27 484 (R 1669)
Goedkeuring van het op 17 juli 1998 totstandgekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof

nr. 15
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 1 oktober 2001

De vaste commissie voor Justitie1 heeft de minister van Justitie de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd over diens brief van 13 juli 2001 inzake onder meer een tussenrapportage met betrekking tot het NOVO-team en Wos-team. De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 28 september 2001.

De vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Swildens-Rozendaal

De griffier voor deze lijst,

Stahlie

1

Is er al enig zicht op welke opsporing en vervolging zich, buiten de opsporing en vervolging van Joegoslavische oorlogsmisdadigers en de zogenaamde 1F-zaken, in de nabije toekomst mogelijk zal aandienen? Zo niet, wanneer zal hier duidelijkheid over kunnen worden verschaft, voornamelijk in relatie tot de benodigde financiering en hoeveelheid fte's die op dat moment nodig zullen zijn?

Neen. Het NOVO-team richt zich thans op basis van het gestelde in de Wet Oorlogsstrafrecht primair op de opsporing van oorlogsmisdrijven gepleegd tijdens een (internationaal) gewapend conflict, waar ook ter wereld. Er valt niet op een verantwoorde wijze te voorspellen welke zaken zich in de toekomst, in het bijzonder na inwerkingtreding van de Wet internationale misdrijven, zullen voordoen.

2

Hoe is het mogelijk dat het College van procureurs-generaal tot de conclusie komt dat een uitbreiding van het NOVO-team niet noodzakelijk is, terwijl in het Evaluatierapport wordt aangegeven dat gezien het aantal zaken in combinatie met de complexiteit ervan de huidige capaciteit van het NOVO-team volstrekt onvoldoende is? Wat is het oordeel van het kabinet hierover?

Het College is van mening dat om uitsluitend de taken betreffende de opsporing en vervolging van Joegoslavische oorlogsmisdadigers uit te voeren, een uitbreiding van de formatie van het WOS-team en van het NOVO-team, zoals opgenomen in het plan van aanpak van januari 1998 niet nodig is. Het College heeft hierbij, in de aanbiedingsbrief bij het evaluatierapport, nadrukkelijk aangegeven dat dit voor de aanpak van andere zaken, waaronder de 1F-zaken, geheel anders ligt. Berekeningen wijzen er, aldus het College, op dat voor die zaken een uitbreiding van het WOS-team en NOVO-team met tenminste 60 fte noodzakelijk is. Waar in het evaluatierapport gesteld wordt dat de huidige capaciteit van het NOVO-team volstrekt onvoldoende is, wordt gedoeld op de capaciteit om alle zaken (derhalve niet enkel de zaken betreffende Joegoslavische oorlogsmisdadigers) adequaat af te handelen. Er zit mitsdien geen enkel licht tussen de desbetreffende opmerkingen in de aanbiedingsbrief van het College en in het evaluatierapport.

3

De verplichting tot samenwerking met het Strafhof vloeit voort uit het feit dat een land partij is bij het Statuut en niet uit het al dan niet beschikken over uitvoeringswetgeving. Impliceert dit dat de uitvoeringswetgeving blijvend mag ontbreken?

Op Nederland als partij bij het Statuut van het Strafhof rust een volkenrechtelijke verplichting tot samenwerking met het Strafhof, maar dat betekent niet dat uitvoeringswetgeving mag ontbreken. Hoewel ter uitvoering van de verplichtingen uit het Statuut kan worden teruggevallen op de in het Statuut opgenomen regels, is het uit oogpunt van transparante wetgeving en ter completering, invulling en verfijning van de daarin opgenomen regels van belang dat de op Nederland rustende verplichtingen worden omgezet in nationaal recht. Zonder een dergelijke omzetting zal Nederland wel reeds in staat zijn om het Strafhof samenwerking te verlenen, maar de mogelijkheden daartoe zijn bij nader inzien beperkter dan in de brief van 13 juli jl. (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 484 (R 1669), nr. 13) werd geschetst. In het licht van een uitspraak die de civiele kamer van de Hoge Raad enkele jaren terug deed in een Arubaanse zaak (9 januari 1998, NJ 1998, 724, m.nt. Sch.), is voor de beantwoording van die vraag met name van belang of de desbetreffende bepalingen van het Statuut voldoende gedetailleerd zijn om zich voor rechtstreekse toepassing in de Nederlandse rechtsorde te lenen. Zoals reeds eerder aan de Kamer meegedeeld heeft de regering inmiddels een wetsontwerp ter regeling van de samenwerking met het Strafhof voor advies voorgelegd aan de Raad van State; dit advies wordt een dezer dagen verwacht. Daar de inwerkingtreding van het Statuut niet voor medio 2002 wordt verwacht en het dan nog enige maanden zal duren alvorens de daartoe bevoegde functionarissen van het Strafhof kunnen aantreden, reken ik erop dat deze wet in werking zal kunnen treden voordat het Strafhof Nederland om strafrechtelijke samenwerking kan verzoeken.

4

Nederland wordt middels het Statuut verplicht om mee te werken aan de strafrechtelijke vervolging van een ander land en desgevraagd een zich in Nederland verblijvende verdachte uit te leveren. Is het mogelijk dat door deze regeling personen moeten worden uitgeleverd die in het buitenland worden verdacht van een feit dat in dat betreffende buitenland strafbaar is, maar niet in Nederland? Zo ja, zal Nederland dit dan ook daadwerkelijk doen?

Het Statuut van het Strafhof heeft geen gevolgen voor de rechtshulp- en uitleveringsverplichtingen van de staten die partij zijn onderling, maar regelt slechts de verhoudingen tussen deze staten en het Strafhof. Wanneer een staat na inwerkingtreding van het Statuut aan Nederland verzoekt om uitlevering van een persoon ter berechting voor een in het Statuut genoemd misdrijf, zal Nederland dat verzoek toetsen aan hetzelfde verdragsrechtelijke en wettelijk instrumentarium als voorheen, waarbij de vraag naar de dubbele strafbaarheid dezelfde centrale rol zal blijven spelen. Overigens bestaat er slechts een zeer geringe kans dat daarbij de uitlevering wordt gevraagd voor een feit dat naar Nederlands recht niet als commuun delict strafbaar is gesteld, zodat steeds aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid zal zijn voldaan.

5

Wat is de laatste stand van zaken ten aanzien van de misdrijvenwet en het zogenaamde «strafbaarheidsgat»? Op welke termijn zullen in Nederland genocide en misdrijven tegen de menselijkheid onder alle omstandigheden strafbaar zijn ongeacht door wie en waar ze zijn begaan? Is het mogelijk om de strafbaarheid van deze zeer ernstige misdrijven ook met terugwerkende kracht strafbaar te stellen?

In voorbereiding is thans een voorstel voor een «Wet internationale misdrijven», waarin de strafbaarstellingen van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven zullen worden opgenomen. Daarin zal ook universele rechtsmacht voor die delicten worden gevestigd. Dit voorstel wordt opgesteld in nauw overleg met de departementen van Buitenlandse Zaken en Defensie. Het ontwerp zal binnen enkele weken voor advies aan een aantal instanties worden voorgelegd. Het streven is het voorstel voor de Kerst naar de Ministerraad en vervolgens naar de Raad van State te sturen. Indiening bij de Tweede Kamer wordt voorzien in het voorjaar van 2002.

Bij brief van 30 mei 2001 (Kamerstukken II 2000/2001, 27 484 (R 1669), nr. 12, p. 3) is de Kamer bericht dat de Wet internationale misdrijven nog voor het einde van dit jaar bij haar zou worden ingediend. Dit blijkt helaas niet haalbaar. Gelet op de complexe en fundamentele aard van de materie, is meer voorbereidingstijd nodig gebleken, alsmede een nauwgezette consultatie van deskundigen en adviesinstanties.

De vraag of het mogelijk is om deze zeer ernstige misdrijven met terugwerkende kracht strafbaar te stellen moet mijns inziens op grond van de beslissing van de Hoge Raad van 18 september jl. inzake de Decembermoorden ontkennend worden beantwoord. De Hoge Raad heeft daarin namelijk uitgemaakt:

1. dat de artikelen 16 Grondwet en 1 WvSr een «ongeclausuleerd verbod» bevatten om iemand te berechten voor een feit dat ten tijde van het begaan daarvan nog niet bij wet strafbaar was gesteld; en

2. dat het de rechter niet vrijstaat om die bepalingen wegens strijd met ongeschreven volkenrecht buiten toepassing te laten en een wettelijke strafbepaling (i.c. vervat in de Uitvoeringswet folteringverdrag) met terugwerkende kracht toe te passen.

6

Bestaat er ten aanzien van het misdrijf «foltering» ook een «strafbaarheidsgat» in de Nederlandse wetgeving? Is het waar dat, zoals in het Evaluatierapport wordt aangegeven, slechts ambtenaren en overheidsdienaren voor foltering kunnen worden vervolgd? Is geen vervolging wegens foltering mogelijk wanneer de mishandeling is begaan door, bijvoorbeeld, personeel van geprivatiseerde gevangenissen of particuliere veiligheidsdiensten die wellicht verdachten voor een kortere of langere tijd kunnen vasthouden?

Foltering is in Nederland strafbaar gesteld in de artikelen 1 en 2 van de Uitvoeringswet folteringverdrag. Krachtens artikel 1 is niet slechts de ambtenaar die zich in de uitoefening van zijn functie aan de betrokken handeling schuldig maakt, strafbaar, maar ook de «anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon». Daarmee wordt volgens de memorie van toelichting gedoeld «op andere personen (dan overheidsfunctionarissen) die in een officiële hoedanigheid handelen. Gedacht zou kunnen worden aan situaties waarin een particulier praktiserende arts wordt ingeschakeld om medische ingrepen op gedetineerden te plegen» (Kamerstukken II 1986/87, 20 042, nr. 3, p. 7). Overigens vloeit de beperking van artikel 1 Uitvoeringswet folteringverdrag tot foltering gepleegd door personen die een relatie hebben met de overheid, uit het folteringverdrag zelf voort.

Verder zij nog vermeld dat in de in voorbereiding zijnde Wet internationale misdrijven foltering of marteling ook strafbaar zal worden gesteld als misdrijf tegen de menselijkheid, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onder f, van het Statuut van het Internationaal Strafhof (ISH). Als zodanig lijkt foltering een ruimere betekenis te hebben en niet beperkt te zijn tot foltering gepleegd door personen in dienst van of werkzaam ten behoeve van de overheid.

7 en 25

Hoeveel aangiftezaken en hoeveel 1F-zaken zijn er vanaf de oprichting van het NOVO-team onderzocht over conflicten in voormalig Joegoslavië en overige aangifte- en 1F-zaken elders in de wereld?

Kan worden meegedeeld hoeveel aangiften zijn binnengekomen van slachtoffers, getuigen en/of hulpverleners en hoe vaak dat precies tot opsporingshandelingen heeft geleid?

Vanaf zijn oprichting tot september 2001 heeft het NOVO-team 45 «aangiftezaken» over het gewapende conflict in voormalig Joegoslavië en 8 «aangiftezaken» over gewapende conflicten elders in de wereld onderzocht. Van die zaken zijn er inmiddels 46 afgedaan (zie ook het antwoord op vraag 23).

Vanaf 1998 tot heden zijn bij het OM ingekomen 217 «1F-zaken», waarvan 3 tegen Bosniërs. Van deze 217 1F-zaken zijn inmiddels 47 zaken, waaronder één Bosnische zaak, afgevoerd van de lijst «te onderzoeken zaken», omdat Nederland geen rechtsmacht heeft, betrokkene geen verdachte is of onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om een opsporingsonderzoek te starten.

8

Kunnen opsporing en vervolging in het kader van de Wos in Nederland niet op een andere wijze worden geregeld dan middels rechtshulpverzoeken? Zo ja, welke mogelijkheden zijn er en wat zijn daarvan de voor- en nadelen?

Voor opsporing en vervolging van delicten uit de Wet Oorlogsstrafrecht zullen in veel gevallen onderzoekshandelingen buiten Nederland moeten plaatsvinden. Gelet op de daarbij te respecteren nationale soevereiniteit zal dat alleen mogelijk zijn op basis van een rechtshulpverzoek, al dan niet gebaseerd op een verdrag. Op deze wijze wordt eveneens gewaarborgd dat de informatie met toestemming van de buitenlandse autoriteiten wordt verkregen en kan worden gebruikt als bewijs in een Nederlandse strafzaak. Dit laatste kan immers een probleem zijn wanneer het bewijsmateriaal op andere wijze uit het buitenland is verkregen, waardoor de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid niet goed te toetsen zijn.

9

Welke instantie zal in de toekomst de hulpverlening aan de slachtoffers op zich nemen?

Ten aanzien van slachtoffers van strafbare feiten die door het NOVO-team worden onderzocht, is en blijft de aanwijzing slachtofferzorg van het College van procureurs-generaal van toepassing.

Voor zover u doelt op de berechting van strafbare feiten door het ISH is in art. 43, zesde lid van het Statuut vermeld dat binnen de griffie van het Strafhof een afdeling voor slachtoffers en getuigen in het leven geroepen dient te worden. Deze afdeling dient onder meer te beschikken over personeel met deskundigheid op het gebied van trauma's, met inbegrip van trauma's in verband met seksuele misdrijven. Een en ander is uitgewerkt in subsectie 2 van het reglement voor proces- en bewijsvoering van het ISH.

10

Om welke redenen is het tot op heden niet gelukt een tweede officier van justitie te werven voor het OM-team Wos?

Voor de vacante functie van (tweede) officier van justitie bij het WOS-team hebben zich aanvankelijk twee kandidaten aangemeld. Beiden hebben zich echter om persoonlijke redenen teruggetrokken.

11

Zullen er stappen ondernomen worden om een tweede officier aan te trekken voor het NOVO-team en zo ja, wat voor stappen?

Het College zal gelet op het toekomstige werkaanbod met betrekking tot de 1F-zaken, de vacature opnieuw openstellen, maar daarnaast ook gericht gaan werven.

12

In de tussenrapportage staat dat de bezetting van het OM-team Wos, zoals deze in de begroting is opgenomen, kan worden gezien als de gewenste sterkte. Bovendien wordt in deze rapportage de sterkte van het OM-team Wos gekoppeld aan het wel of niet op sterkte zijn van het NOVO-team. Kan er volgens de minister geconcludeerd worden dat de gewenste sterkte van het OM-team Wos te hoog is, aangezien er naast de vacature voor een tweede officier van justitie, geen aanstalten gemaakt werd de overige fte's (2,2 fte's meer begroot dan werkelijk) te realiseren?

Neen. Zoals uit het evaluatierapport blijkt, gaf het werkaanbod in de praktijk geen aanleiding om het WOS-team uit te breiden naar de in het plan van aanpak van januari 1998 opgenomen formatiebehoefte. Het zou om die reden bedrijfsmatig gezien niet verantwoord zijn geweest alle vacatures te vervullen. Zodra het feitelijke werkaanbod daartoe aanleiding vormt, zal de bezetting op peil worden gebracht.

13

Betekent de actualisering van het plan van aanpak dat de taken die tot nu toe niet uitgevoerd konden worden, zullen worden geschrapt? Worden die taken niet langer nuttig of noodzakelijk geacht?

Neen. Het NOVO-team zal blijven intermediëren bij de hulp van slachtoffers, maar niet meer zelfstandig de rol van hulpverlener vervullen. De ervaring met een andere taak van het NOVO-team, het verzamelen van voldoende bewijs om te kunnen komen tot een vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel is evenwel dat er doorgaans geen sprake zal zijn van een verrijking door de verdachten als gevolg van de gepleegde feiten. Waar dat wel het geval is, zal uiteraard alles in het werk gezet worden om voldoende bewijs te vergaren teneinde met succes een vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in te kunnen dienen.

14

Heeft het College van procureurs-generaal vanaf het begin van uitvoering van het plan van aanpak aanvaard dat de bezetting van het NOVO-team en het Wos-team aanzienlijk afweek van hetgeen daarover afgesproken was? Is deze situatie ooit met u besproken?

Het College van procureurs-generaal beschouwt de wisselende bezetting – en soms zelfs onderbezetting – van het NOVO-team als een groot punt van zorg en heeft dit ook meermalen, zowel schriftelijk als mondeling, bij mij (alsmede bij het KLPD) aangekaart. Voor de bezetting van het WOS-team verwijs ik naar het antwoord op vraag 11 en 12.

15

Waarom zijn er door het KLPD 2 rechercheurs tijdelijk aan het NOVO-team uitgeleend? Is de minister van oordeel dat de investeringen die gedaan zijn om deze rechercheurs op te leiden voor de specifieke aspecten van het NOVO-werk verspilling of in elk geval niet van duurzame aard zijn? Zo neen, bent u van plan op deze wijze het NOVO-team in de toekomst op sterkte te houden? Zo ja, wat gaat de minister er aan doen om er zorg voor te dragen dat er in de toekomst geen detachering meer plaats zal vinden en dat de werving van NOVO-rechercheurs voorspoedig gaat verlopen?

Vanaf de oprichting maakt het NOVO-team deel uit van het KLPD. Daarmee vormen de taken zoals eertijds voor het team vastgelegd een deel van de taken van het KLPD. Voortvloeiend uit de thans in gang zijnde reorganisatie van het KLPD is het NOVO-team binnen de Dienst Recherche Onderzoeken ondergebracht. Voor deze dienst geldt de opsporing van oorlogsmisdrijven als één van de resultaatgebieden. Afhankelijk van werkdruk en urgentie wordt de beschikbare capaciteit van de Dienst Recherche Onderzoeken verdeeld over de toegewezen resultaatgebieden. Het behalen van met het Openbaar Ministerie afgesproken resultaten is hierbij leidend. Teneinde voor het resultaatgebied oorlogsmisdrijven voldoende continuïteit te waarborgen, zijn daarom twee rechercheurs behorend tot de Dienst Recherche Onderzoeken aanvullend ingezet binnen dit resultaatgebied.

De investering die is gepleegd om deze rechercheurs te voorzien van basale kennis betreffende het resultaatgebied heeft een meerwaarde, aangezien de inzet een substantiële duur heeft en betrokkenen ook in de toekomst, indien noodzakelijk, wederom binnen dit resultaatgebied zullen worden ingezet. Ook in de toekomst zal op deze wijze worden voorzien in toereikende capaciteit voor het resultaatgebied oorlogsmisdrijven.

16 en 17

Uit het Evaluatierapport komt ten aanzien van de werkomgeving van het NOVO-team een nogal somber beeld naar voren: lange reistijden voor het woon- werkverkeer, langslepende zaken die maar niet voor de rechter komen, gebrek aan personeel en afwezigheid van specialistische kennis. Hoe denkt de minister verbetering in deze situatie te kunnen brengen zodat niet alleen het personeelsverloop wordt gestuit, maar het voor rechercheurs juist interessant en aantrekkelijk wordt om bij het NOVO-team te gaan werken?

In het Evaluatierapport wordt gesteld dat het geen goede zaak zou zijn wanneer het NOVO-team als zelfstandige eenheid zou worden opgeheven en op zou gaan in de Dienst Recherche Onderzoeken van het KLPD. Wat is de opvatting van de minister hierover?

Ik heb begrepen dat het de bedoeling is dat het NOVO-team ophoudt te bestaan als zelfstandig onderdeel van de KLPD. Ik ben evenwel van mening dat het NOVO-team een zelfstandig onderdeel van de KLPD moet blijven, waar mensen gedurende langere tijd, dat wil zeggen ten minste een aantal jaren, werkzaam zouden moeten zijn. Ik zal daartoe in overleg treden met mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en u van de uitkomst van dat overleg in kennis stellen.

18

Is bekeken hoe het systeem werkt in landen als België waar de vervolging van oorlogsmisdadigers wel van de grond lijkt te komen?

Het NOVO-team heeft driemaandelijks overleg met zijn «counterparts» in België en Duitsland. Tijdens die contacten wordt informatie uitgewisseld over onderzoeksmethodieken en specifieke landenkennis. Ik wil daarbij aantekenen dat in België de juridische mogelijkheden tot vervolging ruimer zijn dan in Nederland vanwege de in de Wet betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht uit 1999 neergelegde universele jurisdictie. Overigens geldt in België een verplichting om alle aangiften ingevolge de voornoemde wet in behandeling te nemen,

19 en 20

Is de minister bereid te onderzoeken waardoor er zo weinig asielzoekers bereid zijn aangifte te doen of een getuigenis af te leggen? Het Evaluatierapport doet een aantal aanbevelingen die mogelijk de aangiftebereidheid zouden kunnen doen vergroten. Is het kabinet van zins deze aanbevelingen over te nemen? Kan de minister het antwoord motiveren? Kan de minister een betere bronafscherming van getuigen garanderen?

Hoe denkt het kabinet de bereidheid van asielzoekers om aangifte te doen van oorlogsmisdadigers te stimuleren?

De tussenrapportage noemt op p. 16 al een aantal redenen waarom de bereidheid aangifte te doen of een getuigenis af te leggen onder asielzoekers gering is. Te denken valt aan opgelopen trauma's, herinneringen die zijn vervaagd, bedreigingen, de wens om ooit weer ongestoord in het land van herkomst te kunnen leven. Al deze factoren werpen voor asielzoekers en vluchtelingen een drempel op voor het doen van aangifte en het afleggen van getuigenverklaringen.

Asielzoekers en vluchtelingen zullen er dus van overtuigd moeten worden dat het doen van aangifte en het afleggen van verklaringen wel degelijk van belang is, omdat het bijvoorbeeld ook kan helpen bij het verwerken van opgelopen trauma's. Om hen hiervan te kunnen overtuigen, is het nodig om met degenen onder hen die als slachtoffer of getuige van oorlogsmisdrijven kunnen worden aangemerkt in contact te komen. Om dat te realiseren, is er vanaf de aanvang van het NOVO-team naar gestreefd om die instanties/personen die vanuit hun taakstelling (dagelijks) contact hebben met asielzoekers en vluchtelingen (bijvoorbeeld IND, Vluchtelingenwerk, vluchtelingenhulporganisaties, vreemdelingendiensten, e.d.) te informeren omtrent de activiteiten van het team, om aldus deze instanties en personen een brugfunctiete kunnen laten vervullen naar de vreemdelingen. Hiertoe zijn bij deze instanties voorlichtingsbijeenkomsten gehouden, is een folder ontwikkeld die ter beschikking werd gesteld, zijn artikelen verschenen in diverse vakbladen (Algemeen Politieblad, bedrijfsmagazine van de IND, periodieke uitgave van Vluchtelingenwerk, etc.) en is op het Internet een webpagina geplaatst. De effecten van deze inspanningen ijlen na, maar gesteld kan worden dat de groeiende bekendheid van het NOVO-team bij deze instanties in toenemende mate reacties oplevert en daarmee contacten met asielzoekers en vluchtelingen die hun verhaal aan de medewerkers van NOVO kwijt willen. Het voornemen is daarom dit beleid voort te zetten en de samenwerking met deze organisaties, conform de aanbeveling in de tussenrapportage, verder uit te bouwen en om daardoor de aangiftebereidheid verder te stimuleren. Dat ondersteun ik vanzelfsprekend.

Het Wetboek van Strafvordering – met name de bepalingen daarin betreffende bedreigde getuigen – is uiteraard ook van toepassing bij de strafrechtelijke onderzoeken van het NOVO-team. Daarnaast kan opgemerkt worden dat, voor het geval een getuige door het afleggen van een verklaring in een dreigingssituatie terecht is gekomen, het College van procureurs-generaal kan besluiten maatregelen te treffen ter bescherming van de veiligheid van de getuige.

21 en 22

Wat wordt er gedaan met zaken waarvan zich in Nederland getuigen bevinden (wordt er bijvoorbeeld contact gelegd met buitenlandse opsporingsdiensten)?

Zijn er ook aangiften ingekomen met betrekking tot personen die zich niet in Nederland bevinden, en zo ja, wat is daarmee gedaan?

Indien zich bij het OM of bij het NOVO-team getuigen of aangevers melden met betrekking tot uit voormalig Joegoslavië of Rwanda afkomstige verdachten die zich niet in Nederland bevinden, worden dezen doorverwezen naar de Tribunalen die daarvoor in het leven zijn geroepen. Indien de vermoedelijke verblijfplaats van verdachten buiten Nederland bekend is, wordt (tevens) contact opgenomen met de buitenlandse opsporingsinstanties. Indien de verdachte zich in Nederland bevindt, stelt het NOVO-team uiteraard een onderzoek in. Indien deze verdachten uit voormalig Joegoslavië en Rwanda afkomstig zijn, vindt daarover overleg plaats met de desbetreffende Tribunalen.

23

Kan een exact overzicht worden gegeven van de 46 beslissingen die in de periode 1998–2000 zijn genomen?

In de periode november 1998 tot november 2000 heeft het OM in 46 zaken, na onderzoek door het NOVO-team, een eindbeslissing genomen. Dit betrof 41 aangiftezaken over het gewapende conflict in voormalig Joegoslavië en 5 zaken over gewapende conflicten elders.

In totaal zijn 12 zaken tegen «ex-Joegoslaven» opgelegd wegens onvoldoende bewijs, doch niet dan nadat uitgebreide onderzoeksactiviteiten waren verricht, zoals het horen van aangevers en getuigen (veelal in het buitenland), pogingen waren gedaan verdere getuigen te achterhalen en na informatie-uitwisseling met het Joegoslavië-Tribunaal.

De overige 29 zaken tegen «ex-Joegoslaven» werden, na beoordeling van de dossiers en op basis van bij het Joegoslavië-Tribunaal ingewonnen informatie, (voorlopig) opgelegd omdat er onvoldoende aanknopingspunten aanwezig waren om het opsporingsonderzoek voort te zetten.

De 5 zaken over mogelijke oorlogsmisdrijven gepleegd tijdens gewapende conflicten elders in de wereld werden na uitgebreide opsporingshandelingen, opgelegd, omdat het onderzoek onvoldoende bewijs opleverde.

24

Welke houding wordt IND-medewerkers getraind aan te nemen ten opzichte van asielzoekers tijdens het (nader) gehoor en worden de trainingen van IND-medewerkers aangepast om de aandacht voor oorlogsmisdrijven te verhogen?

Het nader gehoor in een asielprocedure is erop gericht om de vluchtmotieven van een asielzoeker in kaart te brengen. Tijdens de trainingen krijgen de IND-medewerkers interviewtechnieken aangereikt om dit doel te bereiken. De nadruk bij de gehoren ligt op het verkrijgen van een volledig beeld van de vluchtmotieven en op het doorvragen op aspecten die in eerste instantie onvoldoende duidelijk zijn. Om te kunnen achterhalen of een asielzoeker betrokken is geweest bij oorlogsmisdrijven en/of misdrijven tegen de menselijkheid, is het doorgaans niet voldoende om alleen een helder beeld te hebben van de vluchtmotieven. Immers, om een ernstig vermoeden te kunnen uiten over het plegen van oorlogsmisdrijven en/of misdrijven tegen de menselijkheid dient tijdens het nader gehoor ook naar voren te komen precies welke werkzaamheden een asielzoeker heeft verricht, wat zijn/haar taken en verantwoordelijkheden daarbij waren en of de asielzoeker zich aan die werkzaamheden en/of activiteiten kon onttrekken. Tijdens leerwerktrajecten van nieuwe medewerkers bij de IND wordt hieraan reeds aandacht besteed. Verder wordt vanaf begin volgend jaar in het Kennis- en Leercentrum van de IND een opleidingsmodule aangeboden die onder andere ook hier op is gericht.

In dit verband is ook van belang om te melden, dat op de afdeling van de IND die belast is met het behandelen van 1F-zaken, gespecialiseerde hoormedewerkers werkzaam zijn die reeds een aantal jaren ervaring hebben met het verrichten van gehoren waarin 1F-aspecten aan de orde komen. Indien tijdens een nader gehoor blijkt dat onvoldoende aandacht is besteed aan mogelijke 1F-aspecten, volgt er een aanvullend gehoor waarin een gespecialiseerde hoormedewerker doorvraagt over aspecten die onvoldoende naar voren zijn gekomen tijdens het nader gehoor. Tenslotte is nog vermeldenswaardig dat de IND-medewerkers die belast worden met de behandeling van 1F-zaken, een opleiding over artikel 1F krijgen aangeboden bij het T.M.C. Asser Instituut te Den Haag.

26

Kan worden aangegeven in hoeverre een onderzoek op basis van een aangifte in aanpak verschilt van een onderzoek dat op basis van een 1F-melding wordt gedaan?

Bij aangiftezaken wordt, na een eerste beoordeling aan de hand van de aangifte en andere beschikbaar zijnde gegevens bezien of er sprake is van eengewapend conflict, of anderszins voldaan wordt aan de voorwaarden waaronder Nederland rechtsmacht heeft, het slachtoffer of de getuige doorgaans als eerste gehoord. Op basis daarvan wordt verder gerechercheerd. Zo zullen meer getuigen gezocht moeten worden en zal veelal nog ook de (juiste) identiteit en/of de verblijfplaats van de potentiële verdachte vastgesteld dienen te worden. Deze onderzoeken starten derhalve op basis van een concreet strafbaar feit.

In tegenstelling tot deze onderzoeken starten de onderzoeken op basis van een 1F-dossier, nadat eerst onderzocht is of er sprake zou kunnen zijn van misdrijven waarvoor Nederland universele rechtsmacht heeft gevestigd en betrokkene als verdachte kan worden aangemerkt, met een verdachte, waaraan vervolgens nog concrete strafbare feiten gekoppeld dienen te worden. Slechts in enkele zaken wordt in individuele ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken melding gemaakt van aanwijzingen omtrent de rol van betrokkene bij concreet gepleegde misdrijven.

27

Wat gebeurt er met de desbetreffende persoon als zijn/haar 1F-zaak door het OM van de lijst wordt afgevoerd? Wat is de vervolgprocedure? Betekent dit dat de 1F-beschikking door de IND niet meer in stand kan blijven en dat betrokkene opnieuw in de asielprocedure moet worden genomen?

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan reeds worden tegengeworpen wanneer sprake is van «serious reasons for considering that [...]». In het (internationaal) strafrecht geldt een veel stringentere bewijslast. Dat betekent dat er hele goede redenen kunnen zijn om wel artikel 1F toe te passen, ook al is er strafrechtelijk geen of onvoldoende bewijs dat sprake is van bijvoorbeeld medeplichtigheid aan oorlogsmisdrijven. In de praktijk zal dus veel vaker sprake zijn van het ernstige vermoeden dat de betrokken vreemdeling een oorlogsmisdaad of misdaad tegen de menselijkheid heeft begaan (en dus van tegenwerping van artikel 1F) dan van voldoende bewijzen voor strafrechtelijke vervolging. De IF-beschikking blijft gewoon in stand.

28 en 29

In de tussenrapportage wordt aangegeven dat er in wetenschappelijk onderzoek moet worden geïnvesteerd voor de behandeling van 1F-zaken. Hoe groot schat u deze investeringen in personeel en financieel opzicht?

Is het kabinet bereid te investeren in wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de behandeling van zogenaamde 1F-meldingen. Zo ja hoeveel en zo nee, waarom niet?

Het is niet juist dat in de tussenrapportage wordt aangegeven dat er in wetenschappelijk onderzoek moet worden geïnvesteerd. Wel is daarin gesteld dat er geïnvesteerd zal moeten worden in wetenschappelijke ondersteuning van het WOS-team en NOVO-team. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan historici en antropologen. Het evaluatierapport maakt melding van een noodzakelijke formatieve uitbreiding van tenminste 60 fte en deze wordt door het College onderschreven. Daarbij is reeds rekening gehouden met deze behoefte aan wetenschappelijke ondersteuning. Voordat er een definitieve beslissing is genomen over de toekomst van het NOVO-team (zie hierna de vragen 32–34), inclusief de eventuele (wetenschappelijke) versterking daarvan, is het moeilijk precies in te schatten hoe groot de investeringen in personeel en financieel zullen bedragen.

30

In het Evaluatierapport wordt gesproken over de problemen waarmee het OM-team Wos en het NOVO-team worden geconfronteerd wanneer er bewijsmateriaal in het buitenland moet worden verzameld. In welke mate worden beide teams daarin bijgestaan door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland?

Het probleem waarop in het evaluatierapport wordt gedoeld, betreft onder meer de omstandigheid dat rechtshulp uit bepaalde landen niet of slechts zeer moeizaam te verkrijgen is. In veel gevallen komt dat doordat met het betreffende land geen rechtshulpverdrag van kracht is. Daarnaast kan de mensenrechtensituatie in het betrokken land een rol spelen. In deze gevallen wordt telkens, in overleg met de desbetreffende directie van het ministerie van Justitie en met het ministerie van Buitenlandse Zaken, bekeken of en in hoeverre het verzoeken van rechtshulp mogelijk is. Tevens wordt met behulp van die directie en het ministerie van Buitenlandse Zaken middels de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland de voortgang van de uitvoering van de verzoeken bewaakt.

31

Kan worden aangegeven hoeveel 1F-meldingen per half jaar zijn ingekomen en hoeveel daarvan inmiddels zijn verwerkt?

Onderstaand treft u het gevraagde overzicht van ingekomen 1F-meldingen aan :

eerste halfjaar 1998: 4, waarvan er 3 zijn verwerkt (afgevoerd)

tweede halfjaar 1998: 10, waarvan er 5 zijn verwerkt

eerste halfjaar 1999: 17, waarvan er 6 zijn verwerkt

tweede halfjaar 1999: 30, waarvan er 8 zijn verwerkt

eerste halfjaar 2000: 42, waarvan er 5 zijn verwerkt

tweede halfjaar 2000: 58, waarvan er 10 zijn verwerkt

eerste halfjaar 2001: 34, waarvan er 9 zijn verwerkt

tweede halfjaar 2001 tot heden: 22, waarvan er 1 is verwerkt

In het totaal betreft het dus 217 ingekomen 1F-meldingen, waarvan er 47 zijn verwerkt.

32, 33 en 34

Meent u ook dat het NOVO-team een capaciteit van 60 fte's moet hebben om alle zaken te kunnen behandelen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat zijn de financiële consequenties hiervan en ziet u mogelijkheden tot verdere samenwerking in dit verband met de overige lidstaten binnen de Europese Unie?

Vindt de minister het toelaatbaar dat er met een inzet van 60 fte's maar van 1 tot 5% van de zaken verwacht mag worden dat deze bij de rechter aanhangig worden gemaakt? Zo ja, waarom?

Is het kabinet bereid het aantal formatieplaatsen drastisch te verhogen gezien de aanbevelingen uit het evaluatierapport?

Ik ben alleszins bereid te bezien of een uitbreiding van de capaciteit van het NOVO-team, zoals ook het College van procureurs-generaal heeft bepleit, wenselijk is en daartoe, in voorkomend geval, in overleg te treden met mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De effectiviteit van het WOS-team en NOVO-team wordt momenteel onderzocht door het WODC. Ik acht het raadzaam dit onderzoek af te wachten alvorens een definitief standpunt in te nemen. Dat onderzoek zal naar verwachting aan het eind van dit jaar kunnen worden afgerond.

Bij de beslissing zullen uiteraard alle relevante aspecten moeten worden betrokken. Ik denk daarbij onder meer aan de prognoses over het aantal zaken dat zal moeten behandeld, de ideeën over de precieze bezetting van een versterkt NOVO-team, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht, de financiële consequenties daarvan, de inbedding van het NOVO-team binnen de KLPD en de relatie tussen een eventuele uitbreiding van het NOVO-team en de verwachting omtrent het aantal zaken dat uiteindelijk aan de rechter kan worden voorgelegd. Deze aspecten moet zeer zorgvuldig worden bezien.

In het kader van de WODC-onderzoek zal ook de praktijk van de vervolging van oorlogsmisdadigers in een aantal andere Europese landen worden onderzocht. In algemene zin acht ik intensievere internationale samenwerking op dit terrein onontbeerlijk en daarom ondersteun ik alle daarop gerichte inspanningen. Waar mogelijk werkt het NOVO-team reeds samen met instanties in andere landen, waaronder de andere lidstaten binnen de Europese Unie.

35

Is het kabinet van zins te bewerkstelligen dat Nederland ook universele rechtsmacht vestigt voor niet in het kader van een gewapend conflict gepleegde misdrijven tegen de menselijkheid? Kan de minister zijn antwoord toelichten?

In de eerdergenoemde Wet internationale misdrijven zal de strafbaarstelling van misdrijven tegen de menselijkheid niet beperkt zijn tot misdrijven gepleegd in het kader van een gewapend conflict. Overeenkomstig artikel 7, eerste lid, aanhef, van het Statuut van het Internationaal Strafhof zullen die misdrijven niet «gekoppeld» worden aan het bestaan van een (internationaal of intern) gewapend conflict maar aan «een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking». De rechtsmacht daartoe zal gegrond zijn op het universaliteitsbeginsel, althans voor zover de verdachte zich in Nederland bevindt.

36

Hoe beoordeelt het kabinet de effectiviteit van het OM-team Wos en het NOVO-team?

Het Wos-team en NOVO-team vervullen met grote inzet en toewijding een buitengewoon lastige taak in een zeer complexe en politiek gevoelige omgeving. Ik acht het nochtans van groot belang te onderstrepen dat van hun werk het signaal uitgaat naar alle in Nederland verblijvende verdachten van (oorlogs)misdrijven, en met name hun slachtoffers, dat de Nederlandse overheid zich beijvert om deze verdachten zoveel mogelijk voor de rechter te brengen, uitgaande van de bestaande wetgeving en voor zover de samenwerking in internationaal verband dat feitelijk mogelijk maakt. Een finale beoordeling van de effectiviteit van het NOVO-team vind ik overigens pas aan de orde komen als het WODC-onderzoek is afgerond. In mijn definitieve standpunt zal ik zeker niet voorbij gaan aan de wetenschap dat het oneindig veel ingewikkelder is om verdachten van in het buitenland gepleegde (oorlogs)misdrijven in Nederland voor de rechter te brengen dan verdachten van misdrijven die hier zijn begaan, waarbij ik onder meer verwijs naar de problemen met bewijsgaring.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Kamp (VVD), ondervoorzitter, Rouvoet (ChristenUnie), O. P. G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA), Vacature (PvdA).

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), C. Cörüz (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Luchtenveld (VVD), Slob (ChristenUnie), Van den Doel (VVD), Rijpstra (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Vacature (GroenLinks), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Arib (PvdA).

Naar boven