nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET AANVULLEND VERSLAG
Ontvangen 30 januari 2002
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de verlenging beperkt blijft
tot scholen die er indertijd meer dan 10% op achteruit zijn gegaan. Zij vragen
voorts of bij de overige scholen, die er tussen de 0% en 9% op achteruit zijn
gegaan, de afgelopen jaren alle problemen zijn opgelost, en zo nee, hoe de
situatie van deze scholen dan nu is. Ook willen deze leden graag weten hoe
het deze scholen is vergaan na afloop van de gewenningsregeling per 1 januari
2000. Zij vragen of de gewenningsregeling toen reeds materieel is verlengd,
en of het onderhavige wetsvoorstel met terugwerkende kracht in werking treedt.
In 1999 is een brede enquête gehouden onder schoolbesturen over
de effecten van de overgang van het oude naar het nieuwe bekostigingsstelsel
in 1997. Uit deze enquête van het bureau Oberon kan niet worden geconcludeerd
dat de overgang tot problemen heeft geleid. Een relatief geringe achteruitgang
in vergoeding is ook goed op te vangen. De afgelopen jaren heb ik dan ook
geen signalen ontvangen van besturenorganisaties of individuele schoolbesturen
dat de overgang tot onredelijke situaties heeft geleid. Ook het bekostigingsoverleg
met de besturenorganisaties is akkoord gegaan met de regeling.
De eerste fase van de gewenningsregeling is per 1 januari 2000 geëindigd.
Materiële verlenging heeft nog niet plaatsgevonden. De schoolbesturen
zijn in hoofdlijnen op de hoogte van de nieuwe regeling. De hoogte van de
aanvullende vergoeding zal worden berekend over de jaren 2000 tot en met (uiterlijk)
2015, en zal vervolgens in 2002 als bedrag ineens worden uitgekeerd. Als gevolg
van deze berekeningswijze is inwerkingtreding met terugwerkende kracht niet
nodig. De schoolbesturen ondervinden hiervan geen nadelige gevolgen.
Volgens de memorie van toelichting ontstaan problemen bij scholen waar
sprake is van leegstand en «bepaalde gebouwkenmerken». Om welke
gebouwkenmerken gaat het dan, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Met de gebouwkenmerken worden bedoeld de kenmerken die in het oude bekostigingsstelsel
geoormerkt waren als indicator op basis waarvan de materiële vergoeding
van een school werd samengesteld. De vloeroppervlakte van het schoolpand en
het bouwjaar waren de belangrijkste indicatoren. Hoe groter en ouder het pand,
hoe hoger de kosten in het algemeen zijn. De andere relevante indicatoren
waren de mate van leegstand en de hoeveelheid open gevel die een
maat was voor het schilderwerk en het energieverbruik.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel schoolbesturen onder de werkingssfeer
van de voorgestelde regeling vallen, en in welke gemeenten de problemen spelen.
Voorts willen wij zij weten hoeveel de overgangsregeling jaarlijks zal gaan
kosten (tot 2015).
Onder de verlengde gewenningsregeling zullen in totaal circa 60 schoolbesturen
vallen die volgens de voorwaarden van deze regeling geconfronteerd zijn met
een achteruitgang van meer dan 10% in de materiële vergoeding. Het betreft
over het algemeen schoolbesturen die bevoegd gezag zijn van één
school. De aanvullende vergoeding wordt in één keer aan deze
besturen uitbetaald in de loop van het jaar 2002, waarbij de vergoeding gecumuleerd
is. Er is dus geen sprake van een jaarlijkse vergoeding. In totaal gaat het
om een bedrag van 2,04 miljoen euro (4,5 miljoen gulden).
Volgens de regeling, zo geven de leden van de PvdA-fractie aan, is de
hoogte van de aanvullende vergoeding afhankelijk van de specifieke huisvestingssituatie,
en moet er sprake zijn van een stapsgewijze terugdringing van leegstand (na
drie jaar maximaal één groep, na zes jaar geen leegstand meer).
Zij hebben hierover een aantal vragen.
De verlengde gewenningsregeling heeft een normatieve grondslag. Dat wil
zeggen dat de aanvullende vergoeding vooraf wordt vastgesteld op basis van
de situatie van de scholen van het bevoegd gezag, zoals deze was bij de invoering
van het nieuwe stelsel. Deze overgangssituatie is maatgevend.
In het wetsvoorstel wordt daarbij gewerkt met een normatief scenario waarbij
wordt verwacht dat de schoolbesturen over het algemeen in staat moeten zijn
om bijvoorbeeld de leegstand stapsgewijs terug te dringen en eventuele dislocaties
in een aantal jaren af te stoten. Hiervoor wordt een redelijke termijn aangehouden.
Of de schoolbesturen dit tempo van verandering ook daadwerkelijk aanhouden,
is niet van invloed op de verstrekking van de aanvullende vergoeding. De vergoeding
heeft immers een lumpsumkarakter en wordt in één keer uitbetaald.
De wijze van besteding is de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, met
dien verstande dat het bestuur daarover wel eerst in overleg dient te treden
met de gemeente. Voor de hoogte van de vergoeding maakt het echter niet uit
op welke wijze en in welk tempo bijvoorbeeld de leegstand wordt verminderd.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
K. Y. I. J. Adelmund