27 100 (R 1654)
Goedkeuring van het op 17 juni 1999 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende het verbod en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (Verdrag nr. 182, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar zevenentachtigste zitting)

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 3 oktober 2000

Inleiding

De regering constateert tot haar genoegen dat de meeste fracties hebben uitgesproken te kunnen instemmen met het voorstel tot goedkeuring van het Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Grote waardering heeft de regering voor het spoedige commentaar van de fracties; de regering heeft dan ook getracht de hierbij door de leden van de fracties gestelde vragen met gepaste spoed te beantwoorden. In de verwachting dat deze vragen met deze nota naar aanleiding van het verslag afdoende worden beantwoord spreekt zij de hoop uit dat de voortvarendheid waarmee de Tweede Kamer de behandeling van voorliggend wetsvoorstel ter hand heeft genomen kan worden gecontinueerd.

VERDRAG

Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd hoe de leeftijdscategorie van 18 jaar in het nieuwe verdrag nr. 182 zich verhoudt met die van 15 jaar in verdrag nr. 138. Ook de leden van de CDA-fractie vragen om een uiteenzetting over hoe het voorliggende verdrag en verdrag nr. 138 zich tot elkaar verhouden.

In antwoord hierop kan gesteld worden dat verdrag nr. 138 als uitgangspunt heeft dat de minimumleeftijd voor toelating tot iedere vorm van arbeid in en buiten dienstverband die door de aard van de arbeid of de omstandigheden waaronder die wordt verricht, de gezondheid, de veiligheid en de zedelijkheid van jeugdige personen in gevaar kan brengen, niet lager mag zijn dan 18 jaar. Hierop maakt het verdrag een uitzondering, maar het verdrag geeft tevens aan dat de kritieke leeftijdsgrens in ieder geval niet lager dan 15 jaar mag zijn. Daarbij moet worden opgemerkt, dat het verdrag ook hier weer – onder nader omschreven voorwaarden – uitzonderingen op geeft.

Verdrag nr. 182 moet gezien worden als een aanvulling op verdrag nr. 138 daar waar het gaat om de ergste vormen van kinderarbeid, zoals slavernij, slavenhandel, kinderprostitutie, vervaardiging van kinderpornografie en het gebruik van kinderen voor de handel in drugs. De noodzaak voor een dergelijk aanvullend verdrag werd in 1996 mede gevonden in het feit dat het algemeen geldend verdrag nr. 138 toen slechts door 49 lidstaten was bekrachtigd. Inmiddels is het aantal bekrachtigingen van verdrag nr. 138 gestegen tot 99 landen (stand per 22 september 2000). Dit in antwoord op de vraag van de leden de CDA-fractie over hoeveel landen verdrag nr. 138 hebben onderschreven. Op de vraag van deze leden hoe het toezicht op de naleving van verdrag nr. 138 is geregeld, kan het volgende antwoord worden gegeven.

Het belangrijkste mechanisme voor het toezicht op de naleving van het verdrag, evenals op de overige verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), wordt gevormd door een rapportageprocedure (daarnaast bestaat er nog een collectieve klachtenprocedure). Bij de bekrachtiging van een verdrag neemt een verdragsstaat automatisch de verplichting op zich om periodiek over de naleving van het verdrag te rapporteren. Over de acht fundamentele arbeids-verdragen – waaronder verdragen nrs. 138 en 182 – moet iedere twee jaar door de regering gerapporteerd worden; over de overige verdragen iedere vijf jaar. In de rapportage dient de stand van zaken gegeven te worden van de wetgeving op het gebied van het verdrag, evenals de uitvoeringspraktijk en problemen die een lidstaat tegenkomt bij de implementatie van de normen. Over de regeringsrapporten worden de sociale partners standaard geconsulteerd. De rapporten worden behandeld in het reeds in 1926 ingestelde Comité van Deskundigen van de ILO, dat bestaat uit een wereldwijd geselecteerde groep van onafhankelijke juristen. De conclusies van het Comité worden ieder jaar vastgelegd in een rapport dat tijdens de Internationale Arbeidsconferentie door een tripartite Commissie inzake de toepassing en naleving van verdragen wordt behandeld. In deze commissie komen díe individuele landen aan de orde waar de ernstigste schendingen van ILO-verdragen plaatsvinden, alhoewel om redenen van een evenredige, geografische spreiding van de aandacht van de ILO ook andere (westerse) landen worden besproken waar de schendingen minder ernstig zijn. De (veelal kritische) conclusies van de tripartite conferentiecommissie worden door de Internationale Arbeids-conferentie plenair aanvaard.

Met betrekking tot de opmerking van de fractieleden van GroenLinks over de signalen die op een grootschalige bekrachtiging van dit verdrag duiden het volgende. De ILO heeft zichzelf tot doel gesteld dat de helft van de lidstaten het verdrag voor eind 2001 bekrachtigen. Een groot aantal lidstaten heeft tijdens bijeenkomsten van de Internationale Arbeidsconferentie en de Raad van Beheer aangegeven tot bekrachtiging over te zullen gaan. De signalen die op grootschalige bekrachtiging van het verdrag duiden zijn dus afkomstig van de lidstaten zelf. Inmiddels heeft de ILO 37 ratificaties dan ook daadwerkelijk geregistreerd (stand per 22 september jl.). De volgende landen hebben het verdrag bekrachtigd: Belize, Botswana, Brazilië, Bulgarije, Canada, Centraal Afrikaanse Republiek, Chili, Denemarken, Ecuador, Finland, Ghana, Hongarije, IJsland, Indonesië, Ierland, Italië, Jemen, Jordanië, Koeweit, Malawi, Mali, Mauritius, Mexico, Papua Nieuw Guinea, Portugal, Qatar, Rwanda, San Marino, Senegal, Seychellen, Slowakije, Togo, Tunesië, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Zwitserland.

De regering betreurt dat de tekst van het verdrag niet was toegevoegd aan het nader rapport. Op het moment dat het nader rapport werd ingediend was de Nederlandse vertaling van het verdrag nog niet gereed, desalniettemin had de authentieke Engelstalige tekst – die het parlement ook reeds werd toegestuurd bij brief van 30 juni 1999 – moeten worden toegevoegd. Inmiddels is echter de Nederlandse vertaling beschikbaar en wordt hierbij bijgevoegd.1

Artikel 2 – Definitie begrip kind

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het verdrag in artikel 2 alleen de personele werkingssfeer van de verdragsbepalingen weergeeft waarin het begrip «kind» wordt gehanteerd. Zij vragen om een toelichting van dit begrip. Ook de leden van de CDA-fractie hebben aangegeven een uiteenzetting te wensen over leeftijdsgrenzen aangezien de leeftijdsgrens die het verdrag hanteert 18 jaar is en in de Nederlandse wetgeving veelal de leeftijdsgrens van 16 jaar wordt gehanteerd. Voorts worden enkele leeftijdsgrenzen naar aanleiding van dit verdrag opgetrokken, terwijl in de Nederlandse wetgeving steeds vaker een leeftijdsgrens van 16 in plaats van 18 jaar wordt gehanteerd.

Het volgende antwoord kan op deze vragen worden gegeven. Voor de toepassing van het verdrag is het begrip «kind» een centraal begrip, het komt immers in meerdere bepalingen van het verdrag voor en wel met name in artikel 3 waarin de reikwijdte van het begrip «ergste vormen van kinderarbeid» wordt vastgesteld. In artikel 2 van het verdrag wordt het begrip «kind» gedefinieerd. Het gaat dan om alle personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Overigens komt deze leeftijdsgrens overeen met die van verdrag nr. 138 (zie hierboven onder «Algemeen»).

Voor de vaststelling of sprake is van de «ergste vormen van kinderarbeid» is de aard van de werkzaamheden die al dan niet door kinderen verricht mogen worden, van doorslaggevend belang. Hierin is de reden gelegen van het optrekken van een aantal leeftijdsgrenzen in het Wetboek van Strafrecht.

Bij de leeftijdsgrenzen die in de Arbeidsomstandighedenwet en het daarop gebaseerde Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) en het Bestrijdingsmiddelenbesluit, de Arbeidstijdenwet (ATW) en de daarop gebaseerde Nadere regeling kinderarbeid worden gehanteerd is aangesloten bij Verdrag nr. 138. Hierboven (zie onder «Algemeen») is reeds toegelicht hoe de leeftijdsgrenzen in dat verdrag zich verhouden tot de leeftijdsgrenzen in het onderhavige verdrag.

Zoals in de memorie van toelichting reeds is aangegeven, is de zojuist genoemde wet- en regelgeving ten aanzien van arbeid door kinderen en jeugdigen zodanig vormgegeven dat werkzaamheden die gevaarlijk zijn voor kinderen of jeugdigen, niet zijn toegestaan. Dus ingeval er sprake is van «gevaarlijk werk», zoals omschreven in artikel 3 van dit Verdrag, zijn deze werkzaamheden niet toegestaan voor personen onder de 18 jaar. In de gevallen waarin een lagere leeftijdsgrens dan 18 jaar wordt gehanteerd, is naar de mening van de regering geen sprake van «de ergste vormen van kinderarbeid» in de zin van dit verdrag en is het optrekken van die leeftijdsgrens niet noodzakelijk.

Artikel 3 – Definitie begrip «ergste vormen van kinderarbeid»

Door de leden van het CDA, de PvdA en GroenLinks wordt aandacht gevraagd voor de leeftijdsgrenzen die worden gehanteerd bij de rekrutering voor de krijgsmacht en de uitzending ten behoeve van vredesoperaties. Zoals in de memorie van toelichting reeds is vermeld beperken de bepalingen van het onderhavige verdrag zich tot een verbod op verplichte rekrutering van personen beneden 18 jaar voor militaire dienst. Dergelijke bepalingen zijn reeds in de Nederlandse wetgeving verankerd en behoeven in dit kader geen verdere toelichting.

De leeftijdsgrens voor vrijwillige indiensttreding bij de krijgsmacht wordt beheerst door het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind dat op 25 mei jl. door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is goedgekeurd. Ondertekening van dat Protocol door de Minister-President heeft op 7 september jongstleden plaatsgevonden. Ter gelegenheid van de goedkeuring van dat protocol zal, in vervolg op de diverse overleggen die reeds met de Kamer over de leeftijd van vrijwillige indiensttreding zijn gevoerd, de regering haar standpunt over de uitvoering van de moties ingediend bij de behandeling van de Defensiebegroting (TK 1999–2000, 26 800 X, nr. 22) en de Defensienota (TK 1999–2000, 26 900, nr. 15) toelichten.

De leden van de PvdA, het CDA en GroenLinks hebben vragen met betrekking tot de termijn waarbinnen de noodzakelijke aanpassing van de strafwetgeving gerealiseerd kan worden en het onderhavige verdrag voor Nederland in werking kan treden.

In de wet van 28 oktober 1999 inzake de opheffing van het algemeen bordeelverbod zijn de uitbating van minderjarige prostituées en het verrichten van seksuele handelingen met een minderjarige prostituée (ook die van 16 en 17 jaar) strafbaar gesteld. Het klachtvereiste ten aanzien van seksuele handelingen met een minderjarige prostituée tussen 12 en 16 jaar komt te vervallen. Deze wet zal op 1 oktober 2000 in werking treden.

Thans ligt voor advies bij een aantal adviesinstanties een wetsvoorstel partiële wijziging zedelijkheidswetgeving. Dit wetsvoorstel bevat onder meer wijzigingen van artikel 240b Wetboek van Strafrecht (Sr.), waaronder het voorstel tot verhoging van de leeftijdsgrens tot 18, en het voorstel tot strafbaarstelling van uitbating van minderjarigen voor pornografische optredens. Dat wetsvoorstel zal naar verwachting aan het eind van 2000 kunnen worden ingediend bij de Tweede Kamer. De behandeling en de goedkeuring van het wetsvoorstel zouden normaliter binnen een jaar gerealiseerd moeten zijn.

Zoals het de leden bekend is, hecht de regering het grootste belang aan een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van het verdrag. Er vanuit gaande dat de parlementaire behandeling van het onderhavige wetsvoorstel met voortvarendheid kan worden afgerond, kan het verdrag naar verwachting begin 2001 worden bekrachtigd en derhalve begin 2002 in werking treden. Aangezien het wetsvoorstel dat voorziet in de voor dit verdrag benodigde wijziging van de zedelijkheidswetgeving naar verwachting eind 2000 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend – en er vanuit gaande dat de parlementaire behandeling daarvan eveneens voortvarend verloopt – mag redelijkerwijs worden aangenomen dat ook deze wijziging van de zedelijkheidswetgeving begin 2002 van kracht wordt.

De leden van de fracties van het CDA en de SGP vragen waarom het voorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht niet tegelijkertijd met de goedkeuring van dit verdrag is voorgelegd aan het parlement. De leden van de SGP-fractie opperen de mogelijkheid om de noodzakelijke wijzigingen uit het pakket te halen en apart met voorrang te behandelen.

Hierop kan worden geantwoord dat het wenselijk is dat legislatieve voorstellen die een bijdrage beogen te leveren aan de strafrechtelijke aanpak van seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen, waaronder commerciële seksuele exploitatie van kinderen, gezamenlijk en in samenhang met elkaar worden gepresenteerd en behandeld. Het zou daarom niet verstandig zijn geweest om in een wetsvoorstel inzake de uitvoering van het onderhavige verdrag artikel 240b Sr op een onderdeel te wijzigen en in een wetsvoorstel partiële wijziging zedelijkheidswetgeving een andere wijziging van dit artikel op te nemen. Evenzo zou het niet verstandig zijn geweest om in specifiek op het Verdrag gerichte uitvoeringswetgeving de strafbaarstelling van uitbating van minderjarigen voor pornografische optredens op te nemen en in een ander wetsvoorstel het voorstel om uitbuiting van andere seksuele dienstverlening dan prostitutie strafbaar te stellen.

Om deze redenen is ervoor gekozen de uitvoeringswetgeving op te nemen in het reeds genoemde wetsvoorstel partiële wijziging zedelijkheidswetgeving.

Door de leden van de CDA-fractie wordt gevraagd nog eens in te gaan op de argumentatie om de leeftijdsgrens in artikel 240b Sr op 16 jaar te leggen. De leden vragen voorts of de aanpassing van het Wetboek van Strafrecht – om het exploiteren van kinderen voor pornografische optredens indien bij het seksuele optreden van het kind niet een ander is betrokken – ook zonder dit verdrag zou hebben plaatsgevonden.

Een specifiek op kinderpornografie gerichte strafbepaling – artikel 240b Sr – heeft in 1986 zijn intrede gedaan. Het was opgenomen – in een laat stadium van de behandeling in de Tweede Kamer – in de wet van 3 juli 1985 tot wijziging van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht en van enige andere bepalingen. In die wet is ook een tweetal bepalingen opgenomen die strekken tot bescherming van personen beneden de leeftijd van 16 jaar tegen schennis van de eerbaarheid en tegen confrontatie van schadelijk beeldmateriaal. De leeftijd van zestien jaar geldt in de zedelijkheidswetgeving als een leeftijd waarbeneden een persoon niet werkelijk in vrijheid kan beslissen over de invulling van zijn of haar seksualiteit en deswege strafrechtelijke bescherming behoeft. Bij de recente wijziging van artikel 240b Sr is deze leeftijdsgrens geen punt van discussie geweest.

Wat de commerciële seksuele exploitatie van kinderen betreft is sedert enige jaren het inzicht gegroeid dat alle minderjarigen specifieke bescherming behoeven. Gewezen kan worden op het huidige artikel 250ter, eerste lid, onderdeel 3° en op de artikelen 248b en 250a, eerste lid, onderdelen 3° en 5°, van de reeds genoemde wet inzake de opheffing van het algemeen bordeelverbod. Deze lijn zal worden voortgezet in het voornoemde wetsvoorstel partiële wijziging zedelijkheidswetgeving.

De leden van de SGP-fractie hebben vragen of de Nederlandse regering artikel 3, onderdeel c, niet te restrictief interpreteert. Zij vragen of de regering van oordeel is dat aanvullende regelgeving noodzakelijk is zodat plegers van illegale activiteiten die daarbij kinderen inzetten, extra zwaar kunnen worden gestraft.

Zoals reeds in het nader rapport is opgemerkt zal in het kader van de behandeling van de uitvoeringswetgeving – dat is de partiële wijziging van de zedelijkheidswetgeving – nader worden ingegaan op dit punt. In het nader rapport heeft de regering tevens als haar voorlopig oordeel naar voren gebracht dat het nodig noch zinvol is om onze strafwetgeving aan te passen. Het gebruik, aanwerven, of aanbieden van kinderen voor illegale activiteiten zal onderdeel uitmaken van reeds strafbaar gesteld gedrag. Daarnaast verdient het in de regel geen aanbeveling om een zo algemene bepaling als de strafbaarstelling van het inzetten van kinderen voor illegale activiteiten in onze strafwetgeving op te nemen.

Strafverzwarende omstandigheden worden in de regel opgenomen in specifieke strafbepalingen en niet in een algemene bepaling.

De regering blijft vooralsnog de voorkeur geven aan een oplossing waarbij de rechter in voorkomend geval rekening kan houden met de bijzondere omstandigheid dat de verdachte bij het plegen van het strafbare feit gebruik heeft gemaakt van kinderen.

De leden van de CDA-fractie stellen in dit verband de vraag of er reeds aanwijzingen in de jurisprudentie zijn te vinden dat de rechter in de straftoemeting rekening houdt met deze bijzondere omstandigheid.

Hierop kan worden geantwoord dat het nader en gericht dossieronderzoek zou vergen om na te gaan in hoeverre de rechter deze specifieke omstandigheid laat meespelen in de straftoemeting en of hij daarbij bepaalde leeftijdsgrenzen hanteert. Het is overigens de vraag of dit onderzoek veel zou opleveren, omdat de straftoemeting uitkomst is van de weging van alle daarvoor relevante feiten en omstandigheden en de motivering ervan in de regel sober pleegt te zijn.

De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom de interpretatie van het begrip «gevaarlijk werk» aan de verdragssluitende landen wordt overgelaten. Het antwoord op deze vraag is tweeledig. Enerzijds bergt het opnemen van een limitatieve opsomming van werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als «gevaarlijk werk» het risico in zich dat er vormen van gevaarlijk werk zullen voorkomen die niet in die opsomming voorkomen en daar ook niet onder te brengen zijn, terwijl die vormen van gevaarlijk werk in het licht van het doel en de strekking van het verdrag wel voor kinderen verboden zouden moeten zijn. Anderzijds zou het neerleggen van de interpretatie in het verdrag zelf een mogelijk beletsel kunnen vormen voor een aantal landen om dit verdrag te bekrachtigen. Dit is onwenselijk in het licht van het streven van de Internationale Arbeidsorganisatie naar een zo breed mogelijke ratificatie van dit verdrag.

De vraag van de leden van de CDA-fractie waarom de sociale partners niet geconsulteerd zijn bij het nader vaststellen van de lijst met werkzaamheden die naar alle waarschijnlijkheid de gezondheid, veiligheid of zeden van minderjarigen schaden en het bepalen waar deze werkzaamheden voorkomen, bevreemdt de regering. Deze lijst is immers in de memorie van toelichting opgenomen, welke in concept ter consultatie aan de sociale partners is voorgelegd. Het is de regering dan ook niet duidelijk waaruit deze leden opmaken dat dit niet zou zijn gebeurd, nu ten aanzien van de consultatie van de sociale partners een aparte paragraaf in de memorie van toelichting is toegevoegd, waarbij ook de reactie van de FNV op artikel 4 is opgenomen.

De leden van de CDA-fractie hebben tevens gevraagd of al bepaald is wanneer de periodieke evaluatie plaatsvindt en of er bijvoorbeeld op grond van de bevindingen van de Arbeidsinspectie overwogen is om strenge normen ten aanzien van 16- en 17-jarigen te stellen.

Binnenkort zal de Arbeidstijdenwet worden geëvalueerd. Daarbij worden ook betrokken de regels in de Arbeidstijdenwet ten aanzien van jeugdige werknemers en de uitzonderingen op het verbod van kinderarbeid zoals die zijn vastgelegd in de Nadere regeling kinderarbeid.

De Arbeidsomstandighedenwet 1998 is per 1 november 1999 in werking getreden. De evaluatie van deze wet en het daarop gebaseerde Arbobesluit is voorzien na 5 jaar na inwerkingtreding van de wet. Vooruitlopend op deze evaluatie vindt met betrekking tot het aspect bestuurlijke boete reeds 1 jaar na inwerkingtreding van de Arbowet een tussenevaluatie plaats.

Hierbij wordt nog opgemerkt dat naast de hiervoor bedoelde evaluatie van de Arbeidstijdenwet en Arbeidsomstandighedenwet door de Arbeidsinspectie regelmatig inspectieprojecten worden uitgevoerd die gericht zijn op het werken door kinderen en jeugdigen, bijvoorbeeld het jaarlijkse vakantiewerkersproject, en de monitor jeugdigen werknemers. Wanneer uit die inspectieprojecten, of vanuit werkgevers- of werknemersorganisaties signalen komen waaruit zou blijken dat de wetgeving onvoldoende duidelijkheid biedt, wordt dit nader onderzocht. Zonodig zal de wet- en regelgeving worden aangepast.

De in 1998 door de Arbeidsinspectie uitgevoerde monitor «Jeugdige werknemers» heeft niet geleid tot dergelijke aanpassing van de wet- en regelgeving. Deze als eerste meting naar de effecten van nieuwe regelgeving bedoelde monitor zal naar aanleiding van de bevindingen van de Arbeidsinspectie worden gevolgd door een tweede meting, maar dan in het kader van een handhavingsproject. De uitkomsten van de monitor vormden geen aanleiding strengere normen te stellen, maar wel om de omstandigheden waaronder kinderen en jeugdigen werken te blijven volgen en de handhaving van de bestaande normen te intensiveren.

Ook vragen deze leden of de opsomming in de memorie van toelichting vooraf is gegaan aan een nadere analyse van de huidige leeftijdsgrenzen.

Zoals reeds in de memorie van toelichting is aangegeven, is de lijst van werkzaamheden vormgegeven door middel van verwijzing naar de bepalingen in de wet- en regelgeving. Dit heeft tot gevolg dat tevens onverkort wordt vastgehouden aan in de weten regelgeving te onderscheiden leeftijdscategorieën.

De leden van de D66-fractie vroegen wat de regering van plan is om verborgen vormen van kinderarbeid, zoals gedwongen tewerkstelling van meisjes in de huishouding te voorkomen.

Hierop kan geantwoord worden dat de leerplichtambtenaren van de gemeenten toezien op het naleven van de leerplicht, waarbij allochtone meisjes een bijzonder aandachtspunt vormen. Zij ondernemen ook actie bij het constateren van ontduiking van de leerplicht. Wanneer het vermoeden bestaat dat er sprake is van overtreding van het verbod op kinderarbeid of de nadere regels die in de Nadere regeling kinderarbeid zijn vastgelegd dan wordt een signaal aan de Arbeidsinspectie afgeven. De Arbeidsinspectie treedt naar aanleiding hiervan op conform het staande handhavingsbeleid.

In dit kader kan eveneens vermeld worden dat Nederland op korte termijn waarschijnlijk zal beslissen mededonor te worden aan een gecombineerd IPEC/UNICEF/Wereldbank-programma ter bestrijding van kinderarbeid in huishoudens. Een zestal overheden in ontwikkelingslanden zal worden geholpen met het opzetten en uitvoeren van een actieplan om kinderarbeid in huishoudens uit te bannen.

Artikel 4 – Voor de gezondheid, veiligheid of zeden schadelijk werk

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd in hoeverre de trend van in omvang groeiende bijbanen de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van jongeren belemmert. Komt hierdoor hun scholing niet in de knel, zo vragen zij. Genoemde leden hebben gevraagd of er ook voldoende controle wordt uitgevoerd op de soorten bijbanen die jongeren hebben en of de Arbeidsinspectie is toegerust om de stijging van het aantal en omvang van bijbanen van minderjarigen adequaat te inspecteren.

Hierop kan geantwoord worden dat bijbanen, buiten schooltijd, niet uitsluitend negatieve gevolgen voor kinderen en jeugdigen behoeven te hebben. Het kan ook vormingselementen bevatten. De jongere kan wat ervaring opdoen, men heeft sociale contacten en kijkt niet wereldvreemd meer aan tegen de arbeidsmarkt. Bij de in de Arbeidstijdenwet opgenomen uitzonderingen op het verbod van kinderarbeid geldt het algemene uitgangspunt dat kinderen geen gevaar mogen lopen voor hun veiligheid, gezondheid en ontwikkeling en dat zij niet onder schooltijd werken. Verder zijn de uitzonderingen zodanig vormgegeven dat kinderen alleen arbeid kunnen verrichten die bij hun leeftijd past en waarbij eveneens de werkduur en werktijd zijn aangepast.

Over de groei en de effecten van bijbanen van scholieren is op 22 september 2000 het rapport «Bijbaantjes van scholieren» van het Nationaal Instituut voor budgetvoorlichting (NIBUD) naar de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid gestuurd. Wat betreft het effect van bijbanen kan uit deze publikatie de conclusie worden getrokken dat bijbanen niet slecht hoeven te zijn voor scholieren mits er niet teveel tijd aan wordt besteed en de wettelijke kaders in acht worden genomen. De Arbeidsinspectie kent een hoge prioriteit toe aan het toezicht op de naleving van de Arbeidstijden- en Arbeidsomstandighedenregelgeving tegenover jongeren.

Ten aanzien van de toerusting van de Arbeidsinspectie wat betreft de naleving van de Arbeidstijdenwet bij een stijging van het aantal en de omvang van bijbanen kan geantwoord worden dat de Arbeidsinspectie, zoals reeds uiteengezet in de memorie van toelichting, regelmatig inspectieprojecten uitvoert gericht op het werken door kinderen en jeugdigen. Met name deze inspectieprojecten van de Arbeidsinspectie zullen informatie (blijven) opleveren over de naleving van de regelgeving. Op dit moment zijn er geen indicaties dat de naleving van de regelgeving ernstige problemen oplevert. De regering is dan ook van mening dat de Arbeidsinspectie voldoende is toegerust om bijbanen van minderjarigen adequaat te inspecteren.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben de regering om een overzicht gevraagd van de naleving van de Arbeidstijdenwet in de land- en tuinbouwsector.

Bij de handhaving van wet- en regelgeving met betrekking tot kinderarbeid is de sector land- en tuinbouw weliswaar één van de aandachtsgebieden, maar niet bij uitstek. Ook andere sectoren krijgen nadrukkelijk de aandacht. Genoemd kunnen worden: de horeca, detailhandel en de recreatie. Het overzicht dat hieronder is opgenomen en betrekking heeft op alle sectoren geeft aan het aantal overtredingen waarvoor door de Arbeidsinspectie een proces-verbaal is opgemaakt, c.q. een waarschuwing is gegeven. Het jaar 2000 betreft de eerste 5 maanden.

Proces-verbaal19961997199819992000totaal
16/17-jarigen521231252
T/m 15 jarigen4828807127
Waarschuwing19961997199819992000totaal
16/17-jarigen9618012159330
T/m 15 jarigen58326540633792

De resultaten van de verschillende jaren laten zich niet goed vergelijken vanwege de toegenomen handhavingsactiviteiten ten aanzien van de regels die gelden voor arbeid door kinderen en jeugdigen en het strengere handhavingsbeleid.

De overtredingen hebben betrekking op het verrichten van werk door kinderen dat zij gezien hun leeftijd niet mogen verrichten, overtreding van het absolute verbod van kinderarbeid (<13-jarigen), overtreding – zowel bij kinderen als jeugdigen – op het terrein van werk- en rusttijden en overtredingen bij arbeid door jeugdigen van de jeugdigenbepalingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Een raming van de capaciteit die de Arbeidsinspectie heeft voor de handhavende taken op het terrein van arbeid door kinderen en jeugdigen is – gezien het feit dat de inspecteurs van de Arbeidsinspectie meerdere taken op het terrein van arbeidsomstandigheden en werk- en rusttijden hebben – niet te geven. Jaarlijks zijn in het kader van het project arbeid door kinderen en jeugdigen bij vakantiewerk tijdens de zomermaanden circa 100 inspecteurs actief gedurende gemiddeld een tweetal weken, maar tevens gaat tijdens andere projecten van de Arbeidsinspectie door het gehele jaar heen ook de aandacht uit naar arbeid door kinderen en jeugdigen. Ook in het kader van klachtbehandeling wordt capaciteit ingezet.

De laatste vijf jaren heeft de Arbeidsinspectie op het terrein van handhaving van wet- en regelgeving inzake arbeid door kinderen en jeugdigen de volgende inspectieprojecten uitgevoerd: 1996: Regionaal Project vakantiewerk in Rijnmond, Zeeland en Zuidwest-Brabant;

1997: Landelijk project vakantiewerk;

1998: Landelijk project vakantiewerk;

1999: Landelijk project vakantiewerk;

2000: Landelijk project vakantiewerk.

Voorts werden de volgende monitorprojecten uitgevoerd, waarvan arbeid door kinderen en jeugdigen onderdeel uitmaakte en waarbij in voorkomende gevallen handhavend werd opgetreden:

1997: ATW-monitor;

1998: ATW-monitor;

1999: ATW-monitor;

1998: Monitor Arbeid door Jeugdigen (Arbobesluit).

Artikel 6 – Actieprogramma's

De leden van GroenLinks en de PvdA vragen op welke termijn het actieprogramma gereed zal zijn. De leden van de fractie van de PvdA vragen om verduidelijking van de termijn waarbinnen Nederland een dergelijk actieprogramma zal opstellen en welke ideeën de regering heeft over de invulling daarvan, met daaraan verbonden een concreet tijdspad. Zij achten de hoofdpunten van het actieprogramma, zoals in de bijlage geformuleerd nog erg summier. Ook de leden van de fractie van GroenLinks vragen op welke termijn het actieprogramma gereed is en of dit in een afzonderlijke nota naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, zodat het bijvoorbeeld in een algemeen overleg nader kan worden besproken.

Zoals de regering reeds heeft aangegeven in de memorie van toelichting vereist het verdrag niet dat de verdragsstaat het actieprogramma op het moment van bekrachtiging reeds heeft vastgesteld. Het is de wens van de regering zelf echter geweest om het actieprogramma zo spoedig mogelijk vast te stellen, omdat – zoals ook de Raad van State heeft aangegeven – de verplichting tot opstelling van het actieprogramma de voor Nederland belangrijkste verplichting in het verdrag is. Naar de mening van de regering behoeft evenwel de verdere voortgang van de behandeling van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag niet te wachten op finalisering van het definitieve actieprogramma. Vanzelfsprekend zal dit actieprogramma zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Het concept van het actieprogramma is op dit moment bijna gereed – nog een klein aantal punten moeten verder worden ingevuld. De regering wil het concept vervolgens – conform artikel 6 van het verdrag – ter consultatie aan de relevante overheidsinstellingen, werknemers- en werkgeversorganisaties, alsmede andere betrokken groepen voorleggen. Daarna zal het actieprogramma worden voltooid en aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Leden van de PvdA-fractie vragen of een actieprogramma ook het beïnvloeden van externe relaties zoals bijvoorbeeld bilaterale relaties met ontwikkelingslanden omvat. Deze leden vragen voorts of bij het vaststellen van de inhoud van het actieprogramma behalve nationale organisaties ook internationale organisaties worden betrokken.

Met name in die ontwikkelingslanden waar vanuit de Nederlandse ambassade activiteiten gericht op bestrijding van kinderarbeid worden gefinancierd komt het onderwerp kinderarbeid in de bilaterale relatie tussen de regering van dat land en de ambassade aan de orde.

ILO en UNICEF zijn nauw betrokken bij de inhoud van het actieprogramma middels beleidsdialoog en middels financiering van programma's van deze organisaties. Zo draagt Nederland bij aan initiatieven ten behoeve van de bekrachtiging van verdrag nr. 182 in ontwikkelingslanden, en aan activiteiten van ILO en UNICEF die tot doel hebben werkende kinderen te onttrekken aan de ergste vormen van kinderarbeid en hen alternatieven te verschaffen. Tevens wordt financieel bijgedragen aan activiteiten van enkele internationale ngo's.

Artikel 7 – Uitvoering en sanctionering

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre kinderen die illegaal in Nederland verblijven, beschermd worden tegen de ergste vormen van kinderarbeid en exploitatie.

Bij tewerkstelling van kinderen van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen is zowel de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) als de Arbeidstijdenwet van toepassing.

In artikel 2, eerste lid, van de Wav is bepaald dat het een werkgever is verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Het werkgeversbegrip in de Wav is zodanig ruim van strekking dat in het geval de Arbeidsinspectie constateert dat kinderen illegaal worden tewerkgesteld zowel tegen de ouders als tegen de thuiswerkorganisatie een proces-verbaal wordt opgemaakt. Wat betreft de bepalingen in de Arbeidstijdenwet is het voorgaande bij de tewerkstelling van kinderen in hoofdlijnen van toepassing. Hierbij dient het volgende in aanmerking te worden genomen. In de regel worden alle inspecties naar de naleving van de bepalingen in de Wav uitgevoerd door de Arbeidsinspectie en de Vreemdelingenpolitie. Als de Arbeidsinspectie constateert dat de ouders en/of thuiswerkorganisatie de bepalingen in de Wav en de Arbeidstijdenwet overtreden, dan zal de facto geen vervolging van de ouders plaatsvinden indien de Vreemdelingendienst – hetgeen in de regel het geval is – tot uitzetting van de vreemdeling overgaat.

Deze uitzetting laat evenwel onverlet dat de thuiswerkorganisatie kan worden vervolgd door het Openbaar Ministerie. Gelet op het besloten karakter van het thuiswerkcircuit is het buitengewoon moeilijk de precieze omvang van het probleem in kaart te brengen.

De leden van de PvdA-fractie geven aan een nadere omschrijving van de risicogroepen dringend noodzakelijk te vinden. Naar de mening van de regering vallen onder de risicogroep met name kinderen uit achterstandswijken die qua sociaal-economische status achterblijven, dus bijvoorbeeld kinderen uit gezinnen met een andere etnische achtergrond en autochtone kinderen met laag opgeleide ouders.

De leden van de fractie van de PvdA vinden voorts dat op het punt van vroegtijdige signalering en samenwerking tussen verschillende instanties zoals consultatiebureaus, GGD's, schoolartsen, onderwijs en sociaal-cultureel werk onvoldoende concrete afspraken gemaakt zijn. Zij zien graag een nadere uitwerking van zowel de onderlinge afspraken over signalering en samenwerking tussen de (lokale) instanties en het ministerie van VWS. Zij vragen wie er gaat toezien op het nakomen van dergelijke afspraken.

Hierop kan worden geantwoord dat het van groot belang is dat achterstanden zo vroeg mogelijk worden gesignaleerd. Consultatiebureaus kunnen daar een belangrijke rol in spelen. Daarom zal het rijk structureel extra middelen beschikbaar stellen om deze rol van consultatiebureaus te kunnen versterken.

Voor een effectieve signalering en samenwerking is lokaal een sluitend netwerk van de betrokken instanties vereist. Het realiseren van die samenwerking op lokaal niveau is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Belangrijk is dat gemeenten hun regierol daarin actief oppakken. In de BANS-visie op jeugdbeleid zijn door rijk, provincies en gemeenten afspraken gemaakt over een gezamenlijk jeugdbeleid; daarbij is ook ieders verantwoordelijkheid vastgelegd. Vroegsignalering en samenwerking met andere partijen die zorg-/hulp- en dienstverleningsactiviteiten voor de jeugd verstrekken vormen voorts onderdeel van de productgroepen van het basistakenpakket voor de jeugdgezondheidszorg. De productgroepen zullen wettelijk worden verankerd in de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid.

De ontwikkelingen in het lokaal jeugdbeleid, ook op het punt van de regie en de samenhang, worden periodiek gemonitord via het SCP-onderzoek Lokaal jeugdbeleid.

De leden van de PvdA-fractie vragen verder op welke wijze Nederland rekening wil houden met de specifieke positie van meisjes, afgezien van de speciale aandacht voor vrouwelijke alleenstaande minderjarige asielzoekers. Zij vragen of er naar de mening van de regering andere groepen meisjes zijn die speciale aandacht verdienen.

Behoudens de groep van allochtone meisjes waarop door leerplichtambtenaren in het bijzonder toezicht wordt gehouden (zie het antwoord op de vraag van de D66-fractie omtrent de gedwongen tewerkstelling van meisjes in de huishouding bij artikel 3), meent de regering deze vraag negatief te moeten beantwoorden. Anders dan in het verleden, is geen sprake meer van een afzonderlijk beleid gericht op meisjes. Dit betekent voor het beleid dat gericht is op het voorkomen en uitbannen van de ergste vormen van kinderarbeid, dat het beleid gericht op meisjes daarin is geïntegreerd.

Artikel 8 – Internationale samenwerking of bijstand

De leden van de PvdA-fractie vragen op wie en op wat de programma's in ontwikkelingslanden van ILO/IPEC speciaal gericht zijn. Zij willen voorts weten aan welke landen in het kader van structurele bilaterale hulp actieve steun gegeven wordt bij het bestrijden van kinderarbeid. Verder vragen zij wat de regering bedoelt met de zinsnede dat «de bepaling is in te passen in het landenbeleid voor de structurele bilaterale hulp» en of ook daadwerkelijk wordt ingepast.

Het grootste deel van het budget voor kinderarbeid van 10 miljoen gulden jaarlijks voor de periode 1999 t/m 2002 wordt op dit moment besteed aan programma's van het International Programme for the Elimination of Child Labour (ILO/IPEC). Nederland draagt bij aan het opzetten van een ILO-datasysteem over kinderarbeid (het Statistical Information and Monitoring Programme on Child Labour, SIMPOC). Via het ILO/IPEC programma worden de 17 + 4 structurele bilaterale hulplanden gesteund bij de bekrachtiging en uitvoering van verdrag nr. 182.

De door Nederland gefinancierde ILO/IPEC programma's zijn voorts gericht op kinderen in de urbane informele sector in Bangladesh, op kinderen in schuldslavernij in India en Bangladesh middels het opzetten van spaarsystemen en microfinanciering op huishoudniveau, op bevordering van betere en meer banen voor vrouwen onder voorwaarden dat deze leiden tot vermindering van kinderarbeid in Tanzania en Bangladesh en op voorkoming dan wel verbetering van omstandigheden van werkende kinderen in Senegal. Nederland overweegt mededonor te worden aan een gecombineerd IPEC/UNICEF/Wereldbank-programma ter bestrijding van kinderarbeid, met name jonge meisjes, in huishoudens. Overheden in onder meer Tanzania, Jemen, Bangladesh en Nicaragua worden geholpen met het opzetten en uitvoeren van een actieplan om kinderarbeid in huishoudens uit te bannen.

In het kader van de structurele bilaterale hulp wordt het bovengenoemde ILO-project gericht op kinderen in de urbane informele sector in Bangladesh gesteund, terwijl in Vietnam de ambassade overweegt ondersteuning te geven aan de ontwikkeling van een nationale strategie gericht op preventie en vermindering van kinderarbeid.

De zinsnede dat «de bepaling is in te passen in het landenbeleid voor de structurele bilaterale hulp» betekent dat de Nederlandse hulp in de betreffende landen is gericht op armoedebestrijding en sociaal economische ontwikkeling in het algemeen. Ongeveer de helft van de landen die bilaterale structurele hulp ontvangt heeft verzocht om steun voor de sector onderwijs.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke concrete hulp wordt gegeven aan nieuwe toetreders tot de Europese Unie bij het bestrijden van kinderarbeid. In verband met signalen die erop zouden wijzen dat kinderarbeid in Midden- en Oost-Europa toeneemt, horen deze leden graag van de regering of, en zo ja hoe, zij bereid is zich actief in te zetten bij het bestrijden van kinderarbeid, mede in relatie tot de uitbreiding van de Europese Unie.

Vooralsnog is in het proces van toetreding tot de Europese Unie nog niet uitvoering gesproken over het probleem van kinderarbeid in de kandidaatlidstaten. Dit punt verdient zeker aandacht. Een onderzoek uit 1994 toonde bijvoorbeeld aan dat 32,4% van de kinderen van 6–14 jaar in Turkije «enige vorm van economische activiteit of werkzaamheden thuis verricht». Middels SIMPOC tracht de ILO inzicht te krijgen in mate en vorm waarin kinderarbeid voorkomt in een aantal Europese landen.

De mogelijkheid bestaat projecten ter bestrijding van kinderarbeid te steunen in het kader van de pre-accessieprogramma's van de Europese Commissie en het Matra programma. Drie kandidaatlidstaten (Bulgarije, Slowakije en Hongarije) hebben verdrag nr. 182 inmiddels bekrachtigd. Tien van de dertien kandidaat-lidstaten van de Europese Unie zijn partij bij verdrag nr. 138 (niet: Estland, Letland en Tsjechië).

AANBEVELING

De leden van de fractie van de SP vragen op welke punten de aanbevelingen verder gaan dan het verdrag en of de Nederlandse wet- en regelgeving aan die aanbevelingen reeds voldoet. Voorts vragen zij welke aanbevelingen niet reeds worden opgevolgd in de Nederlandse wetgeving.

Allereerst wil de regering er nogmaals op wijzen dat aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie juridisch niet bindend zijn en niet verplichten tot wettelijke maatregelen. Bij de beleidsontwikkeling wordt doorgaans met de geest en de strekking van aanbevelingen rekening gehouden, zonder dat zulks behoeft te betekenen dat de suggesties letterlijk worden overgenomen. Aanbevelingen fungeren derhalve als een leidraad voor het verdere beleid. Gesteld kan worden dat de Arbeidstijdenwet voldoet aan de geest en de strekking van de aanbeveling. Immers, arbeid door kinderen tot de leeftijd van 16 jaar is in beginsel verboden en daarmee ook «de ergste vormen van kinderarbeid» in de zin van het verdrag. Voor de uitzonderingen op dit verbod geldt het algemene uitgangspunt dat de werkzaamheden die kinderen mogen verrichten geen gevaar voor hun veiligheid, gezondheid en ontwikkeling vormen en dat zij niet onder schooltijd werken. De uitzonderingen zijn zodanig vormgegeven dat kinderen alleen arbeid mogen verrichten die bij hun leeftijd past en waarbij eveneens de werkduur en werktijd zijn aangepast. Altijd geldt dat waar een persoon jonger dan 18 jaar in het kader van de Arbeidstijdenwet toegestane arbeid verricht, die persoon een jeugdige werknemer is in de zin van de Arbowet en het Arbobesluit en dus naast de bepalingen uit de Arbeidstijdenwet ook de bepalingen uit de Arbowet en de specifieke jeugdbepalingen uit het Arbobesluit onverkort van toepassing zijn.

Naast de algemene bepalingen uit de Arbowet zoals de algemene zorg voor veilig en gezond werken, de verplichting tot het maken van een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en de verplichting tot het geven van voorlichting en onderricht, kent het Arbobesluit een aantal absolute verboden ten aanzien van werkzaamheden door personen onder de 18 jaar. Voorts mogen bepaalde werkzaamheden waaraan een verhoogd risico is verbonden door 16- en 17-jarigen uitsluitend onder deskundig toezicht worden verricht. Wanneer deskundig toezicht niet zodanig kan worden georganiseerd dat gevaren worden voorkomen, dan mogen deze werkzaamheden niet worden verricht door deze werknemers. Deze werkzaamheden zijn voor personen onder de 16 jaar sowieso verboden. In het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie zijn in het Arbobesluit specifieke aandachtspunten opgenomen voor werkgevers die permanent of incidenteel jeugdigen in dienst hebben.

Zowel de werkgever als de ouders, voogden of verzorgers van het kind moeten zorgdragen voor de naleving van de Arbeidstijdenwet dan wel de nadere regels met betrekking tot de uitzonderingen. Niet-naleving van de Arbeidstijdenwet of van de op grond van deze wet gestelde nadere regels ten aanzien van kinderarbeid levert een strafbaar feit op grond van de Wet Economische Delicten op. Dit houdt in, dat de werkgever en ouders, voogden of verzorgers, bestraft kunnen worden met hechtenis en een geldboete of een van beide straffen. De Arbeidsinspectie is belast met het toezicht en de handhaving van de Arbeidstijdenwet. Inspecteurs van de Arbeidsinspectie krijgen in het kader van hun functieuitoefening scholing en training op bedoeld gebied. De Arbeidsinspectie zorgt ook voor voorlichting aan de hand van voorlichtingsmateriaal dat ook in het Engels is vertaald. Voorts wordt bij de uitvoering van projecten in het kader van arbeid door kinderen en jeugdigen publiciteit gegenereerd via radio, tv en kranten. Ook is ten behoeve lessen op scholen een lespakket samengesteld en in grote getale verspreid.

CONSULTATIE SOCIALE PARTNERS

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de reacties van de RCO, het CNV en de MHP naar aanleiding van de consultatie inzake de concept-memorie van toelichting bij het onderhavige verdrag. De regering kan hierop antwoorden dat van de bij de RCO aangesloten organisaties alleen het VNO-NCW heeft gereageerd en dat het CNV en MHP geen reactie hebben gegeven op de concept-memorie van toelichting.

Ter beantwoording van de vraag van deze leden naar de inhoudelijke opmerkingen van de FNV waarop de regering niet uitdrukkelijk is ingegaan, maar waaraan wel zoveel mogelijk tegemoet is gekomen, verwijst de regering naar de als bijlage meegezonden brief van de FNV. De desbetreffende opmerkingen staan vermeld bij de punten 1, 2, 4 en 9 van de brief van de FNV; ook aan het in punt 7 gestelde is tegemoet gekomen (op de punten 5, 8, 10 en 11 is wel uitdrukkelijk ingegaan).

Van de zijde van VNO-NCW is één redactionele opmerking gemaakt en is tevens gevraagd om iets explicieter in te gaan op de opmerking van de regering ten aanzien van artikel 3, onderdeel b, dat het onderhavige verdrag niet kan worden bekrachtigd vóórdat vaststaat dat de bij dit onderdeel beschreven wetswijziging van kracht is op het moment dat het verdrag voor Nederland in werking zal treden.

Overig

De regering begrijpt de vraag van de leden van de CDA-fractie aldus, dat zij willen weten hoe Nederland zich zal inzetten ominternationaal bekrachtiging en naleving van het verdrag te bevorderen.

Zoals hierboven met betrekking tot artikel 8 is aangegeven, draagt Nederland bij aan het ILO/IPEC-programma ter ondersteuning van ontwikkelingslanden bij de bekrachtiging en uitvoering van het onderhavige verdrag. Tevens ondersteunt Nederland de internationale niet-goevernementele «Global March against Child Labour» die mede gericht is op bewustwording en lobby om verdrag nr. 182 te ratificeren.

In aanvulling op de informatie die is verschaft met betrekking tot artikel 8, financiert Nederland ook een aantal programma's bij UNICEF en (inter)nationale ngo's gericht op de bestrijding van kinderarbeid. Voor nadere informatie verwijst de regering naar het uitgewerkte actieprogramma dat zij de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk hoopt toe te zenden.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts hoe het in het algemeen gesteld is met de ratificatie door Nederland van ILO conventies. Hierop kan worden geantwoord dat Nederland in totaal 99 van de inmiddels 183 verdragen van de ILO heeft bekrachtigd. Aan 77 hiervan is Nederland nog gebonden. Dit verschil van 22 verdragen vloeit voort uit het feit dat een aantal van de bekrachtigde verdragen in de plaats is getreden van reeds eerder bekrachtigde verdragen (15), bekrachtiging anderszins gepaard is gegaan met opzegging van een ouder verdrag (1), verdragen zijn opgezegd zonder bekrachtiging van een al dan niet bestaand herzienend verdrag (5) of nooit in werking is getreden (1).

Wat betreft specifiek de verdragen betreffende deeltijdwerk (nr. 175) en thuiswerk (nr. 177) kan worden vermeld dat de Raad van State inmiddels een advies heeft uitgebracht ten aanzien van het voorstel tot goedkeuring van verdrag nr. 175; het ligt in het streven van de regering dit verdrag nog voor het einde van het jaar ter stilzwijgende goedkeuring aan het parlement aan te bieden. Getracht zal worden om ook binnen afzienbare termijn verdrag nr. 177 aan de Raad van State voor advies aan te bieden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen tot slot of het feitelijk niet de bedoeling van het verdrag is om een verbod van kinderarbeid expliciet in de wet op te nemen.

In antwoord hierop kan gesteld worden dat de doelstelling van het verdrag is om onverwijld doeltreffende maatregelen te nemen via een verbod en de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Daarbij is het niet noodzakelijk dat er één verbod van kinderarbeid wordt geregeld. De in artikel 3 van het verdrag genoemde ergste vormen van kinderarbeid zijn (of worden) voortvloeiend uit onze rechtsorde in verschillende wet- en regelgeving opgenomen.

Daar waar het gaat om werkzaamheden die gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van kinderen en jeugdigen zijn de regels ter zake gesteld in de Arbeidstijdenwet en de daarop gebaseerde Nadere regeling Kinderarbeid, de Arbeidsomstandighedenwet en het daarop gebaseerde Arbeidsomstandighedenbesluit en de Bestrijdingsmiddelenbesluit. Deze wet- en regelgeving is zodanig vorm gegeven dat werkzaamheden die gevaarlijk zijn voor kinderen of jeugdigen niet zijn toegestaan.

Daar waar het gaat om zaken als kinderprostitutie en -pornografie ligt voor de hand verbodsbepalingen via het Wetboek van Strafrecht te regelen. Voor zover het Wetboek van Strafrecht (nog) niet in overeenstemming is met verdrag nr. 182 zal het Wetboek, zoals reeds in de toelichting is aangegeven, worden aangepast.

In verband met de vraag van de leden van GroenLinks over actieprogramma wordt verwezen naar artikel 6.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

D. A. Benschop

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven