27 030
Wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en de Natuurschoonwet 1928

nr. 4
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 19 april 2000

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

Het opschrift wordt vervangen door:

Wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Natuurschoonwet 1928, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering

II

De considerans wordt vervangen door:

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje- Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen ter bestrijding van oneigenlijk gebruik met betrekking tot de overdrachtsbelasting, de Natuurschoonwet 1928 en de werkingssfeer van de Natuurschoonwet 1928 te verruimen met het oog op de fiscale stimulering van natuurbeheer en dat het voorts wenselijk is de regeling in de loonbelasting en de vennootschapsbelasting inzake werknemersopties aan te passen en in de loonbelasting een regeling te treffen voor verlof en verlofsparen en tevens voor de werknemersverzekeringen een regeling te treffen voor verlof overeenkomstig die voor de loonbelasting;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

III

Na artikel VI wordt ingevoegd:

ARTIKEL VIa

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 10 wordt na het tweede lid ingevoegd:

3. Onder aanspraken worden mede verstaan rechten op geheel of gedeeltelijk betaald verlof.

B. Het eerste lid van artikel 10a wordt, onder vernummering van het tweede tot en met het vijfde lid tot onderscheidenlijk het vijfde tot en met het achtste lid, vervangen door:

1. Naar keuze van de werknemer met wie in het kader van de dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking een aandelenoptierecht is overeengekomen, wordt de verwachtingswaarde van een aandelenoptierecht niet als loon in aanmerking genomen. De verwachtingswaarde van het aandelenoptierecht is het verschil tussen de waarde van het aandelenoptierecht en de intrinsieke waarde. De intrinsieke waarde van een aandelenoptierecht is het verschil tussen de waarde van het aandeel waarop het aandelenoptierecht betrekking heeft en de prijs waartegen het aandelenoptierecht kan worden uitgeoefend.

2. Het eerste lid vindt slechts toepassing indien de inspecteur schriftelijk door de werknemer en de inhoudingsplichtige gezamenlijk uiterlijk op het eerst mogelijke tijdstip waarop het aandelenoptierecht als loon kan worden genoten van de keuze van de werknemer op de hoogte is gesteld. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.

3. Ingeval in het kader van de dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met de werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort mede tot het loon hetgeen door hem wordt genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht boven hetgeen in verband met dat recht reeds als loon in aanmerking is genomen, ingeval:

a. de uitoefening of vervreemding geschiedt binnen drie jaren na het overeenkomen van dat recht;

b. de verwachtingswaarde van het recht met toepassing van het eerste lid niet als loon in aanmerking is genomen.

4. Onder vervreemding wordt mede begrepen het formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid worden, het brengen in het vermogen van een onderneming, alsmede het ontvangen van een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 334p, eerste lid, of artikel 320, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De overgang onder algemene titel van een aandelenoptierecht wordt niet als een vervreemding aangemerkt.

C. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

In onderdeel i wordt na het onderdeel onder 4° ingevoegd:

5°. als bijdragen ingevolge een regeling voor verlofsparen;.

Voorts wordt na onderdeel w, onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, toegevoegd:

x. aanspraken:

1°. op vakantieverlof en compensatieverlof, voorzover deze aanspraken aan het einde van het kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van vijftig weken;

2°. op bij ministeriële regeling aan te wijzen geclausuleerd verlof;

3°. op verlof tijdens rust- en feestdagen;

4°. ingevolge een regeling voor verlofsparen.

2. Na het elfde lid wordt, onder vernummering van het twaalfde lid tot het zestiende lid, ingevoegd:

12. Onder regeling voor verlofsparen wordt verstaan een regeling die:

a. ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld of tijd uitsluitend voor een periode van extra verlof dat niet kan worden opgenomen binnen een jaar voorafgaand aan de ingang van een ouderdomspensioen of van een voorziening voor vervroegde uittreding;

b. inhoudt dat verlofsparen kan plaatsvinden door middel van sparen in geld of tijd, voorzover in het kalenderjaar niet meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 10 percent van het loon van het jaar en voorzover de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar gespaarde aanspraken een periode van extra verlof van een jaar niet te boven gaan;

c. open staat voor ten minste driekwart van de werknemers van de inhoudingsplichtige.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

13. Indien op enig tijdstip:

a. een regeling voor verlofsparen niet langer als zodanig is aan te merken, of

b. een aanspraak ingevolge een regeling voor verlofsparen wordt afgekocht of vervreemd, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak ingevolge de regeling voor verlofsparen aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak.

14. Het dertiende lid is niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een regeling voor verlofsparen wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIA gestelde begrenzingen.

15. Voorzover de aanspraken op vakantieverlof en compensatieverlof en de aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen aan het einde van het kalenderjaar in totaal de in het eerste lid, onderdeel x, onder 1°, en de in het twaalfde lid, onderdeel b, opgenomen begrenzingen overschrijden, wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.

D. Artikel 13, tweede lid, laatste volzin, wordt vervangen door: Met betrekking tot de waardering van de verwachtingswaarde, de intrinsieke waarde en de waarde van niet ter beurze genoteerde aandelenoptierechten worden bij ministeriële regeling regels gesteld.

E. Aan artikel 13a, tweede lid, wordt toegevoegd:

Voor de beoordeling of het loon voor een meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, wordt mede in aanmerking genomen hetgeen reeds op grond van een regeling voor verlofsparen in de toekomst zal worden genoten.

F. In artikel 31, achtste lid, wordt «artikel 10a, derde lid» vervangen door: artikel 10a, zesde lid.

G. Voor artikel 36 wordt in hoofdstuk VIII een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 35

1. Met betrekking tot op 31 december 2000 bestaande rechten op vakantieverlof en compensatieverlof is artikel 10, derde lid en artikel 11, eerste lid, onderdeel x, onder 1°, niet van toepassing.

2. Met betrekking tot op 31 mei 2000 reeds overeengekomen regelingen voor verlofsparen zijn tot 1 januari 2006 de regels die daarvoor golden op 31 mei 2000 van kracht.

ARTIKEL VIb

Artikel 9 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel i, wordt «artikel 10a, vierde lid» vervangen door: artikel 10a, zevende lid.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel i, komt in aftrek het bedrag dat bij de werknemer ter zake van die toekenning als loon in aanmerking wordt of zou kunnen worden genomen of is vrijgesteld ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting 1964 op het eerst mogelijke tijdstip waarop dit loon voor de loonbelasting kan worden genoten of is vrijgesteld, daaronder niet begrepen het bedrag dat in aanmerking wordt genomen op grond van artikel 10a, derde lid, van die wet.

ARTIKEL VIc

De Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Onder aanspraken worden mede verstaan rechten op geheel of gedeeltelijk betaald verlof.

B. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel bb door een puntkomma, wordt aan het eerste lid een onderdeel toegevoegd, luidende:

cc. aanspraken:

1°. op vakantieverlof en compensatieverlof, voorzover deze aanspraken aan het einde van het kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van vijftig weken;

2°. op bij ministeriële regeling aan te wijzen geclausuleerd verlof;

3°. op verlof tijdens rust- en feestdagen.

2. Onder vernummering van het twaalfde lid tot dertiende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

12. Voorzover de aanspraken op vakantieverlof en compensatieverlof aan het einde van het kalenderjaar in totaal de in het eerste lid, onderdeel cc, onder 1°, opgenomen begrenzing overschrijden, wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.

3. In het tot dertiende lid vernummerde lid wordt de tweede zin vervangen door: De bedragen, genoemd in de derde kolom van de in het elfde lid opgenomen tabel, worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de overeenkomstige bedragen die bij het begin van het jaar krachtens artikel 11, zestiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden vastgesteld ter vervanging van de bedragen, opgenomen in de derde kolom van de in het elfde lid van dat artikel opgenomen tabel.

C. Na artikel 18e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18f

Met betrekking tot op 31 december 2000 bestaande rechten op vakantieverlof en compensatieverlof zijn artikel 4, derde lid, en artikel 6, eerste lid, onderdeel cc, onder 1°, niet van toepassing.

IV

Aan ARTIKEL VII wordt toegevoegd:

6. Indien deze wet in werking treedt op een tijdstip na 1 juni 2000, worden de in artikel VIa, onderdeel G, in artikel 35, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, genoemde data van 31 mei 2000 gewijzigd in de datum onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Toelichting

Met deze nota van wijziging wordt bewerkstelligd dat de in het wets-voorstel inzake maatregelen aangaande het loon 2000 (Kamerstukken II 1999–2000, 26 941), opgenomen aanpassingen van het fiscale regime voor aandelenopties, het daarin voorgestelde fiscale regime voor verlof en verlofsparen en de daarmee corresponderende regeling voor verlof voor de werknemersverzekeringen worden ingebracht in dit voorstel van wet. Ingevolge de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel inzake maatregelen aangaande het loon 2000 zijn de desbetreffende bepalingen in dat wetsvoorstel vervallen. Voor de eerdere parlementaire stukken inzake de bij deze nota van wijziging ingevoegde bepalingen (zoals het advies van de Raad van State, het nader rapport, de toelichting op deze maatregelen, alsmede het verslag en de nota naar aanleiding van het verslag) verwijs ik derhalve naar Kamerstukken II 1999–2000, 26 941. De overbrenging van de voorstellen inzake aandelenopties en verlofsparen naar het onderhavige wetsvoorstel vindt plaats om de in het wetsvoorstel inzake maatregelen aangaande het loon 2000 resterende maatregelen voor buitenlandse sporters, met het oog op het EK voetbal 2000, geen ongewenste vertraging te laten oplopen waardoor de op 1 juni a.s. beoogde inwerkingtreding van deze maatregelen waarschijnlijk niet gehaald zou worden.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos

Naar boven