nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele
aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van
State).
De wet van 5 juni 2000 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte
en van de wet van 19 juni 1996 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte,
de Wet op de huurcommissies en de Wet individuele huursubsidie in verband
met de zogenaamde huursombenadering (Stb. 323) (wijziging percentages) (Stb.
243) bevatte in artikel IV een regeling om eenmalig, in afwijking van het
bepaalde in artikel 27, eerste en derde lid, van de Huursubsidiewet, voor
het tijdvak dat loopt van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001 de
zogenoemde huursubsidieparameters, genoemd in de Huursubsidiewet, voor de
maximale huurgrenzen, de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrenzen,
aan te passen met het in bijlage III bij het Besluit huurprijzen woonruimte
genoemde maximale huurverhogingspercentage van 3,8. Daartoe was door de regering
besloten ter uitvoering van de motie Duivesteijn c.s. (Kamerstukken II 1999/2000,
26 859, nr. 3). Op deze wijze werden voor de individuele huurders voor
het overgangsjaar 2000, binnen de systematiek van de Huursubsidiewet, de financiële
gevolgen als gevolg van een gedifferentieerd huurprijsbeleid, zoveel mogelijk
opgevangen.
Bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het jaar 2001 (Kamerstukken II 2000/2001,
27 400 XI) hebben de leden Biesheuvel en Duivesteijn onder stuknummers
10 en 37 een amendement ingediend, waarmee blijkens de toelichting wordt beoogd
de verschillende grenzen in de Huursubsidiewet ook voor het komende jaar te
indexeren met de maximaal toegestane huurstijging. Op deze wijze wordt voorkomen,
aldus de toelichting, dat huurders die een meer dan gemiddelde huurstijging
ontvangen met stijgende netto-woonlasten worden geconfronteerd.
Dit amendement is door de Tweede Kamer aangenomen, en ondergetekende heeft
bij die gelegenheid vervolgens verklaard dat hij bereid is voor het tijdvak
1 juli 2001–30 juni 2002 eenzelfde wettelijke voorziening
voor te bereiden als hiervoor is beschreven.
Het wetsvoorstel is dan ook, op het genoemde tijdvak na, gelijkluidend
aan het in de aanhef van deze toelichting aangeduide artikel IV van de wet
van 5 juni 2000.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J. W. Remkes