27 869
Wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan het publiek uit te breiden

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 5 november 2001

Algemeen

De leden van de PvdA-fractie en van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. De leden van de VVD-fractie stellen met genoegen vast dat de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan het publiek passen in het streven naar cross-sector consistentie. Zij onderschrijven en ondersteunen de voorgestelde aanpassingen in de Wet toezicht kredietwezen 1992 en in de Wet op het consumentenkrediet.

Op de door de leden van de PvdA-fractie gestelde vragen wordt hierna ingegaan.

Artikel I, onderdeel C en artikel II, onderdeel C

Subdelegatie van de bevoegdheid tot het stellen van regels aan een zelfstandig bestuursorgaan die nodig geacht wordt in verband met de gedetailleerdheid van de regelgeving, kan met zich brengen dat het vaststellen van de uiteindelijke regelgeving buiten het gezichtsveld van de Tweede Kamer komt. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de democratische controle kan worden gewaarborgd indien de Tweede Kamer invloed wenst uit te oefenen op concrete informatievoorzieningregels die wellicht gedetailleerd zijn, maar anderzijds op zichzelf een groot effect kunnen hebben op de kwaliteit van de informatievoorziening.

Het door deze leden geconstateerde feit dat bij subdelegatie van regelgevende bevoegdheid aan een zelfstandig bestuursorgaan, de daaruit voortvloeiende regelgeving geschiedt buiten het gezichtsveld van de Tweede Kamer, is juist. Dit geldt echter niet alleen bij de geschetste subdelegatie, doch bij iedere vorm van delegatie en derhalve eveneens in de bij regelgeving algemeen gebruikelijke delegatie van bevoegdheden aan de regering.

In het onderhavige geval is de betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de vaststelling van nadere regelgeving overigens sterker dan normaal. Het concept-Besluit financiële bijsluiter, dat mede is gebaseerd op de met dit wetsvoorstel aan te passen artikelen 85a van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en 26 van de Wet op het consumentenkrediet en, na verwerking van de gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag ingediende nota van wijziging, op de artikelen 25 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en 51 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, is immers bij brief van 19 september 2001 voorgehangen bij de Tweede Kamer. In dit besluit zijn de uitgangspunten opgenomen die het raamwerk vormen dat de toezichthouders in acht moeten nemen bij de nadere, technische invulling van de eisen die worden gesteld ten aanzien van de financiële bijsluiter.

Zoals in de brief van 19 september 2001 is gemeld, zal 2 jaar na de invoering van de financiële bijsluiter per 1 juli 2002 een algehele evaluatie plaatsvinden met betrekking tot functioneren, lengte, volledigheid, begrijpelijkheid, vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid van de financiële bijsluiter. De Tweede Kamer zal over de uitkomst van deze evaluatie worden geïnformeerd. Ook op deze wijze wordt de betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de beoordeling van de effecten van de financiële bijsluiter gewaarborgd.

In welke mate kan de combinatie van het stellen van regels en het toezicht op diezelfde regels problemen opleveren? De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering hierop kan ingaan.

De vrijheid die toezichthouders hebben bij het vaststellen van de regels inzake de informatieverstrekking aan de afnemers van financiële producten en diensten is, zoals hiervoor uiteengezet, duidelijk afgebakend door het concept-Besluit financiële bijsluiter. De toezichthouders zullen zich bij het opstellen van de regels derhalve moeten beperken tot gedetailleerde, technische voorschriften die voortvloeien uit de algemene uitgangspunten die zijn vastgelegd in het besluit. In het kader van de financiële toezichtswetten is dat overigens een reeds lang bestaande situatie, die in de praktijk geen aanleiding geeft tot problemen. Voor het geval zich in individuele gevallen toch een probleem zou voordoen, voorzien de toezichtswetten in een beroepsprocedure die belanghebbende kunnen aanspannen bij de onafhankelijke rechter.

Aan het begrip «publiek» wordt geen onbeperkte invulling gegeven. Kan de regering nader ingaanop de afbakening van personen en instellingen die wel of niet geacht worden zelf over voldoende informatie te beschikken om tot een juiste beoordeling te komen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. In welke mate komt het begrip «publiek» overeen met datzelfde begrip uit het wetsvoorstel openbare biedingen, dat een wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 inhield? In welke mate komt het begrip «publiek» overeen met datzelfde begrip in andere wetten?

In het concept-Besluit financiële bijsluiter worden de personen die niet geacht worden zelf over voldoende informatie te beschikken om tot een juiste beoordeling te komen, aangeduid als «afnemer». Dit begrip wordt gedefinieerd als «de afnemer of de potentiële afnemer van een door een financiële onderneming verstrekte of aangeboden financiële dienst of financieel product, voor zover die geacht kan worden niet te handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf». Deze definitie sluit in ieder geval partijen uit die handelen in de uitoefening van een beroep of een bedrijf. Daarnaast wordt met de woorden «voor zover die geacht kan worden» de mogelijkheid opengelaten dat particulieren die over voldoende kennis, ervaring en expertise beschikken, worden behandeld als professionele partijen. Hierdoor wordt de mogelijkheid geopend dat de toezichthouders bepalen dat aan bepaalde categorieën particuliere afnemers, voor wie de financiële bijsluiter geen aantoonbare meerwaarde heeft, geen financiële bijsluiter behoeft te worden verstrekt.

In de Wet tot opneming in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 van regels betreffende openbare biedingen op effecten komt het begrip publiek als zodanig niet voor. De doelgroep wordt daarin aangeduid met het reeds in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 gehanteerde begrip «buiten besloten kring». Dit begrip is ruimer dan het begrip «afnemer» in het Besluit financiële bijsluiter en omvat personen die zowel in als buiten de uitoefening van een beroep of een bedrijf handelen.

Het begrip «publiek» is op zichzelf weinig onderscheidend. Als het al in regelgeving wordt gebruikt, zal van geval tot geval worden aangegeven wat daaronder dient te worden verstaan.

Artikel II, onderdeel C

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op het onderscheid dat in het Besluit kredietaanbiedingen gemaakt zal gaan worden tussen «normaal consumentenkrediet» en «meer complexe vormen daarvan».

Het onderscheid tussen normaal consumentenkrediet en de meer complexe vormen daarvan vloeit voort uit de definitie van complex product in het concept-Besluit financiële bijsluiter. Een complex product is daarin gedefinieerd als «een financiële dienst of een financieel product, opgebouwd uit componenten die behoren tot verschillende soorten financiële diensten of financiële producten en waarvan de waarde van ten minste een der componenten afhankelijk is van de ontwikkeling op financiële markten of andere markten». Een dergelijk product dient derhalve verschillende productsoorten te omvatten, waarbij één van deze productsoorten een beleggingskarakter heeft. Hieruit volgt dat complexe vormen van consumentenkrediet die producten zijn waarbij consumentenkrediet gecombineerd met een andere productsoort wordt aangeboden en waarbij de waarde van die andere productsoort een beleggingskarakter heeft. Gedacht moet dan worden aan bijvoorbeeld aandelenlease-producten. Voor deze complexe producten zal uit hoofde van het Besluit financiële bijsluiter de verstrekking van een bijsluiter verplicht worden gesteld. Op de overige («normale») consumentenkredietaanbiedingen zal het Besluit kredietaanbiedingen van toepassing blijven, met de daaruit voortvloeiende verplichting om een prospectus beschikbaar te stellen. Teneinde een overlap tussen beide besluiten te voorkomen, zal het Besluit kredietaanbiedingen in deze zin worden aangepast.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Naar boven