27 400 XV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2001

nr. 131
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 oktober 2000

De Kamer heeft op 14 september jl. de motie Harrewijn (26 800 XV, nr. 86) aanvaard waarin de regering – onder verwijzing naar een regeling van de Stichting Omscholingsregeling Dansers – wordt verzocht het mogelijk te maken dat ook in de WW in «incidentele individuele gevallen, getoetst naar arbeidsmarktrelevantie, een opleiding van langer dan 2 jaar gevolgd kan worden». Ik heb me op deze motie beraden en zet hieronder mijn standpunt uiteen. Tevens bericht ik u naar aanleiding van nadere informatie, verkregen van het Lisv, over het tot 30 september 1998 terzake gevoerde beleid.

Allereerst wil ik een mogelijk bij de Kamer gerezen misverstand uit de wereld helpen. De regeling van de Stichting Omscholingsregeling Dansers waarnaar de heer Harrewijn verwees tijdens het 2-minutendebatje van 12 september is gebaseerd op een buitenwettelijke uitvoering van de Werkloosheidswet. Deze regeling, die stoelde op een door de bedrijfsverenigingen gevoerd beleid, is door het Lisv op 30 september 1998 ingetrokken. Alleen door dit buitenwettelijk beleid kan het in het verleden zijn voorgekomen dat langdurige studies zijn gedoogd. Dit beleid was namelijk niet gebaseerd op artikel 76 van de WW waarin de scholingsregels voor WW-gerechtigden zijn opgenomen. Aan dit beleid is bewust door het Lisv een einde gemaakt omdat dit buitenwettelijk was.

In de motie wordt mij gevraagd in incidentele individuele gevallen door middel van een hardheidsclausule langdurige scholing toe te staan. Aldus zou kunnen worden bereikt dat die dansers, die na hun danscarrière met behoud van WW-uitkering een opleiding willen volgen die langer is dan wat op grond van de scholingsregels of het experiment met de scholingsregels WW mogelijk is, die opleiding alsnog kunnen volgen. Ik ben er geen voorstander van om met het oog hierop een hardheidsclausule in de WW te introduceren. Hardheidsclausules dienen namelijk alleen in regelgeving opgenomen te worden indien er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de regeling, de toepassing van die regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen. In dat geval moet bovendien zo concreet en nauwkeurig mogelijk worden aangegeven op welke onderdelen van de regeling de clausule van toepassing is.

Allereerst kan er, indien het een ex-danser wordt geweigerd met behoud van uitkering een langdurige opleiding te mogen volgen, niet gesproken worden van een weigering die gezien doel en strekking van de WW een onbillijkheid van overwegende aard met zich brengt. Immers, doel en strekking van de WW is, dat uitkeringsgerechtigden niet langer dan noodzakelijk aanspraak op een uitkering maken. Het – zelfs indien beperkt tot individuele gevallen – toestaan van het met behoud van uitkering volgen van een langdurige wensopleiding (bijvoorbeeld opscholing) is in strijd met dit doel en deze strekking.

Ten tweede zal het niet mogelijk zijn te regelen dat de hardheidsclausule alleen voor dansers mag worden gebruikt. Dat zou immers rechtsongelijkheid opleveren. Gevolg zal derhalve zijn, dat ook anderen dan (ex-)dansers aanvragen zullen indienen om via de hardheidsclausule langdurige scholing te mogen volgen. Verkeren deze in dezelfde situatie als de betrokken dansers, dan zal dit ook aan hen moeten worden toegestaan. Aldus zal er een ongewenste olievlekwerking ontstaan. Bovendien zou door deze complexere regelgeving de rechtmatigheid van de uitvoering van de WW verder onder druk komen te staan.

Ten derde zou via de hardheidsclausule niet alleen een inbreuk moeten worden gemaakt op de onder de WW geldende maximumscholingsduur, maar, gezien het feit dat de betreffende wensopleidingen voor dansers meestal niet strikt noodzakelijk zullen zijn om uit de uitkering te raken1, ook op het in artikel 76, eerste lid, WW opgenomen vereiste dat de scholing noodzakelijk moet zijn, hetgeen de olievlekwerking nog verder zal vergroten.

Ten vierde gaat het hier niet om onvoorziene gevallen. Het einde van een danscarrière is een zeer voorspelbaar moment, waarop de persoon in kwestie zich kan voorbereiden.

Tenslotte wordt nu reeds door de experimenten met de scholingsregels in de WW meer ruimte gegeven om langdurige opleidingen te mogen volgen. Zoals ik uw Kamer reeds in mijn brief van 23 mei jl. (Soza-00–511) meedeelde wordt momenteel geëxperimenteerd met de scholingsregels voor WW-gerechtigden. Hierdoor wordt het mogelijk opleidingen van maximaal 2 jaar toe te staan, worden praktijkstages in ruimere mate mogelijk en wordt onder voorwaarde een bedrijfsgerichte opleiding toegestaan. Op deze wijze wordt ruimschoots tegemoetgekomen aan de in de praktijk gesignaleerde knelpunten die zich voordoen bij het toekennen van scholingen voor WW-gerechtigden. Ook de dansers kunnen gebruik maken van deze ruimere scholingsmogelijkheden.

De experimenten zullen worden geëvalueerd. Een van de vragen uit de evaluatie zal betrekking hebben op de maximaal toegestane scholingsduur van 2 jaar. Ik acht het niet getuigen van behoorlijk bestuur om nu de experimenten onlangs zijn gestart, verruimingen toe te staan, zonder eerst de effecten van die verruimingen aan de praktijk te toetsen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst


XNoot
1

I.v.m. terinzagelegging van bijlage I.

XNoot
1

Zoals ik uw Kamer reeds meldde, is de situatie van de danser die met zijn danscarrière stopt in het algemeen dermate gunstig, dat deze met kortdurende beroepsgerichte opleidingen weer aan het werk kan gaan. Uit een door de Stichting Omscholingsregeling Dansers) verstrekt overzicht (zie bijlage 1, terinzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie) blijkt dat sinds de oprichting van het fonds ca 85% van de gestopte dansers binnen kortere of langere tijd een nieuwe bevredigende werkkring heeft kunnen vinden. Verder blijkt dat in de periode 1986–1996 van de 96 gestopte dansers er 20 een nieuwe loopbaan hebben gevonden in een dansgerelateerd beroep. Andere sectoren waarin dansers een nieuwe start zijn begonnen zijn o.a. theater, vormgeving, fotografie, sport, onderwijs en beeldende kunst.

Naar boven