27 646
Nationaal en Internationaal stoffenbeleid

nr. 10
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 maart 2002

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft op 7 maart 2002 overleg gevoerd met minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:

– de brief van 21 december 2001 inzake voortgangsrapportage Uitvoering Strategie Omgaan met Stoffen, met betrekking tot het nieuwe stoffenbeleid (VROM-2001-1285);

– de brief van 14 januari 2002 inzake voorgenomen verbod op broomhoudende brandvertrager FR-720 (VROM-2002-29);

– de brief van 4 februari 2002 inzake inzameling van halon en cfk (VROM-2002-127);

– de brief van 8 februari 2002 inzake voorgenomen verbod broomhoudende brandvertrager FR-720 (VROM-2002-158);

– de brief van 1 maart 2002 inzake verbod broomhoudende vlamvertrager FR-720 (VROM-2002-266).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Feenstra (PvdA) memoreert dat zijn fractie bij het algemeen overleg van 13 juni 2001 heeft ingestemd met de doelstellingen en aanpak van de Strategienota omgaan met stoffen (SOMS). Daartoe hoort ook het uitgangspunt dat bedrijven probleemeigenaar zijn. Zij moeten de gegevens over de stoffen aanleveren; bij «no facts» volgt een indeling in de zwaarste categorie: «no market». Ook de positionering van het stoffenbureau spreekt hem aan: het stoffenbureau adviseert en de politiek beslist. Dat is een volgende stap in de ontwikkeling, waarbij hij een vergelijking maakt met de instelling van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB). Het moet er allemaal toe leiden dat veilig wordt omgegaan met stoffen in relatie tot mens en milieu.

Er ligt een heldere, goed leesbare voortgangsrapportage voor, met eenduidige definities en criteria, waarin een duidelijke aanpak wordt aangegeven, aldus de heer Feenstra. Dat is ook nodig in het licht van zo'n 100 000 te beoordelen stoffen, met daarbinnen een categorie van 30 000 stoffen die bezwaarlijk kunnen zijn voor mens en milieu. Tezamen met de noodzaak zich te houden aan de OSPAR-criteria en de Europese richtlijn, gaat het om een complex geheel van maatregelen dat enkele vragen en opmerkingen oproept.

De heer Feenstra constateert dat Nederland actief met het onderwerp bezig is en de eigen vorderingen inbrengt op Europees niveau. Wat dat betreft verkiest hij een wat ambitieuzer formulering dan de uitspraak in de voortgangsrapportage dat Nederland en de EU gelijk op lopen bij de beleidsvernieuwing stoffen. Zijn voorkeur gaat uit naar een formulering die aangeeft dat het nationale stoffenbeleid naadloos aansluit op Europa.

Een goed doordachte Europese programmering om gegevens te verzamelen, te testen en te valideren zal tevens leiden tot een verminderd inzetten van proefdieren. Is er voorzien in een dergelijke afstemming in Europa en kan dit ook in wijder internationaal verband gebeuren? De heer Feenstra gaat ervan uit dat ook in Nederland geprobeerd wordt zoveel mogelijk alternatieven te ontwikkelen voor dierproeven, opdat deze daardoor kunnen worden teruggedrongen.

De fijnmazige aanpak van de SOMS-nota moet robuust handhaafbaar zijn. Heldere, eenduidige definities zijn daarbij van groot belang; voorkomen moet worden dat geschillen over de indeling van een stof tot langdurige juridische procedures leiden. Loopt parallel aan de megaoperatie die nu in gang wordt gezet, een vergelijkbare handhavingsinspanning? Voorzover bij de quick-scan naar stoffen wordt gekeken boven een bepaald productievolume, dient opgemerkt te worden dat zorgbarende stoffen ook in kleine hoeveelheden al zeer schadelijke effecten kunnen hebben. Het verdient aanbeveling dat hierbij een beleid wordt ontwikkeld dat onafhankelijk is van het volume.

De heer Feenstra herinnert aan de opvatting van zijn fractie dat het stoffenbureau de door het bedrijfsleven aangeleverde gegevens valideert. In de voorliggende rapportage wordt echter gesproken van validering namens het bedrijfsleven, terwijl uit brieven van Greenpeace, stichting Natuur en Milieu en Waterpakt de vrees voor privatisering van de toetsing naar voren komt. Kan de minister garanderen dat sprake zal zijn van een onafhankelijke validering van de door het bedrijfsleven aangeleverde gegevens? Kunnen derden, in het kader van een «public right to know», bij één loket van de stoffenbank op toegankelijke wijze de gevalideerde informatie verkrijgen, analoog aan de praktijk bij het CTB? De nadruk dient daarbij te liggen op gegevens inzake de externe werking van stoffen.

De heer Feenstra heeft er begrip voor dat de hele operatie enkele decennia zal beslaan, maar pleit ervoor om binnen dit totale kader het tempo erin te houden. De discussie begint immers niet bij nul; enkele stoffen zijn al langdurig onderwerp van maatschappelijk en politiek debat; er zijn al veel gegevens bekend en sommige schadelijke stoffen kennen reeds hun vervangers. De lijst van stoffen die is opgesteld naar aanleiding van de motie-Feenstra/Van den Akker (27 646, nr. 8), uitgaande van de OSPAR-criteria, maakt een systematische aanpak mogelijk. Daarin zit de grootste winst voor mens en milieu; voorkomen moet worden dat op basis van incidenten van stof tot stof wordt gesprongen. Welke stappen onderneemt het kabinet naar aanleiding van deze lijst, ook richting Europa? Komen er maatregelen vanuit de bedrijven, komen er verboden en gebeurt dit nationaal én internationaal?

De uit de brief van 1 maart 2002 (VROM-2002–266) blijkende aanpak van de verbodsmaatregel voor de broomhoudende vlamvertrager FR-720, lijkt de heer Feenstra geheel in overeenstemming met de systematiek van de SOMS-nota.

De heer Van den Akker (CDA) heeft een groot aantal vragen naar aanleiding van de laatst genoemde brief en het daarin bevestigde besluit van de minister om de productie, de import en het gebruik van de gebromeerde brandvertrager FR-720 te verbieden. In de brief van 8 februari (VROM-2002–158) schrijft de minister dat hij de Kamer het kabinetsstandpunt ten aanzien van de voorgenomen verbodsmaatregel zo spoedig mogelijk zal doen toekomen. Vertegenwoordigt de brief van 1 maart het kabinetsstandpunt en is deze beslissing derhalve mede namens de minister van Economische Zaken genomen? De CDA-fractie hecht sterk aan het oordeel van de Europese Commissie; deze zegt dat Nederland onvoldoende heeft aangetoond dat de verbodsmaatregel gerechtvaardigd is. Kan de minister exact aangeven op welke punten en waarom hij het niet eens is met de Europese Commissie?

Het bureau NOTOX komt op grond van onderzoek tot de conclusie dat FR-720 niet schadelijk is voor het milieu, de volksgezondheid of de productiemedewerkers, aldus de heer Van den Akker. Het RIVM stelt daarentegen dat er te weinig gegevens voorliggen om er conclusies uit te kunnen trekken en dat nader onderzoek noodzakelijk is. De minister baseert zijn besluit om FR-720 nu te verbieden op de overeenkomst van deze stof met TBBPA, hoewel op Europees niveau een risicobeoordeling van TBBPA pas aan het einde van het jaar is voorzien. Vindt de minister niet dat hier sprake is van tegenstrijdigheden? De karakterisering «no data, no market» is niet van toepassing op de stof FR-720, want er zijn wel data voorhanden. Er is het NOTOX-rapport, ten aanzien waarvan het RIVM niet zegt dat het geen goede gegevens bevat.

Wat moeten nieuwe investeerders in Nederland denken, als zij kennis nemen van deze gang van zaken? Immers, de productievergunningen die nog niet zo lang geleden waren verleend door respectievelijk de provincie Zeeland en de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, worden nu aangevochten door het ministerie van VROM. De minister baseert de spoedmaatregel om de stof FR-720 te verbieden, op artikel 31 Wet milieugevaarlijke stoffen; het is een zware maatregel die slechts genomen kan worden ter voorkoming van onaanvaardbare risico's voor mens en milieu, op basis van een zorgvuldige beoordeling. Op de lijst van stoffen die reden zijn voor zeer ernstige zorg, opgesteld naar aanleiding van de motie-Feenstra/Van den Akker, komt FR-720 echter niet voor. Is dat niet inconsequent als het zo'n gevaarlijke stof is? Hoe denkt de minister de naleving van de verbodsmaatregel voor FR-720 te controleren en te handhaven, gegeven het vrije verkeer van goederen in de Europese Unie?

Kortom, de heer Van den Akker signaleert veel vragen en onzekerheden rond het besluit van de minister, waarbij nog de juridische consequenties komen, indien het wordt aangevochten bij het Europese Hof. Hij doet het voorstel het bedrijf Broomchemie de gelegenheid te geven tot het einde van het lopende jaar 1000 ton FR-720 te produceren, met dien verstande dat er aan het eind van dit jaar een gedocumenteerde risicobeoordeling van FR-720 op tafel ligt. Op basis van die risicoanalyse kan de minister vervolgens besluiten of hij al dan niet tot het verbieden van de stof moet overgaan. Wil de minister dit voorstel overwegen?

In de doelstelling om per 1 januari 2004 zoveel mogelijk halon en cfk's te hebben ingezameld (VROM-2002–127), kan de heer Van den Akker zich vinden. De daarbij nagestreefde inzamelstructuur vraagt echter om gespecialiseerde apparatuur, in overeenstemming met het Protocol van Montreal, die zich merendeels in het buitenland bevindt. Wil de minister overwegen deze stoffen van overheidswege in te nemen, zoals dit het geval is in Denemarken en Zweden, mede om te voorkomen dat in het grensoverschrijdende verkeer «lekkages» ontstaan? Naast de kosten van het inzamelen wordt het bedrijfsleven met nog veel grotere kosten geconfronteerd in verband met het ombouwen van apparaten om deze geschikt te maken voor vervangende stoffen.

De heer Udo (VVD) constateert dat vorig jaar terecht het besluit is genomen om van de tienduizenden stoffen die op de markt zijn, de gegevens beter in kaart te brengen en publiekelijk toegankelijk te maken. Essentieel voor het welslagen van dit ambitieuze stoffenbeleid zijn de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid ervan, alsmede de inbedding in het Europese beleid en voorts de aanwezigheid van draagvlak bij het bedrijfsleven dat er tevens verantwoordelijkheid voor neemt. De minister dient over zo'n ingrijpend stoffenbeleid in voldoende mate te overleggen met het Nederlandse bedrijfsleven en zich daarbij te baseren op harde gegevens. Gevaarseigenschappen van stoffen zijn op zich geen reden voor een verbod; wel moet steeds worden nagegaan welke risico's er door burgers en werknemers worden gelopen in de omgang met bepaalde stoffen. Hoe staat de minister tegenover de wens van VNO-NCW om te komen tot een beleidsovereenkomst tussen overheid en bedrijfsleven over de uitvoering van het stoffenbeleid?

De opvatting dat Nederland met zijn wet- en regelgeving op het gebied van het stoffenbeleid niet op Europees geharmoniseerde regelgeving moet wachten, beschouwt de heer Udo als onverstandig eilanddenken. 75% van de productie in Nederland wordt geëxporteerd en tweederde van de in Nederland gebruikte stoffen wordt geïmporteerd. Het vrije verkeer van goederen in Europa kan geen aparte regimes gebruiken; het is daarom gewenst dat het Nederlandse stoffenbeleid naadloos aansluit op het Europese stoffenbeleid en dat nationale wetgeving synchroon loopt met het Europese beleid. Stoffen waarvan aangetoond kan worden dat zij onaanvaardbare risico's voor milieu en volksgezondheid met zich mee brengen, dienen verboden te worden. Ook dergelijke maatregelen behoren, althans waar het nieuwe stoffen betreft, in geharmoniseerd verband te worden genomen. Voor asbest geldt dat Nederland er al eerder een aanvang mee heeft gemaakt dit uit te bannen en dat nu niet kan terugdraaien, ook als is er geen internationale overeenstemming over.

Het Nederlandse bedrijfsleven draagt een ketenverantwoordelijkheid voor de toepassing van stoffen in producten. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn: het gebruik van het voorzorgprincipe en het nemen van maatregelen bij onaanvaardbare risico's en gevaren. De beoordeling van het risico van een stof behoort te gebeuren in relatie tot mogelijke maatregelen en met inachtneming van het maatschappelijk nut van de stof. Is een stof onmisbaar, dan zal voor een werkbare en betaalbare oplossing voor het bedrijfsleven moeten worden gezorgd. Kan de minister aangeven op welke wijze vorm wordt gegeven aan de vorig jaar gedane toezegging dat het MKB zal worden geholpen bij het opzetten van de noodzakelijke structuur voor de uitvoering van datgene waar het bedrijfsleven in het kader van SOMS verantwoordelijk voor is, zoals de quick-scan en het verzamelen van gegevens?

Ook de heer Udo vraagt of het verbod van de stof FR-720 een kabinetsbesluit is en wat de opvatting is van de minister van Economische Zaken. Het door Broomchemie ingediende NOTOX-rapport inzake FR-720 zegt dat op basis van de bestaande informatie er geen aanleiding is te concluderen dat de risico's onaanvaardbaar zijn. Een tweede NOTOX-rapport komt voor een belangrijk deel tegemoet aan de vraag van het RIVM om aanvullende informatie. De Europese Commissie vindt dat de minister onvoldoende heeft aangetoond dat een verbod van deze stof gerechtvaardigd is in het licht van de bescherming van de volksgezondheid en het milieu. De Europese Commissie overweegt Nederland voor het Europese Hof van Justitie te dagen bij onvoldoende onderbouwing van de verbodsmaatregel. Overeenkomst met een aanverwante stof als TBBPA acht hij op zichzelf geen rechtvaardigingsgrond voor een verbod. Het RIVM heeft geen reden gezien te concluderen tot onaanvaardbare gevolgen voor milieu en volksgezondheid. Een verbodsmaatregel dient dan ook te worden uitgesteld totdat aanvullende gegevens zijn verstrekt en beoordeeld.

De heer Poppe (SP) constateert dat veel stoffen en ook de producten waarin deze verwerkt zijn, onder bepaalde omstandigheden een gevaar kunnen opleveren, vaak in eerste instantie in het kader van de arbeidsomstandigheden. Ook bij brand kunnen voor de gezondheid schadelijke stoffen vrijkomen in een overigens veilig geachte situatie, zoals bij een recente scheepsbrand in Vlaardingen het geval bleek, waarbij brandend isolatiemateriaal zelfs aanleiding tot een rampsituatie gaf. Er is een aanpak nodig die ingaat op vragen als: welke stoffen maken wij nog en in welke hoeveelheden en hoe gaan wij daarmee om? Hier kunnen belangrijke winstpunten worden behaald in het kader van de nu ondernomen actie SOMS.

Als een belemmering daarbij ziet de heer Poppe het ingaan van de minister op de intentieverklaring van VNO-NCW, waarbij de problematiek van het bedrijfsgeheim in relatie tot concurrentiepositie aan de orde is. Heeft de minister een stok achter de deur om alle gegevens te krijgen en deze ook openbaar te doen zijn? De mensen die met de stoffen omgaan in de praktijk of ermee in aanraking komen, dienen te weten waar zij op moeten letten. Geheimhouding is dan niet aan de orde– want wat is concurrentiepositie in dit verband anders dan het belang van de aandeelhouders? Hoe zorgt de minister ervoor dat werknemers en samenleving te dien aanzien niet afhankelijk zijn van de goedwillendheid van bedrijven? Hoe biedt hij de opstelling van de VVD-fractie het hoofd dat het eerst allemaal Europees geregeld moet worden, voordat er in Nederland iets gedaan zou kunnen worden?

Welke houding treft de minister aan bij de gesprekken die hij voert met het bedrijfsleven? Wordt daar bijvoorbeeld gezegd dat het allemaal veilig is en dat de overheid er met de vingers af moet blijven omdat het gaat om de belangen van het bedrijf en het behoud van werkgelegenheid? De heer Poppe vindt dat ten aanzien van de gegevens over stoffen dient te gelden: transparantie, beschikbaarheid én openbaarheid, waarbij het stoffenbureau in beperkte mate zelf onderzoek kan doen. Als door bedrijven data worden verstrekt waarvan een gedeelte is aangemerkt als «vertrouwelijk», dient het stoffenbureau niettemin de daarop betrekking hebbende eigen onderzoeksresultaten openbaar te kunnen maken. Welke sancties heeft de minister, als bedrijven volharden in het niet openbaar maken van gegevens op grond van bedrijfsgeheim en concurrentiepositie? Zonder deze gegevens kunnen Kamer, milieubeweging en andere maatschappelijke organisaties het gevoerde stoffenbeleid niet controleren. Is de minister bereid om niet in te gaan op clausules als «bedrijfsgeheim» en «vertrouwelijk»?

Op het punt van de werkzaamheden van een stoffenbureau heeft de heer Poppe bij het vorige algemeen overleg een vergelijking met het CTB gemaakt. Zijn vraag in dit verband is wat nu precies de taak van het RIVM bij het stoffenbeleid wordt: is dat het valideren van aangereikte gegevens of wordt beoogd dat het RIVM zeer kritisch kijkt naar stoffen en daartoe ook is geëquipeerd? Kan het RIVM zelf onderzoek doen, zodat het niet afhankelijk is van de quick-scans en de informatie daaruit van de zijde van het bedrijfsleven?

Zet de minister zich ervoor in dat er alternatieven komen voor dierproeven bij het testen van stoffen? Zet hij zich in voor een terugdringen van de aantallen dierproeven? Zorgt hij voor samenwerking in het bedrijfsleven bij het testen van stoffen, eventueel onder leiding van RIVM of stoffenbureau, opdat bedrijven niet elk afzonderlijk, uit overwegingen van bedrijfsgeheim en concurrentie, vrijwel identieke proeven doen? Kan de minister een overzicht geven van de alternatieven voor dierproeven en van de ontwikkelingen te dien aanzien?

De heer Van der Steenhoven (GroenLinks) constateert dat aan het nieuwe stoffenbeleid een jarenlange discussie vooraf is gegaan over de gevaren van chemische stoffen, een discussie die een beetje verzand was en die de minister in juni vorig jaar heeft vlotgetrokken door met een goed beleidskader (SOMS) te komen waar de Kamer mee akkoord ging. Binnen dit kader kan tot een aanpak worden gekomen van de gevaren die sommige chemische stoffen kunnen opleveren. Dat dit reële gevaren zijn, blijkt bijvoorbeeld uit een rapport van de Gezondheidsraad van 1999 over de aanwezigheid van hormoonverstorende stoffen in het oppervlaktewater. Hierop sluit een recent rapport van het RIZA aan, waarin vastgesteld wordt dat onder andere in samenhang met de uitstoot van hormoonverstorende stoffen er bij een aantal vissoorten sprake is van geslachtsverandering. Het is daarom van belang een zorgvuldige procedure te hanteren bij het nagaan of er niet veel meer stoffen in omloop zijn die een gevaar kunnen vormen voor volksgezondheid of milieu.

Bij de vormgeving aan het stoffenbeleid komt het uiteindelijk aan op een politieke keuze: wat heb je over voor volksgezondheid en milieu? In dat verband ziet de heer Van der Steenhoven de casus van FR-720 als een illustratief voorbeeld. Daarbij is een procedure gevolgd die in overeenstemming is met de SOMS-nota. Het betrokken bedrijf is om gegevens gevraagd maar kon deze niet leveren, hetgeen op zich de bij het vorige algemeen overleg uitgesproken stelling bevestigt dat er veel stoffen in omloop zijn waarvan de mogelijke effecten niet bekend zijn. Het vervolgens door het bureau NOTOX opgestelde onderzoeksrapport is, conform de procedure, getoetst door een onafhankelijke instantie, in dit geval het RIVM. Het RIVM concludeert daarbij dat onderliggende rapporten met testgegevens ontbreken, de overgelegde informatie onvolledig is, het niet vaststaat dat de testresultaten onder «good laboratory practice» tot stand zijn gekomen, en bij de bepaling van de blootstelling aan FR-720 onjuiste gegevens zijn gebruikt.

De heer Van der Steenhoven acht het, uitgaande van deze conclusies, niet meer dan logisch dat de minister besluit de stof FR-720 niet toe te staan totdat de openstaande vragen zijn beantwoord. Uit de onafhankelijk toets van het RIVM blijkt dat de overgelegde gegevens onvoldoende zijn om een oordeel over de stof te kunnen geven. Er is dan sprake van «no data» en derhalve geldt, overeenkomstig hetgeen in het kader van SOMS is overeengekomen: «no market». Als de benodigde gegevens er wel komen, kan alsnog een beoordeling plaatsvinden.

De heer Van der Steenhoven acht het een onjuist uitgangspunt om, ook al is een stof gevaarlijk, af te zien van maatregelen omdat deze in Europees verband tot concurrentievervalsing kunnen leiden zolang er nog geen harmonisatie is. Een stof waarvan geconstateerd wordt dat deze een gevaar is voor de volksgezondheid, dient verboden te kunnen worden, ook al is de Europese Unie nog niet zo ver. Geen enkel nationaal beleid sluit hier naadloos aan bij het Europese niveau, want deze zaken zijn voortdurend in beweging. Noch de Europese Commissie, noch landen als Engeland en Frankrijk hebben al onderzoek gedaan naar de stof FR-720. Als zij dit wel hadden gedaan, waren zij misschien tot dezelfde conclusie gekomen als de minister.

Het voorbeeld van de stof FR-720 laat het belang zien van een onafhankelijke toetsing, iets wat de heer Van der Steenhoven een beetje mist in de voortgangsrapportage. Hoe zal het stoffenbureau de onderzoeken controleren die door het bedrijfsleven zelf worden gedaan? Gebeurt dit steekproefsgewijze of gaat elk onderzoek gepaard met een reactie van het stoffenbureau? Hij vindt dat het stoffenbureau zonodig zelf onderzoek moet kunnen doen. Kortom, hoe wordt het stoffenbureau precies ingevuld en welke rol krijgt het? De afspraken die daar in juni 2001 over zijn gemaakt, moeten gestand worden gedaan. Dat is belangrijk voor kabinet en parlement, die op grond van de aangeleverde bevindingen tot een oordeel moeten kunnen komen. Zal een door de minister met het bedrijfsleven te sluiten convenant deze afspraken onverlet laten?

Op het punt van de dierproeven sluit de heer Van der Steenhoven zich aan bij de inbreng van de heer Poppe. Alles dient in het werk te worden gesteld om dierproeven te vermijden en ervoor te zorgen dat de alternatieven volledig worden benut.

Het antwoord van de minister

De minister meent te kunnen vaststellen, op grond van de inbreng van de zijde van de Kamer, dat de voortgangsrapportage op algehele instemming kan berusten. De gestelde vragen houden niet in dat wordt teruggekomen op de filosofie zoals deze vorige keer is besproken bij de behandeling van de SOMS-nota. Er staat heel wat te wachten in het kader van het nieuwe stoffenbeleid en de minister probeert een en ander zo goed mogelijk te faseren, onder meer via de quick-scan van stoffen. In de voortgangsrapportage is de categorieënindeling aangescherpt en zijn de criteria gedefinieerd. Dit alles luistert zeer nauw, teneinde te voorkomen dat er straks fouten mee worden gemaakt en zaken ten onrechte worden goedgekeurd.

Er wordt gestreefd naar een zo goed mogelijke afstemming met de Europese Unie; de regering houdt de EU op de hoogte van de wijze waarop in Nederland het nieuwe stoffenbeleid wordt uitgevoerd. De ontwikkelingen in Nederland en in Europa lopen voor een belangrijk deel gelijk op, maar Nederland kan niet wachten op Europa. De minister hoopt en verwacht dat de Nederlandse aanpak steeds meer gehoor zal vinden bij de andere lidstaten.

De minister is doende om aan een aantal zaken uitwerking te geven zoals vermeld in de voortgangsrapportage. Het overleg met het bedrijfsleven gaat door, met inbegrip van het MKB. Dit heeft geleid tot de «proeftuinen»; de Kamer is daarover geïnformeerd. Hij heeft het echter minder noodzakelijk gevonden om tot een tweezijdige intentieverklaring met het bedrijfsleven te komen. Het lijkt hem voor zowel bedrijfsleven als beleidsmakers dienstig de handen enigszins vrij te houden, nu, door het afhaken van de milieubeweging, een tripartiete verklaring niet mogelijk bleek. Ook met het oog op de formulering van conceptregelgeving acht hij het beter zich nu noch niet te binden aan een convenant. Nu wordt gewerkt aan een proeftekst op basis van hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer. Deze proeftekst is binnen een paar weken gereed en zal aan de Kamer worden toegezonden; daarin wordt aandacht gegeven aan de regelgeving zoals die uiteindelijk door de Kamer dient te worden geaccordeerd. Over de proeftekst kan overleg tussen minister en Kamer plaatsvinden; hij is eveneens bereid er met het bedrijfsleven over te spreken.

De minister heeft al eerder uitgesproken dat hij de CTB-constructie niet bij voorbaat repliceerbaar acht op het gebied van het nieuwe stoffenbeleid. Hierbij is het zijn opvatting dat het bedrijfsleven de verantwoordelijkheid heeft alle gegevens aan te leveren en dat de overheid beslist. In de volgende voortgangsrapportage zal het stoffenbureau, ondergebracht bij het RIVM, aan de orde komen. De Kamer krijgt dan een nadere uitwerking voorgelegd. Het stoffenbureau dient een onafhankelijk bureau te zijn dat een bijdrage levert aan het valideren van de door het bedrijfsleven aangereikte gegevens. Het zal een beperkte opzet kennen, afgestemd op het vermijden van dubbel werk; het krijgt de mogelijkheid zelfstandig onderzoek te verrichten.

Er is regelmatig en intensief contact over deze zaken tussen ministerie en bedrijfsleven. Van de zijde van het bedrijfsleven is door VNO-NCW inmiddels een werkplan opgesteld ter uitvoering van de intentieverklaring; ook over de uitvoering is overleg tussen ministerie en bedrijfsleven. Uitvoeringsovereenkomsten zijn mogelijk. Er wordt zorgvuldig te werk gegaan, ook van de kant van VNO-NCW en de chemische industrie. Het is de inzet van de minister dat alle informatie beschikbaar moet zijn voor degenen die uiteindelijk beslissen over het wel of niet toestaan van een stof. In beginsel dient deze informatie tevens openbaar te zijn. Daaraan zijn grenzen, maar er mag geen overmatig gebruik gemaakt worden van een beroep op bedrijfsgeheim en vertrouwelijkheid. De in acht te nemen grenzen moeten in de wet worden vastgelegd; hierop wordt ingegaan in de genoemde proeftekst. De overheid, het kabinet, is verplicht om alles zo duidelijk mogelijk te verantwoorden tegenover de Kamer, het publiek en het bedrijfsleven, maar de overheid moet er daarbij voor zorgen geen aanleiding te geven tot concurrentievervalsing tussen bedrijven. Op dit moment beschikt de minister op het punt van beschikbaarstelling en openbaarmaking van gegevens niet over een «stok achter de deur»; hij heeft deze pas, wanneer de beoogde regelgeving van kracht is.

De minister onderkent dat de handhavingsactiviteiten gelijke tred zullen moeten houden met de beslissingen die worden genomen in het kader van het nieuwe stoffenbeleid. De handhaving blijft in handen van de VROM-inspectie, die zich daarbij op de bestaande wetgeving baseert, zoals ook de minister doet door zich bij zijn verbod van de stof FR-720 te beroepen op de Wet milieugevaarlijke stoffen.

Het zal veel tijd vergen voordat een Europees stoffenbeleid daadwerkelijk tot stand gebracht kan zijn en op dat moment zal het Nederlandse stoffenbeleid zich daarin moeten voegen. In de tussentijd gaat het nieuwe stoffenbeleid in Nederland weliswaar gelijk op met en in dezelfde richting als hetgeen zich op Europees niveau ontwikkelt, maar daarbij kan niet worden verlangd dat zaken naadloos op elkaar aansluiten, aldus de minister. De VVD-fractie mag het afwijzen dat Nederland daarin vooruitloopt, maar de Nederlandse overheid is verantwoordelijk voor de gezondheid en veiligheid van de eigen bevolking, zoals dit ook geldt voor de overheden van de andere lidstaten. De één loopt daarbij wel eens wat harder dan de ander; het moet echter in redelijkheid gebeuren en die redelijkheid moet verantwoord kunnen worden aan de hand van de zorgplicht die overheden hebben voor de eigen burgers.

Hoewel het gebruik van proefdieren niet volledig is uit te sluiten, verwacht de minister dat hij het aantal dierproeven verder kan terugdringen, in overeenstemming met een algemeen gevoelde wens bij alle betrokkenen. Het streven is er al op gericht dierproeven tot een minimum te beperken; het is hem bekend dat het RIVM op de hoogte is van de mogelijke alternatieven. Er zijn vele alternatieven voor dierproeven. Zo is er een quick-scanachtige onderzoeksmethodiek opgezet die dierproeven onnodig maakt. Hij zal de Kamer in de volgende voortgangsrapportage informeren over de stand van zaken.

Nadat op 13 juni 2001 telefonisch aan Broomchemie het voornemen is medegedeeld om productie, import, handel en toepassing van FR-720 te verbieden, is er regelmatig ambtelijk overleg geweest tussen het ministerie van VROM en het bedrijf. Dit heeft geresulteerd in voorstellen van Broomchemie betreffende een onderzoeksprogramma, waarvan kennis is genomen. De voorgenomen verbodsmaatregel is als technische maatregel genotificeerd bij de Europese Commissie, op 25 juli 2001. Na verloop van de wachttermijn van drie maanden heeft de Commissie, omdat er vele commentaren waren binnengekomen van andere landen, deze verlengd tot 25 januari 2002. Op 25 januari van dit jaar is er echter, ook bij navraag, niets vernomen van de Europese Commissie. De minister had de inmiddels van het bedrijf ontvangen onderzoeksresultaten ter validering aan het RIVM gezonden. Op basis van het eind januari ontvangen rapport van het RIVM is hij tot de conclusie gekomen dat de reden voor een verbodsmaatregel niet is weggenomen, omdat de juistheid en volledigheid van de aangeleverde informatie onvoldoende is. Uit een oogpunt van zorgvuldige procedure heeft hij zijn voorgenomen besluit via het kabinet geleid; het kabinet heeft hem vervolgens in de gelegenheid gesteld dit besluit te nemen. De minister heeft daarna met zijn medewerkers de zaken eerst nog eens doorgenomen om zeker te zijn van een goed onderbouwde oordeelsvorming betreffende een verondersteld veiligheids-, gezondheids- en milieurisico. Zijn deskundigen komen tot de conclusie dat er geen reden is te twijfelen aan het oorspronkelijke, door hen onderbouwde vermoeden dat er een milieurisico is op althans de langere termijn. Zij zijn tevens van mening dat aan de zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer onvoldoende is voldaan. Hierbij komt dat het RIVM ook de in tweede instantie door het bedrijf aangeleverde gegevens als onvoldoende heeft beschouwd. De minister komt dan ook tot de conclusie dat er geen wijziging is in de oorspronkelijke opvatting dát er een risico is; derhalve komt hij tot een verbod.

Broomchemie is in de gelegenheid gesteld op het hoogste ambtelijke niveau een mondelinge toelichting te geven. Het bedrijf is voorgesteld vrijwillig af te zien van het in productie nemen van FR-720, waarbij de minister dan niet zou overgaan tot een verbod. Van dit aanbod heeft het bedrijf geen gebruik gemaakt. Er staat de minister dan geen andere weg open dan de nu gevolgde, waarbij er een tijdelijk verbod geldt totdat er door het bedrijf nadere gegevens zijn aangeleverd die bewijzen dat er geen risico is. Hij kan derhalve niet ingaan op het voorstel van de heer Van den Akker, want dat zou betekenen dat er geproduceerd kan worden, in afwijking van de wettelijke regels en procedures. Daarmee zou tevens een precedent zijn geschapen voor andere stoffen. De minister is bij zijn beslissing niet over één nacht ijs gegaan. Het bedrijf heeft regelmatig de gelegenheid gekregen gegevens aan te leveren; alle aangeleverde gegevens zijn wat hem betreft publiek beschikbaar. Hij hoopt dat het bedrijf in de gelegenheid zal zijn om binnen afzienbare tijd wel de juiste gegevens aan te leveren. In de tussentijd heeft hij, om de zaak te bespoedigen, opdracht gegeven aan het RIVM een zelfstandig onderzoek te verrichten.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van den Akker (CDA) constateert dat de minister ten aanzien van Broomchemie en FR-720 te werk is gegaan volgens de nog bestaande regelgeving. Tegenover de conclusies van de door de minister geraadpleegde deskundigen staan de conclusies van NOTOX en van enkele Europese landen, alsmede van de Europese Commissie. Zij hebben tot nog toe geen reden gezien deze stof te verbieden. De mening van het RIVM kan wat dat betreft niet alleenzaligmakend zijn.

Het voorstel van de minister aan Broomchemie om op basis van vrijwilligheid af te zien van de productie van FR-720, staat voor een bedrijf dat wil produceren gelijk aan een verbod, aldus de heer Van den Akker. Wat ziet de minister hier als het verschil met het CDA-voorstel om niet langer door te laten produceren dan tot aan het einde van het jaar, op voorwaarde dat dan een goede risicoanalyse op tafel ligt op grond waarvan de minister een besluit kan nemen? Gemiddeld genomen zit er hooguit een verschil van een halfjaar productietijd tussen beide voorstellen: dat kan toch niet het grote bezwaar van de minister zijn? Wordt hier niet met een geweer op een mug geschoten?

De minister baseert zijn beslissing voorts op de vergelijking van FR-720 met een andere stof waarvan de risicobeoordeling door de Europese Commissie pas aan het einde van het jaar ter beschikking komt. In Nederland wordt nu echter al vooruitgelopen op een negatieve uitslag daarvan. Ook in dat licht moet de minister het voorstel van de CDA-fractie zien. De indruk is dat Broomchemie tussen wal en schip valt, tussen nieuwe en oude regels.

De heer Udo (VVD) acht de verbodsmaatregel inzake FR-720 een controversiële beslissing van de minister, waarbij het risico wordt gelopen dat de Europese Commissie een juridische procedure tegen Nederland aanspant. De Commissie concludeert in een schrijven dat de maatregel niet gerechtvaardigd is in het licht van dringende redenen zoals de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu: de minister heeft die dringende redenen niet aangetoond. De minister stelt slechts dat er op langere termijn de verwachting van een milieurisico is.

De heer Udo sluit zich aan bij het verzoek van de heer Van den Akker om het bedrijf Broomchemie tot het einde van het jaar de kans te geven aanvullende informatie te verstrekken. Het RIVM heeft, ondanks kritiek op tekortschietende informatie, niet gezegd dat er aanwijzingen zijn voor een verbod. NOTOX heeft het bedrijf te kennen gegeven dat er contact is met het RIVM en dat er nog steeds niet kan worden geconcludeerd dat er schade is voor milieu en volksgezondheid.

De heer Poppe (SP) verbaast zich erover hoe hier de belangen van een bedrijf worden verdedigd, terwijl de uitleg van de minister, onder verwijzing naar het RIVM, hem toch alleszins acceptabel voorkomt, ook uit een oogpunt van zorgvuldigheid. Het is immers niet zonder betekenis als gesproken wordt van te verwachten milieurisico's op lange termijn. De heer Poppe spreekt in dit geval liever van het niet toelaten van een nieuw product dan van een verbod, want bij verbieden gaat het om het ophouden met iets wat al gebeurt en dat laatste is hier niet het geval.

Constaterende dat er wekelijks nieuwe producten op de markt komen, vraagt de heer Poppe of de minister bereid en in staat is de nu gevolgde procedure toe te passen op andere stoffen die op deze wijze op de markt komen, maar die niet direct de aandacht krijgen die de aanwezigheid van broom nu eenmaal oproept. Bij een aantal van deze stoffen kan die aandacht echter wel gerechtvaardigd zijn. Beschikt de minister daartoe over de benodigde middelen?

De heer Van der Steenhoven (GroenLinks) vindt dat in het geval van FR-720 de discussie vooral over het naleven van de procedure moet gaan. Wordt er voldaan aan de afspraak dat het RIVM een onafhankelijke toets kan uitvoeren, teneinde regering en parlement de informatie te leveren die nodig is om te kunnen beslissen? Wordt er voldaan aan de afspraken die in het kader van SOMS zijn gemaakt en wordt hetgeen in de Wet milieubeheer staat, goed toegepast? De heer Van den Akker lijkt hier tegenin te gaan door het onderzoek van een bureau dat betaald wordt door het betrokken bedrijf, als onafhankelijker te beschouwen dan het onderzoek van het RIVM, voorloper van het onafhankelijke stoffenbureau.

Ter uitvoering van de motie-Feenstra/Van den Akker is een lijst van stoffen opgesteld die aanleiding geven tot zeer ernstige zorg. Het is zorgwekkend dat zich daaronder 22 stoffen bevinden die binnen deze categorie als de gevaarlijkste zijn gekarakteriseerd. Komt er voor deze stoffen een procedure zodat er maatregelen genomen kunnen worden?

De heer Feenstra (PvdA) gaat ervan uit dat iedere bewindspersoon spreekt namens het kabinet. De uitvoerige uiteenzetting van de minister betreffende zijn aanpak van de stof FR-720 maakt nog eens duidelijk dat dit ook hier het geval is. Deze aanpak, gebaseerd op bestaande wetgeving, lijkt op de SOMS-aanpak, in die zin dat het bedrijf de informatie moet leveren, dat deze onafhankelijk wordt gevalideerd en dat bij een ernstig vermoeden gekomen dient te worden tot maatregelen waarbij uiteindelijk de politiek besluit. De SOMS-aanpak zelf ontbeert nog een wettelijke basis.

In zijn brief van 1 maart 2002 (VROM-2002–266) geeft de minister aan dat de verbodsmaatregel van tijdelijke aard is en terstond kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien nader informatie beschikbaar komt. Is het bekend of Broomchemie op dit moment aanvullend onderzoek doet en, zo ja, op welke termijn de resultaten daarvan mogen worden verwacht? Kan wat dat betreft ook een termijn genoemd worden voor het onderzoek van het RIVM waartoe de minister opdracht heeft gegeven?

De minister wijst op het onderscheid dat procedureel wordt gemaakt tussen nieuwe stoffen en bestaande stoffen. Voor nieuwe stoffen is procedureel alles geregeld. Bij het op de markt brengen ervan moeten eerst alle gegevens worden overgelegd en als die niet voldoende zijn, mag er niet worden geproduceerd. Indien FR-720 een nieuwe stof zou zijn, dan zou het voorgaande hebben gegolden. Vastgesteld zou dan kunnen worden dat er onvoldoende gegevens beschikbaar waren en dat op die basis niet tot productie zou mogen worden overgegaan. Het gaat hier evenwel om een bestaande stof die als product, een broomhoudende brandvertrager, nieuw op de markt wordt gebracht. Over deze stof is al zo'n anderhalf jaar gesproken en dat heeft de minister tot een extra zorgvuldige procedure gebracht.

Bij een bestaande stof die nieuw op de markt wordt gebracht, wordt met de bestaande Nederlandse regelgeving gewerkt. Dat is de regelgeving die de minister heeft toegepast en daarbij heeft hij uiteengezet wat de argumentatie daarvoor is. Dat is een ander systeem dan het Europese systeem. Europa zegt niet dat de stof niet gevaarlijk is; Europa zegt dat er door de Nederlandse regering geen volledige risicobeoordeling is gegeven. De Nederlandse wetgeving houdt in dat die risicobeoordeling dient te worden gegeven op basis van de gegevens van het desbetreffende bedrijf en daaraan schort het. Europa zegt dat, nu de volledige risicobeoordeling er niet is, de Nederlandse regering niet het recht heeft om tot een verbod over te gaan. Dat is echter een ander systeem en daar wringt iets. De minister is gehouden de wet uit te voeren; daarin ligt vast dat het bedrijf alle gegevens aanlevert; de minister laat vervolgens het aangeleverde toetsen.

Voorzover gewezen wordt op de conclusie waartoe het bureau NOTOX komt, dient bedacht te worden dat het hier een instelling betreft die door het belanghebbende bedrijf gevraagd is om met een rapport te komen. De minister is geïnteresseerd in datgene wat wordt aangeleverd door het belanghebbende bedrijf; dit kan het uitbesteed hebben aan een ander, i.c. NOTOX, maar dat betekent niet dat het aangeleverde daarmee van karakter is veranderd. De minister laat de aangeleverde gegevens vervolgens beoordelen door een door de overheid gecertificeerde, onafhankelijke instelling. Dat is het stoffenbureau in statu nascendi, thans het RIVM. Dit zegt dat wat het bedrijf via NOTOX aanlevert, niet voldoende is om de minister af te kunnen brengen van diens oorspronkelijke oordeel. De minister stelt nu het bedrijf alsnog in staat om de vereiste gegevens aan te leveren; ieder nieuw rapport zal hij opnieuw ter beoordeling aan het RIVM voorleggen.

De minister heeft het RIVM thans opdracht gegeven de zaak eigenstandig en op zijn kosten te onderzoeken; hij is het betrokken bedrijf daarmee ter wille in deze overgangsperiode, opdat er spoedig kan worden gehandeld en beslist. Het is hem niet bekend hoe lang dit onderzoek zal duren; het betrokken bedrijf mag echter ieder moment met nieuwe gegevens komen. Als de gegevens door het RIVM als adequaat worden beschouwd, zal hij nog diezelfde dag het verbod intrekken, maar niet eerder; dat is de wettelijke procedure. Deze aanpak richt zich niet tegen het bedrijf of tegen het desbetreffende product, want iets dergelijks zou zich kunnen voordoen ten aanzien van talloze andere producten. De minister beschikt op dit moment echter niet over de capaciteit om op zo'n brede schaal eenzelfde benadering te volgen. Europa vraagt dit wel van de lidstaten, maar zij zijn daartoe niet geëquipeerd. Het SOMS-systeem biedt hier uitkomst; het is tevens het bewijs waarom dit nieuwe systeem zo gauw mogelijk moet worden ingevoerd, zodat al deze stoffen procedureel gelijk behandeld kunnen worden.

In hoofdstuk 4 van de voortgangsrapportage wordt informatie gegeven over de uitvoering van de motie-Feenstra/Van den Akker. Ten aanzien van de ongeveer twintig stoffen die beoordeeld zijn als niet geschikt om in het milieu gebracht te worden, zal er nog besluitvorming volgen. De minister sluit verbodsbepalingen hierbij niet uit, maar is daar op dit moment nog niet aan toe. Een zo zorgvuldig mogelijke aanpak is geboden; de Kamer wordt daarover geïnformeerd. Voorzover er met betrekking tot de stof FR-720 met een geweer wordt geschoten, is dat niet op een mug maar misschien op een muis. De OSPAR-lijst wordt beschouwd als de lijst van de meest gevaarlijke stoffen, een lijst die als eerste beschikbaar was om ermee aan de slag te gaan. Er mag niet worden geconcludeerd dat stoffen die niet op de OSPAR-lijst staan, niet behoren tot de categorie van mogelijk zeer riskante stoffen. Als het om een mug zou gaan, zou dit tot uitdrukking zijn gekomen in de validering door het RIVM van datgene wat is aangereikt. Het betreft echter evenmin de meest gevaarlijke stof, want het gaat niet om directe toxiciteit die zich tijdens de productie verspreidt of rechtstreeks in het milieu terechtkomt. De onzekerheid betreft de persistentie, de accumulatie en de langeretermijneffecten.

De investeringen die het bedrijfsleven moet doen als gevolg van de terugdringing van productie en gebruik van halon en cfk's, mogen volgens de EU-verordening niet door de overheid worden bekostigd, maar komen voor rekening van het betrokken bedrijfsleven. De minister mag wel bijdragen aan de verwerking van een en ander. Hierbij kan gedacht worden aan het om niet inzamelen; daar is echter niet voor gekozen. De regering heeft ervoor gekozen dat de bedrijven de investeringen plegen volgens de Europese regels. Er wordt een bijdrage gegeven voor de verwerking die de minister redelijk lijkt; het komt neer op een dekking van maximaal 50% van de verwerkingskosten. Voorzien wordt een periode van vijf jaar voor het totale traject . Er is over dit onderwerp lang overleg gepleegd met het bedrijfsleven, waarbij de minister heeft geprobeerd te komen tot een zo eenvoudig mogelijk inzamelsysteem. Naar zijn mening kan niet verder worden gegaan dan hetgeen nu is bereikt.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Th. A. M. Meijer

De assistent-griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Brandsema


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), voorzitter, Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Rietkerk (CDA), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Mosterd (CDA), Ten Hoopen (CDA), Depla (PvdA).

Plv. leden: Dijksma (PvdA), Stellingwerf (ChristenUnie), Valk (PvdA), Van Lente (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Crone (PvdA), Giskes (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Halsema (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Niederer (VVD), Van 't Riet (D66), Spoelman (PvdA), Hindriks (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Visser-van Doorn (CDA).

Naar boven