbeelden hiervan zijn het houden van toezicht op de opdrachtverleners van de reïntegratie over de wijze waarop zij hun contractuele relatie met de reïntegratiebedrijven inrichten alsmede de omslag naar een meer op resultaat gerichte financiering (financiering die mede is gebaseerd op duurzame plaatsingen). Bovendien wordt door BOREA, de branche-organisatie voor reïntegratiebedrijven, gewerkt aan de totstandkoming van een kwaliteitshandboek, waarvoor door het ministerie van SZW subsidie is verstrekt.
Het kabinet zal de ontwikkelingen op de reïntegratiemarkt nauwlettend volgen. Mocht uit de periodieke evaluaties van SUWI blijken dat de door reïntegratiebedrijven geleverde prestaties tekortschieten, dan kan alsnog worden overwogen om nadere kwaliteitseisen te stellen. Het kabinet wijst erop dat artikel 14 van het wetsvoorstel SUWI de mogelijkheid biedt om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor te schrijven dat reïntegratieopdrachten, waarvoor publieke middelen beschikbaar worden gesteld, alleen gegund kunnen worden aan reïntegratiebedrijven die over een certificaat beschikken.
Aan welke instantie brengen gemeenten hun rapport uit?
Met periodiek rapporteren wordt hier gedoeld op de beleidsverslagen als bedoeld in artikel 118 van de Abw. Evenals het daaraan voorafgaande beleidsplan wordt het beleidsverslag door Burgemeester en Wethouders uitgebracht aan de gemeenteraad en ter kennis gebracht van het ministerie van SZW.
Hoe worden de «best practices» beoordeeld?
In de bestuurlijke afspraken tussen SZW en VNG is afgesproken dat er ruim aandacht besteed zal worden aan een goede communicatie van best practises, etc. door daartoe o.a. het transferpunt armoedebestrijding te benutten. Deze best practises zullen aansluiten bij het uitgangspunt van het gemeenschappelijk gemeentelijk kader voor het gemeentelijk minimabeleid: enerzijds een minimabeleid dat zich richt op het activeren van mensen, waarbij de armoedeval zoveel mogelijk wordt voorkomen, en anderzijds een beleid dat mensen met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunt.
Op welke wijze beïnvloeden de experimenten FWI de agenda voor de toekomst?
De afspraken zoals die met de gemeenten in de Agenda voor de toekomst zijn gemaakt gelden onverkort ook voor de gemeenten die deelnemen aan experimenten in het kader van het Fonds Werk en Inkomen.
In de Agenda voor de toekomst is afgesproken dat de deregulering van de WIW samenhangt met verdere budgettering in het kader van het Fonds Werk en Inkomen.
Hoeveel huishoudens in de Algemene bijstandswet hebben een samenwoning van tweedegraads bloedverwantschap? Wat zijn de kosten indien er sprake zou zijn van het schrappen van de beperkingen van het tweede graadsbloedverwantschap als uitkeringsnorm in de bijstand?
Over het aantal huishoudens met een Abw-uitkering, waarbij sprake is van bloedverwantschap in de tweede graad, zijn geen gegevens bekend. De bedoelde kosten zijn bij gevolg niet te ramen. Die kosten worden overigens niet alleen bepaald door het aantal tweedegraadsbloed-verwanten dat thans in de Algemene bijstandswet te maken heeft met een gezamenlijke huishouding. Ook andere sociale zekerheidswetten kennen namelijk de gezamenlijke huishouding van tweedegraads bloedverwanten. Indien de betreffende bepaling alleen in de Algemene bijstandswet zou worden geschrapt, komen ook de tweedegraads bloedverwanten die te maken hebben met andere sociale zekerheidswetten voor aanvullende bijstand in aanmerking.
Hoeveel huishoudens waar meer dan één persoon AOW ontvangt kennen een 50% AOW, omdat er sprake is van tweedegraads bloedverwantschap? Hoeveel huishoudens waar meer dan één AOW uitkering is, kennen twee maal 70% AOW uitkering omdat er sprake is van eerstegraads bloedverwantschap? Wat zijn de meerkosten als in de AOW de tweedegraads bloedverwantschap niet zou leiden tot een verlaging van de AOW van 70% naar 50% (dus gelijkschakeling met eerste graadsbloedverwantschap)?
Alleen naar het aantal AOW-gerechtigden die samenwonen met bloedverwanten in de tweede graad, heeft de Sociale Verzekeringsbank (in 1997) onderzoek gedaan. Hieruit bleek dat ultimo juni 1997 686 personen samenwoonden met een partner ouder dan 65 jaar en dus een gehuwdenuitkering (50% AOW) ontvingen. Daarnaast waren er nog 470 AOW-gerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar, die recht hadden op een gehuwdenuitkering en een inkomensafhankelijke toeslag. Deze aantallen betreffen echter alleen personen die vanaf 1 januari 1996 AOW-gerechtigd zijn of vanaf die datum zijn gaan samenwonen. Samenwonende bloedverwanten in de tweede graad die voor die datum al AOW-gerechtigd waren, zijn namelijk ook na 1 januari 1996 de alleenstaandenuitkering (70% AOW) blijven ontvangen. Omdat de gelijkstelling van bloedverwanten in de tweede graad aan gehuwden op dat moment nog maar kort van kracht was, bieden de cijfers uit 1997 geen inzicht in de huidige aantallen. Deze zullen naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk hoger liggen. Het is dan ook niet mogelijk om zonder nadere informatie een betrouwbare raming te maken van de meerkosten als in de AOW de tweedegraads bloedverwantschap niet zou leiden tot een verlaging van de AOW van 70% naar 50%.
Wanneer is er sprake van een evenwichtige inkomensverdeling en in hoeverre is een dergelijke evenwichtige inkomensverdeling bereikt?
De inkomensverdeling wordt beïnvloed door een groot aantal ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, demografie en huishoudsamenstelling. Mede daardoor is het niet mogelijk om in zijn algemeenheid aan te geven wat evenwichtig precies is en in hoeverre deze situatie is bereikt. Een evenwichtige inkomensverdeling doet zowel recht aan overwegingen van maatschappelijk rechtvaardigheid als aan overwegingen van sociaal- en economisch beleid. Dit betekent bijvoorbeeld enerzijds aandacht voor de hoogte van het sociaal minimum en anderzijds er toe bijdragen dat arbeid lonend is. Met verschillende instrumenten (o.a. belasting- en premieheffing, specifiek inkomensbeleid, subsidieregelingen) wordt daaraan een bijdrage geleverd.
Welke aspecten zijn er te onderscheiden binnen het begrip armoedeval?
De armoedeval treedt op als een bruto inkomensstijging, nadat rekening is gehouden met belasting- en premieheffing en de effecten van inkomensafhankelijke regelingen op rijks- of gemeentelijk niveau, niet of nauwelijks resulteert in een toename van het netto besteedbaar inkomen of zelfs leidt tot een afname. Dit kan zich voordoen bij de overgang van uitkering naar werk of bij een loonstijging in een laagbetaalde baan. Inkomensafhankelijke regelingen zijn ingevoerd om maatwerk te leveren voor die huishoudens waarvoor een tegemoetkoming ter bestrijding van bepaalde te hoog geachte kosten noodzakelijk werd geacht. Aldus treedt een spanningsveld op tussen inkomensondersteuning en de financiële prikkel (meer) inkomen te verwerven.
Wat is het verschil in doelmatigheid tussen het generiek inkomensbeleid en het specifieke inkomensbeleid?
Het verschil in doelmatigheid hangt sterk af van de met de te nemen maatregelen beoogde doelen. Indien het streven is om over de gehele linie een inkomensverbetering te bewerkstelligen zullen bijvoorbeeld belastingmaatregelen zoals tariefsverlagingen of verhoging van heffingskortingen zeer doelmatig zijn, aangezien deze (nagenoeg) alle groepen inkomens bereiken. Ook bij inkomensondersteuning van goed te onderscheiden groepen kan een generieke regeling op rijksniveau het meest doelmatig zijn. Naarmate de achtergrond van regelingen meer ligt in de bestrijding van specifieke kosten (woonlasten, studiekosten) ligt een meer specifieke regeling voor de hand. De hogere uitvoeringskosten wegen dan op tegen het meer toespitsen van de regeling op de gemaakte kosten (beperken van overcompensatie).
Hoeveel huishoudens ontvangen bijzondere bijstand? Wat is het gemiddelde bedrag wat het minimum en wat het maximum?
Het is niet bekend hoeveel huishoudens bijzondere bijstand ontvangen. Het bedrag van 1026 euro (2260 gulden) per huishouden is het gemiddelde per huishouden in de bijstand van het totaal aan inkomensoverdrachten door gemeenten aan deze groep, inclusief bijzondere bijstand. Als alleen rekening zou zijn gehouden met de werkelijke ontvangers, ligt het gemiddelde bedrag hoger.
Welk deel van de bijzondere bijstand wordt als leenbijstand verstrekt?
Circa 25% van de bijzondere bijstand wordt verstrekt als leenbijstand.
Voor hoeveel van de ruim 600 000 huishoudens met een minimum inkomen is er sprake van de drie genoemde inkomensondersteuningen te weten gemeentelijk inkomensbeleid kwijtschelding en huursubsidie?
Kwijtschelding en gemeentelijk inkomensbeleid zijn in beginsel van toepassing op alle huishoudens op het sociaal minimum. Een groot deel van de kwijtschelding en het gemeentelijk inkomensbeleid geschiedt ambtshalve voor bijstandsgerechtigden, waardoor het niet-gebruik van de regelingen voor deze doelgroep beperkt zal zijn. Cijfers van SGBO bevestigen dat bijstandsgerechtigden en werklozen veel beter bereikt worden door gemeenten dan overige minima1. Het gemiddeld bedrag dat bijstandsgerechtigden in 2001 aan gemeentelijke inkomensondersteuning ontvangen wordt geschat op 1026 euro (2260 gulden). Hierbij wordt er vanuit gegaan dat iedereen in gelijke mate gebruik maakt van de beschikbare regelingen. Als er niet-gebruik optreedt, betekent dit dat de gemiddelde inkomensondersteuning voor de gebruikers hoger is. In het bovenstaande bedrag is nog geen rekening gehouden met de huursubsidie. Naar schatting maakt 75 tot 85 procent van de rechthebbenden gebruik van deze regeling2. In de periode 1999 tot en met 2001 hebben veel gemeenten een actief beleid gevoerd gericht op het terugdringen van niet-gebruik van inkomensondersteunende maatregelen. Het is derhalve aannemelijk dat het percentage gebruikers momenteel hoger ligt.
Uit het schema blijkt dat de huishoudens van alle inkomensondersteunende maatregelen gebruik maken. Hoeveel huishoudens maken gebruik van één van deze instrumenten. Wat is dan de gemiddelde inkomensondersteuning per huishouden? Hoeveel huishoudens maken geen gebruik van deze instrumenten.
Het schema geeft een beeld van het gemiddelde bedrag aan inkomensondersteuning per huishouden naar huishoudenstype. Bij de berekening van de bedragen huursubsidie en kwijtschelding is uitgegaan van respectievelijk de feitelijke gemiddelde huur voor minima en de feitelijke gemiddelde lokale lasten. Het gemiddelde bedrag inkomensondersteuning per huishouden zal derhalve niet wijzigen als rekening wordt gehouden met het niet-gebruik in de huursubsidie en de kwijtschelding. Omdat feitelijke informatie over het gemiddelde bedrag overig gemeentelijk inkomensbeleid op huishoudensniveau ontbreekt, is een gemiddeld bedrag per huishouden in de bijstand berekend. In dit geval is dus geen rekening gehouden met het niet gebruik en zal dit effect hebben op de hoogte van het berekende bedrag.
Hoeveel zijn de totale uitgaven van huursubsidie voor huishoudens met een inkomen op het sociaal minimum? Wat is het gemiddelde bedrag aan de onderkant van de huursubsidie (dus niet de gemiddelde huursubsidie van de totale uitgaven) en wat zijn de totale uitgaven voor de groep op het sociaal minimum aan huursubsidie?
Uit het jaarverslag van de Huursubsidie blijkt dat de totale uitgaven aan huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum in het tijdvak 1999/2000 1,0 miljard euro (2,2 miljard gulden) bedragen. Totaal zijn er 646 000 aanvragen voor huursubsidie door huishoudens met een inkomen op of rond het sociaal minimum toegekend. Het gemiddelde bedrag huursubsidie dat per aanvrager in een jaar is uitgekeerd aan huishoudens op of onder het sociaal minimum bedraagt daarmee 3385 gulden (1536 euro). Overigens zij hierbij aangetekend dat niet alle huishoudens gedurende het hele jaar huursubsidie hebben ontvangen.
Bij de stelling dat bij gebruik van alle aanvullende inkomensondersteunende maatregelen er sprake is van een inkomensverbetering van 30% tot 35% voor mensen met een inkomen op het sociaal minimum, is de vraag aan hoeveel huishoudens voor welk bedrag inkomensondersteuning is verleend ten opzichte van de gehele groep huishoudens op het sociaal minimum? Dus hoe groot is de groep, wat zijn de totale uitgaven aan inkomens ondersteuning en wat is het bedrag per huishouden?
De totale uitgaven aan huursubsidie aan huishoudens met een inkomen tot 105% van het sociaal minimum bedragen in 2001 1000 miljoen euro (2,2 miljard gulden). Op basis van een raming voor 2001 is met kwijtschelding een bedrag gemoeid van in 2001 110 miljoen euro (245 miljoen gulden) en de totale uitgaven aan inkomensoverdrachten in het kader van het gemeentelijk inkomensbeleid 390 miljoen euro (850 miljoen gulden). In de berekeningen zijn deze bedragen toegerekend aan alle rechthebbenden. Bij niet-gebruik door een deel van deze populatie is de inkomensstijging voor degenen die wel gebruik maken navenant groter.
Waardoor wordt het verschil tussen de hoogte van het aanvullende besteedbaar inkomen van een alleenverdiener met kinderen (30%) en de hoogte van dat van een alleenstaande (35%) veroorzaakt?
In guldens is het aanvullende inkomen uit hoofde van kwijtschelding van lokale heffingen, huursubsidie en overig gemeentelijk inkomensbeleid voor een alleenstaande lager dan voor een alleenverdiener met kinderen. Dit wordt met name veroorzaakt door het gemiddeld lagere bedrag aan verschuldigde OZB (en dus minder voor kwijtschelding in aanmerking komt) en een gemiddeld lager bedrag een huursubsidie (vanwege een gemiddeld lagere huur).
In procenten van het besteedbaar inkomen is het aanvullende inkomen voor alleenstaanden echter groter (35% versus 30%). Dit wordt veroorzaakt door het lagere besteedbaar inkomen voor alleenstaanden, waardoor een kleiner nominaal bedrag in procenten van het besteedbaar inkomen groter is.
Wat wordt bedoeld met de zinsnede «Als niet iedereen gebruik maakt van de regelingen – hetgeen niet moet worden uitgesloten – dan zullen de in figuur 6.3 opgenomen bedragen per gebruiker van de betreffende regeling in werkelijkheid hoger zijn»?
Met deze zinsnede wordt bedoeld dat in de berekeningen, wegens het ontbreken van de benodigde informatie, geen rekening is gehouden met niet-gebruik. Dit betreft huishoudens die op basis van hun inkomens- en vermogenssituatie in beginsel wel in aanmerking zouden komen voor ondersteuning. Het gemiddelde is berekend op basis van de totale populatie. Dit betekent, dat als alleen rekening zou zijn gehouden met de werkelijke ontvangers, het gemiddelde bedrag hoger ligt.
Hoe groot is het niet gebruik van de aanvullende bijstandsregelingen precies? Wanneer kan de Kamer het onderzoek naar het niet gebruik tegemoet zien? In de begroting staat aangegeven dat het 1 oktober naar de Kamer zou komen. Is het onderzoek al af? Wat zijn de voorlopige conclusies?
Aannemende dat de Kamer met aanvullende bijstandsregelingen doelt op het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid verwijs ik voor het antwoord op deze vraag naar de antwoorden op de vragen 146 en 147.
Wat is het standpunt van de regering ten aanzien van de soms aanzienlijke afwijkingen die bestaan tussen de gemeenten onderling inzake inkomensbeleid?
Verschillen zijn inherent aan decentralisatie van een deel van het specifieke inkomensbeleid. In deze verschillen komt het maatwerk tot uiting waarmee het gemeentebestuur invulling geeft aan de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het afstemmen van de gemeentelijke inkomensondersteuning op de lokale omstandigheden, zoals de specifieke situatie van de sociale minima in de gemeente en de gemeentelijke lasten (hoge gemeentelijke lasten resulteren in een navenante kwijtschelding).
Hoe staat de regering tegenover de ontwikkeling dat financiële tegemoetkomingen (bijvoorbeeld een eindejaarsuitkering) die door de gemeente kunnen worden uitgekeerd, kan leiden tot een vervaging van de grenzen tussen gemeentelijke inkomensondersteuning en ongerichte inkomenssuppletie?
Een zorgvuldige toetsing op noodzaak, hoogte van de te vergoeden kosten en bestedingsruimte in het inkomen is bij gemeentelijke inkomensondersteuning van groot belang om ongerichte inkomenssuppletie te voorkomen. Zie ook antwoord op vraag 11.
Hoe kan het dat alle uitgaven ook inkomensoverdrachten zijn? Wat zijn de netto inkomensoverdrachten?
Niet alle uitgaven in het kader van het gemeentelijk inkomensbeleid worden gerekend tot inkomensoverdrachten. De uitgaven in het kader van het gemeentelijk inkomensbeleid worden in vier uitgavencategoriën ingedeeld: uitgaven aan inkomensondersteuning, bevordering rondkomen, bevordering participatie en terugdringing niet-gebruik. Tot de inkomensoverdrachten die zijn weergegeven in Tabel 6.2 worden gerekend de uitgaven aan inkomensondersteuning en uitgaven ter bevordering van het rondkomen. Tot de netto uitgaven worden conform de Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid gerekend alleen de uitgaven die geheel ten laste komen van de algemene middelen van de gemeente.
Wat is het percentage uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand?
Er loopt momenteel een onderzoek naar deze uitvoeringskosten. Recente gegevens over deze uitvoeringskosten zijn niet beschikbaar. In de Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid 1997 zijn de uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand globaal en indicatief geschat op circa 30% van de verstrekte bedragen.
Hoeveel huishoudens hebben categoriale bijzondere bijstand ontvangen?
Categoriale bijstand wordt ambtshalve verstrekt. Daarom kan men er vanuit gaan dat het niet-gebruik van deze regeling onder de relevante doelgroepen (met name langdurige minima) gering is. Bovendien kan een deel van het gemeentelijk armoedebeleid dat niet wordt gerekend tot de bijzondere bijstand ook als categoriaal bezien worden. Hierbij valt onder andere te denken aan het woonlastenfonds, het schoolfonds, de regeling collectieve aanvullende ziektekostenverzekering en de minimapas.
Aan hoeveel huishoudens is schuldhulpverlening als inkomensoverdracht verstrekt? Hoe werkt dat?
In 1998 bedroeg het beroep op vrijwillige schuldsanering 38 500 gevallen. Bij inkomensoverdrachten in het kader van schuldhulpverlening stelt de gemeente aan de schuldenaar een bedrag beschikbaar waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan. In de regel gebeurt dit in het kader van een schuldsanering. Er zijn dan meerdere schuldeisers die allen betaling van een gedeelte van hun vordering wordt aangeboden tegen finale kwijting.
Welke uitgaven worden als maatschappelijke participatie beschouwd? Welk deel daarvan komt ten goede aan 65-plussers?
Ten aanzien van de uitgaven aan maatschappelijke participatie worden de volgende vijf activiteiten onderscheiden, te weten fonds/regeling maatschappelijke participatie, fonds/regeling vrijwilligerswerk, fonds/regeling indirecte schoolkosten, subsidiëring van vakantieactiviteiten en kortings- of stadspas. Er is geen feitelijke informatie beschikbaar welk deel daarvan ten goede komt aan 65-plussers. Wel valt de bekostiging van de pas 65 onder het fonds maatschappelijke participatie.
Worden hier de incentivepremies uit de WIW bedoeld? Aan hoeveel mensen is deze premie verstrekt en wat is de gemiddelde hoogte van de premie?
De verstrekte premies in het kader van het incentivebeleid, zijn premies als bedoeld in artikel 43 van de Algemene Bijstandswet, die zijn uitgekeerd om te bevorderen dat langdurig werklozen of uitkeringsgerechtigden arbeid aanvaarden. Uit onderzoek door het SGBO1 uit 1999 blijkt dat 72,7% van de gemeenten een premiebeleid heeft. De meeste gemeenten hanteren het wettelijk vrij te laten bedrag bij het vaststellen van de premie of de vrijlating.
Aan hoeveel huishoudens wordt per jaar kwijtschelding verleend?
Allers en Schrantee (2000) noemen in hun onderzoekGemeentelijk kwijtscheldingsbeleid en armoedeval een aantal van 366 000 kwijtgescholden aanslagen voor de OZB in 1997. Zoals in vraag 146 is aangegeven ligt het in de rede dat het aantal huishoudens groter is door terugdringen niet-gebruik en aanpassing van de kwijtscheldingsnorm door gemeenten.
Wat is het gemiddelde kwijtscheldingsbedrag van gemeentelijke lasten per huishouden?
De Monitor Inkomsten uit Lokale Heffingen van het Ministerie van Financiën schat dat de lokale lasten voor een alleenstaande op minimumloonniveau met een huurwoning in 2001 gemiddeld 777 gulden (353 euro) bedragen. Voor een gezin met kinderen om minimumloonniveau is dit 1069 gulden (485 euro). In de meeste gemeenten zal dit bedrag grotendeels of volledig worden kwijtgescholden. Hierbij zij opgemerkt dat de lasten die voor kwijtschelding in aanmerking komen per gemeente uiteen kunnen lopen. Daarnaast bestaan er grote verschillen in de hoogte van de lokale heffingen (met name de OZB).
Wat is het gemiddelde bedrag aan OZB per huishouden dat in de voorgestelde berekening kwijtgescholden wordt? Is dat het bedrag van f 242,– dat in de monitor lokale lasten 2001 in de bijlage op blz. 2 genoemd wordt?
De tabel op p. 91 in de Sociale Nota geeft het totale bedrag dat met de kwijtschelding van alle lokale lasten is gemoeid op basis van de laatste Monitor Gemeentelijke Armoedebeleid. De cijfers hebben betrekking op 1998. Hieruit is slechts een landelijk gemiddelde af te leiden, gegeven de spreiding tussen gemeenten. Het bedrag in bijlage 2 van de Monitor Inkomsten uit Lokale Heffingen heeft betrekking op de OZB voor een huurwoning met een waarde van 235 000 gulden in 2001.
Wanneer gaat de regering de verschillende moties over aanpassing van de kwijtscheldingsregeling ter verkleining van de armoedeval uitvoeren?
In de Verkenning Belastingen en Premies is door het kabinet aandacht besteed aan de armoedeval-problematiek die samenhangt met de kwijtscheldingsregeling en zijn diverse opties verkend. De variant die zowel de marginale druk als het aantal mensen dat hiermee te maken krijgt beperkt, brengt evenwel aanzienlijke inkomenseffecten met zich mee. Dit maakt het wenselijk e.e.a. in een breder kader te bezien.
Wat is het aantal arme huishoudens of huishoudens met een inkomen op of rond het sociaal minimum waaraan genoemde uitgaven worden gedaan?
Uit dossieronderzoek blijkt dat voornamelijk bijstandsgerechtigden en ouderen boven 65 jaar met een inkomen rond het sociaal minimum bereikt worden door het gemeentelijk inkomensondersteuningbeleid.1 In de regel richten gemeenten zich met name op bijstandsgerechtigden. Deze groep bevatte ten tijde van de berekeningen in de Sociale Nota ongeveer 400 000 mensen.
In welke mate is er samenloop van de genoemde inkomensoverdrachten?
Er is geen informatie beschikbaar over de samenloop van deze inkomensoverdrachten. In een aantal gemeenten vindt de verstrekking van kwijtschelding lokale lasten ambtshalve of automatisch voor bepaalde categorieën plaats.2 Hierdoor is het aannemelijk dat in deze gemeenten sprake zal zijn van samenloop tussen kwijtschelding en andere vormen van inkomensoverdrachten.
Hoeveel huishoudens ontvangen meerdere van de inkomensoverdrachten? Om welk percentage gaat het?
Het bedrag van 1026 euro (2260 gulden) per huishouden is het gemiddelde bedrag van alle regelingen tezamen per huishouden in de bijstand. Deze som is het gemiddelde over alle rechthebbenden. Als er niet-gebruik plaatsvindt, betekent dit dat het bedrag per gebruiker hoger ligt. Er is echter geen exacte informatie beschikbaar over de samenloop van deze inkomensoverdrachten.
Wat is het geschatte aantal van de arme huishoudens dat geen gebruik maakt van de genoemde inkomensoverdrachten?
Er is geen informatie beschikbaar over het niet-gebruik per individuele regeling (zie ook vraag 146). Als gevolg van de ambtshalve verstrekking van kwijtschelding in veel gemeenten is het niet gebruik voor sociale minima wat betreft deze specifieke regeling over het algemeen laag.
Hoe is de koopkrachtontwikkeling voor de minima van 1994 tot 2002, rekening houdend met gemiddelden voor het aanvullende inkomen en alle inkomensafhankelijke regelingen?
De koopkracht van minima heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt van 1994 tot 2002. De huursubsidie en het gemeentelijk inkomensbeleid zijn de inkomensafhankelijke regelingen met het grootste effect op de koopkrachtontwikkeling. De gecumuleerde gemiddelde mutatie voor de verschillende groepen minima sinds 1994 is weergegeven in onderstaande tabel. Daarnaast zijn opgenomen de effecten van de huursubsidie en het gemeentelijk inkomensbeleid. De beide laatste effecten gelden enkel als betrokkenen hier gebruik van maken.
Tabel Gemiddelde koopkrachtontwikkeling van 1994 t/m 2002 (gecumuleerd), inclusief gemiddeld effect inkomensafhankelijke regelingen
| Generiek | Huursubsidie | Gemeentelijk beleid | Totaal | |
|---|---|---|---|---|
| Sociaal minimum (mk) | 9¾% | 3¾% | 7½% | 21% |
| Sociaal minimum (zk) | 7½% | 2¼% | 7½% | 17¼% |
Toelichting: mk = met kinderen; zk = zonder kinderen.
Hoe is de ontwikkeling van de koopkracht in Nederland, ook in vergelijking met omliggende landen?
Uit het onlangs aan de Kamer aangeboden onderzoek van het IOO,International Income Statistics blijkt dat in andere landen weliswaar indicatoren voor inkomensbeleid worden gehanteerd, maar dat de gebruikte indicatoren meestal niet een beeld geven van de koopkrachtontwikkeling van standaardhuishoudens, zoals de Nederlandse koopkrachtcijfers. Het is daarom niet mogelijk een vergelijking te maken tussen de koopkrachtontwikkeling in Nederland en die in andere landen.
Kan de regering de laatste koopkrachtcijfers aan de Kamer verstrekken, inclusief de verwerking van de bij de financiële beschouwingen aangenomen moties?
In bijgaande tabel vindt u tabel 6.4 uit de Sociale Nota geactualiseerd op basis van de laatste inzichten van het CPB (1 november jl.). Tevens is op verzoek de technische verwerking van de motie Crone et al. Opgenomen.
| Categorie | 2002 (SN) | 2002 laatste stand | idem inclusief motie Crone et al. |
|---|---|---|---|
| Inactieven | |||
| Sociale minima paar zk <65 | 1¼ (1) | pm | pm |
| Sociale minima paar mk <65 | 1¾(1) | pm | pm |
| AOW alleenstaand | 1½ | pm | pm |
| AOW paar | 1¼ | pm | pm |
| AOW + 5000 euro paar | ¾ | pm | pm |
| Actieven | |||
| Minimumloon paar mk | 2¼ | pm | pm |
| Modaal paar mk | 1¼ | pm | pm |
| 2*modaal paar mk | 1 | pm | pm |
| tweeverdieners modaal/½modaal mk | 1½ | pm | pm |
| tweeverdieners 2* modaal/modaal mk | 1¼ | pm | pm |
pm cijfers worden geactualiseerd naar aanleiding van aanpassing beeld op 1 november.
Waarom verschillen de koopkracht percentages in tabel 6.4 met die van de MEV als het gaat om de koopkrachtverlaging van o.a. genoemde sociale minima met kinderen die thans huursubsidie hebben (hier 0.25% minder koopkrachtverlaging)?
Allereerst kan opgemerkt worden dat het hier geen koopkrachtverlaging betreft. De groepen met lage inkomens die momenteel geen recht hebben op de koopkracht- en kindertoeslagen in de huursubsidie zullen in 2002 en 2003 een hogere koopkrachtontwikkeling hebben, doordat hun inkomenspositie gelijk wordt getrokken met die van huishoudens met huursubsidie. Dit conform het verzoek in de motie Hofstra/Duivesteijn/Jeekel (25 090, nr. 59).
De koopkrachtpercentages uit tabel 6.4 van de SN en tabel 4.5 uit de MEV sporen. Het verschil tussen de op kwartprocenten afgeronde 1¾ en 1% bedraagt onafgerond 0.88% dit heeft het CPB in kwarten afgerond op 1% in de voetnoot bij de tabel.
Kan voor de jaren 1998 en 2002 een vergelijking worden gemaakt tussen het netto besteedbaar inkomen van modaal en het minimum, inclusief het aanvullende inkomen zoals meegenomen in tabel 6.3 c.q. (gemiddelden voor) alle inkomensafhankelijke regelingen?
In bijgaande tabel worden de gevraagde cijfers gegeven. Benadrukt dient hier te worden dat het om gemiddelden gaat en dat voor 2002 het slechts eerste indicatieve ramingen zijn.
Netto besteedbaar inclusief gemiddelde inkomensafhankelijk regelingen
| 1998 | 2002 | Procentuele stijging | |
|---|---|---|---|
| minimum (met kinderen) | 15 550 | 18 800 | 20,9 |
| modaal | 18 250 | 21 950 | 20,3 |
Kan voor de jaren 1998 en 2002 worden aangegeven wat het verschil in netto besteedbaar inkomen is, rekening houdend met het aanvullende inkomen c.q. (gemiddelden voor) alle inkomensafhankelijke regelingen en 5% verwervingskosten, tussen:
1. een alleenverdiener (2 kinderen) met een bijstandsuitkering en een alleenverdiener (2 kinderen) met 130% WML;
2. een alleenstaande met een bijstandsuitkering en een alleenstaande met 100% WML?
Onderstaande figuur geeft de ontwikkeling van de armoedeval weer in de periode 1995 tot en met 2002. De cijfers voor 1995 en 2002 zijn deels gebaseerd op een extrapolatie van de cijfers aan de hand van de algemene prijsontwikkeling. De vergroting van de armoedeval in de periode 1995 tot en met 1998 is voornamelijk het gevolg van een toename van het inkomen uit inkomensafhankelijke regelingen. De nieuwe Huursubsidiewet uit 1997 kent ruimere subsidies voor ouderen en minima. Het normpercentage in de kwijtschelding van lokale heffingen is in deze periode in de meeste gemeenten verruimd tot 100%, terwijl ook in die periode een sterke groei te zien was voor het overig gemeentelijk inkomensbeleid. De veronderstellingen bij de berekening van de armoedeval voor 2002 sluiten aan bij de besluitvorming met betrekking tot de belastingen en premies zoals opgenomen in de Sociale Nota. Hierbij wordt uitgegaan van een verhoging van de arbeidskorting en de combinatiekorting, zoals voorgenomen in de Sociale Nota 2002. In de tabel is geen rekening gehouden met de invoering in 2002 van de fiscale toetrederskorting van 6000 gulden.
Tabel: Netto-inkomensverandering (in euro) bij overgang
Abw naar werk 
In het kader van de aanpak van de armoedeval zijn in deze periode de volgende maatregelen getroffen:
• Invoering belastingstelsel van 2001, met onder andere de arbeidskorting.
• De toetrederskorting.
• Intentieverklaring van het ministerie van SZW en de Vereniging Nederlandse Gemeenten met afspraken over de reikwijdte van het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid.
• Inkomensneutrale aanpassingen in de huursubsidie.
Wat houdt een alleenstaande met 100% WML in 2002 in netto besteedbaar inkomen over van een loonsverhoging van f 100 per maand, rekening houdend met het aanvullende inkomen c.q. alle inkomensafhankelijke regelingen? Wilt u dezelfde vraag beantwoorden voor een alleenverdiener (twee kinderen) met 100% WML?
Uitgaande van het gebruik van gemiddelde huursubsidie en veronderstellend dat werkenden geen gebruik maken van kwijtschelding en gemeentelijke inkomensondersteuning zal een alleenstaande van de gevraagde 100 gulden bruto loonsverhoging (waardoor het inkomen ± 104% WML bedraagt) naar schatting op termijn niets aan besteedbaar inkomen overhouden. De zogenaamde marginale druk bedraagt hier 100%. Een alleenverdiener zal naar schatting 35 gulden aan besteedbaar inkomen overhouden. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt doordat alleenverdieners vanwege de correctie op het belastbaar/verzamelinkomen tot ± 102½% WML geen achteruitgang in huursubsidie ondervinden terwijl deze bij alleenstaanden vanaf ± 70% WML wordt afgebouwd. Hierbij is geen rekening gehouden met de voorgenomen fiscale toetrederskorting van f 6000,– per 2002. Door deze regeling is sprake van een inkomensvooruitgang.
Betekenen de cijfers tussen haakjes in tabel 6.4 dat diegene die ook IHS ontvangen er veel minder in koopkracht op vooruit gaan? Worden deze groepen nog op enigerlei wijze gecompenseerd? Om hoeveel mensen gaat het hier? Wat is de inhoud van de kinder- en koopkrachttoeslag bij de huursubsidie precies?
Het verdwijnen van de kinder- en koopkrachttoeslagen wordt volledig gecompenseerd. De kinder- en koopkrachttoeslagen zijn indertijd geïntroduceerd om de koopkracht van huishoudens met lage inkomens te ondersteunen, vooral die van gezinnen met kinderen. De koopkrachttoeslag bedroeg 48 gulden per jaar voor eenpersoonshuishoudens en 96 gulden voor meerpersoonshuishoudens. De kindertoeslag bedroeg 384 gulden per jaar voor gezinnen met 1 of 2 kinderen en 516 gulden voor gezinnen met 3 of meer kinderen. Deze toeslagen zijn sindsdien niet geïndexeerd. Aangezien er indertijd geen mogelijkheden binnen de fiscaliteit waren waarmee de groepen specifiek konden worden bereikt, is besloten dit als toeslag binnen de huursubsidie vorm te geven. Mede door de Tweede Kamer werd aandacht gevraagd voor de positie van huishoudens met lage inkomens die geen recht op huursubsidie hebben en dus ook geen recht op de toeslagen (motie Hofstra, Duivesteijn, Jeekel (25 090 nr. 59)). Dit kan meerdere oorzaken hebben; de huur is lager dan de voor het inkomen geldende normhuur, de huur is hoger dan de maximaal subsidiabele huur of men heeft een koopwoning. Met de invoering van het nieuwe belastingstelsel met onder meer de omzetting van de belastingvrije sommen naar heffingskortingen, die gunstig uitpakken voor lage inkomens, en de introductie van de kinderkortingen zijn momenteel de fiscale faciliteiten wel beschikbaar. Door middel van de maatregelen in 2001, 2002 en 2003 worden de toeslagen omgezet naar fiscale faciliteiten zoals de algemene heffingskorting en de kinderkorting, waardoor ook de groep lage inkomens zonder huursubsidie profijt heeft. De betreffende groep wordt dan ook volledig gecompenseerd door de verhoging binnen de kinderkorting.
Hoeveel huishoudens met kinderen krijgen thans een toeslag in de huursubsidie? Hoeveel huishoudens met een of twee kinderen; hoeveel met meer?
Er zijn naar schatting 250 000 huishoudens die de kindertoeslag in de huursubsidie krijgen, hiervan zijn er 200 000 met 1 of 2 kinderen en 50 000 met 3 of meer kinderen. Deze groep wordt gecompenseerd via de kinderkorting.
Hoeveel huishoudens met kinderen krijgen in het voorstel de kinderkorting in de inkomstenbelasting ter compensatie van het afschaffen van de kindertabel in de huursubsidie. Hoeveel huishoudens krijgen eerder deze tegemoetkoming niet? Hoeveel percent gaat deze groep er in koopkracht op vooruit? Zijn dat vooral mensen met een eigen huis die hierdoor niet in aanmerking komen voor huursubsidie?
Er zijn naar schatting 250 000 huishoudens die de kindertoeslag in de huursubsidie krijgen, hiervan zijn er 200 000 met 1 of 2 kinderen en 50 000 met 3 of meer kinderen. Deze groep wordt gecompenseerd via de kinderkorting. Van de omzetting van de HSW-toeslagen in de kinderkortingen, inclusief de verhoging van de leeftijdsgrens, zullen naar schatting 270 000 huishoudens met een laag inkomen (tot grens aanvullende kinderkorting) profiteren. Hiervan zijn er 250 000 huishoudens met een laag inkomen die voorheen geen kindertoeslag hadden. Het positieve inkomenseffect van deze groep bedraagt maximaal 1% koopkracht. Een onderverdeling naar wel of geen eigen huis, of te lage of hoge huur (zie vraag 176) valt op korte termijn niet uit de statistieken te halen. Tevens zijn er 20 000 huishoudens met een laag inkomen, waarvan het jongste kind 16 of 17 jaar is, die recht krijgen op de kinderkorting doordat de leeftijdsgrens verhoogd is naar 18 jaar. Het voordeel voor deze kleine laatste groep bedraagt eenmalig maximaal 2¼%. Dit komt niet tot uitdrukking in de standaardkoopkrachtplaatjes, omdat daarin wordt uitgegaan van 2 kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 11 jaar.
Is het juist dat mensen met een hoger inkomen en daardoor een hoger belastingtarief geen vermenigvuldigingsfactor krijgen indien zij ziektekosten hebben? Is het daardoor zo dat zij vanaf het eerste jaar een hogere belastingcompensatie hebben vanwege ziektekosten? Is het door de gefaseerde groei van de vermenigvuldigingsfactor voor mensen met een lager belastbaar inkomen zo, dat zij pas na een paar jaar voor dezelfde hoge kosten een gelijke belastingcompensatie krijgen? Kan een uitleg en een cijfermatige onderbouwing van het inkomen en de belastingcompensatie van chronisch zieken in de verschillende belastingcategorieën worden gegeven?
De vermenigvuldigingsfactoren worden mede geïntroduceerd om de netto waarde van de aftrekpost voor lage en middeninkomens te verhogen, waardoor deze vergelijkbaar wordt met een heffingskorting. Aangezien personen met een inkomen vanaf de derde schijf een hoger netto-voordeel hebben van de aftrekpost zijn vermenigvuldigingsfactoren voor deze groep niet aan de orde. Uit onderzoeken blijkt overigens dat chronisch zieken en gehandicapten relatief lage inkomens hebben. Dit hangt onder andere samen met een geringere verdiencapaciteit en geringere mogelijkheid tot arbeidsdeelname. Extra uitgaven in verband met ziekte of handicap kunnen daarom minder goed worden opgevangen. Dat is een belangrijke reden om voor het toekennen van de vermenigvuldigingsfactoren een inkomensgrens toe te passen.
Iedere belastingplichtige kan uitgaven voor ziektekosten voor de belasting aftrekken, voorzover zij een bepaald percentage van het belastbaar inkomen overschrijden. Het toepassen van de vermenigvuldigingsfactoren (1; 1,25 en 1,5) is echter afhankelijk van het aantal jaren dat dit percentage achtereenvolgend wordt overschreden. Indien een belastingplichtige in het jaar 2002 kan aantonen reeds in voorgaande jaren aftrek voor buitengewone uitgaven ziektekosten te hebben gehad, kan meteen de betreffende vermenigvuldigingsfactor van kracht worden. In het rapport van de werkgroep IGCZ zijn voor het jaar 1998 enkele cijfers opgenomen met betrekking tot het arbeidsongeschiktheids- en chronisch ziekenforfait (tabel 2, p. 36). Voor latere jaren zijn deze niet beschikbaar. Er zij aan herinnert, dat de aftrekregeling voor ziektekosten een onderdeel is van de buitengewone lastenregeling. Alleen via een afzonderlijk onderzoek kan een cijfermatige onderbouwing worden gegeven in relatie tot de inkomenshoogte.
Waarom is de motie-Melkert (27 400, nr. 11) niet geheel uitgevoerd? Het is toch mogelijk om voor chronisch zieken een heffingskorting in te voeren? Welke argumenten hanteert de regering om wel een verhoging van de arbeidskorting voor te stellen en niet die voor chronisch zieken, zoals de motie-Melkert voorstelt?
In mijn brief van 18 juni jl. (SZW 0565) ter aanbieding van het rapport van de IGCZ is aangegeven welke maatregelen het kabinet neemt ter verbetering van de positie van chronisch zieken en gehandicapten. In het rapport is uitgebreid ingegaan op de afwegingen die moeten worden gemaakt ter zake van het eventuele invoeren van heffingskortingen. Daarbij werd tevens verwezen naar de in voorbereiding zijnde premie- en belastingverkenningen. Zie in dit verband de passage op p. 34 van de Verkenning Belastingen en premies.
Waarom wordt er een onderscheid gemaakt tussen mensen die(geen!!)huursubsidie ontvangen, die gaan er namelijk per saldo als gevolg van de introductie van kinderkorting op vooruit en personen met huursubsidie die daarvan niet profiteren omdat de kindertoeslagen in de IHS worden afgeschaft?
Door de omzetting van de kindertoeslagen in de kinderkortingen zou ongeveer voor de helft van de minima met kinderen het gepresenteerde generieke koopkrachtbeeld niet representatief zijn. Daarom is voor beide groepen apart het generieke koopkrachtbeeld weergegeven.
De kindertoeslagen in de huursubsidie zijn bedoeld om gezinnen uit de lagere inkomenscategorieën een koopkrachtondersteuning te geven. Doordat deze toeslag echter alleen wordt verstrekt aan gezinnen die huursubsidie ontvangen, vallen veel gezinnen die tot de doelgroep behoren buiten de boot. Veertig tot vijftig procent van de gezinnen met kinderen met een inkomen onder de maximuminkomensgrens in de huursubsidie ontvangt geen kindertoeslag. Met de omzetting van de kindertoeslag naar de kinderkorting wordt deze ongelijkheid opgeheven en profiteren dus alle gezinnen met kinderen (tot 18 jaar) tot een inkomen van ca. 56 000 gulden van de kinderkorting. Dit betekent dat gezinnen die hiervoor geen kindertoeslag kregen er op vooruit gaan en dat het voor gezinnen die wel een kindertoeslag ontvingen inkomensneutraal uitpakt.
Met hoeveel procentpunten kan de WW-premie dalen zodat de premie door conjunctuurcycli heen toch kostendekkend blijft?
Het kabinet heeft in de Sociale Nota 2002 aangekondigd het vraagstuk van de sociale fondsen in de komende maanden nader te onderzoeken, mede in relatie tot de uitkomsten van de verschillende verkenningen en onderzoeken op het gebied van de fiscaliteit en de financiering van de ziektekostenverzekering. Hiertoe is de werkgroep «Belasting- en Premiestructuur» van start gegaan. Deze werkgroep buigt zich onder andere over de vraag bij welke hoogte van de premies de fondsen door de conjunctuurcycli heen kostendekkend zijn. In dit stadium is het niet mogelijk om op de uitkomsten van het onderzoek vooruit te lopen.
Hoe groot is de witte vlek op pensioengebied?
De witte vlek bedroeg volgens het in opdracht van het Ministerie van SZW verrichte onderzoek Witte vlekken op pensioengebied (1997) in 1996 9%.
Wat zijn de inkomensverbeteringen voor een eenoudergezin met kinderen?
Voor een eenoudergezin met kinderen (sociaal minimum) is de koopkracht gestegen met 10,5% over de periode 1995–2002.
Wat zijn de koopkrachteffecten van de motie Noorman-den Uyl (27 400 XV, nr. 29) indien er jaarlijks een inkomensverbetering van f 1000,– voor een huishouden van twee volwassenen (90%, 70%) zou worden uitgekeerd? Is dan de inkomenscurve gelijk aan die van een AOW-echtpaar?
Het inkomen van een AOW-echtpaar is op grond van de netto-netto koppeling per definitie het sociaal minimum voor twee volwassenen plus het fiscale voordeel van de ouderenkorting. Dit voordeel bedraagt voor een AOW-echtpaar circa 1040 gulden (472 euro) per jaar. Met 1000 gulden (454 euro) extra per jaar is het inkomen van een minima huishouden nagenoeg gelijk aan dat van een AOW-echtpaar. Het eenmalige koopkrachteffect van een dergelijke maatregel bedraagt circa 4% voor een paar.
Kan het spanningsveld tussen inkomensondersteuning en activering niet beter weggenomen worden met een geleidelijke traploze nivellering van de armoedeval? Welke effecten zijn er dan te verwachten?
Het uitsmeren van de armoedevalproblematiek door de (gecumuleerde) marginale druk van inkomensafhankelijke regelingen te verlagen leidt ertoe dat meer huishoudens met de armoedeval geconfronteerd zullen worden. De regelingen hebben dan immers betrekking op een langer inkomenstraject. Uit berekeningen van het CPB ten behoeve van de Werkgroep Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen1 blijkt dat per saldo de negatieve effecten in termen van werkgelegenheid van de armoedeval dan kunnen toenemen. Afbouw van regelingen leidt daarentegen tot positieve werkgelegenheidseffecten.
Welke verschillende regelingen zijn van toepassing op alleenstaanden en eenoudergezinnen (exclusief kosten kinderopvang)? Hoe groot is het effect van de ingevoerde kinder- en ouderkortingen?
De regelingen die van toepassing zijn op alleenstaanden en op eenoudergezinnen zijn voor wat betreft de kinderregelingen uitgebreid behandeld in de notitie «Overzicht van regelingen ten behoeve van kinderen», die op 9 oktober 2000 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Het inkomenseffect van de totale kinder- en combinatiekortingen wordt weergegeven in de tabel.
Tabel inkomenseffecten van de kinder- en de combinatiekortingen in 2002
| kinder- en combinatiekorting | |
|---|---|
| alleenstaand (mk): sociaal minimum | 2.4% |
| alleenverdiener (mk): sociaal minimum | 2.2% |
| alleenstaand (mk): minimum loon | 3.2% |
| alleenverdiener (mk): minimum loon | 3.4% |
| alleenstaand (mk): modaal | 1.9% |
| alleenverdiener (mk): modaal | 2.0% |
De eenouderkortingen zijn in 2001 geïntroduceerd als de opvolgers van de specifieke belastingvrije sommen voor alleenstaande ouders in het oude belastingstelsel (tariefgroep 4 en 5). De verhoging van de leeftijdsgrens van 12 naar 16 jaar betekent voor de groep die in 2002 recht krijgen op de aanvullende alleenstaande ouderkorting een inkomenseffect van ruim 4%.
Hoe is de ontwikkeling van de armoedeval over de afgelopen jaren, ook in vergelijking met ons omringende lande?
Figuur 6.5. en 6.6 in de Sociale Nota 2002 op p. 98 geven een indicatie van de ontwikkeling van de armoedeval tussen 1995 en 2001 (zie ook vraag 174 voor 2002). Institutionele verschillen bemoeilijken een vergelijking van de rol van inkomensafhankelijke regelingen tussen landen.2 Landen die een federale structuur kennen, zoals België, Duitsland, Oostenrijk en Italië, laten veelal de nodige ruimte aan deelstaten. Nederland behoort tot de landen met relatief veel inkomensafhankelijke regelingen. Daarbij zij opgemerkt dat sommige landen in plaats van via inkomensafhankelijke aanspraken door belastingvoordelen een soortgelijke doelstelling trachten te bereiken. Ook dit bemoeilijkt een vergelijking. Door het NEI is ten behoeve van de Verkenning Belastingen en premies een berekening uitgevoerd van marginale druk en replacement rates in verschillende OESO-landen. Hoewel de berekeningen betrekking hebben op één jaar blijkt dat de armoedeval-problematiek «in Nederland ernstiger is dan in andere OESO-landen. Daarbij geldt bovendien dat, omwille van de homogeniteit van de gemaakte internationale vergelijking een aantal, deels op gemeentelijk niveau werkzame regelingen (bijvoorbeeld de eigen bijdrage voor kinderopvang, de kwijtschelding lokale lasten en de bijzondere bijstand), nog niet in de gerapporteerde effecten zijn meegenomen.»1 Relatief hoge uitkeringsniveaus leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Voor alleenstaanden ligt het niveau in Nederland 45% hoger dan het gemiddelde van omringende landen2.
Is het uitgangspunt van het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid vooral armoedebestrijding naast de aanvullende uitgangspunten, zoals armoedeval bestrijding en activering naar werk?
Gemeenten trachten via een cliëntgerichte aanpak zoveel mogelijk maatwerk te leveren. Daarbij kan het accent in het ene geval meer op inkomensondersteuning en in het andere geval meer op directe activering liggen. Voorop staat echter, zoals aangegeven in de Sociale Nota 2002 op p. 97, dat betaald werk de belangrijkste manier is en blijft voor mensen om hun inkomenssituatie te verbeteren en daarmee armoede en sociale uitsluiting te voorkomen.
Welke bijzondere uitkering wordt door de helft van de uitkeringsgerechtigden gebruikt? Gaat het hier om bijzondere bijstand? Worden hier alleen de bijstandsgerechtigden bedoeld of worden ook mensen met WAO, Wajong, Anw, WAO, WW enz. bedoeld? Welke deel van de 650 000 arme huishoudens maakt gebruik van de bedoelde regelingen? Voor welk bedrag?
Het betreft hier (categoriale) uitkeringen die door de gemeente Rotterdam worden gedaan. De voornaamste voorzieningen betreffen een regeling voor duurzame gebruiksgoederen gericht op huishoudens met kinderen die minimaal drie jaar aaneengesloten afhankelijk zijn van een inkomen op het sociaal minimum en een toelageregeling voor huishoudens met schoolgaande kinderen tussen de 4 en 18 jaar die eveneens drie jaar of langer afhankelijk zijn van een inkomen op het sociaal minimum. Het gebruik van de bijzondere uitkering door bijstandsgerechtigden bedroeg 50%. Over de gehele populatie is dit 43%.3
Hoeveel kwijtscheldingen worden aan niet-werkenden verstrekt?
Uit het onderzoek blijkt dat in de gemeente Rotterdam 92% van het aantal kwijtscheldingen voor de OZB aan niet-werkenden wordt verstrekt.4 De cijfers voor kwijtschelding reinigingsrecht en verontreinigingsheffing zijn vergelijkbaar.
Komt de voorgestelde toetredingskorting boven op het gemeentelijk uitstroombeleid?
De toetrederskorting komt in de plaats van de onbelaste WIW-werkaanvaardingspremie en is bedoeld om de uitstroom uit de bijstand of uit een gesubsidieerd dienstverband naar reguliere arbeid te stimuleren en tegemoet te komen aan de gevolgen van een eventuele armoedeval. Als zodanig is de toetrederskorting een van de instrumenten die worden ingezet, naast het gemeentelijk uitstroombeleid via diverse scholingsen activeringsmaatregelen.
Welke andere factoren zijn er van invloed op de beslissing van het al dan niet aanvaarden van een baan?
Financiële motieven spelen een belangrijke rol bij de beslissing een bepaalde baan te accepteren of niet. Ook de aard van de werkzaamheden en het perspectief en de ontplooiingsmogelijkheden spelen een rol. Daarnaast kan bij met name bijstandsgerechtigden sprake zijn van een meervoudige problematiek, zoals ook beschreven in de Box over het Tilburgse Polismodel. Via een geïntegreerde benadering wordt getracht mogelijke belemmeringen voor werkaanvaarding weg te nemen. Deze kunnen betrekking hebben op problematische schulden, verslaving, huisvesting etc.
Wat zijn de resultaten van de aanpak in Tilburg (het Tilburgse polismodel) tot op heden? Welke aspecten van deze aanpak maken dit zo succesvol? En welke aspecten is de regering voornemens om over te nemen?
De gemeente Tilburg is pas dit jaar begonnen met de aanpak zoals beschreven in de Box over het Tilburgse polismodel. De eerste berichten zijn weliswaar positief doch een systematische evaluatie heeft nog niet plaatsgevonden. Belangrijke aspecten vormen de individuele aanpak via een vaste casemanager en de integrale benadering van mogelijke belemmeringen tot werkaanvaarding. Deze vinden ook hun plaats in de door het kabinet voorgestane uitvoering van de sluitende aanpak en in de afspraken die met de VNG zijn gemaakt in het kader van de «Agenda voor de Toekomst».
Hoeveel van ieder meer verdiende gulden moet een werkende ouder betalen aan de verhoging van de eigenbijdrage kinderopvang? Heeft de regering overwogen om deze stijging van de eigen bijdrage wat minder abrupt te laten verlopen?
Bij toetreding tot de arbeidsmarkt van een niet werkende partner stijgt de ouderbijdrage van nul tot een bedrag dat afhankelijk is van het totale huishoudensinkomen. De marginale druk die in deze gevallen ontstaat, is afhankelijk van het inkomen van beide partners. Deze is weergegeven in tabel 6.6 en 6.7. Door verruiming van de fiscale aftrekbaarheid van uitgaven voor kinderopvang is deze marginale druk in 2000 en 2001 voor met name lage en middeninkomens verlaagd. De verlaging van de ouderbijdrage maakt toetreding tot de arbeidsmarkt en het blijven werken aantrekkelijker.
Daarnaast geldt dat bij een inkomensstijging de gebruikers van voltijdskinderopvang van iedere extra gulden ongeveer 15% betalen aan extra ouderbijdragen. Bij buitenschoolse opvang is dit de helft minder. Totdat de maximum bijdrage is bereikt blijft deze marginale druk ongeveer gelijk. Daarboven is de marginale druk als gevolg van een inkomensstijging nul. Dit geldt voor ongeveer de helft van de gebruikers van kinderopvang.
Kan tabel 6.7 worden aangevuld voor de situatie dat de kostwinner 100% WML heeft, rekening houdend met alle andere inkomensafhankelijke regelingen?
Kan de situaties van tabel 6.7, maar dan rekening houdend met (gemiddelden voor) alle inkomensafhankelijke regelingen, worden aangeven wat de beide partners samen per saldo in netto besteedbaar inkomen overhouden van het door de toetredende partner verdiende loon?
De huursubsidie is de belangrijkste inkomensafhankelijke regeling voor kostwinners op het niveau van 100% WML. Gezien de leeftijd van de kinderen (0–4 jaar) in tabel 6.7 is het niet waarschijnlijk dat er ook gebruik wordt gemaakt van inkomensafhankelijke regelingen in verband met studiekosten. Aangezien het gaat om werkenden zal ook het gebruik van gemeentelijke inkomensafhankelijke regelingen beperkt zijn. De cijfers in de tabel geven daarmee een representatief beeld voor deze groep.
Wat zijn de gevolgen van de invoering van flexibele beloning op de aanspraak op sociale zekerheidsarrangementen en pensioenen?
Hiervoor geldt hetzelfde als voor vraag 4. Uitkeringen in het kader van flexibele beloning vallen buiten het vaste loon, dat als grondslag dient voor sociale verzekeringen en pensioenopbouw.
Waarom ziet de regering de flexibele beloningsvormen als oplossing effecten van de conjuncturele cycli?
Het kabinet hoopt met het stimuleren van flexibele beloningsvormen te bewerkstelligen dat een deel van de loonsom «mee-ademt» met de conjunctuur. Als er sprake is van economische neergang zal het flexibele loonbestanddeel afnemen. Deze «prijsaanpassing» van arbeid kan ervoor zorgen dat een «volume-aanpassing» (in de vorm van toegenomen werkloosheid) achterwege blijft.
In welke mate zullen naar verwachting de verschillende inkomensgroepen gebruik gaan maken van de fiscale winstdelingsregeling?
In de wettekst voor flexibele beloning is vastgelegd dat deze in principe voor iedereen in de organisatie moet gelden, tenzij anders overeengekomen in collectieve arbeidsovereenkomsten. De ondergrens is gesteld op 75 procent van de werknemers. De hoogte van de betaling dient eveneens gelijk te zijn, met afwijkingsmogelijkheid per CAO. Op basis hiervan is te verwachten dat verschillende inkomensgroepen in gelijke mate kunnen profiteren van de regeling. In relatieve termen – als percentage van het inkomen – zullen lagere inkomensgroepen mogelijk meer profijt hebben.
Is bekend welke groepen profiteren van de spaarloonfaciliteit en in welke mate zij daarvan profiteren? Is daarover onderzoek bekend?
Berekeningen van het ministerie van Financiën1 op basis van de Enquête Werkgelegenheid en Lonen 1998 (CBS) laten het volgende beeld zien.
| Brutoloon | Aantal deelnemers (x 1000) | Percentage werknemers | Bedrag (x mln. gulden) |
|---|---|---|---|
| t/m WML | 236 | 13 | 337 |
| WML tot modaal | 608 | 38 | 912 |
| Modaal tot 2x modaal | 1 421 | 59 | 2 234 |
| 2x Modaal en hoger | 285 | 70 | 465 |
Uit de tabel blijkt dat mensen met hoge inkomens vaker deelnemen aan de spaarloonregeling. Deelnemers met een laag inkomen hebben echter relatief – in percentage van hun salaris – meer profijt van de regeling.
In welke sectoren worden thans vutters teruggehaald om een tekort aan arbeidskrachten te verminderen? Hoeveel mensen geven aan na hun 65ste te willen blijven doorwerken?
Er bestaat geen algemeen beeld over de sectoren waar thans vutters worden teruggehaald om een tekort aan arbeidskrachten te verminderen. Wel is bekend dat onder andere in de zorg en de metaal, waar men momenteel te kampen heeft met aanzienlijke personeelstekorten, vutters met behoud van hun vut-uitkering in de eigen sector weer aan het werk kunnen.
In het onderzoek van Prof. Nelissen («Bevordering arbeidsparticipatie ouderen»), dat recentelijk aan de Tweede Kamer is toegezonden, geeft circa 6,5% van de ondervraagden aan dat zij na hun 65-ste willen doorwerken, al dan niet in deeltijd en al dan niet onder de voorwaarde van een hoger pensioen later.
In welke sectoren worden VUT-ers teruggehaald om een tekort aan arbeidskrachten te verminderen? Hoeveel procent van de werknemers wil daadwerkelijk doorwerken na hun 65e jaar?
Zie het antwoord op vraag 201.
Hoe kan het gezin meer betrokken worden bij het levensloopbeleid?
In de Verkenning Levensloop wordt nagegaan in hoeverre de trend naar de-standaardisering van de levensloop tot andere vraagpatronen van burgers richting de collectieve sector leidt en op welke wijze de systemen van arbeid en sociale zekerheid, onderwijs, wonen en zorg daaraan tegemoet zouden kunnen komen. Waar relevant wordt daarbij onderscheid gemaakt naar de verschillende levensfasen en zal ook de gezinsfase aan bod komen.
Wat is de relatie tussen de nota levensloopbeleid van de regering en het onderzoek van de arbeidsinspectie naar levensloopbestendige afspraken in cao's? Wanneer in 2002 verschijnt het onderzoek van de arbeidsinspectie?
Het onderzoek van de Arbeidsinspectie wordt gedaan in het verlengde van de Verkenning Levensloop. Indien de resultaten zich daar voor lenen, kan het onderzoek besproken worden met sociale partners in het Voorjaarsoverleg 2002. Een publicatie kan dus tegen die tijd verwacht worden.
Op welke wijze krijgen de prijs van persoonlijke dienstverlening, de ouderbijdrage aan kinderopvang voor lage inkomens, de beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen in het landelijk gebied aandacht in de verdere beleidsontwikkeling? Op welke wijze wordt dat vormgegeven?
Voor de ouderbijdrage voor kinderopvang geldt momenteel geen wettelijk regime. Momenteel is er een adviestabel van het ministerie van VWS die door veel gemeenten en werkgevers gevolgd wordt voor respectievelijk gesubsidieerde kinderopvang en bedrijfskinderopvang. Deze ouderbijdrage is afhankelijk van het inkomen. Gezien het advieskarakter van de tabel kunnen ouderbijdragen nu uiteenlopen bij gelijke gezinsinkomens. Daarnaast is er recht op fiscale aftrek, welke per 2001 nog weer sterk verbeterd is. Met de komende Wet basisvoorziening kinderopvang wordt voorzien in een uniform financieringsstelsel. De ouderbijdrage voor mensen met lage inkomens is nadrukkelijk een aandachtspunt bij de wetsontwikkeling. Uitgangspunt van de WBK is tripartiete financiering: ouders, overheid en werkgevers delen de kosten. Ouders ontvangen van het Rijk een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de kosten, werkgevers worden geacht eenderde deel van de kosten te betalen. Dit werkgeversdeel is onafhankelijk van het inkomen van de werknemer/ouder. Indien de werkgever niet bijdraagt in de kosten, dan compenseert het Rijk dit bedrag inkomensafhankelijk. Op deze wijze wordt de toegankelijkheid voor lage inkomens onder de WBK gewaarborgd.
In het landelijk gebied kent kinderopvang aparte problemen en mogelijkheden. Het is lastiger om grootschalige kinderdagverblijven te exploiteren, vanwege de grotere afstanden tussen huisadres en opvangvoorziening. Een kleinschalige voorziening zoals gastouderopvang is vaak gemakkelijker te organiseren. In het landelijk gebied zijn anderzijds de personeelstekorten minder nijpend en de grondprijzen lager, hetgeen een prijsvoordeel kan opleveren. De uitdaging is eenduidig kinderopvangbeleid te formuleren dat voldoende recht doet aan de verschillen tussen de stedelijke en landelijke omgeving en kinderopvanginstellingen de gelegenheid geeft zich op de ingrijpende nieuwe financieringswijze van de WBK voor te bereiden.
In het kader van de Stimuleringsmaatregel dagindeling worden 14 experimenten op het gebied van persoonlijke dienstverlening uitgevoerd. Voorbeelden zijn het aanbieden van diensten als employee benefits (werkgever betaalt geheel of gedeeltelijk voor de diensten), schaalvergroting (bundeling van de vraag door diensten aan bedrijven aan te bieden), combinatie van diensten, en aanbieden van diensten via een franchiseorganisatie.
Daarnaast is er een interdepartementale MDW-werkgroep Persoonlijke dienstverlening, die onderzoekt welke belemmeringen er zijn binnen de markt voor persoonlijke diensten, en aanbevelingen doet om de markt sneller tot ontwikkeling te brengen. Het eindrapport van deze werkgroep zal naar verwachting in het vierde kwartaal van 2001 worden opgeleverd.
De beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen in zake dagindeling in het landelijk gebied zal verder uitgewerkt worden in de «Stimuleringsimpuls werk en prive in het landelijk gebied», die voor 2003 voorzien is.
Hoe wordt de (financiële) keuzevrijheid van mannen en vrouwen om te kunnen werken en/of zorgen gegarandeerd?
Burgers hebben allereerst een eigen verantwoordelijkheid om keuzevrijheid te bewerkstelligen, door via arbeid in een eigen inkomen te voorzien en zelf voorzieningen te treffen door inkomensfluctuaties over de levensloop a.g.v. wisselende arbeids- en zorgpatronen op te vangen. Daarnaast is een ondersteunend stelsel van inkomensvoorzieningen en combinatievoorzieningen noodzakelijk zoals ook beschreven in paragraaf 7.3 van de Sociale Nota. In deze paragraaf wordt uitgebreid verslag gedaan van de inkomensvoorzieningen, verlofmogelijkheden en combinatievoorzieningen die de keuzevrijheid met betrekking tot werk- en zorgtaken bevorderen. De Wet Arbeid en Zorg die nu ter behandeling in de Eerste Kamer ligt, biedt werkende mannen en vrouwen voldoende mogelijkheden om zorgtaken met werk te combineren. Middels de diverse verlofregelingen (o.a ouderschapsverlof, kraamverlof, kortdurend zorgverlof, e.d.) in samenhang met enkele financiële stimulansen van de overheid (het fiscaal voordelige verlofsparen, de fiscale stimulering ouderschapsverlof, de flexibilisering van vakantiedagen en de bijdrage uit de Wet Financiering Loopbaanonderbreking) worden belemmeringen weggenomen. Ook is er vanuit de overheid veel aandacht voor verruiming van de kinderopvangopvang-mogelijkheden.
Wat bedoelt men met daadwerkelijk beleid om te investeren in oudere werknemers, als aanpassingen van werk en werktijden, extra verlof, en VUT of deeltijdpensioen hier blijkbaar niet onder vallen?
Maatregelen in het kader van ouderenbeleid die werkgevers momenteel vaak toepassen hebben vooral het karakter van accommoderend beleid. Gegeven de capaciteiten van oudere werknemers worden de werkomstandigheden aangepast of worden werknemers gestimuleerd om vervroegd uit te treden. Activerend ouderenbeleid is daarentegen vooral gericht op investeren in de capaciteiten van oudere werknemers door middel van specifieke opleiding of training. Dit laatste vindt bij slechts 20% van de werkgevers plaats.
Blijkt uit het feit dat veel Nederlanders verwachten dat iedereen langer zal moeten doorwerken in de toekomst maar zelf denken met 60 of eerder te stoppen met werken, dat het merendeel van de Nederlanders gewoonweg wil stoppen met werken op 60-jarige leeftijd of eerder?
Ja, maar tegelijk klinkt in deze ambivalente enquêteresultaten twijfel door of de wil om met 60 jaar of eerder te stoppen met werken, tezijnertijd gehonoreerd zal kunnen worden. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van Prof. Nelissen (zie antwoord op vraag 201) dat wanneer er financiële prikkels voor langer doorwerken in de vorm van prepensioen of flexibele pensioenregelingen worden geïntroduceerd, veel mensen aangeven op een later moment te willen stoppen met werken.
Welke CAO's verplichten werknemers om uit te treden op bijvoorbeeld 63-jarige leeftijd? Wat is hiervan de achterliggende reden?
Verplicht uittreden van werknemers vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar komt in Nederland weinig voor. Het gaat grotendeels om collectieve regelingen inzake functioneel leeftijdsontslag bij de overheid (FLO), waarvan de regeling voor defensiepersoneel veruit de belangrijkste is. Voorzover bekend (er is geen algemeen overzicht) zijn er tevens regelingen in de luchtvaart (verkeersvliegers, luchtverkeersleiding), spoorwegen (CAO Railinfrastructuur) en voor onderdelen van de KPN. Uit CBS-cijfers kan worden afgeleid dat jaarlijks 1500 tot 2500 personen vanwege functioneel leeftijdsontslag vervroegd uittreden. Dit is aanzienlijk minder dan bij de VUT-regelingen, waar vervroegd uittreden op vrijwillige basis geschiedt.
Hoeveel procent van de ontwikkelings- en opleidingsfondsen stimuleren vooral scholing voor de eigen baan of banen in de eigen sector? Waarom doen zij dat en waarom maken de verschillende sectoren onderling geen afspraken over het eventueel onderling overnemen van werknemers?
Een percentage is niet te geven. De achtergrond van het feit dat fondsen vooral scholing stimuleren voor de eigen baan of (soms) voor banen in de eigen sector, is onder andere gelegen in de ontstaansgeschiedenis van de fondsen, en de daaruit voortvloeiende doelstellingen. Die waren doorgaans specifiek gericht op de behoeften van de eigen branche of sector. Die doelstellingen zijn nog steeds actueel, maar er is ook een discussie gaande of die doelstellingen niet verder verbreed zouden moeten worden.
O&O-fondsen creëren ook al in toenemende mate ruimte voor meer algemene en dus breder dan functiegerichte opleidingen en voor opleidingen die ook relevant zijn voor het werken in andere sectoren.
Voor een verdere versterking van het employability-beleid in bedrijfstakken en ondernemingen, pleit de Stichting van de Arbeid er in de nota Werk maken van employability-beleid onder meer voor om, naast functiegerichte scholing en scholing ten behoeve van bredere inzetbaarheid binnen de sector, waar nodig en gewenst, bijvoorbeeld in het kader van mobiliteitsstromen, ook tussen O&O-fondsen afspraken te maken ter ondersteuning van (een grotere) intersectorale mobiliteit.
Zijn de sociale partners in staat persoonlijke ontwikkelingsplannen en employabilityplannen op ondernemingsniveau in kleine ondernemingen een impuls te geven? Is de vakbeweging daartoe wel voldoende georganiseerd?
Het is bekend dat het opzetten en uitvoeren van employability-beleid voor kleine ondernemingen lastiger is dan voor grote ondernemingen. Met CAO-afspraken (op zowel bedrijfstak- als ondernemingsniveau) kan worden gezorgd voor een ondersteunende infrastructuur. Afspraken over het opstellen van persoonlijke, bedrijfs-, of bedrijfstakontwikkelingsplannen zijn daar een voorbeeld van.
Uit onderzoek van de Arbeidsinspectie (Najaarsrapportage CAO-afspraken 2001) blijkt dat sociale partners in 80 van 125 onderzochte grotere CAO's (voor 65% van de werknemers die onder de onderzochte CAO's vallen) afspraken hebben gemaakt over ontwikkelingsplannen. Het gaat daarbij om persoonlijke ontwikkelingsplannen (36 CAO's, 26% van de werknemers) en/of bedrijfsontwikkelingsplannen (26 CAO's, 24% van de werknemers) en/of studiefaciliteitenregelingen (56 CAO's, 44% van de werknemers).
Sociale partners zorgen in de praktijk dus al voor een ondersteunende infrastructuur voor employability-beleid, ook voor kleine ondernemingen. Het is dan de verantwoordelijkheid van de individuele (kleine) ondernemingen en de individuele werknemers om daadwerkelijk invulling te geven aan de CAO-afspraken. Zij kunnen hierbij gebruik maken van faciliteiten van vakbonden en werknemersorganisaties. Een aantal vakbonden biedt bijvoorbeeld individuele dienstverlening aan in de vorm van loopbaanadviezen, waarbij ook zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de CAO-afspraken die voor de advies aanvragende werknemer gelden. Ook door werkgeversorganisaties wordt in de praktijk al in diverse vormen ondersteuning aangeboden voor o.a. het invoeren van persoonlijke of bedrijfsontwikkelingsplannen.
Hoeveel van de pensioenfondsen hebben de pensioenfranchise verlaagd, en om hoeveel van de verzekerden gaat het dan?
In het rapport Evaluatieonderzoek Convenant Arbeidspensioenen, één van de twee deelevaluaties van het Convenant inzake arbeidspensioenen (aan de Tweede Kamer toegestuurd in juni 2001), staat dat uit de Pensioenmeetwijzer blijkt dat 33 fondsen de franchise daadwerkelijk hebben aangepast. De gemiddelde structurele verlaging van de franchise bij deze fondsen bedraagt circa 5200 gulden. Deze fondsen vertegenwoordigen een salarismassa van ongeveer een kwart van de totale salarismassa van de 102 grootste fondsen. Het aandeel in de totale salarismassa kan als indicatie gezien worden voor het aantal deelnemers waar het om gaat. Bij de 102 grootste fondsen zijn 92 procent van de actieve deelnemers aangesloten.
Welke mogelijkheden zijn er om de referteperiode minder subjectief te laten uitwerken?
Welke mogelijkheden hiertoe zijn hangt af van de vormgeving en het (opbouw)karakter van de regeling. De arbeidsverledeneis in de WW is bijvoorbeeld zo vormgegeven dat bepaalde loopbaanonderbrekingen en wisselingen in arbeidsduur geen negatieve consequenties hoeven te hebben voor de kans om aan de referte-eis te voldoen. Zo worden periodes waarin de loopbaan is onderbroken om kinderen te verzorgen meegeteld als arbeidsverleden en ook (tot een bepaald maximum) periodes van onbetaald verlof. Verder is de opbouw van arbeidsverleden zo vormgegeven dat combinaties van arbeid en zorg niet worden belemmerd. Ook deeltijdwerkers met arbeid van geringe omvang (1 dag per week) bouwen arbeidsverleden op. Met deze regeling is naar ons oordeel de referte-periode voldoende geobjectiveerd.
Zal de nota levensloopbeleid concrete suggesties bevatten om de genoemde knelpunten voor deeltijders, flexwerkers en herintreders aan te pakken?
De Verkenning Levensloop zal onder meer in kaart brengen welke mogelijkheden er zijn om in de sociale verzekeringen meer rekening te houden met verschillende levenslopen. Daarbij zal speciale aandacht worden besteed aan de positie van herintreders, flexwerkers en deeltijders.
Wanneer kan het SCP-onderzoek naar behoefte van burgers aan meer keuzevrijheid in sociale zekerheidsarrangementen verwacht worden?
Naar verwachting zullen de resultaten van het onderzoek naar de behoefte van burgers aan meer keuzevrijheid in het eerste kwartaal 2002 beschikbaar komen.
Wanneer is de regering voornemens te reageren op het SER-advies over pensioenen en wanneer wordt de herziene Pensioen- en Spaarfondsenwet naar de Kamer toegestuurd?
Het kabinet is nog in afwachting van het nadere advies van de SER over de nieuwe Pensioenwet. De SER stelt dit advies naar verwachting eind dit jaar vast. In februari 2002 zal het kabinet aan de Tweede Kamer een notitie toezenden waarin op hoofdlijnen de beleidsrichting wordt aangegeven ten aanzien van de belangrijkste onderwerpen van de Pensioenwet. Naar verwachting zal het wetsvoorstel nieuwe Pensioenwet in het eerste kwartaal van 2003 aan de Kamer worden gezonden.
Hoe denkt de regering om te gaan met de rechtszekerheid ten aanzien van de pensioenopbouw?
Pensioen is een arbeidsvoorwaarde. De inhoud van de pensioenregeling wordt derhalve primair door sociale partners bepaald. De belangrijkste taak van de overheid bij aanvullende pensioenen is een waarborgende; de Pensioen- en Spaarfondsenwet strekt er dan ook toe zoveel mogelijk zeker te stellen dat het afgesproken pensioen te zijner tijd daadwerkelijk tot uitbetaling komt. De rechtszekerheid die de overheid t.a.v. pensioenen biedt bestaat derhalve uit het samenstel van waarborgbepalingen in de pensioenwetgeving.
Aan welke versoberingen denkt de regering als wordt gezegd dat verbeteringen van de pensioeninkomens van vrouwen gepaard zouden moeten gaan met versoberingen elders in de regeling?
Bij versoberingen in de pensioenregeling ter compensatie van verbeteringen elders in de regeling denkt het kabinet aan wijziging in de hoogte het opbouwpercentage, verandering van het soort regeling (middelloon, eindloon e.d.), de wijze waarop wordt omgegaan met uitruil van nabestaandenpensioen en ouderdomspensioen, en de hoogte van het collectieve nabestaandenpensioen als zodanig.
Kan aan de hand van enkele voorbeelden geïllustreerd worden waaruit blijkt dat de open coördinatie doeltreffender is dan de harde dwang van Europese regelgeving?
In hoofdstuk 8 van de Sociale Nota wordt gesteld dat de zachte dwang van de open coördinatie op vrijwel alle terreinen van sociaal-economisch en werkgelegenheidsbeleid «doelmatiger» blijkt te zijn dan de harde dwang van Europese regelgeving. Hiermee is niet betoogd dat de methode van open coördinatie ook doeltreffender zou zijn dan de «harde dwang van Europese regelgeving». Het is denkbaar dat regelgeving – eenmaal gerealiseerd – onder omstandigheden doeltreffender is. Het voordeel van open coördinatie is dat het de verantwoordelijkheid van lidstaten voor het betreffende beleidsterrein intact laat.
Tot nu toe wordt de methode op het brede sociale en werkgelegenheidsterrein o.m. beproefd bij werkgelegenheid/arbeidsparticipatie, sociale uitsluiting/armoede en pensioenen. Deze nieuwe aanpak maakt het mogelijk onderwerpen aan de orde te stellen op terreinen waar de EU tot nu toe geen of weinig bevoegdheden heeft. Door toepassing van de nieuwe methode kan vooruitgang worden geboekt op gebieden, waar deze zou uitblijven indien louter gekoerst zou worden op realiseren van dwingende, harmoniserende EU-regelgeving. Het werkgelegenheidsterrein is een goed voorbeeld. Het EU-Verdrag biedt hier geen mogelijkheid voor de Unie om regulerend te handelen. De methode van open coördinatie betekent o.a. een uitbreiding van de bevoegdheid van lidstaten om elkaar te kunnen controleren (incl. aanbevelingen met gekwalificeerde meerderheid in de Raad). Niettemin blijven zij zelf verantwoordelijk voor «goed beleid». Op den duur kan toepassing van de methode voor de lidstaten aanleiding zijn verdergaande afspraken en hardere verplichtingen af te spreken.
Hoe denkt de regering de EU-doelstelling van 50% werkenden van alle 55–64-jarigen in 2010 te realiseren?
Het kabinet beoogt een verhoging van de arbeidsdeelname van ouderen te realiseren met een samenhangend pakket van maatregelen. Het richt zich zowel op het beperken van de uitstroom uit arbeid als op het bevorderen van de reïntegratie.
Om de uitstroom uit arbeid te beperken gaat het om de volgende maatregelen:
• Het instellen van de Taskforce Ouderen en Arbeid om een mentaliteitsomslag bij werkgevers en werknemers te bevorderen ten aanzien van het denken over ouderen en om ondernemers te ondersteunen bij het vormgeven van het ouderenbeleid door middel van het aanreiken van goede praktijkvoorbeelden en het inrichten van een informatiepunt;
• Het verbeteren van de positie van oudere werknemers door middel van het bevorderen van leeftijdsbewust personeelsbeleid, employabilitybeleid en arbeidsomstandighedenbeleid, met een primaire verantwoordelijkheid voor sociale partners;
• Het opnemen van een zogenaamde knipbepaling in de nieuwe Pensioenwet om het risico van verlies van pensioenaanspraken bij het aanvaarden van een lager gewaardeerde functie of kortere arbeidsduur op te vangen;
• Het voorkomen dat werknemers van 57½ jaar en ouder worden ontslagen, door werkgevers voortaan een deel van de WW-uitkering te laten betalen;
• Het stimuleren van oudere werknemers te blijven werken door de invoering van een specifieke arbeidskorting voor ouderen per 1 januari 2002 bovenop de arbeidskorting voor alle werkenden, variërend van 227 Euro (500 gulden) voor personen 58–61 jaar tot 681 Euro (1500 gulden) voor personen van 63–65 jaar;
• Het toestaan per 1 januari 2002 dat werkgevers oudere werknemers die blijven werken een tot een bepaalde hoogte belastingvrije bonus toekennen. De hoogte van de bonus stijgt met de leeftijd analoog aan de specifieke arbeidskorting voor ouderen;
• Het invoeren van een verbod op leeftijdsdiscriminatie bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs:
• een verbod op ontslag wegens het bereiken van een lagere pensioengerechtigde leeftijd dan 65 jaar, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is;
• een verbod op onderscheid op grond van leeftijd op het terrein van de aanvullende pensioenen, met uitzondering van toetredingsleeftijden en van leeftijden voor het verkrijgen van het recht op pensioenuitkeringen en de toepassing van een leeftijdscriterium in actuariële berekeningen;
• indien bij de werving en selectie een leeftijdsgrens wordt gehanteerd, moet de objectieve rechtvaardiging hiervan worden aangegeven.
• Het gefaseerd afschaffen van de fiscale faciliëring van VUT.
Het kabinet neemt de volgende acties om de reïntegratie te bevorderen:
• Het stimuleren van werkgevers om ouderen in te schakelen in het arbeidsproces door aanpassing van de regeling afdrachtvermindering langdurig werklozen (VLW). Per 1 januari 2001 is de leeftijdsgrens van 57½ jaar verlaagd naar 50 jaar en is de grens van 130% WML opgetrokken naar 150% WML voor werknemers ouder dan 50 jaar;
• Het voor werkgevers financieel aantrekkelijker maken ouderen in dienst te nemen door hen vanaf 1 januari 2002 een korting op de WAO-premie voor hun oudere werknemers van 712 Euro (1570 gulden) per werknemer toe te kennen;
• Het stimuleren van sociale partners om bovenwettelijke uitkeringen te ontdoen van reïntegratiebelemmeringen;
• Het herinvoeren van de sollicitatieplicht voor 57½ jarigen en ouder, afhankelijk van de uitkomsten van een onderzoek naar de arbeidsmarktkansen van ouderen.
Kan de regering voor de komende jaren een concreet overzicht geven van de toets- en evaluatiemomenten waarop Nederland de houdbaarheid en kwaliteit van de (Europese) pensioenstelsels in internationaal verband zal bespreken?
Door de Europese Raden van Stockholm en Gothenburg is aan de Comités voor sociale bescherming (SPC) en voor economische politiek (EPC) de opdracht gegeven om op basis van de open coördinatiemethode een procedure te ontwikkelen die een geïntegreerde aanpak waarborgt rond het vraagstuk van de houdbaarheid en de kwaliteit van pensioenstelsels in de Europese Unie. Naar verwachting zullen op de komende Europese toppen van Laken en Barcelona nadere afspraken worden gemaakt, zodat ruim vóór de voorjaarstop van 2003 de eerste nationale actieplannen op het terrein van pensioenen gereed kunnen zijn. Op basis van deze informatie en aan de hand van indicatoren zal getoetst worden waar de lidstaten op dat moment staan. Dergelijke toets- en evaluatiemomenten zullen onderdeel uitmaken van een regelmatig herhaald proces.
Conform de conclusies van de Europese Raad van Stockholm zullen tevens de overheidsfinanciën van de lidstaten regelmatig door de Europese Raad getoetst worden op hun houdbaarheid op de lange termijn met het oog op de vergrijzing. Dit dient zowel in de context van de globaal economische richtsnoeren als in de context van het Stabiliteits- en Groeipact te geschieden. Pensioenen zullen nadrukkelijk bij deze toetsing worden betrokken.
1. Kan de regering aangeven welke sancties er zijn als een EU-lidstaat niet tijdig zijn overheidsfinanciën met betrekking tot de pensioenproblematiek oplost?
2. Zullen deze sancties ook worden uitgevoerd of zijn het papieren sancties?
3. Kan de regering criteria formuleren op basis waarvan Nederland in Europees verband een ander EU-lidstaat kan aanspreken als deze lidstaat in dit kader onvoldoende doet?
1. Volgens het Europees Verdrag (artikel 104) dienen lidstaten excessieve overheidstekorten van 3% BBP of meer te vermijden. Ook worden lidstaten geacht een schuld te hebben die lager is dan 60% BBP. Indien aan dit laatste niet wordt voldaan, dient de schuld een bevredigende daling te vertonen. Er bestaan geen specifieke sancties voor het niet tijdig oplossen van budgettaire problemen die samenhangen met de pensioenproblematiek. Wel voorziet het Stabiliteits- en Groeipact in sancties voor lidstaten die een tekort hebben van 3% of meer. Het traject tot het geven van een sanctie treedt in werking zodra een tekort van deze omvang zich voordoet in een lidstaat1.
2. Formeel vormt de wet de garantie dat sancties worden uitgevoerd. De omstandigheden waaronder een sanctie passend is en de procedure die wordt gevolgd om deze op te leggen, staan nauwkeurig beschreven in het Stabiliteits- en Groeipact, die bindend is voor de Lidstaten. Hierbij moet worden bedacht dat het primaire doel van het Stabiliteits- en Groeipact het voorkomen van excessieve overheidstekorten is. Lidstaten dienen een begrotingssituatie na te streven met een middellange termijn doelstelling van «close to balance or in surplus», zodat de begroting kan worden ingezet als instrument om de gevolgen van conjuncturele fluctuaties te dempen zonder dat de bovengrens van 3% BBP bereikt wordt. Een begroting van «close to balance or in surplus» draagt verder bij aan een op termijn dalende schuldquote. Vanwege de hiermee samenhangende daling van de renteuitgaven zullen lidstaten in de toekomst beter in staat zijn de lasten die samenhangen met de vergrijzing op te vangen.
3. In het kader van het Stabiliteits- en Groeipact vindt een proces van beleidscoördinatie plaats waarbinnen lidstaten jaarlijks in een Stabiliteitsprogramma hun budgettaire beleidsvoornemens presenteren. De Ecofin Raad stelt over ieder programma een Raadsopinie vast, waarin zij kenbaar kan maken dat zij de ontwikkelingen in een lidstaat zorgelijk vindt. De dit jaar herziene «Code of Conduct» voor het opstellen van de nationale stabiliteitsprogramma's schrijft voor dat met ingang van dit jaar alle lidstaten in de stabiliteitsprogramma's informatie op moeten nemen over de lange-termijn budgettaire vooruitzichten, waarbij ook de budgettaire effecten van vergrijzing zichtbaar moeten worden gemaakt. Dit betekent dat er grotere transparantie ontstaat op het vlak van de budgettaire gevolgen van vergrijzing. Indien blijkt dat landen onvoldoende voorbereidingen treffen om deze gevolgen in de toekomst te kunnen opvangen (bijvoorbeeld omdat noodzakelijke pensioenhervormingen uitblijven), kan de Ecofin Raad lidstaten via de Raadsopinie aansporen om maatregelen te nemen. Deze Raadsopinie vormt doorgaans de basis voor landenspecifieke budgettaire aanbevelingen in de Globale Richtsnoeren voor het Economisch Beleid. Indien landen niet voldoen aan de aanbevelingen in de Globale Richtsnoeren, kan de Ecofin Raad besluiten tot een openbare aanbeveling. Ook in een ander verband vindt coördinatie plaats op het vlak van pensioenen. In het kader van de Europese samenwerking op pensioengebied wordt momenteel een proces opgezet waarbij de lidstaten via de methode van open coördinatie lange termijn doelstellingen vaststellen en elkaar op de hoogte houden van de vorderingen op pensioengebied. Hierbij geldt dat pensioenbeleid in beginsel een nationale aangelegenheid is. Indien een lidstaat onvoldoende doet om op langere termijn het pensioenstelsel betaalbaar te houden, dan wordt dat wel in dit proces zichtbaar en wordt de desbetreffende lidstaat via «peer pressure» van overige lidstaten onder druk gezet om dit te corrigeren.
Wat doet de regering om het tempo in Europees verband met betrekking tot pensioenstelsels verder op te voeren?
De Nederlandse inzet is gericht op een voortvarende aanpak van het Europese pensioendossier. Europese overeenstemming over de inhoud van dit dossier is echter noodzakelijk. Wat dat betreft zijn de conclusies van de Europese Raden van Gothenburg en Stockholm belangrijke stappen voorwaarts. Pensioenen staan sindsdien hoog op de Europese agenda. Nederland hecht er sterk aan om tijdens de Europese Raden in Laken en Barcelona de open coördinatiemethode nadere concrete invulling te geven en daarover definitieve afspraken te maken. Op deze wijze zal binnen afzienbare tijd een helder proces tot stand zijn gebracht dat een effectieve toetsing van de sociale en de financiële houdbaarheid van pensioenen in Europa mogelijk maakt. Een gezamenlijk rapport van het SPC en het EPC over gemeenschappelijke doelstellingen en procedures, op basis van de Commissiemededeling van 3 juli jongstleden, dient daartoe een belangrijke impuls te geven. Tevens is belangrijk dat in Laken en Barcelona concrete afspraken over de ontwikkeling van uniforme indicatoren worden gemaakt. Hierdoor kan de voortgang op het terrein van de sociale en de financiële houdbaarheid van pensioenen op eenduidige wijze meetbaar worden gemaakt. De uitkomsten van de open coördinatiemethode op het terrein van pensioenen dienen naar de mening van Nederland te worden geïntegreerd in de context van de globaal economische richtsnoeren en het Stabiliteits- en Groeipact.
Wat zijn de consequenties voor Nederland van de oproep om een sterke jaarlijkse groei van investeringen per hoofd in menselijke hulpbronnen te realiseren?
Het kabinet heeft met sociale partners afgesproken om een nationale strategie «Leven Lang Leren» te starten. Deze strategie is gericht op een perspectief voor het jaar 2010. De strategie wordt ondersteund met de concrete doelstelling om het aandeel van de bevolking tussen 25 en 64 jaar dat deelneemt aan enige vorm van (volwassenen)educatie – al dan niet beroeps- of werkgerelateerd – zo dicht mogelijk het niveau te laten naderen van de twee best presterende lidstaten binnen de Europese Unie. Hierbij mag ervan uit worden gegaan dat de best presterende landen de komende jaren nog een verdere groei in scholingsparticipatie zullen realiseren. Volgens de cijfers van Eurostat presteerden Denemarken (met 19,8%) en Zweden (met 24,1%) in 1999 het best. Dat jaar was het percentage voor Nederland 13,6%. Ten opzichte van 1998 is de indicator gewijzigd (nl. de beroepsbevolking tussen de 25 t/m 64 jaar i.p.v. het aantal werkenden tussen 25 t/m 54 jaar). Hierdoor daalde het percentage voor Nederland in 1999. Gebruikmakend van de oorspronkelijke indicator zou het Nederlandse percentage zijn gestegen (van 14,9% naar 16,4% in 1999). De beschikbare statistische data laten zien dat kabinet en sociale partners een blijvend krachtige inspanning dienen te leveren om de beoogde doelstelling in 2010 te realiseren. Er wordt dan ook ingezet op een extra investering in beroepsonderwijs en scholing (zie vraag 7).
Overigens moeten de Eurostat gegevens met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd: als gevolg van verschillende vraagstellingen in de verschillende lidstaten is vergelijking van de cijfers moeilijk.
1. Wat bedoelt men precies met «waar mogelijk» in de passage waarin staat dat kandidaat-lidstaten waar mogelijk reeds nu bestaande Europese doelstellingen over de arbeidsmarkt moeten overnemen?
2. Om welke doelstellingen gaat het dan precies?
1. De Europese Commissie heeft in haar bijdrage «Realising the European Union's Potential: Consolidating and Extending the Lisbon Strategy» ten behoeve van de Voorjaars-Top van Stockholm (23–24 maart 2001) aangegeven dat een sterke economie van de Europese Unie onder meer essentieel zal zijn bij het voorbereiden van de uitbreiding van de EU. Ook de kandidaat-lidstaten zullen, aldus de Commissie, betrokken moeten worden bij de Lissabon-strategie. Zij zullen «waar mogelijk» de doelen en doelstellingen moeten overnemen die de EU heeft vastgesteld. Echter, zolang onderhandelingen met kandidaat-lidstaten over hoofdstukken van het «acquis communautair» op sociaal en economisch terrein nog lopen, en zij nog geen deel van de Unie zijn, kunnen doelstellingen van de «Lissabon-strategie» uiteraard niet aan de betreffende landen opgelegd worden. Dit laat onverlet dat het aanbeveling verdient dat zij reeds nu – dus ruim voor toetreding – voor zover mogelijk zich conformeren aan doelen en doelstellingen van deze strategie. Deze hebben betrekking op het jaar 2010. Volgens plan zal voor die tijd een flink aantal kandidaat-lidstaten tot de Unie zijn toegetreden. Hoe eerder deze landen de ambities van de«Lissabon-strategie» in hun nationale beleid opnemen en verwerken, des te groter wordt de kans dat de uitgebreide Unie de doelstellingen van de strategie in 2010 daadwerkelijk kan realiseren.
2. De Europese Commissie geeft niet aan om welke doelstellingen het precies gaat. In algemene zin is duidelijk dat het de voorkeur verdient als kandidaat-lidstaten zo spoedig mogelijk en over een zo breed mogelijk front de doelen en doelstellingen van de «Lissabon-strategie» in hun beleid integreren.
Waarop is het bedrag van 68 mln. euro voor de Arbvo/ESF-problematiek gebaseerd?
Op de zogenoemde staartpost bij de begroting van het Ministerie van Financiën is een voorlopige voorziening getroffen voor uitgaven voor de ontvlechting van Arbeidsvoorziening, de inrichting van de nieuwe uitvoeringsorganisaties SUWI en de afwikkeling van de ESF-periode 1994–2000. Voor 2001 is gekozen voor een voorlopig bedrag van 500 miljoen gulden (226,9 miljoen euro) voor het hele pakket. In de toelichting in de Sociale Nota is dit bedrag verdeeld over Arbvo/ESF (150 miljoen gulden) en Suwi (350 miljoen gulden). De verdeling is destijds gebaseerd op een globale inschatting van de omvang van, en de verhouding, tussen de kosten Arbvo, ESF en Suwi.
Kan een toelichting worden gegeven op de verschillen in stijging uitgaven sociale zekerheid en arbeidsmarkt, te weten f 3,6 mld in de periode 1994–1998 en f 20 mld in de periode 1998–2002? Hoe zijn deze verschillen opgebouwd en hoe zijn ze te verklaren?
De belangrijkste verklaringen voor het verschil in de stijging tussen de jaren 1994–1998 en 1998–2002 zijn:
In de jaren 1994–1998 is het arbeidsongeschiktheidsvolume met 25 duizend gedaald, terwijl het ao-volume in de jaren 1998–2002 met 165 duizend is toegenomen. Dit zorgt naast de loonontwikkeling voor een verschil van 3,5 mld gulden.
Naast de loonontwikkeling is ook het minimumloon in de jaren 1998–2002 sterker gestegen dan in 1994–1998. Hierdoor nemen ondanks de daling van het werkloosheidsvolume in 1998–2002 de uitgaven WW/Abw toe. Dit geeft een verschil van 2,9 mld gulden. Naast het grotere AOW-volume is dit een verklaring van de toename in de stijging van de AOW-uitgaven (2,2 mld gulden verschil);
Daarnaast is in 1998 de nieuwe ANW ingevoerd. Onderdeel hiervan is een inkomenstoets. Dit zorgde voor een daling van de ANW-uitgaven in 1994–1998. In de periode 1998–2002 nam het volume ANW verder geleidelijk af (in totaal 1,2 mld gulden verschil);
Ten slotte zijn als gevolg van afspraken in het Regeerakkoord in de periode 1998–2002 de uitgaven voor met name WIW, ID-banen en Arbeidsvoorziening opgelopen (6,6 mld gulden verschil). Dit is voor 1,5 mld gulden terug te voeren op de overboeking van de EWLW-middelen van de begrotingen van BZK en VWS naar de begroting van SZW.
Hoeveel precies hebben het Lisv en de uitvoeringsinstellingen niet gerealiseerd van hun efficiencytaakstelling?
Op grond van het regeerakkoord van 1998 kregen de uitvoeringsinstellingen die in opdracht van het Lisv de werknemersverzekeringen uitvoeren, een efficiencytaakstelling van 476 miljoen gulden opgelegd. Uit bijlage 1F van de Sociale Nota 2002 blijkt dat de uitvoeringsinstellingen die onder het Lisv vallen, naar verwachting een kostenbeperking van rond de 5 procent zullen realiseren ten opzichte van 1998. Nominaal is dit een bedrag van ongeveer 150 miljoen gulden (65 tot 70 miljoen euro). Dit betekent dat verwacht wordt dat de uitvoeringsinstellingen ongeveer 325 miljoen gulden (145 à 150 miljoen euro) niet zullen realiseren.
Waarom wordt gesteld dat de volumegroei WSW in 2000 de taakstelling bijhoudt, ondanks het feit dat de volumetaakstelling voor de WSW in 1999 en 2000 niet is gehaald?
Inderdaad is de volumetaakstelling voor de WSW in 1999 en 2000 niet gehaald. Met bijhouden wordt bedoeld dat de volumegroei WSW van 1999 op 2000 ongeveer even groot is geweest als de stijging van de taakstelling (1160 standaardeenheden).
Hoeveel procent is de netto arbeidsdeelname in voltijdeenheden in 1990 en 2000 voor zowel allochtonen als niet-westerse allochtonen?
Ten aanzien van 1990 zijn geen statistische gegevens beschikbaar. Voor het jaar 2000 kan aan de hand van gegevens uit de CBS-«Enquête Beroepsbevolking» een voorlopige indicatie van de netto arbeidsdeelname voor diverse bevolkingsgroepen worden verkregen. Hiertoe zijn antwoorden van respondenten naar de gemiddelde arbeidsduur per week (12–19 uur, 20–34 uur, 35 uur en meer) herwogen naar voltijdeenheden. Een arbeidsduur van minder dan 12 uur is buiten beschouwing gelaten. Uit deze berekening resulteert de volgende tabel:
Netto arbeidsdeelname in voltijdeenheden; 2000
Autochtonen 62%
Allochtonen, totaal 51%
Westerse allochtonen 58%
Niet-westerse allochtonen 44%
Bron: CBS EBB
Kan een toelichting worden gegeven op het verschil en de relevantie van het verschil in het verband van tabel 4.10?
De OECD-studie waaraan de bedoelde tabel is ontleend, vormt een eerste poging om de reële omvang van de uitgaven voor sociale bescherming per land te kwantificeren en onderling vergelijkbaar te maken. Het beeld wordt beïnvloed door de verschillen in de fiscale behandeling van uitkeringen, dat wil zeggen de belasting- en premieheffing over uitkeringen. De netto-uitgaven, uitgedrukt in procenten van het BBP, liggen voor Nederland relatief laag; bedoelde fiscale correctie mitigeert bovendien de verschillen tussen Europa en de Verenigde Staten aanmerkelijk.
Hoe zijn de relatief lage uitgaven aan scholing van Zweden te verklaren, gegeven een percentage van 24 van de bevolking dat deelneemt aan scholing (Nederland 14%)?
De twee typen cijfers zijn niet met elkaar te vergelijken omdat zij betrekking hebben op verschillende groepen en op verschillen in de soorten cursussen die gevolgd worden.
De cijfers van 24 en 14% (op p. 37 van de Sociale Nota 2002) hebben betrekking op de deelname aan alle vormen van opleidingen en cursussen (al dan niet beroeps- of werk-gerelateerd) van de gehele bevolking (d.w.z. werkenden, werklozen en niet-participerenden). De uitgaven in het kader van het activerend arbeidsmarktbeleid (zoals vermeld in bijlage 4) zijn uitsluitend gericht op werklozen of personen die met werkloosheid worden bedreigd.
Kan ook voor de jaren 1990 t/m 2000 per afzonderlijk jaar in een tabel worden aangegeven hoe de procentuele verdeling van werknemers over typen CAO's was, zoals aangegeven in figuur 6.1? (bijlage 6)
Procentuele verdeling werknemers over typen CAO's, 1990, 1996, 2000
| 1990 | 1996 | 2000 | |
|---|---|---|---|
| werknemers onder bedrijfstak-CAO werknemers onder bedrijfstak-CAO na AVV werknemers onder ondernemings-CAO werknemers onder overheids-«CAO» niet aan CAO gebonden werknemers | 40% 9% 11% 16% 24% | 50% 8% 10% 14% 17% | 53% 7% 12% 12% 16% |
Tot en met 1993 heeft de toenmalige Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden tellingen van CAO's en daarbij betrokken werknemers bijgehouden. Daarna heeft de Arbeidsinspectie in het voorjaar van 1997 nog een telling uitgevoerd met betrekking tot de stand van zaken ultimo 1996. Van de tussenliggende jaren zijn dus geen gegevens voorhanden.
Vanaf het voorjaar van 2000 worden de tellingen weer jaarlijks uitgevoerd. In bovenstaande tabel zijn de procentuele verdelingen van ultimo 1990 en ultimo 1996 toegevoegd aan de cijfers van ultimo 2000. De cijfers over 2000 zijn dezelfde als in de bijlage van de Sociale Nota 2002 staan vermeld (deze waren immers gebaseerd op de Voorjaarsrapportage CAO-afspraken 2001, waarin de telling ultimo 2000 is uitgevoerd). Voor de jaren 1992 en 1993 waren wel gegevens beschikbaar maar deze weken niet af van de cijfers over 1990.
Kan exact worden aangegeven hoeveel personen in de verschillende arbeidsongeschiktheidsklassen zitten, zowel voor de WAO, WAZ als Wajong, en per klasse ook apart worden aangegeven welk percentage werkzaam is en in welke mate (bijlage 8)?
De aantallen uitkeringen per klasse waren ultimo 2000 als volgt:
| WAO | WAZ | Wajong | |
|---|---|---|---|
| 15–25% | 51 544 | ||
| 25–35% | 56 235 | 3 446 | 372 |
| 35–45% | 42 410 | 3 509 | 437 |
| 45–55% | 45 601 | 6 005 | 1 194 |
| 55–65% | 19 549 | 3 796 | 261 |
| 65–80% | 18 356 | 5 393 | 323 |
| 80–100% | 535 084 | 34 363 | 124 782 |
| Totaal | 768 779 | 56 512 | 127 369 |
Percentages werkenden voor de WAO zijn recent door het Lisv op het niveau van ao-klasse geanalyseerd:
| WAO | |
|---|---|
| 15–25% | 55% |
| 25–35% | 53% |
| 35–45% | 52% |
| 45–55% | 54% |
| 55–65% | 52% |
| 65–80% | 52% |
| 80–100% | 14% |
De percentages werkenden in de verschillende klassen van gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid zijn vrijwel gelijk. De mate waarin gewerkt wordt, is niet bij het Lisv bekend.
Kan de regering aangeven hoeveel arbeidsongeschikten die nog geen arbeid verrichten naast hun uitkering dat naar het oordeel van de regering wel zouden kunnen (bijlage 8)?
Het Gak heeft onlangs in opdracht van het Lisv een onderzoek uitgevoerd naar bemiddelbaarheid van WAO-gerechtigden.
In het onderzoek is nagegaan hoeveel arbeidsongeschikten potentieel reïntegreerbaar zijn. Het onderzoek laat zien dat een deel van de WAO-ers niet voor reïntegratie in aanmerking komt omdat ze al werken (28%), of omdat ze een WW-uitkering ontvangen (3%) of al een traject wordt gevolgd (3%). Een steekproefonderzoek onder de overblijvende groep wijst uit dat slechts 9% bemiddelbaar is. Het betreft vooral gedeeltelijk arbeidsongeschikten. 19% komt wel voor bemiddeling in aanmerking, maar zij stellen zich daartoe niet beschikbaar.
In welke mate zouden de lasten AKW dalen indien Nederland het woonlandbeginsel in de AKW zou invoeren? Hoe verhoudt zich de Nederlandse AKW-uitgaven voor in het buitenland verblijvende kinderen met die van de EU-landen die wel reeds het woonlandbeginsel hanteren (bijlage 8.4)?
De mate van besparing door invoering van het woonlandbeginsel in de AKW is afhankelijk van de wijze waarop dit beginsel in de AKW zou worden vormgegeven. Deze besparing zou evenwel ten opzichte van de totale AKW-lasten hoe dan ook marginaal van omvang zijn, aangezien slechts 1,5% van de kinderbijslag in het buitenland wordt uitbetaald, waarvan circa een derde aan mensen in EU-landen. Wat betreft de EU-landen staat Verordening 1408/71 de invoering van het woonlandbeginsel in de weg. Voor de overige landen geldt op grond van de wet BEU, die op 1 januari 2000 in werking trad, dat voor uitbetaling van onder meer kinderbijslag een handhavingsverdrag met Nederland omtrent sociale zekerheid vereist is. De huidige multi- en bilaterale verdragen bevatten veelal afspraken omtrent uitbetaling van kinderbijslag. Het schoeien van de AKW op andere leest zou aanpassing van die verdragen vergen. De Nederlandse AKW-uitgaven en die van EU-landen die wel het woonlandbeginsel hanteren zijn niet goed te vergelijken, omdat deze systemen verschillend van opzet zijn.
Met de invoering van de toetrederskorting komt de in 2001 ingevoerde uitstroompremie in de WIW te vervallen. Kan het geval zich voordoen dat iemand netto minder profiteert van de nieuwe korting dan van de oude uitstroompremie omdat deze persoon te weinig belasting betaalt?
Ja. Algemeen geldt dat de heffingskortingen nooit meer kunnen bedragen dan de verschuldigde loonheffing. In bepaalde gevallen – m.n. voor alleenstaande ouders met inkomsten op minimumloonniveau en met de verzorging van een kind jonger dan 12 jaar) – kan het zijn dat de verschuldigde loonheffing minder bedraagt dan het totaal van de heffingskortingen (naast de toetrederskorting ook de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkortingen, de combinatiekorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting). In dit specifieke voorbeeld is sprake van achteruitgang ten opzichte van de huidige werkaanvaardingspremie. In overige gevallen is er sprake van een vooruitgang ten opzichte van de huidige situatie.
Overigens kan de minstverdienende partner die recht heeft op de toetrederskorting maar die te weinig belasting verschuldigd is om de toetrederskorting (volledig) te kunnen verrekenen, het verschil eventueel verrekenen via de door de partner verschuldigde belasting (artikel 8.9 Wet IB 2001).
Voor rechthebbenden vanaf 2003 bestaat te zijner tijd een keuzemogelijkheid voor de verrekening van de toetrederskorting: te weten vier tranches van 1500 gulden of drie tranches van resp. 3000, 2000 en 1000 gulden.
Voor de categorie alleenstaande ouders met kinderen die werk buitenshuis aanvaarden, zal in het algemeen gelden dat de toetrederskorting volledig kan worden vergolden vanaf een inkomensniveau van ca. 110% WML, indien zij gebruik maken van de mogelijkheid de toetrederskorting in 4 gelijke tranches te incasseren.
Zie ook de antwoorden op vragen 18 en 86 bij het Belastingplan 2002, onderdeel I Arbeidsmarkt en inkomens
Het totaal aan heffingskortingen kan niet hoger zijn dan de te betalen belasting. Dit betekent volgens de Sociale Nota dat voornamelijk alleenstaande ouders en kostwinners met kinderen die uitstromen uit een minimumuitkering en een laag betaalde baan aanvaarden niet de volledige toetrederskorting kunnen genieten. Kan een overzicht gegeven worden van de kortingen en de hoogte hiervan die deze groepen in 2002 kunnen ontvangen? Hoeveel korting op de te betalen belasting lopen deze groepen mis indien iemand met kinderen onder de 12 jaar een baan op 50% van het minimumloon aanvaardt? Op welk inkomensniveau lopen zij geen kortingen mis?
In bijgaande tabel is een selectie van de meest voor de hand liggende heffingskortingen die kunnen cumuleren met de toetrederskorting. Naast de hier gepresenteerde kortingen zijn er nog de twee ouderenkorting, de twee kortingen voor maatschappelijk- en durfkapitaalbeleggingen en de voorgestelde toetrederskorting.
Tabel Heffingskortingen 2002 (€ per jaar)
| Korting | Hoogte |
|---|---|
| Algemene heffingskorting | 1 648 |
| Arbeidskorting (personen <57 jaar) | 972 (maximaal) |
| Combinatiekorting | 193 |
| Kinderkortingen | 325 (maximaal bij 2 kinderen) |
| Alleenstaande ouderkorting | 1 318 |
| aanvullende alleenstaande ouderkorting | 1 318 (maximaal) |
| Jonggehandicaptenkorting | 500 |
Indien kostwinners of alleenstaande ouders (met 2 kinderen onder de 12 jaar) 50% van het minimumloon gaan verdienen, zullen ze niet economisch zelfstandig zijn. Indien ze niet zijn uitgestroomd uit de uitkering zal geen recht op de toetrederskorting bestaan. Overigens zullen beide groepen geen belasting betalen op dit niveau. Uitgaande van een baan van 100% van het minimumloon die aangevangen is op 1 juli zal de te betalen belasting in dat jaar circa € 1575 respectievelijk € 880 bedragen voor kostwinners respectievelijk alleenstaande ouders. De toetrederskorting van € 1361 in het eerst jaar zal in dit voorbeeld door de alleenstaande ouder (met recht op de aanvullende alleenstaande ouderkorting) niet geheel vergolden kunnen worden (€ 481). Voor toetreders voor 1 juli zal dit laatste zich in sterkere mate voordoen doordat de arbeids- en aanvullende alleenstaande ouderkorting op jaarbasis dan hoger is.
Het gevraagde inkomensniveau waarbij de kortingen niet misgelopen worden, is niet eenduidig vast te stellen het is sterk afhankelijk van het totale jaarinkomen, de geldende kortingen, het moment van uitstroom en overige individuele fiscale omstandigheden.
Welke bezwaren bestaan er tegen het uitbetalen van de kortingen indien het totaal aan kortingen de te betalen belasting overtreft? Welke mogelijkheden zijn er om dit verschil wel uit te laten betalen?
Het kabinet heeft in de Verkenning Belasting- en premieheffing aandacht besteed aan het feit dat er groepen belastingplichtigen zijn die geen of slechts weinig belasting betalen. Als aandachtsgroepen worden hierbij ondermeer genoemd: gezinnen met kinderen en alleenstaande ouders met lage inkomens. Dit zijn ook doelgroepen voor de toetrederskorting. In deze verkenning wordt aangeven dat ongetoetste uitbetaling van bepaalde heffingskortingen een optie zou kunnen zijn, maar dat ook alternatieve instrumenten kunnen worden ingezet. Als aandachtspunt wordt in de Verkenning genoemd dat de zogenaamde ongetoetste uitbetaling van heffingskortingen een inbreuk kan zijn op een van de doelstellingen van belastingheffing, namelijk het vergaren van middelen ter financiering van de collectieve uitgaven.
Waarom kunnen alleenstaande ouders met het minimumloon niet de volledige heffingskorting ontvangen? Waarom kan deze niet vanuit de eerste belastingschijf waaronder premie-inning uitgekeerd worden? Zijn er andere belastingteruggaven aan mensen die ten laste van de eerste belastingschijf gaan? Zo ja welke?
Personen met een laag inkomen en/of veel heffingskortingen betalen in het geheel geen belasting, waardoor een (deel van) de toetrederskorting niet geëffectueerd wordt. De diverse heffingskortingen komen in mindering op zowel de betaalde inkomstenbelasting als de premies voor de volksverzekeringen.
Op welke wijze gaat de regering er voor zorgen dat de volledige toetreders korting wel uitgekeerd wordt?
Het kabinet zal vanaf 2003 de mogelijkheid bieden de toetrederskorting in 4 jaarlijkse tranches van ± 680 euro (1500 gulden) te laten toekennen waardoor het geschetste probleem zich minder kan voordoen. De in de Verkenning Belasting en premieheffing geschetste beleidsopties bieden in de toekomst ook mogelijkheden om dit probleem te vermijden.
Kunnen mensen die bijvoorbeeld hoge AWBZ eigenbijdrage hebben geen heffingskorting uitgekeerd krijgen? Betekent dat bijvoorbeeld mensen met een Wajonguitkering die in een Awbz gefinancierde instelling wonen en meer dan 50% werken geen toetredingspremie kunnen krijgen omdat zij (nagenoeg) geen belasting betalen? Hoe gaat de regering deze onrechtvaardigheid compenseren?
Als de in het voorbeeld geschetste fiscale aftrekposten dusdanig hoog zijn dat in combinatie met heffingskortingen geen belasting meer betaald wordt, kan een deel van het voordeel van heffingskortingen niet genoten worden. In de Verkenning Belasting en premieheffingzijn expliciet ondermeer ouderen en Wajonggerechtigden genoemd als kwetsbare groep. In deze Verkenning wordt verder gesteld dat ongetoetste uitbetaling van bepaalde heffingskortingen een optie kan zijn, maar dat ook alternatieve instrumenten kunnen worden overwogen.
Wordt met de aanpassing van de normhuren een inkomensverbetering beoogd voor mensen met een inkomen op of net boven het minimum?
Nee, het aanpassen van de normhuren is een maatregel ter bestrijding van de armoedeval. De verlaging van de progressiviteit in de huursubsidietabel door middel van een getrapte verlaging van de normhuren betekent een verlagen van de marginale druk tot aan de huursubsidiegrens.
Is in de koopkrachtplaatjes de aanpassing van de normhuren voor 65-jarigen en ouder mee genomen? Met welke bedragen worden de normhuren verhoogd?
Nee, zowel het afschaffen als het compenseren van de koopkrachttoeslagen vindt plaats binnen de huursubsidie en valt daarmee buiten het koopkrachtbeeld. De gevraagde beleidsmatige aanpassing betreft een lichte verlaging van de normhuur waardoor de huursubsidie licht stijgt. De normhuren worden bij alleenstaande en meerpersoonshuishoudens dusdanig verlaagd dat het netto voordeel hiervan 4 respectievelijk 8 gulden per maand bedraagt, rekening houdend met de kwaliteitskortingsgrens.
Wat zijn de kosten om de armoedeval van een alleenstaande met huursubsidie en een inkomen op het minimum te mitigeren?
In het rapport van de werkgroep Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen (WHIR) «De armoedeval, analyse en oplossingen» (februari 2001), wordt ingegaan op de mogelijkheden de armoedeval in de huursubsidie te beperken. Ook in de onlangs verschenen Verkenning Belasting- en Premieheffing worden enkele varianten geschetst. Het blijkt dat de kosten van het beperken van de armoedeval in de huursubsidie sterk afhankelijk is van de te kiezen variant en de wijze van fiscale compensatie.
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Van Lente (VVD), Van Dijke (ChristenUnie), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA), Bolhuis (PvdA).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Ten Hoopen (CDA), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Dankers (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD), Van Splunter (VVD), Van der Hoek (PvdA), Hamer (PvdA).
«Arbeidstijden in overleg? Evaluatie van de Arbeidstijdenwet»; Onderzoek verricht in opdracht van het ministerie van SZW door Regioplan Onderzoek Advies en Informatie BV; april 2001.
«Arbeidstijdenwet in 2000, een onderzoek naar de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit in bedrijven»; Onderzoek verricht door de Arbeidsinspectie; mei 2001.
«De volwassen OR, Resultaten van het grote OR-onderzoek»; R.H. van het Kaar en J.C. Looise, 1999 en «Betrokkenheid groeit met de tijd, veranderingen in de agenda van ondernemingsraden; Onderzoek verricht in opdracht van het ministerie van SZW door Regioplan Onderzoek Advies en Informatie BV; februari 2001.
SGBO, Armoedeval, Onderzoek naar de effecten van gemeentelijke inkomensafhankelijke regelingen, Den Haag, 2000.
Zie SGBO, Armoedeval, Onderzoek naar de effecten van gemeentelijke inkomensafhankelijke regelingen, Den Haag, 2000.
Zie de bijlage in: SGBO, Armoedeval, Onderzoek naar de effecten van gemeentelijke inkomensafhankelijke regelingen, Den Haag, 2000.
Zie SGBO, Armoedeval, Onderzoek naar de effecten van gemeentelijke inkomensafhankelijke regelingen,Den Haag, 2000.
Zie Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven, International Income Statistics, Elsevier, 2001.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De andere kant van Nederland, Voortgangsrapportage 1999.
Gepubliceerd in «Deelrapportage Grondslagverbreding en -verschuiving» van Belastingen en premies; Bijlagen; Een verkenning naar nieuwe mogelijkheden vanuit het belastingstelsel 2001, p. 89.
Als het overheidstekort van een lidstaat meer dan 3% van het BBP bedraagt, dan krijgt deze een aanbeveling van de Raad om dit te corrigeren, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen (bijvoorbeeld een recessie waarbij het BBP met 2% of meer daalt). De lidstaat heeft 4 maanden de tijd om corrigerende maatregelen te nemen. Mocht naar de mening van de Raad de lidstaat hierbij in gebreke blijven, dan kan voor ieder jaar dat niet aan het 3%-criterium wordt voldaan een geldelijke sanctie van maximaal 0,5% BBP worden opgelegd. Deze sanctie is in eerste instantie een niet-rentedragend deposito. Als een lidstaat na 2 jaar de situatie niet heeft gecorrigeerd, wordt de sanctie omgezet in een boete.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28001-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.