27 400 IV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2001

nr. 13
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 5 januari 2001

De vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken1 heeft op 6 december 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris G.M. de Vries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de hand van:

– de voortgangsrapportage Rechtshandhaving en veiligheidsbeleid d.d. 7 juni 2000 (NAAZ-00-45);

– de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 21 juni 2000 inzake orkaanhulp en voortgang hulp naar aanleiding van orkaan Lenny (26 800-VI, nr. 18);

– het verslag van het bezoek van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius met name in verband met de voortgang van de noodhulp- en wederopbouwprojecten na orkaan Lenny (27 400-IV, nr. 6);

– de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 1 december 2000 inzake de actualisering van het IMF-dossier.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

IMF-dossier Nederlandse Antillen

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Oven (PvdA) merkt op dat het IMF-traject van cruciaal belang is voor de toekomst van de Nederlandse Antillen en wellicht ook voor de verhoudingen met Nederland. Het stemt hoopvol dat een begin is gemaakt met de uitvoering van de afspraken, al gaat dit gepaard met een aantal harde en pijnlijke maatregelen, waarop door de Antilliaanse samenleving krachtig wordt gereageerd. Hij spreekt zijn zorgen uit over de toenemende stakingen en de mogelijke gevolgen daarvan, waarbij hij beseft dat het een verantwoordelijkheid van de Antilliaanse regering betreft.

Er is een machtigingswet aangenomen; de Staten moeten een aantal verordeningen achteraf beoordelen. Hoe loopt dat in de praktijk? Hoe wordt de actualisering van het bevolkingsregister uitgevoerd? Een eventuele privatisering van Air ALM is alleen mogelijk wanneer er een drastische schuldsanering plaatsvindt, die echter niet door de overheid kan worden bekostigd. Gezien het belang van een luchtvaartmaatschappij voor het verkeer tussen de eilanden, moet de instandhouding van ALM ook een zorg voor Nederland zijn.

De besprekingen in Brussel over de regeling voor landen en gebieden overzee (LGO) komen in een vergevorderd stadium. De vooruitzichten zijn echter somber. Hoe lopen de voorbereidingen voor de raadszittingen waarin het voorstel van de Commissie aan de orde zal komen? Is er voldoende afstemming met de regering van de Antillen en van Aruba?

Er wordt al zeer lang geklaagd over het uitblijven van een belastingregeling ter verlichting van de gevolgen van de teruggang van de offshoresector. Volgens de Antillen en Aruba komt Nederland afspraken niet na. De heer Van Oven heeft begrip voor de redenering van de Nederlandse regering dat men niet tot een regeling kan komen die het Koninkrijk als geheel in Europees verband in grote problemen zal brengen. Voorzover evenwel gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, zal er op korte termijn concrete compensatie moeten worden geboden. Het is van groot belang dat exportkredietverzekering op korte termijn mogelijk wordt. Wanneer kan een regeling tegemoet worden gezien?

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) spreekt haar respect en waardering uit voor de daadkrachtige wijze waarop de Antilliaanse bestuurders het IMF-traject volgen. De sociale onrust op de Antillen als gevolg van de maatregelen is wellicht onvermijdelijk. In de opsomming van de sociale maatregelen ontbreekt een verwijzing naar de onderstand. Is in de beschikbaar gestelde bedragen voorzien in een ophoging daarvan? Hoe wordt tegemoetgekomen aan de armoede?

Nederland verleent ruimhartig technische bijstand aan de uitvoering van het IMF-programma. De Antillen wachten echter nog steeds op twee economen om het economische herstel een nieuwe impuls te geven. Wanneer Nederland aan de Antillen vraagt om krachtdadig op te treden, zal het de gevraagde deskundigheid zo snel mogelijk beschikbaar moeten stellen. Is er sprake van stagnatie? Zo ja, waarom en zo niet, wanneer kunnen de gevraagde economen beschikbaar worden gesteld?

Mevrouw Scheltema is niet zozeer geïnteresseerd in een overzicht van bestaande belastingvrijstellingen en «tax holidays», maar vraagt zich vooral af wat er zal worden afgeschaft. Voorts vraagt zij naar de vooruitzichten inzake het meebetalen door Aruba aan de boedelscheiding. Naar aanleiding van de introductie van de handels- en investeringsbevorderende instrumenten vraagt zij hoe een eventuele geringe animo bij Nederlandse investeerders wordt bevorderd.

De heer Van Middelkoop (RPF/GPV) heeft alarmerende berichten ontvangen over de situatie op de Antillen. Hij vraagt de staatssecretaris hieraan een zekere weging te geven. Het septemberakkoord is belangrijk geweest, maar wellicht zijn verbeteringen mogelijk. Weliswaar is al voorzien in een belangrijk deel van de Antilliaanse liquiditeitsbehoefte, maar hij stelt zich voor dat regelmatig de vinger aan de pols wordt gehouden en dat zo nodig meer geld beschikbaar wordt gesteld. Als daar aanleiding toe is, zal de Kamer moeten worden geïnformeerd over de schuldenlastontwikkeling. Houdt de Antilliaanse regering zich aan belofte dat het begrotingstekort in 2001 niet hoger zal worden dan NAf 84,8 mln? Hij vraagt waarom het zo lang duurt voordat de betalingen in het kader van de boedelscheiding worden gedaan.

Jarenlang is geconstateerd dat het APNA oneigenlijk wordt gebruikt. Is dat nog steeds het geval? Het is de heer Van Middelkoop niet duidelijk welke problemen zich voordoen rond het «absorberen» door het APNA van lagere premie-inkomsten, als men ervan uitgaat dat er moet worden terugbetaald. Voorts vraagt hij in welke mate de Nederlandse regering bereid is om een tegemoetkoming te doen voor de aanpassing van het Nederlands-Antilliaanse fiscale systeem. Het is noodzakelijk dat het Nederlandse bedrijfsleven bereid is om te investeren op de Antillen. Zijn er al aanwijzingen dat het vertrouwen terugkomt?

De heer Rijpstra (VVD) vraagt, ook met het oog op de machtigingswet, welke informatie de Staten krijgen over het IMF-programma. Voorts vraagt hij zich af hoe in Nederland zou worden gereageerd, als hier een dergelijk omvangrijk programma zou moeten worden uitgevoerd. Nederland verstrekt op grote schaal technische bijstand aan de uitvoering van het programma. Wat is de stand van zaken? Op welk moment hebben de Antillen om welke bijstand gevraagd, wanneer heeft Nederland daarop gereageerd en wat is de capaciteit van de technische bijstand op welke terreinen? Hoe is het perspectief voor de problemen rond de pensioenen en de pensioenpremie geschetst en hoe worden ze opgelost? Zal Nederland financiële ondersteuning geven?

Het instrumentarium van Economische Zaken staat weliswaar los van het IMF-traject, maar het is cruciaal met het oog op mogelijke verbeteringen. Op welke wijze zal de samenwerking tussen Nederlandse en Antilliaanse bedrijven worden gestimuleerd? Welke rol is hierbij weggelegd voor de bewindslieden van Economische Zaken? Hoeveel belang hecht EZ eraan om de Antillen op dit terrein te kunnen helpen? Hoe wordt die impuls gegeven? Zijn er voorbeelden waaruit blijkt dat dit werkt? Hoe kan in het kader van het niet-financiële instrumentarium worden bereikt dat het Antilliaanse bedrijfsleven daadwerkelijk gebruik kan maken van de Nederlandse ambassades en consulaten in het buitenland?

De sociale maatregelen zijn van wezenlijk belang, maar dreigen op de achtergrond te geraken doordat de aandacht vooral gaat naar de financiën en het economisch herstel. Hopelijk zullen de scholingsprojecten in samenwerking met het Feffik resultaat hebben. Wat kan worden verwacht van de initiatieven, onder andere van Dordrecht, in het kader van het grotestedenbeleid? Zal er inderdaad een vorm van joint venture tussen Nederlandse steden en de Antillen ontstaan?

De heer Rijpstra stelt zich voor dat, als Aruba het geld voor de boedelscheiding nog niet heeft overgemaakt, Nederland dat bedrag volgend jaar kort op de tegemoetkoming voor Aruba. Hij vindt het vreemd dat geld dat hard nodig is op de Antillen nog niet is overgemaakt.

De heer Van der Knaap (CDA) vindt het niet verwonderlijk dat de vakbeweging op de Antillen in actie is gekomen, maar hij benadrukt dat deze pijnlijke maatregelen nodig zijn. Nederland zal daarbij de benodigde ondersteuning moeten bieden; daartoe moeten dan ook zo min mogelijk belemmeringen zijn. Het steekt dan ook dat de Antillen maanden moeten wachten op ondersteuning vanuit Nederland. Waarop zijn de genoemde steunbedragen gebaseerd? Als er goed wordt geïnvesteerd, zal het rendement navenant zijn.

Hij heeft grote twijfels of APNA op termijn zekerheid kan bieden omtrent de daar ondergebrachte pensioenvoorzieningen. Wanneer de premie van de overheid wordt verlaagd en de werknemerspremie niet wordt verhoogd, zal het gat alleen maar groter worden. Zal Nederland ook hierin ondersteuning bieden?

De heer Van der Knaap heeft uit gesprekken met vertegenwoordigers van het Nederlandse bedrijfsleven begrepen dat men bereid is te investeren op de Antillen, als daar maatregelen worden genomen. Het EZ-instrumentarium is echter nog te vrijblijvend. Nederland zal niet alleen tegenover de Antillen, maar ook tegenover zichzelf een dwingende houding moeten aannemen. Hij is het ermee eens dat Aruba het geld voor de boedelscheiding zo snel mogelijk moet overmaken.

De heer Rosenmöller (GroenLinks) onderschrijft dat er politieke moed nodig is om dergelijke pijnlijke maatregelen te nemen op de Antillen. Het verbaast hem niet dat die maatregelen tot maatschappelijke weerstand hebben geleid, wel dat dit pas begin december 2000 gebeurt. Hij gaat er dan ook van uit dat de Antilliaanse bevolking in hoge mate overtuigd is van de ernst van de problematiek en de noodzaak om maatregelen te nemen. Wel lijkt het erop dat het kabinet-Pourier dichtbij of zelfs op de grens zit van wat maatschappelijk geaccepteerd zal worden.

Een proces van saneren is onvermijdelijk, maar zal gecombineerd moeten worden met een proces van investeren in de Antilliaanse samenleving. Daarvoor is een grotere bijdrage vanuit Nederland nodig. Uit de inmiddels genomen maatregelen blijkt dat er geen sprake meer is van een afwachtende houding van de Antillen. De eerdere bijdrage van NAf 20 mln. is inmiddels concreet besteed. Wellicht kan bij het komende bezoek van de staatssecretaris aan de Antillen een vergelijkbare donatie worden gegeven ter ondersteuning van de aanpak van de sociale problematiek.

Het Nederlandse bedrijfsleven heeft zich in het verleden weliswaar bereid verklaard om op de Antillen te investeren, maar ook altijd gesteld dat bedrijven geen risico's nemen als de overheidsfinanciën niet op orde zijn. Nu door de Antilliaanse regering inmiddels verregaande stappen zijn gezet en perspectief wordt geboden, kan men zich niet meer vrijblijvend opstellen. De Nederlandse regering zal met de nodige politieke druk de huidige mogelijkheden onder de aandacht moeten brengen van het Nederlandse bedrijfsleven. Daarbij blijft het de keuze van bedrijven zelf om op de Antillen te investeren. De heer Rosenmöller veronderstelt dat het aspect van de investeringen veel meer aandacht zal krijgen in het meerjarenakkoord dat in februari 2001 zal worden gesloten tussen de Antillen en het IMF, waarbij Nederland op de achtergrond zal worden betrokken.

Antwoord van de regering

De staatssecretaris spreekt zijn waardering ervoor uit in de richting van de landsregering en het bestuurscollege op Curaçao dat de afspraken met het IMF zijn nagekomen. Het heeft ook hem verbaasd dat de sociale onrust op de Antillen zich pas onlangs heeft gemanifesteerd en niet al bij of zelfs voor de aankondiging van het akkoord met het IMF. Niet de hervormingsmaatregelen zijn immers het probleem, maar de onderliggende sociaal-economische problematiek. In de afgelopen weken is vooral op Curaçao vanuit diverse deelbelangen aandacht gevraagd voor de problematiek in de eigen sector; er wordt niet zozeer gekeken naar overkoepelende gemeenschappelijke belangen. Bij de sociale onrust speelt mee dat de sterkste schouders niet altijd de zwaarste lasten dragen. Punten van ergernis zijn de salarissen van de directie van overheidsbedrijven en de salarissen en de dubbele pensioenen van politici. Er is behoefte aan dat het proces van hervormingen fair en eerlijk gestalte krijgt en ook door politici in de praktijk wordt gebracht.

Op korte termijn is de vermogenspositie van het APNA goed, maar op langere termijn is het nog allesbehalve gezond. Het IMF heeft de keuze van de Antilliaanse regering om de werknemerspremies voor het APNA niet te verhogen evenwel geaccepteerd, gelet op de vermogenspositie op korte termijn en op de sociale context. Onderzocht wordt of het APNA uit andere bronnen voldoende inkomsten kan genereren om als fonds te functioneren zonder dat de werknemerspremies hoeven te worden verhoogd. Met deze redenering op korte termijn wordt evenwel geen rekening gehouden met de noodzaak tot verbetering van de vermogenspositie van het APNA op lange termijn.

De staatssecretaris wil liefst op korte termijn afspraken maken met de Antillen en Aruba over een extra pakket samenhangende maatregelen ten behoeve van de aanpak van de problemen van Antilliaanse jongeren. Hij heeft goede hoop dat op korte termijn een akkoord kan worden bereikt over continuering van de inburgeringsvoorfase op de Antillen en vergroting van het aantal deelnemende jongeren tot 400 tot 800. Hiermee kan een forse impuls worden gegeven aan de maatschappelijke weerbaarheid van de jongeren, als zij besluiten naar Nederland te gaan. De aandacht zal dan ook uitgaan naar de controle door de Antilliaanse autoriteiten op de naleving van deze regeling. Uitgangspunt is een onderwijsgerelateerde aanpak, waarbij de op de Antillen beschikbare middelen optimaal worden gebruikt. Door de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid wordt gesproken over inburgering als onderdeel van een bredere benadering, waarbij de staatssecretaris ook het Feffik nadrukkelijk wil betrekken. Hij hoopt hierover nadere afspraken te kunnen maken en zal de Kamer daarover informeren.

Ongeveer 100 belastingambtenaren en 50 juridische ambtenaren zijn ingezet in het kader van de ondersteuning van de Antillen. De staatssecretaris heeft er kennis van genomen dat de in augustus door de Antillen gevraagde economen nog niet beschikbaar zijn. Hij heeft er ook intern sterk op aangedrongen dat zij alsnog worden gevonden. Als gevolg van het grote aantal uitzendingen is de beschikbaarheid wellicht minder groot. Daarom wordt ook de mogelijkheid bekeken om mensen van buiten de rijksoverheid in te zetten. De staatssecretaris heeft voorgesteld om de effectiviteit van de totale technische bijstand tegen het licht te houden met het oog op mogelijke verbeteringen.

Door Economische Zaken wordt bekeken of instrumenten voor het Nederlandse bedrijfsleven ook beschikbaar kunnen worden gesteld aan Antilliaanse bedrijven. In principe staat de Nederlandse regering positief tegenover de mogelijkheid van exportkredietverzekering. Er is nadere informatie van de Antillen nodig op welke landen de exportkredietverzekering betrekking moet hebben, zodat de risico's kunnen worden ingeschat en een besluit kan worden genomen. De staatssecretaris is bereid om de door Nederland gelegde blokkade op toegang van de Antillen tot de Europese Investeringsbank op te heffen, zo mogelijk omstreeks februari 2001 bij de totstandkoming van het meerjarenakkoord, zodat de Antillen weer toegang krijgen tot de commercieel interessante leningen van de EIB.

Hij illustreert dat er belangstelling is van het Nederlandse bedrijfsleven om te investeren op de Antillen. Hij stelt zich voor dat, zodra het meerjarenakkoord tussen de Antillen en het IMF tot stand is gekomen, een stevige Nederlandse economische missie naar de Antillen gaat, geleid door de minister of de staatssecretaris van Economische Zaken, om blijk te geven van de concrete belangstelling van het Nederlandse bedrijfsleven. Met de tussenrapportage is ook beoogd het Nederlandse bedrijfsleven erop te wijzen dat er daadwerkelijk maatregelen zijn genomen op de Antillen. Dit schept een basis voor het herstel van het vertrouwen op de Antillen en in Nederland. Er zijn intensieve contacten met zowel de werkgevers- als de werknemersorganisaties. Vooralsnog is er onvoldoende sprake van een dialoog tussen de werkgevers, de werknemers en de Antilliaanse overheid, in het bijzonder Curaçao. Hierdoor kan de SER geen rol vervullen. Het besef moet worden versterkt dat alleen door het landsbelang voorop te stellen ook de deelbelangen kunnen worden gediend. Een actieve dialoog, waartoe inmiddels voorzichtige initiatieven zijn genomen, kan bijvoorbeeld leiden tot scholingsinitiatieven waarin de werkgevers, de werknemers en de overheid participeren. Nederland is graag bereid dit proces te ondersteunen. De staatssecretaris heeft expliciet aan de Nederlandse werkgevers en werknemers gevraagd om de Antilliaanse partners waar mogelijk te ondersteunen bij het tot stand brengen van de dialoog. In dit verband kunnen de voordelen van het poldermodel worden benut.

Er is voorzien in een extra sociale impuls van NAf 20 mln. boven het IMF-traject ten behoeve van projecten ter verlichting van de armoedeproblematiek. De staatssecretaris is bereid om er in het kader van de meerjarenafspraken met het IMF een vervolg aan te geven. Hij is niet op de hoogte van een Antilliaans initiatief om de onderstand te verhogen. Van belang is dat wordt ingezet op onderwijs en scholing om mensen vanuit de onderstand aan werk te helpen.

Een externe partner zal het privatiseringsproces van de ALM onderzoeken, waarna aanbevelingen zullen worden gedaan over eventuele overheidssteun in het proces naar privatisering. Deze steun zal gericht moeten zijn op verkleining van de overhead van het huidige bedrijf en het vinden van oplossingen voor de resterende schulden. Behalve posten onvoorzien op de begrotingen van de Antillen voor 2001 en 2002 zijn er nog additionele financieringsmogelijkheden om het privatiseringsproces op gang brengen. Deze mogelijkheden zullen in kaart moeten worden gebracht. Voorkomen moet worden dat de discussie over dit bedrijf de discussie over het totale privatiseringsproces te zeer beïnvloedt. Onder andere wordt de mogelijkheid bekeken om de verbindingen tussen de eilanden los te knippen van de verbindingen tussen de Antillen en andere landen. Een Arubaans scenario voor de ALM ligt op korte termijn vooralsnog niet voor de hand. Een mogelijkheid is dat Amerikaanse luchtvaartbedrijven bereid zijn een nauwere relatie met de ALM aan te gaan, zodat de Amerikaanse toeristische markt kan worden benut.

De LGO-besprekingen verlopen zorgvuldig en in goed onderling begrip, zowel op ambtelijk als op politiek niveau. Nederland probeert de Antillen en Aruba te betrekken bij de LGO-discussie in Brussel, waarbij de Nederlandse inzet gericht blijft op verbetering van de markttoegang tot de Europese Unie voor de Koninkrijkspartners. Ook zullen de mogelijkheden worden bekeken, niet alleen van financiële steun, maar ook van toegang van de Antillen en Aruba tot een groot aantal EU-programma's en -projecten, zoals onderwijsprogramma's en stimuleringsprogramma's voor het MKB. Omdat de Franse en Britse LGO's armer zijn dan de Nederlandse, zetten deze landen vooral in op financiële steun, terwijl Nederland meer inzet op markttoegang. Wel is er veel contact met deze landen. De planning is gericht op besluitvorming eind februari 2001.

De Arubaanse regering heeft op 1 september jl. van de Koninkrijksregering toestemming gekregen om op korte termijn een lening buiten het Koninkrijk te plaatsen van 40 mln. Het bedrag voor de boedelscheiding is echter nog niet betaald, omdat volgens de Arubaanse regering de discussie met de Staten tijd kost. De staatssecretaris heeft een dringend beroep gedaan op de Arubaanse regering om de afspraken na te komen en tot betaling over te gaan. Hij zal het gevoelen van de vaste commissie aan de Arubaanse regering overbrengen dat, als Aruba het geld niet overmaakt aan de Antillen, Nederland zich wellicht zal moeten beraden op onorthodoxe maatregelen. Tot nog toe is geen verband gelegd tussen de externe lening en uitstel van de afbetaling van schulden aan Nederland in verband met de betaling van de boedelscheiding. Nederland heeft wel aangegeven dat de ontwikkelingsgelden kunnen worden benut voor schuldsanering zodra sprake is van begrotingsevenwicht. Daartoe is een voorziening getroffen in het kader van de afspraken. De staatssecretaris zal met de Arubaanse regering spreken over de voornemens om het begrotingsevenwicht te realiseren en de Kamer hierover informeren.

Door de OESO, de Europese Unie en de G7 wordt eendrachtig gewerkt aan de bestrijding van fiscale paradijzen. Het is van groot belang, ook voor de Antillen zelf, dat de belastingregeling voor het Koninkrijk tegen het licht wordt gehouden, zodat op lange termijn een gezonde financiële sector in stand kan worden gehouden. De recente gesprekken hierover worden als constructief en verhelderend ervaren. Omdat er op de Antillen nog een discussie gaande is binnen de offshoresector over de te volgen strategie, heeft de Antilliaanse regering nog geen concreet voorstel op dit punt gedaan aan Nederland en aan de OESO. Afhankelijk van de verdere gesprekken van de Antillen met Nederland en de OESO kunnen de eventuele financiële gevolgen worden beoordeeld voor de Antillen van een akkoord met de OESO. Vervolgens kan worden bekeken hoe hoog de Nederlandse financiële bijdrage aan de Antillen zal zijn.

Nederland betaalt dit jaar 170 mln. aan IMF-gerelateerde steun en sociale steun aan de Antillen. Het is bereid om op dezelfde basis ook volgend jaar fors bij te dragen op financieel, economisch en sociaal terrein. Voorts wordt gesproken over niet-financiële instrumenten. De Nederlandse regering zal het politieke proces op de Antillen voluit blijven steunen, zowel daar als in de dialoog met het Nederlandse bedrijfsleven en de vakbonden.

Rechtshandhaving en veiligheidsbeleid/orkaanhulp

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van der Knaap (CDA) spreekt zijn tevredenheid uit naar aanleiding van de orkaanhulp. Hij vraagt naar de stand van zaken rond de aanleg van de riolering, de uitwerking van de bouwregelgeving en projectvoorstellen en de totstandkoming van een internationaal fonds voor het verzekeren van orkaanschade. De Antillen zullen weliswaar zelf voorzieningen moeten treffen en daartoe reserveringen moeten opnemen in de eigen begroting, maar zijn vooralsnog hiertoe niet in staat. Nederland zal dan ook in de komende jaren voorzieningen moeten treffen om de Antillen bij te staan. Welke voorziening kan zo nodig worden aangesproken, nu de Antillen geen gebruik meer kunnen maken van de ODA-fondsen? Sinds 1989 zijn beleidsplannen ontwikkeld voor de rampenbestrijding en de brandweerzorg. De projecten zijn echter nog steeds niet geheel voltooid. Kunnen er in de toekomst goede voorzieningen en regelingen op dit punt worden getroffen?

De heer Van der Knaap vraagt wat de reden is voor de tegenvallende Antilliaanse belangstelling voor functies bij de rechterlijke macht en het OM op de Antillen. Hoe staat het met de Nederlandse belangstelling op dit punt? Voorts vraagt hij naar de afspraken rond de toenemende internationale grensoverschrijdende criminaliteit. Hij deelt het enthousiasme van de regering over de kustwacht. Geven de negatieve geluiden van de Antilliaanse minister van Justitie hierover diens persoonlijke mening weer of die van het Antilliaanse kabinet? Voorts vraagt hij naar de bijdrage van de Antillen aan de kustwacht in de toekomst.

De heer Rijpstra (VVD) is eveneens tevreden over de aanpak in het kader van de orkaanhulp. Hij vraagt of de scholen inmiddels orkaanbestendig zijn en of de beschikbaarheid van medicijnen alleen een financieel knelpunt is geweest dan wel of er sprake is van een structureel probleem.

Hij spreekt zijn dank en waardering uit voor de voortgangsrapportage rechtshandhaving en veiligheidsbeleid. Een praktische vraag waarover de vaste commissie zich wellicht nog moet buigen, is op welk moment een dergelijke voortgangsrapportage het meeste effect heeft: rond de begrotingsbehandeling of rond de derde woensdag van mei. Hij stelt zich voor dat een volgende rapportage meer structuur biedt in die zin dat een overzicht wordt gegeven van het aantal ingezette personeelsleden, van de financiële inzet, toegespitst naar de verschillende deelonderwerpen voor zowel het Nederlandse als het Antilliaanse en het Arubaanse deel en van de resultaten. Op welke wijze wordt de Nederlandse ondersteuning geëvalueerd door de Antillen en Aruba? Wat zijn de doelstellingen en hoe worden ze gecontroleerd? Is er een uniform managementinformatiesysteem? De heer Rijpstra gaat ervan uit dat de primaire verantwoordelijkheden weliswaar liggen op de Antillen en Aruba, maar dat Nederland gelet op de geleverde ondersteuning ook een bepaalde verantwoordelijkheid heeft. Wellicht kan de vaste commissie in het kader van deze of een volgende voortgangsrapportage hierover worden geïnformeerd.

Kunnen de samenwerkingsverbanden op de diverse beleidsterreinen worden verstevigd, zodat er efficiënter kan worden gewerkt? De heer Rijpstra denkt in dit verband aan een koppeling van een Nederlandse rechtbank aan bijvoorbeeld Curaçao, zodat er een eenheid ontstaat. Wellicht kunnen steden zoals Dordrecht en Den Helder, gelet op de problematiek van Antilliaanse jongeren, het voorbeeld van het politiekorps Amsterdam-Amstelland volgen. Hij vraagt naar aanleiding van het rapport van de commissie-Wiel meer aandacht in de voortgangsrapportage voor de versterking van de integriteit van het korps politie Nederlandse Antillen. Hij stelt zich voor dat ook de Nederlandse ondersteuning op het terrein van het onderwijs en de sociale maatregelen in voortgangsrapportages wordt uitgewerkt.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) spreekt eveneens haar dank uit voor de voortgangsrapportage. Zij vraagt naar de mogelijkheid van beleidsintensiveringen in verband met de toenemende dreiging van de georganiseerde en internationale criminaliteit. Voorts vraagt zij naar de oorzaak van de scheve verhouding tussen het aandeel van Nederlandse en Antilliaanse rechters en leden van het OM, alsmede naar de belangstelling onder Nederlanders voor dergelijke functies op de Antillen.

Mevrouw Scheltema onderstreept het belang van de ketenbenadering op het gebied van rechtshandhaving en veiligheid. Is de staatssecretaris betrokken bij de vaststelling van het beleidsplan voor de kustwacht? Zij vindt de opmerkingen van de Antilliaanse minister van justitie over een prestigeproject niet prettig. Wordt er inderdaad gedacht aan een eigen CID-officier en een uitbreiding van de taak van de kustwacht tot aangrenzende gebieden, zoals de mangrovebossen? Zij onderschrijft het standpunt dat deze aangrenzende gebieden een taak zijn van de politie, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om de taak van de kustwacht uit te breiden. Wordt er op Aruba gedacht over een versterkte samenwerking met de Amerikaanse marine?

Mevrouw Scheltema sluit zich aan bij de vragen over de fondsconstructie voor de verzekerbaarheid van orkaanschade. Snelle hulpverlening en communicatie is van wezenlijk belang. Hoe kan de communicatie worden verbeterd en de ambtelijke bureaucratie op de Antillen worden doorbroken? Zij vraagt nadere informatie over de betekenis van een direct aanspreekpunt.

De heer Van Oven (PvdA) vraagt hoeveel procent van de infrastructuur op de Bovenwinden orkaanbestendig is en of het mogelijk is dat een substantieel gedeelte daarvan orkaanbestendig wordt gemaakt. Als dat niet mogelijk is, moet er rekening mee worden gehouden dat men in de komende decennia wordt geconfronteerd met vergelijkbare gebeurtenissen met verstrekkende financiële en persoonlijke gevolgen. Hij kan zich voorstellen dat verzekeringsmaatschappijen niet enthousiast zijn over het verzekeren van orkaanschade en het deelnemen in een fonds. Wellicht kan het risico worden gespreid via een gezamenlijke aanpak van de verzekeringsmaatschappijen voor het Caribisch gebied. Zijn er nog andere gedachten over de fondsvorming? Is het overnemen van de bevoegdheid van de Antilliaanse en Nederlandse regering om geteerde zeildoeken te distribueren door de stichting Relief Foundation op Sint Maarten een voorbeeld van de bestendiging van de orkaanhulp met het oog op de toekomst?

De heer Van Oven spreekt zijn waardering uit voor de voortgangsrapportage rechtshandhaving en veiligheidsbeleid. Het probleem van de rechterlijke macht is onoplosbaar, omdat het een landsaangelegenheid en geen koninkrijksaangelegenheid betreft. Door de afstemming op landsniveau liggen de salarissen van vanuit Nederland uitgezonden magistraten hoger dan die van Antilliaanse. Het verdient dan ook geen aanbeveling om de Nederlandse belangstelling voor dergelijke functies op de Antillen te vergroten door middel van een salarisverhoging, omdat daardoor het salarisverschil tussen de Nederlanders en de Antillianen wordt vergroot. Zijn er andere mogelijkheden om de belangstelling vanuit Nederland te vergroten? Zijn de spanningen en verantwoordelijkheden waarmee Nederlandse magistraten op de Antillen worden geconfronteerd inderdaad zodanig toegenomen, onder andere als gevolg van de invoering van minimumstraffen en de plaatsing van gedetineerden in Koraal Specht, dat de belangstelling voor dergelijke functies op de Antillen is verminderd?

In verband met de rampenbestrijding en de brandweerzorg vraagt de heer Van Oven of er inmiddels verbetering is opgetreden in de veiligheidssituatie op de luchtverkeershaven Hato. Gelet op de zorg over de resultaten van het tripartiete overleg van de ministers van Justitie van het Koninkrijk, onder andere op het punt van de kustwacht en de aanpak van drugskoeriers, stelt hij zich voor dat de vaste commissie in het vervolg ook de minister van Justitie uitnodigt voor de bespreking van de voortgangsrapportages. Hij heeft de indruk dat men elkaar in dat tripartiete overleg onvoldoende verstaat. Het ongeduld van de heer Van Oven vanwege het uitblijven van regelgeving neemt toe. Hij vraagt wanneer de ontwerpen van (rijks)wet voor de kustwacht, de uitlevering en het recherchesamenwerkingsteam tegemoet kunnen worden gezien.

De heer Van Middelkoop (RPF/GPV) sluit zich aan bij de waardering voor de voortgangsrapportage rechtshandhaving en veiligheidsbeleid. Aangezien er veel wordt gedaan op alle niveaus van samenwerking binnen het Koninkrijk, kan hij zich voorstellen dat dit onderwerp overeenkomstig artikel 3 van het Statuut in gemeen overleg tot aangelegenheid van het Koninkrijk wordt verklaard. Hij deelt de ergernis over het uitblijven van in ieder geval een wettelijke regeling voor de kustwacht. Wat verhindert de staatssecretaris om het parlement serieus te nemen, dat zo vaak om regelgeving heeft gevraagd?

Antwoord van de regering

De staatssecretaris wijst op het belang van een goede structurele samenwerking die leidt tot de opbouw van een binnenlandse rampenbestrijdingsorganisatie op de Antillen en Aruba die in staat is zelf adequaat hulp te verlenen. Inmiddels heeft de Antilliaanse regering het bureau Nationale rampencoördinator opgezet, beschikken Saba en Sint Eustatius over een adequate brandweerorganisatie en is het rampenplan op Sint Maarten goedgekeurd. Hij heeft zich bereid verklaard om volgend jaar voor 3 mln. uit de Nederlandse ontwikkelingsbegroting bij te dragen aan de laatste fase van het versterkingsproject. Wel heeft hij expliciet aandacht gevraagd in de Antilliaanse en Arubaanse planning voor het risico van chemische ongevallen en voor de veiligheid op de luchthavens in verband met eventuele calamiteiten. Hij zegt toe dat de vaste commissie schriftelijk zal worden geïnformeerd over eventuele concrete verbeteringen sinds het rapport van 1998 over de bestrijding van criminaliteit op de luchthavens, met name Hato.

De staatssecretaris heeft zich ook bereid verklaard om bij te dragen aan de ontwikkeling van de bouwregelgeving op de Bovenwinden. De projectvoorstellen op dit punt zijn bijna gereed. Inmiddels zijn alle scholen en ziekenhuizen op de Bovenwinden orkaanbestendig. Hij hoopt dat de bouwregelgeving ertoe leidt dat in ieder geval de nieuwbouw orkaanbestendig zal zijn.

Op korte termijn zal een gezamenlijke Nederlands-Antilliaanse studie worden gestart naar de mogelijkheden van een orkaanfonds, waarbij nadrukkelijk zal worden gekeken naar de regionale context vanwege de spreiding van de risico's en de deelname van onder andere de EU en de VN. De staatssecretaris streeft ernaar dat ook Frankrijk en Groot-Brittannië hierbij worden betrokken. In het algemeen geldt dat hoe hoger de orkaandreiging is, hoe hoger de premies zullen worden. Er zal dan ook moeten worden gezocht naar vormen van publiek-private samenwerking. Hij heeft concrete, zij het prille, aanwijzingen dat er zich op de verzekeringsmarkt bewegingen voordoen. De kwestie van de medicijnentekorten is alleen een financieel probleem geweest.

Mogelijke redenen voor aarzelingen bij mogelijke kandidaten voor uitzending naar de Antillen en Aruba waren de problemen met het vinden van een passende werkkring voor de partner en de carrièreontwikkeling binnen de Nederlandse rechterlijke macht. De organisatie van de rechterlijke macht laat een een-op-eenjumelage van de rechterlijke macht op Aruba met een rechtbank in Nederland niet meer toe; dit moet landelijk worden bezien. De minister van Justitie is hierover in gesprek. De staatssecretaris ziet een gezamenlijke commissievergadering met de minister van Justitie en/of van Defensie met belangstelling tegemoet.

Hij heeft weliswaar kennisgenomen van uitspraken over de kustwacht, maar benadrukt dat de officiële standpunten van de landsregeringen in de rijksministerraad en bij de vaststelling van het beleidsplan voor de kustwacht hem geen aanleiding geven om te twijfelen aan het draagvlak voor de kustwacht op de Antillen en Aruba. De uitspraken moeten dan ook in een bepaalde context worden gezien. De kustwacht levert in de praktijk een aanzienlijke bijdrage aan de veiligheid in de regio, wordt zeer gewaardeerd door de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië en werkt goed samen met de Amerikaanse kustwacht. Ook is er veel aandacht besteed aan een betere samenwerking met de politie op Curaçao. Afgesproken is dat Nederland tweederde van de kosten van de kustwacht betaalt en dat van het overige deel tweederde wordt betaald door de Antillen en eenderde door Aruba. Aruba voldoet hieraan, de Antillen echter niet. Dit punt zal dan ook onderdeel moeten uitmaken van de schuldsanering.

Wat de mogelijke beleidsintensiveringen inzake de rechtshandhaving betreft, staat de staatssecretaris open voor een dialoog met de Antilliaanse en de Arubaanse regering. Hij denkt hierbij aan de kwestie van de integriteit van de politiekorpsen in beide landen. Het is te waarderen dat de commissie-Wiel is ingesteld en dat het rapport openbaar is gemaakt. Op de Antillen is een speciale officier van justitie belast met de afhandeling van integriteitszaken. De staatssecretaris kan zich voorstellen dat de ervaringen in Nederland met integriteitsbeleid bij de politie beschikbaar worden gesteld aan de Antillen en Aruba. Andere mogelijke punten van samenwerking zijn de financiële recherche, het buurtgericht werken, de zichtbaarheid van de politie op straat, de landsrecherche en het recherchesamenwerkingsteam en resocialisatie- en preventieprojecten. Hieraan zal wel een verzoek van de Antilliaanse en de Arubaanse regering vooraf moeten gaan, omdat rechtshandhaving een autonome verantwoordelijkheid is van de Antillen en Aruba. Nederland kan alleen bijstand verlenen. Op verzoek van de Antilliaanse minister van Justitie is de oud-korpschef van de KLPD uitgezonden voor een onderzoek naar de veiligheidssituatie op Bonaire en, voorzover dat nuttig wordt geacht, de overige eilanden. De staatssecretaris is graag bereid de evaluatie jaarlijks te verstrekken op een door de vaste commissie te bepalen moment. Hij deelt mee dat de nieuwbouw van Koraal Specht dit jaar volgens schema zal worden afgerond en dat volgend jaar een begin kan worden gemaakt met de renovatie van cellen.

Van Antilliaanse zijde is er tot dusverre nog geen behoefte om de wetgeving inzake de kustwacht, het recherchesamenwerkingsteam en de uitlevering te bespreken in de rijksministerraad. Dit onderwerp zal opnieuw onderdeel uitmaken van de gesprekken van de staatssecretaris met de Antilliaanse regering. De Antilliaanse regering heeft nog niet aangegeven artikel 3 van het Statuut van toepassing te willen verklaren; zij hecht zeer aan de eigen autonomie. De staatssecretaris verwacht dan ook niet dat een akkoord binnen handbereik is. Wel is het een duidelijk en steeds terugkerend punt van aandacht van Nederland in het overleg met de Antillen en Aruba. Overigens heeft de algemene maatregel van rijksbestuur inzake de kustwacht wel degelijk concrete resultaten opgeleverd, bijvoorbeeld op het gebied van drugsinterceptie, search and rescue en visserijbewaking. De afspraken over de wetgeving dienen evenwel te worden nagekomen. Wellicht kan in het kader van het komende contactplan hierop worden teruggekomen.

De heer Van Oven (PvdA) behoudt zich het recht voor om het verslag van dit algemeen overleg te agenderen voor de plenaire vergadering met het oog op het uitblijven van wetgeving op gebieden waar algemene maatregelen van rijksbestuur van toepassing zijn.

De voorzitter van de commissie,

Rosenmöller

De griffier van de commissie,

De Lange


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), Te Veldhuis (VVD), Ter Veer (D66), Rosenmöller (GroenLinks), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Van Middelkoop (RPF/GPV), Zijlstra (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Van der Hoeven (CDA), Van Oven (PvdA), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), De Graaf (D66), Gortzak (PvdA), Van der Knaap (CDA), Balkenende (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), E. Meijer (VVD), Van Baalen (VVD), De Swart (VVD).

Plv. leden: Balemans (VVD), Oplaat (VVD), Van den Berg (SGP), Van Gent (GroenLinks), Van Vliet (D66) Rouvoet (RPF/GPV), Valk (PvdA), Van de Camp (CDA), Van Wijmen (CDA), Koenders (PvdA), Hillen (CDA), Timmermans (PvdA), Weisglas (VVD), Dittrich (D66), Duivesteijn (PvdA), Stroeken (CDA), Atsma (CDA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), De Cloe (PvdA), Marijnissen (SP), De Boer (PvdA), Van den Doel (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Luchtenveld (VVD), Swildens-Rozendaal (PvdA).

Naar boven