27 484 (R 1669)
Goedkeuring van het op 17 juli 1998 totstandgekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof

nr. 14
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 24 juli 2001

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 en de vaste commissie voor Justitie2 hebben op 4 juli 2001 overleg gevoerd met minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken en minister Korthals van Justitie over de brief van de minister van Justitie d.d. 30 mei 2001 en de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 12 juni 2001 inzake het Internationaal Strafhof (27 484, R 1669, nr. 12).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Van Baalen (VVD) vraagt de minister naar zijn mening over de kritiek van de heer Pace, voorzitter van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof. Welke rol speelt deze coalitie? Hoe zwaar wegen de argumenten? Hoe representatief is deze club?

De ministeries van Buitenlandse Zaken en Justitie gaan ervan uit dat de benodigde ratificaties er binnen een jaar zullen zijn. Dat betekent dat het Internationaal Strafhof niet lang daarna operationeel zal worden. Is de locatie van de voorlopige huisvesting al bekend? Is dat Den Haag en, zo ja, waar? Is de tussentijdse huisvesting voor medio 2002 gegarandeerd? Zijn dan ook de eventuele wijzigingen in het bestemmingsplan geregeld en zijn de verbouwingen dan achter de rug? Hoe zit het met de behuizing van de staf? Zitten de gemeente Den Haag en het Rijk op één lijn?

De Alexanderkazerne is aangewezen als definitieve vestigingsplaats van het Internationaal Strafhof. De oplevering wordt verwacht rond 2007. Hoe zit het met de bestemmingsplanprocedure en de aan de nieuwe locatie verbonden kosten? Welke infrastructuur kan de gemeente Den Haag ter beschikking stellen? Hoe zit het met de huisvesting van de staf? De heer Van Baalen maakt ten aanzien van de verantwoordelijkheden van de Nederlandse overheid een nadrukkelijk onderscheid tussen de positie van Nederland als vestigingsplaats van het hof en van Nederland als verdragspartij. In de eerste plaats heeft Nederland een resultaatverplichting om te zorgen dat het hof adequaat gehuisvest is. In de tweede plaats heeft Nederland een inspanningsverplichting om te zorgen dat het hof adequaat kan functioneren.

Op 23 mei stond een conferentie over de Uitvoeringswet met het veld geagendeerd. Uit de brief van de minister van Justitie maakt de heer Van Baalen op dat het wetsvoorstel half juni aan de ministerraad zou worden voorgelegd. Is dat gebeurd? Wordt binnenkort een besluit genomen? De bedoeling is dat de overeenkomst omstreeks Prinsjesdag aan de Kamer wordt aangeboden. Is deze planning nog steeds haalbaar? Het Statuut van Rome vereist dat het Nederlandse materiële strafrecht wordt aangepast. Uit de brief blijkt dat de Kamer dit wetsvoorstel voor het eind van het jaar kan verwachten. Hoe haalbaar is deze planning?

De heer Van Oven (PvdA) maakt zich ernstig zorgen over de gang van zaken rondom het Internationaal Strafhof. De brief van William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof heeft die zorgen alleen nog maar vergroot. Volgens de heer Pace verlopen de voorbereidingen in Nederland rampzalig. Hij stelt dat er grote problemen kunnen ontstaan nu het tempo van ratificatie hoger is dan verwacht. Klopt het dat Zweden als 36ste land heeft geratificeerd? Is de verwachting dat de zestigste ratificatie binnen negen maanden binnen is? Dat betekent dat alles hier in Nederland per 1 januari 2002 startklaar moet zijn. Uit de brief van de minister van Buitenlandse Zaken maakt de heer Van Oven echter op dat wordt uitgegaan van de zomer 2002. Waarom wordt uitgegaan van zomer 2002? Ligt er een noodscenario klaar voor het geval dat het statuut eerder in werking treedt? Wie neemt de telefoon aan als op 3 januari 2002 Saddam Hussein als «war criminal» wordt aangeklaagd? Is de voorlopige huisvesting op 1 januari 2002 gereed? Wat kunnen andere landen aan dat traject bijdragen?

In een lang artikel somt prof. Strijards een groot aantal juridische problemen op die met de komst van het hof verbonden zijn. Was het niet beter geweest als hij zijn energie had gestoken in de voorbereiding van het hof zelf? Een speciaal probleem vormt de voorbereiding van de zetelovereenkomst. Met Nederland als staat zal het strafhof een hoofdkwartierovereenkomst moeten sluiten, maar dat kan alleen als het hof rechtspersoonlijkheid heeft en dat kan pas gebeuren als de zestigste ratificatie een feit is. Wordt er nu al onderhandeld met een strafhof in oprichting? Denkbaar is dat met de groep van landen die tot nu toe heeft geratificeerd afspraken worden gemaakt over voorlopige regelingen. Wat moet Nederland doen als er een extern gevaar dreigt voor een terechtzitting? Moet het ICC (International Criminal Court) dan de terechtzitting schorsen of heeft het de vrijheid om die waarschuwing naast zich neer te leggen? Moet Nederland rapporten van de BVD overleggen? Wat gebeurt er als een verdachte onmiddellijk na aankomst in Nederland om asiel vraagt? Wat te doen als de voorlopige hechtenis langer duurt dan artikel 5 van het EVRM toestaat? Wat is daarbij de verantwoordelijkheid van Nederland? Wat zijn de ervaringen van andere tribunalen in Nederland en in het buitenland? Worden die ervaringen systematisch verzameld en als basis gebruikt voor de opbouw van het strafhof? Wat is de bevoegdheid van het strafhof voor het contracteren? Moeten die contracten goedgekeurd worden door de Assemblee van ICC-staten?

In de brief van de minister van Justitie worden twee wetgevingstrajecten genoemd: de uitvoeringswetgeving en de implementatiewetgeving, maar die twee trajecten lopen niet parallel. De Uitvoeringswet Internationaal Strafhof zal rond Prinsjesdag worden ingediend. De implementatiewetgeving is pas aan het eind van het jaar te verwachten. Dat is zeer ingewikkelde wetgeving, waar ook het parlement geruime tijd voor nodig zal hebben. Het is dus te voorzien dat het hof al functioneert, terwijl Nederland nog niet de beschikking heeft over die wetgeving. Het gastland Nederland voldoet dan niet aan de strekking van het statuut dat het ook de feiten kan berechten die het hof berecht. Die situatie zal dus zo kort mogelijk moeten duren. Liggen die twee wetgevingstrajecten nog op schema? Is een versnelling mogelijk? Willen de ministers de Kamer voor het eind van het reces een traject doen toekomen dat uitkomt op 1 januari 2002 als inwerkingtredingsdatum van het hof? Dat geldt zowel voor de wetgeving als voor de logistiek.

Mevrouw Karimi (GroenLinks) verwijst naar artikelen in de Herald Tribune en de New York Times, waaruit zou blijken dat de Amerikaanse regering druk uitoefent om te voorkomen dat de zestigste ratificatie gehaald wordt. Is dat de ministers bekend? Uit die krantenberichten blijkt ook dat een nieuwe wet het Huis van Afgevaardigden is gepasseerd, waarin wordt bepaald dat de Amerikaanse militaire hulp wordt gestopt na inwerkingtreding van het hof. Bovendien maakt zij uit de berichten op dat er nooit een Amerikaan zal worden overgedragen aan het Internationaal Strafhof en dat Amerikaanse soldaten die hier vastzitten bevrijd zullen worden. Kan de minister van Buitenlandse Zaken die berichten bevestigen? Heeft de Nederlandse regering hierover contact opgenomen met de Amerikaanse regering? Zijn er gesprekken gaande tussen de Europese Unie en Amerika om te voorkomen dat het ratificatieproces vertraging ondervindt?

Er is sprake van twee gescheiden wetgevingstrajecten, de uitvoeringswetgeving en de implementatiewetgeving. Waarom is daarvoor gekozen? Het is natuurlijk onwenselijk als aanpassingen in het Nederlandse strafrecht nog niet hebben plaatsgevonden op het moment dat het statuut in werking treedt. Is het mogelijk om deze wetgevingstrajecten te versnellen? Kunnen de bewindslieden al iets zeggen over de universele jurisdictie? In de Mensenrechtennotitie die de minister van Buitenlandse Zaken de Kamer heeft gestuurd staat: «Zonder te kunnen anticiperen op de concrete invulling van het concept in de toekomst zien wij het begrip universele jurisdictie aan de horizon verschijnen.» Hoe zien de bewindslieden dat voor zich?

De heer Hoekema (D66) is verheugd over de komst van het Internationaal Strafhof naar Den Haag, maar hij wijst erop dat het van het allergrootste belang is dat Nederland aan alle verplichtingen kan voldoen. Nederland moet ervoor zorgen dat alles tijdig gereed is, om te beginnen met de ratificatie. Kunnen de bewindslieden aangeven wanneer het ratificatieproces precies is beëindigd? Is het waar dat inmiddels 36 landen het statuut hebben geratificeerd? Het is de bedoeling dat de Uitvoeringswet rond Prinsjesdag aan de Kamer wordt aangeboden. Loopt het wetgevingstraject nog op schema? Ligt het wetsvoorstel nu bij de Raad van State? Wordt dat koninkrijkswetgeving? Zo ja, kunnen er geen vertragingen optreden als Aruba en de Nederlandse Antillen hierbij betrokken worden? Is het mogelijk om een knip te maken tussen Nederland en de andere twee koninkrijksdelen? Eind van het jaar volgt het wetsvoorstel voor de aanpassing van het Nederlandse materiële strafrecht. Kan dat niet wat meer naar voren gehaald worden? Kan de minister van Justitie garanderen dat de twee wetgevingstrajecten in ieder geval in het vroege voorjaar van 2002 zijn afgerond?

Uit de bijlage bij de brief van de minister van Buitenlandse Zaken is de heer Hoekema niet duidelijk geworden hoe het precies zit met de interim-huisvesting. Volgens het schema zou de tijdelijke huisvesting najaar 2001/voorjaar 2002 worden verworven, maar vervolgens moeten er nog verbouwingen en aanpassingen plaatsvinden. Dat is een wel erg ambitieus tijdpad. Kan de minister toezeggen dat het schema gehaald wordt? Waar wordt de tijdelijke huisvesting gerealiseerd? De Alexanderkazerne wordt de definitieve vestigingsplaats van het Internationaal Strafhof. Is de datum van 2006/2007 voor oplevering een harde datum? Kan de minister iets zeggen over de financiële enveloppe die Nederland ter beschikking heeft voor het gehele project? De heer Hoekema heeft inmiddels begrepen dat in 1997 140 mln gulden is gereserveerd voor huisvesting van het hof, 10 mln gulden per jaar gedurende tien jaar voor de structurele kosten en 40 mln gulden voor de incidentele kosten. De aanvaarding van het statuut en overige ontwikkelingen zouden kunnen leiden tot aanpassing van het financiële kader. Kan de minister iets zeggen over de financiering? Gesteld dat in het eerste jaar buitengewoon veel kosten worden gemaakt voor de huisvesting. Moet Nederland dan het leeuwendeel van de kosten voor zijn rekening nemen? Zijn daar al bindende afspraken over gemaakt?

Wanneer kan de Kamer de rapportage over het Novo-team verwachten?

De heer Van Middelkoop (ChristenUnie) vindt dat Nederland het aan zijn stand verplicht is dat alles op tijd klaar is als het Internationaal Strafhof aantreedt, ook de uitvoeringswetgeving en de aanpassingen van het materieel strafrecht. Hij legt de minister van Justitie de volgende casus voor. Een Afghaan die zich in Nederland bevindt en die zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid, moet op grond van het statuut worden uitgeleverd aan het hof. Dat kan echter alleen als de uitvoeringswetgeving op orde is. Als die persoon op grond van het subsidiariteitsbeginsel eerst voor de nationale rechter moet verschijnen, moet het materieel strafrecht zijn aangepast. Wat gebeurt er met deze persoon als de wetgeving nog niet is aangepast? Kan de minister van Justitie daarop reageren?

De heer Pace, voorzitter van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof, heeft zijn bezorgdheid geuit over de Nederlandse voorbereidingen voor het Internationaal Strafhof. Hij heeft het over «seriously unsatisfactory planning process», «a lack of preparation» en «a lack of political leadership». Wat is er in organisatorische zin gedaan na 1998? Is er op de departementen een soort «taskforce» in het leven geroepen? De heer Van Middelkoop vindt het van belang dat op een diplomatieke manier met deze groep mensen wordt omgegaan omdat deze groep vele organisaties vertegenwoordigt. Het moment van de inwerkingtreding wordt ook bepaald door de benoeming van een aantal functionarissen. Gaat daar niet veel tijd in zitten? Is de planning dan nog wel haalbaar? Is de huisvesting dan ook gereed?

De heer Verhagen (CDA) is het ermee eens dat Nederland zijn zaakjes op orde moet hebben als het Internationaal Strafhof aantreedt. Uit het bericht van William Pace maakt hij echter op dat de Nederlandse inspanningen op dat gebied minimaal zijn. Hoe is de stand van zaken bij de voorbereiding van het Internationaal Strafhof?

Het conflict dat is ontstaan tussen de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken over de Alexanderkazerne lijkt te zijn bijgelegd. Waarom heeft het zo lang geduurd voordat daar overeenstemming over is bereikt? Is de definitieve huisvesting nog wel op tijd gereed? Ook de tijdelijke huisvesting moet op tijd klaar zijn. Op welke locatie wordt die tijdelijke huisvesting gerealiseerd? Volgens de planning moet de interim-huisvesting in de zomer van 2002 in gebruik genomen worden. Is dat tijdpad nog wel haalbaar? Zijn de bewindslieden bereid om het tijdpad naar voren te halen?

De uitvoeringswetgeving zal naar alle waarschijnlijkheid rond Prinsjesdag naar de Kamer gestuurd worden en de aanpassing van de Nederlandse strafwetgeving aan het eind van het jaar. Waarom duurt het zo lang? Waarom is er niet voor gekozen om de uitvoeringswetgeving naar voren te halen? Nederland heeft als gastland een bijstandsverplichting, maar dat kan alleen als de wetgeving op orde is.

Het antwoord van de regering

De minister van Buitenlandse Zaken betreurt de beeldvorming die is ontstaan rond de inspanningen van de Nederlandse regering voor de komst van het Internationaal Strafhof. William Pace, een van de peetvaders van het hof en voorzitter van de Coalitie voor een Internationaal Strafhof (CICC), heeft zware kritiek geuit op de voorbereidingen die de Nederlandse regering heeft getroffen, maar die kritiek is niet helemaal terecht. Er wordt hard aan gewerkt om alles op tijd gereed te hebben. De minister zal zijn bezoek aan de Verenigde Staten ook gebruiken om duidelijk te maken dat Nederland aan al zijn verplichtingen zal voldoen, want het is niet in het belang van Nederland als dit beeld blijft bestaan. Hij benadrukt dat dit op een diplomatieke manier zal worden aangepakt.

In 1998 is er een interdepartementale stuurgroep ingesteld. Die stuurgroep is aan de slag gegaan met het vraagstuk van de locatiekeuze, maar heeft de nodige problemen ondervonden tijdens de zoektocht naar de definitieve locatie voor het strafhof. Verschillende opties hebben de revue gepasseerd, maar uiteindelijk is de keuze gevallen op de Alexanderkazerne. Daarover hebben in de loop van 2000 gesprekken plaatsgevonden met de gemeente Den Haag. De minister betreurt het als de indruk is gewekt dat er een conflict is ontstaan tussen de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken. De vestiging van het strafhof op het grondgebied van de Alexanderkazerne heeft gevolgen voor het Defensiecomplex aldaar. Als gevolg van de extra eisen die de voorbereidende commissie heeft gesteld, bijvoorbeeld aan de beveiliging en het onderbrengen van gevangenen in het complex, is het ruimtebeslag toegenomen. Dat heeft tot gevolg dat er extra kosten gemaakt worden. De besluitvorming daaromtrent vindt plaats bij de Rijksbegroting 2002. Nederland betaalt de bouw van het complex en de huur voor de komende tien jaar en alles wat te maken heeft met de vergadering van verdragspartijen. Er is een bedrag van 100 mln gulden gereserveerd voor een periode van tien jaar en daar komt 40 mln gulden voor de incidentele kosten bij. Er wordt ook hard gewerkt aan de interimhuisvesting. De minister kan nog niet zeggen wat de voorlopige vestigingsplaats van het hof wordt, maar hij geeft aan dat de onderhandelingen met de gemeente Den Haag op dit punt al ver zijn gevorderd. De tijdelijke huisvesting zal naar alle waarschijnlijkheid in het najaar verworven worden. In dat gebouw zal het nodige moeten gebeuren, maar dat zal voortvarend ter hand genomen worden. De minister zegt toe dat de logistiek en de infrastructuur gereed zijn op het moment van aantreden van het strafhof. Het streven is erop gericht om zo dicht mogelijk in de buurt van 1 januari 2002 uit te komen.

Het Internationaal Strafhof wordt een feit zestig dagen nadat zestig landen het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Het ratificatieproces verloopt sneller dan verwacht. Inmiddels hebben 36 landen het statuut geratificeerd en Nederland zal zich daar binnenkort bij voegen. In het statuut is geregeld dat vervolgens een vergadering van staten bijeen wordt geroepen. De vergadering zal zich moeten uitspreken over een groot aantal documenten dat is opgesteld door de voorbereidende commissie van het Internationaal Strafhof (PrepCom). Zo zal de ontwerpbegroting voor het eerste jaar besproken moeten worden en er zal een aantal administratieve zaken geregeld moeten worden. Tijdens deze vergadering zullen ook de aanklager en de rechters worden gekozen. De rechters kiezen vervolgens een president, waarna wordt overgegaan tot verkiezing van de griffie. De voorbereidingen daarvoor zijn inmiddels in gang gezet, maar dat is vooral de verantwoordelijkheid van de PrepCom. Nederland kan als een van de zestig staten een rol spelen in dat proces, maar niet meer dan dat. Nederland is niet verantwoordelijk voor het personeel van het hof. Op het ogenblik vindt overleg plaats over de vraag hoe en waar de vergadering van staten moet plaatsvinden en wat het staketsel van de agenda is. De verwachting is dat de vergadering deels in New York en deels in Nederland zal plaatsvinden.

Het is de minister niet bekend dat de Verenigde Staten een ontmoedigingsbeleid voeren ten aanzien van het Internationaal Strafhof. De onrust is waarschijnlijk ontstaan door het indienen van een amendement bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken in het Huis van Afgevaardigden. De minister zegt toe dat hij tijdens zijn bezoek aan de Verenigde Staten zal nagaan wat er precies aan de hand is en dat hij de Kamer daar zo spoedig mogelijk over zal informeren.

De mensenrechtennotitie schetst de ontwikkeling van het recht en het internationale recht op het punt van de mensenrechten. Met de zinsnede «Zonder te kunnen anticiperen op de concrete invulling van het concept in de toekomst zien wij het begrip universele jurisdictie aan de horizon verschijnen» wordt gedoeld op verdragsregimes en met name op het Martelingenverdrag. Schending van mensenrechten moet overal vervolgd kunnen worden.

De minister van Justitie wijst erop dat de weg naar ratificatie open staat door de aanneming van de Goedkeuringswet in de Eerste Kamer. Dit is voor Nederlandse begrippen overigens een staaltje van snelle wetgeving geweest. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer hebben daar voortvarend aan gewerkt.

Voor de wetgeving is gekozen voor een tweesporenbeleid. De samenwerkingswetgeving is een Rijkswet geworden. Daaraan zijn indringende gesprekken voorafgegaan met Aruba en de Nederlandse Antillen. Dit voorstel van Rijkswet is inmiddels voor advies naar de Raad van State gestuurd en de schatting is dat dit wetsvoorstel rond Prinsjesdag naar de Tweede Kamer verstuurd zal worden. Dan is er nog de Misdrijvenwet ter strafbaarstelling van de delicten uit het statuut die naar Nederlands recht nog niet strafbaar zijn, het zogenaamde strafbaarheidsgat. De planning is dat dit wetsvoorstel voor het eind van de zomer de adviesprocedure in gaat. Het streven is erop gericht om dit wetsvoorstel aan het eind van het jaar in te dienen bij de Kamer. Er is geen afzonderlijk Wetboek van Strafrecht en Strafvordering nodig, maar er is aansluiting gezocht bij de bestaande strafvorderingsregels. Het was mooi geweest als beide trajecten tezamen zouden worden afgerond, maar dat is niet mogelijk gebleken door de complexiteit van de regelgeving. Daarom heeft Nederland – en met Nederland vele andere landen – ervoor gekozen prioriteit te geven aan de samenwerkingswetgeving. De samenwerkingswetgeving is namelijk van veel groter belang voor het praktische functioneren van het hof.

Er is een intensief contact met het Joegoslaviëtribunaal, onder andere over de veiligheid en de beveiliging, maar ook over de rol van de BVD.

De universele jurisdictie komt aan de orde in het kader van de Misdrijvenwet die nog in voorbereiding is. Over de exacte vormgeving van de strafbaarstelling van bepaalde misdrijven in Nederland voert de minister overleg met het openbaar ministerie en met het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat zal overigens nog wel wat problemen meebrengen, maar daar zal in de memorie van toelichting uitgebreid op ingegaan worden. De minister is over het algemeen geen voorstander van het opnemen van terugwerkende kracht in het strafrecht, maar voor sommige misdrijven moet dat wel worden overwogen. In EU-verband wordt over de voor- en nadelen hiervan ook overleg gevoerd in het kader van de tweede pijler.

Indien een verzoek om overlevering wordt gedaan voor een persoon in Nederland voordat de samenwerkingswetgeving is afgerond, zal Nederland moeten overleveren buiten de dan bestaande wettelijke procedures om. Dat heeft gevolgen voor de rechtsbescherming die de betrokken persoon geboden kan worden. De vervolgbaarheid in Nederland moet beoordeeld worden naar de Nederlandse strafwetgeving. Als de aanpassing van het Wetboek van Strafrecht nog geen feit is, kan bijvoorbeeld worden teruggevallen op de Folteringwetgeving of andere verdragen. De meeste misdrijven tegen de rechtspleging van het hof vallen nu overigens al onder de Nederlandse strafwetgeving. De minister zegt toe dat hij de Kamer schriftelijk nader zal informeren over de kwestie van de dubbele strafbaarstelling. Prof. Strijards zal vanuit zijn huidige functie nauw betrokken blijven bij de totstandkoming van de wetgeving.

De minister betreurt het dat hij zijn toezegging dat de tussenrapportage over het Novo-team voor de zomer naar de Kamer zou worden gestuurd niet gestand kan doen. Gebleken is dat de tussenrapportage niet rijp is voor verzending naar de Kamer. De minister zegt echter toe dat hij zal proberen om de Kamer een notitie te sturen voordat het kabinet met zomerreces gaat. Overigens komt er ook een plan van aanpak voor het functioneren van het Novo-team met betrekking tot oorlogsmisdaden. Met de komst van de nieuwe wetgeving ligt het voor de hand dat het Novo-team behoorlijk zal moeten worden uitgebreid. Nederland heeft zich op dit punt overigens bijzonder actief betoond. In Duitsland is er gekozen voor een gelijksoortige aanpak; daar is ook een soort Novo-team, maar in andere landen is men minder ver dan in Nederland. Het vervelende is dat er zeer veel zaken worden onderzocht, maar dat het nog niet heeft geleid tot een reële strafzaak. Daarom is het WODC gevraagd om een evaluatieonderzoek te doen, waarbij de minister opmerkt dat die evaluatie naar voren is gehaald. De nationale vervolging van oorlogsmisdaden en het instellen van contactpunten daarvoor zullen in Europees verband besproken worden tijdens het Belgische voorzitterschap. Op 9 juli voert de minister overleg met zijn Belgische collega en dan zal onder andere hierover gesproken worden.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van Oven (PvdA) blijft zorgen houden over het tijdpad. Hij vindt dat rekening gehouden moet worden met inwerkingtreding van het hof op 1 januari 2002. Hij zou graag zien dat er een tijdpad wordt ontwikkeld dat daarop is afgestemd, eventueel met een noodscenario, voor de wetgeving en voor de interimhuisvesting.

Als gevolg van de latere inwerkingtreding van de uitvoeringswetgeving kan er een strafbaarheidsgat ontstaan, ook op het gebied van misdrijven tegen de menselijkheid begaan buiten een oorlogstijdsituatie en aan het hof zelf verwante misdrijven en overtredingen. Dat vergroot de noodzaak om tot een versnelling van de uitvoeringswetgeving over te gaan. Ziet de minister kans om dat te bewerkstelligen?

De heer Van Oven vindt het onbevredigend dat de Kamer de rapportage over het Novo-team niet voor de zomer krijgt. De minister heeft toegezegd dat hij de Kamer voor het reces van het kabinet een notitie stuurt. Bevat die notitie ook een tussenstand van de situatie in de Europese Unie en de besluitvorming op dat punt?

De minister van Buitenlandse Zaken beklemtoont dat alles in gereedheid is gebracht bij het aantreden van het Internationaal Strafhof, zelfs als het hof op 1 januari 2002 aantreedt. Daar wordt hard aan gewerkt.

De minister van Justitie wijst erop dat misdrijven tegen de rechtspleging van het hof worden meegenomen in de Samenwerkingswet.

Het Internationaal Strafhof zal niet onmiddellijk aantreden op het moment dat de ratificatie door zestig landen een feit is. De datum van inwerkingtreding van het verdrag is bepaald op de eerste dag van de maand na het verstrijken van de termijn van twee maal dertig dagen. Er zullen eerst nog allerlei procedures doorlopen moeten worden. De minister gaat er dan ook van uit dat de wetgeving tijdig klaar is, maar hij zegt toe dat hij zijn uiterste best zal doen om de procedure te versnellen.

De minister zegt toe dat hij de notitie over het Novo-team voor het zomerreces aan de Kamer zal sturen. Hij zal ook ingaan op de ontwikkelingen in de EU met betrekking tot de contactpunten voor oorlogsmisdaden. Overigens wordt in de WODC-evaluatie ook de stand van zaken in andere landen belicht.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

De Boer

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Swildens-Rozendaal

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Hommes


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Van Middelkoop (ChristenUnie), Valk (PvdA), Apostolou (PvdA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, Hessing (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), M.B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Van 't Riet (D66), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Verburg (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Remak (VVD), Wilders (VVD), Molenaar (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA) en Cörüz (CDA).

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Rouvoet (ChristenUnie), Zijlstra (PvdA), Belinfante (PvdA), Eurlings (CDA), Cherribi (VVD), De Haan (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van Bommel (SP), Harrewijn (GroenLinks), Gortzak (PvdA), Ter Veer (D66), Snijder-Hazelhoff (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Rijpstra (VVD), Balemans (VVD), Duivesteijn (PvdA), Van den Akker (CDA) en Leers (CDA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Kamp (VVD), Rouvoet (ChristenUnie), O.P.G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP) en Wijn (CDA).

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Cörüz (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Luchtenveld (VVD), Slob (ChristenUnie), Van den Doel (VVD), Rijpstra (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), De Pater-van der Meer (CDA) en Arib (PvdA).

Naar boven