27 671
Verdrag tot wijziging van het op 18 november 1981 te Den Haag ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië, zoals herzien en ondertekend op 23 januari 1995, en Protocol betreffende de handhaving van uitkeringsrechten, behorende bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië; Praia, 22 mei 2000

nr. 260
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 april 2001

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 12 april 2001.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 12 mei 2001.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 22 mei 2000 te Praia totstandgekomen Verdrag tot wijziging van het op 18 november 1981 te Den Haag ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië, zoals herzien en ondertekend op 23 januari 1995, en Protocol betreffende de handhaving van uitkeringsrechten, behorende bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië (Trb. 2001, 46).1

Een toelichtende nota bij dit wijzigingsverdrag treft U eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

TOELICHTENDE NOTA

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).

I. ALGEMEEN

Wet beperking export uitkeringen

Op 1 januari 2000 zijn de Wet beperking export uitkeringen (Wet van 27 mei 1999, Stb. 250) en de Wijzigingswet beperking export uitkeringen (Wet van 22 december 1999, Stb. 594) in werking getreden. Op grond van deze wetten heeft de verzekerde geen recht op een socialeverzekeringsuitkering gedurende de periode dat hij, of degene ten behoeve van wie de uitkering wordt verstrekt, niet in Nederland woont. Dit geldt evenwel niet, indien de betrokkene woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op uitkering kan bestaan.

Achtergrond van deze wetgeving is de omstandigheid dat de rechtmatigheid van de uitkeringen die over de grens worden verstrekt, niet afdoende kan worden gewaarborgd. De uitvoeringsorganen beschikken dikwijls niet over de mogelijkheden om buiten Nederland de voor de uitvoering van de sociale verzekeringen noodzakelijke verificaties en controles te verrichten zoals die ook in Nederland plaatsvinden. Het doel van de Wet beperking export uitkeringen is om de rechtmatigheid van de uitkeringen te verbeteren door de handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten te versterken. Het middel hiertoe is om met de landen waar Nederlandse uitkeringen worden betaald, bij verdrag afspraken te maken die ten aanzien van dat land de handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten, en daardoor de rechtmatigheid van de uitkeringen, verbeteren. Hiertoe behoren tevens afspraken die de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen vergemakkelijken. Op grond van de wet kunnen uitkeringen alleen worden geëxporteerd naar de landen waarmee bij verdrag afspraken over handhaving bestaan.

Het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid (Trb. 1982, 20) en het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage totstandgekomen Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid (Trb. 1982, 21) zijn op 1 maart 1988 inwerkinggetreden. Het op 23 januari 1995 te 's-Gravenhage totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië houdende wijziging van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid en het op 23 januari 1995 te 's-Gravenhage totstandgekomen Akkoord tussen de bevoegde Nederlandse en Kaapverdische Autoriteiten houdende wijziging van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid zijn op 1 april 1997 inwerkinggetreden.

De herziening van het thans tussen Nederland en Kaapverdië vigerende verdrag hangt samen met de hierboven beschreven wijzingen in het kader van de Wet beperking export uitkeringen. De handhavingsafspraken die naar aanleiding van deze wet zijn gemaakt, zijn vastgelegd in een afzonderlijk protocol dat een integrerend onderdeel uitmaakt van dit verdrag.

Handhavingsafspraken

Het handhavingsprotocol met Kaapverdië voorziet in de handhavingsafspraken die noodzakelijk zijn in het licht van de Wet beperking export uitkeringen. De afspraken gelden op basis van wederkerigheid. Zij zijn erop gericht om verificatie en controle mogelijk te maken ten aanzien van de volgende aspecten van de socialeverzekeringswetten:

– identiteit (geldt voor alle socialeverzekeringswetten);

– in leven zijn (geldt voor alle socialeverzekeringswetten);

– leefvorm (geldt voor de Algemene nabestaandenwet, ANW, en de Algemene Ouderdoms Wet, AOW);

– inkomen van de betrokkene (geldt voor de ANW, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, WAO, en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen, WAZ);

– inkomen van de partner (geldt voor de AOW);

– samenloop van uitkeringen (geldt voor de ANW, de WAO en de WAZ);

– arbeidsongeschiktheid (geldt voor de ANW, de WAO en de WAZ); en

– bestaan/leeftijd/inkomen/onderwijs van het kind (geldt voor de Algemene Kinderbijslagwet, AKW).

Daarnaast bevat het protocol bepalingen over de wederzijdse erkenning van bestuurlijke en rechterlijke beslissingen, en over weigering en schorsing van het recht op uitkering.

De uitvoeringsorganen zijn betrokken geweest bij de verdragsonderhandelingen. Zij hebben kenbaar gemaakt dat dit protocol voldoende basis vormt om het handhavingsdoel van de Wet beperking export uitkeringen te bereiken. Aan de hand van de toepassing van het verdrag in de praktijk zal worden vastgesteld of de afspraken ook daadwerkelijk voldoen. Over deze bevindingen zal worden gerapporteerd bij de evaluatie waarin de Wet beperking export uitkeringen voorziet.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wijzigingsverdrag

Artikel I

Dit artikel wijzigt de definitie van het begrip «uitkering» om duidelijk aan te geven dat de Toeslagenwet niet onder het toepassingsbereik van het verdrag valt. Hierdoor wordt bereikt dat toeslagen op grond van deze wet niet geëxporteerd hoeven te worden op grond van de exportverplichting van het verdrag.

Artikel II

Artikel II bevat een technische aanpassing van de personele werkingssfeer van het verdrag (artikel 3).

Artikel III

Dit artikel bevat een herziening van de exportbepaling (artikel 5). De huidige exportbepaling van het verdrag met Kaapverdië voorziet niet in de toekenning van Nederlandse kinderbijslag ten behoeve van kinderen die op Kaapverdisch grondgebied wonen. Het eerste lid van nieuwe artikel 5 strekt er toe de export van kinderbijslag ook na de inwerkingtreding van de Wet BEU mogelijk te maken.

Het tweede lid bepaalt dat uitkeringen kunnen worden uitbetaald buiten het grondgebied van de beide Verdragsluitende Partijen op dezelfde voet als dat mogelijk is voor eigen onderdanen.

Het derde lid is aangepast om ook uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsheidsverzekering zelfstandigen, die in werking is getreden op 1 januari 1998, onder de werkingssfeer van de exportbepaling te brengen.

Het vierde lid breidt de exportmogelijkheid uit tot onderdanen van derde landen die onderworpen zijn geweest aan de wetgeving van één van de Verdragsluitende Partijen. Hiermee wordt bijvoorbeeld bereikt dat een Portugese werknemer zijn in Nederland opgebouwde socialeverzekeringsaanspraken in Kaapverdië uitbetaald kan krijgen.

Artikel IV

Het verdrag voorziet, in verband met de inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkering, in voorlopige toepassing en in terugwerkende kracht van de in artikel 5 neergelegde exportbepaling tot en met 1 januari 2000.

Handhavingsprotocol

Artikelen 1 en 2

De in deze artikelen opgenomen bepalingen bieden de rechtsbasis voor de verificatie en controle van de gegevens zoals hiervoor vermeld en de gegevensverstrekking door de Kaapverdische organen aan de Nederlandse organen. Bovendien wordt de Nederlandse organen en de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen in Kaapverdië de mogelijkheid geboden om de uitkeringsgerechtigden en de Kaapverdische organen rechtstreeks te benaderen in het kader van de verificatie en controle.

Artikel 3

Dit artikel bevat specifieke bepalingen over de medische controle van de uitkeringsgerechtigde of degene die een uitkering aanvraagt. Uitgangspunt is dat de Nederlandse organen voor de vaststelling van de (mate van) arbeidsongeschiktheid gebruik maken van Kaapverdische gegevens. Zij hebben evenwel het recht om de betrokkene door een arts van eigen keuze te laten onderzoeken of op te roepen voor onderzoek in Nederland. De daarmee gemoeide kosten komen ten laste van de Nederlandse uitvoeringsorganen.

Artikelen 4 en 5

Deze artikelen regelen de erkenning door Kaapverdië van de Nederlandse administratieve en rechterlijke beslissingen inzake de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen (artikel 4) en opgelegde premies (artikel 5) die voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Het verdrag verschaft derhalve een executoriale titel voor tenuitvoerlegging van deze beslissingen en uitspraken in Kaapverdië.

Artikel 6

Dit artikel geeft de Nederlandse organen de bevoegdheid om de uitkering te weigeren, te schorsen of in te trekken bij niet-nakoming van de informatieverplichting of de verplichting om onderzoeken te ondergaan. Bovendien wordt de Nederlandse organen de bevoegdheid gegeven om de uitkering te weigeren of te schorsen, indien de betrokkene of het Kaapverdische orgaan niet binnen een termijn van drie maanden de informatie verstrekt waarom wordt verzocht.

III. KONINKRIJKSPOSITIE

Het verdrag zal, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor Nederland gelden.

De Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven