A
ADVIES RAAD VAN STATE EN REACTIE VAN DE INDIENERS
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 23 augustus
2000 en de reactie van de indieners d.d. 11 oktober 2000, aangeboden aan de
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het advies van de Raad
van State is cursief afgedrukt.
Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van
3 juli 2000, heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting van de leden Valk
en Eurlings tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met telefoneren
tijdens het besturen van een motorrijtuig.
Het voorstel geeft de Raad van State aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Met het wetsvoorstel wordt aan de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een
verbod toegevoegd waarin het de bestuurder van een motorrijtuig wordt verboden
«handmatig te telefoneren terwijl hij deelneemt aan het verkeer».
De Raad van State acht het voor de effectiviteit van de voorgestelde verbodsbepaling
gewenst dat nader aandacht wordt besteed aan de formulering van het verbod
en de handhaafbaarheid ervan. Daarnaast plaatst de Raad een kanttekening bij
de reikwijdte van het verbod.
1. Formulering van het verbod
Ingevolge het voorgestelde artikel 10a is het de bestuurder van een motorrijtuig
verboden «handmatig te telefoneren terwijl hij deelneemt aan het verkeer».
De Raad acht het begrip «handmatig telefoneren» niet zonder meer
duidelijk. Niet alleen kan «handsfree» bellen eronder worden gebracht,
omdat ook daarbij enige handmatige activiteit aan te pas komt. Tevens is onduidelijk
of de situatie van het enkele communiceren per telefoon met het apparaat tussen
hoofd en schouder in de gekozen formulering verboden is of het handmatig tot
stand brengen van de telefoonverbinding dan wel uitsluitend de combinatie
van het een met het ander. Bovendien valt onder deelname aan het verkeer ook
de situatie waarin het motorvoertuig stilstaat op de weg, bijvoorbeeld in
een situatie van filevorming. Niet zonder meer valt in te zien waarom handmatig
telefoneren bij stilstand van het motorvoertuig gevaarlijk of hinderlijk voor
het verkeer zou zijn en verboden zou moeten worden. Indien bedoeld is dat
die vormen van mobiel telefoneren in motorrijtuigen worden verboden waarbij
tijdens het rijden het belapparaat door de bestuurder met de hand of ander
lichaamsdeel tegen het hoofd wordt gehouden of zodanig wordt gebruikt dat
slechts één hand beschikbaar is voor het besturen, verdient
het aanbeveling dat de verbodsbepaling wordt gepreciseerd. De Raad wijst er
in dit verband op dat de wijze van formulering van het verbod
gevolgen kan hebben voor de handhaafbaarheid ervan. Voorkomen moet worden
dat de invoering van het verbod alleen reeds door het ontbreken van een adequate
handhaving effect mist.
1. De Raad van State stelt vraagtekens bij de formulering van het verbod.
Het begrip «handmatig telefoneren» acht hij niet duidelijk. Zo
is het onduidelijk of het communiceren waarbij het apparaat geklemd is tussen
hoofd en schouder verboden is en of dat ook geldt voor het handmatig tot stand
brengen van de telefoonverbinding.
De indieners van dit wetsvoorstel zijn van mening dat ook het houden van
de telefoon tussen oor en schouder verboden dient te worden. In feite kan
dit nog gevaarlijker zijn dan het in de hand houden van de telefoon. Immers,
het sturen wordt hierdoor moeilijker, terwijl het ook het blikveld beïnvloedt
Het is niet de bedoeling van de indieners van dit wetsvoorstel om het handmatig
tot stand brengen van de verbinding te verbieden. Dat zou betekenen dat met
uitzondering van voice-dialing alle andere vormen van handsfree telefoneren
worden verboden. Zover willen zij niet gaan.
In ieder geval hebben de bovenvermeldde opmerkingen van de Raad geleid
tot een nota van wijziging.
De Raad vraagt zich af waarom het handmatig telefoneren bij stilstand
van het motorvoertuig gevaarlijk zou zijn. De initiatiefnemers denken dan
met name aan situaties waarin het verkeer op het punt staat weer in beweging
te komen, zoals voor een stoplicht of in een situatie van file waarin het
verkeersbeeld wordt gekenmerkt door rijden en remmen. Toch erkennen wij dat
er tal van situaties denkbaar zijn waarin het telefoneren in een stilstaand
voertuig geen bezwaren voor de veiligheid met zich mee hoeft te brengen. Ook
met het oog op het draagvlak is het bij nader inzien wenselijk om dat onderdeel
van ons wetsvoorstel aan te passen.
2. Reikwijdte
Er wordt niet voorzien in een verbod op het «handmatig telefoneren»
tijdens de deelname aan het verkeer door bestuurders van andere vervoermiddelen
dan motorrijtuigen, zoals fietsers. De beperking in het voorstel van wet zou
vanuit een oogpunt van de verkeersveiligheid dienen te worden toegelicht.
De passage in de memorie van toelichting waarin nadere regelgeving in
het vooruitzicht wordt gesteld indien «andere vormen van communicatie
eveneens een structureel karakter krijgen» zou alleen al omdat zij niet
rechtstreeks op het voorstel betrekking heeft beter achterwege kunnen worden
gelaten.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
De Raad vraagt zich af of de reikwijdte van ons wetsvoorstel zich ook
niet zou moeten uitstrekken tot andere weggebruikers dan bestuurders van motorrijtuigen,
zoals fietsers en wellicht ook wandelaars. De beperking tot motorrijtuigen
is ingegeven door het gegeven dat gezien de snelheid, alsmede gewicht en omvang
daarvan de kans op letsel in die situaties het grootst is.
De opmerking dat de passage in de memorie van toelichting waarin nadere
regelgeving wordt bepleit indien andere vormen van communicatie een structureel
karakter krijgen beter achterwege had kunnen worden gelaten, kunnen zij niet
volgen. Immers, de ontwikkelingen op dat gebied gaan zo snel dat niet uitgesloten
moet worden dat naast dit wetsvoorstel er in de toekomst meer regelgeving
op hetzelfde terrein moet plaatsvinden.