nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 3 december 2001
De leden van de CDA-fractie vragen zich, met de Raad van State, af of
de verlenging van de gewenningsregeling met maximaal vijftien jaar niet wat
te veel van het goede is. Zij willen weten of het niet mogelijk is om de bedoelde
periode in te korten tot, bijvoorbeeld, uiterlijk 1 januari 2007. Zij
vragen of de regering nogmaals kan motiveren waarom voor een verlengde gewenningsregeling
van vijftien jaar is gekozen en waarom eventueel in het verleden ontstane
onbillijkheden niet eerder kunnen worden afgehandeld.
De voorgestelde regeling geeft juist alle vrijheid aan schoolbesturen
om in een vroegtijdig stadium de oorzaken van de achteruitgang in vergoeding
weg te nemen. Volgens deze regeling wordt de aanvullende vergoeding namelijk
in 2002 als bedrag ineens uitgekeerd aan de schoolbesturen. De hoogte van
het bedrag is mede afhankelijk van de duur van de – langs normatieve
weg vastgestelde – gewenningsperiode (drie tot vijftien jaar). Door
deze eenmalige uitkering krijgt de aanvullende vergoeding het karakter van
een investeringsbedrag dat bijvoorbeeld gebruikt kan worden voor een verbouwing
van de huisvesting, waardoor de exploitatiekosten kunnen dalen. De (normatieve)
duur van de gewenningsperiode is derhalve met name van belang voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering.
Er zijn echter ook situaties denkbaar waarvoor inderdaad een langere termijn
nodig is voordat de oorzaak van de achteruitgang in vergoeding weggenomen
kan worden, zoals de afstoting van een dislocatie die op termijn mogelijk
is als gevolg van de terugloop van het aantal leerlingen. In de periode tot
de afstoting kan de aanvulling op de vergoeding door de school aangewend worden
om de hogere exploitatielasten van jaar op jaar te compenseren. De (normatieve)
maximale duur van de gewennings-regeling is, zoals gezegd, vijftien jaar.
Deze termijn is gebaseerd op de afschrijvingstermijn van een dislocatie. Maar
het gehele bedrag wordt ook in deze gevallen volgend jaar in één
keer aan de schoolbesturen verstrekt. Het tempo waarin deze veranderingen,
zoals in dit geval de afstoting, daadwerkelijk plaatsvinden, is de verantwoordelijkheid
van het schoolbestuur, dat daarover ook in overleg met de gemeente dient te
treden.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering mogelijkheden ziet om
ook iets te doen voor die bevoegd-gezagsorganen die er minder dan 10% op achteruit
zijn gegaan. Zij vragen voorts of de regering mogelijkheden ziet
om de scholen tegemoet te treden die ook tussen 1997 en 2000 al geen gebruik
hebben mogen maken van de gewenningsregeling omdat zij de wijzigingen in de
huisvestingssituatie niet tijdig, dat wil zeggen voor 1 oktober 1996,
hebben gemeld.
De regeling heeft een zodanige opzet dat schoolbesturen die er bij de
overgang van het oude naar het nieuwe stelsel in 1997 meer dan 10% op achteruit
zijn gegaan, uitsluitend worden gecompenseerd voor het deel dat uitstijgt
boven deze 10%. Een achteruitgang van bijvoorbeeld 10,1% geeft daarmee recht
op een compensatie van 0,1% (vermenigvuldigd met de normatieve duur van de
gewenningsperiode in jaren). Deze schoolbesturen krijgen dus geen vergoeding
die de achteruitgang volledig compenseert. Er is dan ook geen sprake van onredelijkheid
ten opzichte van scholen die er door welke oorzaak dan ook minder dan 10% –
bijvoorbeeld 9,9% – op achteruit zijn gegaan, en daarmee geen vergoeding
ontvangen. Dit geldt ook voor de scholen die destijds niet tijdig een wijziging
in de huisvestingssituatie hebben gemeld en die er – zoals vermeld in
het nader rapport – geen van alle meer dan 10% op achteruit zijn gegaan.
Daarmee is ook duidelijk dat de regering van mening is dat deze scholen niet
onredelijk behandeld worden («tweemaal straf voor hetzelfde verzuim»)
en dat het dus niet nodig is om deze scholen op de voorgestelde wijze tegemoet
te komen.
De leden van de fractie van D66 vragen zich af waarom de verlenging van
de gewenningsregeling alleen geldt voor scholen die er meer dan 10% op achteruit
zijn gegaan. Zij vragen of de staatssecretaris kan aantonen dat voor bevoegd-gezagsorganen
met een negatief herverdeeleffect tussen de 5% en 10% verlenging van de gewenningsregeling
niet noodzakelijk is. Zij vragen verder of de staatssecretaris hiernaar onderzoek
heeft laten verrichten en zo ja, welke conclusie daaruit kan worden getrokken.
In 1999 is een brede enquête gehouden onder schoolbesturen over
de effecten van de overgang van het oude naar het nieuwe bekostigingsstelsel
in 1997. Uit deze enquête van het bureau Oberon kan niet worden geconcludeerd
dat de overgang tot problemen heeft geleid. Ook de afgelopen jaren heb ik
geen signalen ontvangen van besturenorganisaties of individuele scholen dat
de overgang tot onredelijke toestanden heeft geleid. De grens om voor de regeling
in aanmerking te komen, is dus zeker niet te hoog gesteld.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
K. Y. I. J. Adelmund