27 898
Wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 ter voorkoming van het optreden van negatieve inkomenseffecten als gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2001 van artikel 26 van de Overgangswet verzorgingshuizen voor uitkeringsgerechtigden die op 31 december 2000 in een verzorgingshuis verbleven, alsmede tot wijziging van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 in verband met het aanbrengen van enige aanpassingen van ondergeschikte aard

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)

Algemeen

De artikelen 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv) en 18 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) voorzien in een verlaging van de uitkering van 70% (Wubo 65%) naar 20% van de uitkeringsgrondslag voor samenwonenden en van 60% (Wubo 55%) naar 12% voor een alleenstaande in het geval van een langdurig verblijf van een uitkeringsgerechtigde ter verpleging of verzorging in een daartoe bestemde inrichting, waarvan de kosten worden betaald met toepassing van één van de sociale verzekeringswetten.

Bovengenoemde bepalingen waren tot 1 januari 2001 slechts van toepassing op Wuv- en Wubo-gerechtigden die in een verpleeghuis verbleven. De uitkeringen van gerechtigden in een verzorgingshuis werden niet verlaagd omdat de kosten van verblijf niet rechtstreeks met toepassing van één van de sociale verzekeringswetten werden betaald.

Na een overgangsfase tussen 1 januari 1997 en 1 januari 2001, waarin op basis van de Overgangswet verzorgingshuizen de financiering van zorg bestaande uit duurzaam verblijf en verzorging in een verzorgingshuis plaatsvond door middel van subsidiëring van verzorgingshuizen door het College voor zorgverzekeringen, worden nu ook de kosten van verblijf in een verzorgingshuis rechtstreeks met toepassing van één van de sociale verzekeringswetten betaald. Dit is een direct gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2001 (Besluit van 22 juli 2000, Stb. 341) van artikel 26 van de Overgangswet verzorgingshuizen, waarin wordt bepaald dat de aanspraak op duurzaam verblijf en verzorging in een verzorgingshuis onderdeel uitmaakt van de aanspraken op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Nu er rechtstreekse financiering ingevolge de AWBZ plaatsvindt, zijn de artikelen 14 van de Wuv en 18 van de Wubo vanaf 1 januari 2001 van toepassing op Wuv- en Wubo-gerechtigden die in een verzorgingshuis verblijven.

Als gevolg hiervan ontstaat er een forse netto-inkomensdaling (van enige honderden guldens per maand) voor de bewoners van een verzorgingshuis die een uitkering op grond van de Wuv of de Wubo ontvangen. Omdat het vanuit het standpunt van de uitkeringsgerechtigden die op 31 december 2000 reeds in een verzorgingshuis verbleven louter om een administratieve operatie gaat waarbij hun feitelijke levensomstandigheden geen enkele wijziging hebben ondergaan, acht ik een dergelijke inkomensbreuk niet acceptabel.

Zowel de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) als de zogenoemde begeleidende instellingen (Stichting Pelita, Stichting 1940–1945, Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen en de Stichting Joods Maatschappelijk Werk) hebben er bij mij op aangedrongen maatregelen te treffen om de nadelige inkomenseffecten voor deze meestal hoogbejaarde uitkeringsgerechtigden te voorkomen. Ik heb de PUR en de begeleidende instellingen in mijn brieven van respectievelijk 25 januari 2001 (DVVB/MB-U-2 148 241) en 25 januari 2001 (DVVB/MB-U-2 145 901) bericht dat ik voornemens ben een wetswijziging voor te bereiden ter voorkoming van negatieve inkomenseffecten voor de uitkeringsgerechtigden die op 31 december 2000 in een verzorgingshuis verbleven. De Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (VC) heb ik met mijn brief van 12 februari 2001 (DBO-CB-U-2 150 655) van mijn voornemen tot wetswijziging op de hoogte gesteld. De VC heeft mijn brief in haar vergadering van 21 februari 2001 voor kennisgeving aangenomen.

Met de voorgestelde wijzigingen van de Wuv en de Wubo wordt geregeld dat de hoogte van de uitkeringen ingevolge deze wetten voor de gerechtigden die reeds op 31 december 2000 in een verzorgingshuis verbleven, ongewijzigd blijft. In de wijzigingen voorgesteld in de artikelen I en II, onder A, is de term «uitkeringsgerechtigde» gehanteerd om ervoor te zorgen dat deze maatregel van toepassing is op zowel de bewoners van een verzorgingshuis die reeds op 31 december 2000 in het feitelijke genot waren van een uitkering ingevolge de Wuv of de Wubo als de bewoners aan wie eerst na 1 januari 2001 met terugwerkende kracht tot een voor deze datum gelegen tijdstip het recht op een uitkering ingevolge deze wetten is toegekend.

Uitkeringsgerechtigden die op een tijdstip gelegen na 31 december 2000 naar een verzorgingshuis verhuizen, krijgen wel te maken met de in de artikelen 14 van de Wuv en 18 van de Wubo geregelde verlaging van hun uitkering. Van een feitelijke inkomensbreuk louter als gevolg van een administratieve operatie is bij hen namelijk geen sprake. Een preferente behandeling van ook de toekomstige uitkeringsgerechtigde bewoners van een verzorgingshuis zou vooral tot onevenwichtige financiële verhoudingen leiden ten opzichte van de huidige en toekomstige bewoners van een verpleeghuis. Ik acht een dergelijk verschil in behandeling des temeer ongewenst daar de ontwikkeling, waarbij de aard van de dienstverlening in een verpleeghuis enerzijds en in een verzorgingshuis anderzijds steeds verder naar elkaar toegroeien, ook in de toekomst zal doorzetten.

Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om een tweetal kleine onvolkomenheden te herstellen. In de wet van 13 december 2000 tot wijziging van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, ter implementatie van de overgenomen aanbevelingen van het Adviescollege uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere en ondergeschikte aard (Stb. 584) is bij het aanbrengen van de wijzigingen noodzakelijk in verband met de opheffing van de Commissie Indisch Verzet, in artikel 27, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet de laatste volzin abusievelijk niet komen te vervallen. In de voornoemde wijzigingswet is voorts niet voorzien in de vernummering van de verwijzing naar het derde lid (oud) in artikel 33, derde lid, van de Wubo. Dit wetsvoorstel voorziet alsnog in deze wijzigingen.

Financiële consequenties

De PUR heeft op basis van gegevens ontleend aan haar cliëntenadministratie aangegeven dat het aantal uitkeringsgerechtigden ingevolge de Wuv en de Wubo dat per 31 december 2000 in een verzorgingshuis verbleef 1100 personen bedroeg. Verondersteld wordt dat de gemiddelde bewoningstijd in een verzorgingshuis 5 jaar bedraagt. Op basis van de gemiddelde verlaging van de uitkering met f 200,– per maand waarmee de uitkeringsgerechtigden in verzorgingshuizen zouden worden geconfronteerd wanneer de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde maatregel niet zou worden doorgevoerd, kan bepaald worden dat de kosten van deze maatregel f 2,4 miljoen in 2001, f 1,9 miljoen in 2002, f 1,3 miljoen in 2003, f 0,8 miljoen in 2004 en f 0,3 miljoen in 2005 bedragen. Deze kosten zijn verwerkt in de geactualiseerde ramingen van de wetten voor oorlogsgetroffenen ten behoeve van de eerste suppletoire begroting 2001 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Inwerkingtreding

Op 6 februari 2001 is door de Tweede Kamer het voorstel voor een Tijdelijke referendumwet (Kamerstukken II 2000–2001, 27 034: Trw) aanvaard. Naar het zich laat aanzien, zal de Trw in het najaar van 2001 in werking treden. Het onderhavige wetsvoorstel zal naar alle waarschijnlijkheid eerst na de inwerkingtreding van de Trw door de Koningin worden bekrachtigd. Dit betekent dat bij het regelen van het tijdstip van inwerkingtreding rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van een referendum. Deze referendumprocedure bestaat uit drie fases: de fase van het inleidend verzoek, de fase van het definitieve verzoek en de fase van stemming. In de Trw is vastgelegd dat referendabele wetten geen inwerkingtredingsbepaling mogen bevatten die valt in de periode dat een inleidend verzoek kan worden gedaan en daarover een beslissing moet worden genomen. Deze periode is in de Trw gesteld op 6 weken na de mededeling in de Staatscourant over de bekrachtiging en het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de referendabiliteit (artikel 12, eerste lid). Met het oog hierop is in artikel IV het tijdstip van inwerkingtreding gesteld op de eerste dag van de derde kalendermaand na de uitgiftedatum van het Staatsblad. Hierdoor wordt verzekerd dat er tussen de uitgiftedatum van het Staatsblad en de datum van inwerkingtreding een periode is gelegen van acht weken en enkele dagen. Deze periode is voldoende om de zeswekentermijn van artikel 12, eerste lid, Trw in acht te kunnen nemen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Naar boven