27 022
Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met het vergroten van de effectiviteit van de uitvoering en de verbetering van de handhaving van die wet

nr. 10
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 26 mei 2000

Hierbij informeer ik uw kamer over een aantal zaken die verband houden met de plenaire behandeling op 24 mei 2000 van de wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met het vergroten van de effectiviteit van de uitvoering en de verbetering van de handhaving van die wet (wetsvoorstel 27 022).

Allereerst dien ik bijgaand de toegezegde nota van wijziging in. Deze nota van wijziging regelt de zogeheten voorhangprocedure bij het parlement in het geval een algemene maatregel van bestuur tot stand wordt gebracht of gewijzigd betreffende arbeid voor asielzoekers.

Dan ben ik uw kamer een eindoordeel verschuldigd over het amendement op stuk nummer 6 (amendement van het lid Van der Staaij).

De leden van de SGP-fractie hebben in het verslag erop gewezen, dat ingeval voor tewerkstelling van een vreemdeling een tijdelijke vergunning is verleend, het mogelijk is dat na expiratie van de geldigheidsduur van die vergunning een collega-onderneming een tewerkstellingsvergunning aanvraagt voor diezelfde vreemdeling. Bij een sector waar prioriteit-genietend aanbod schaars is heeft Arbeidsvoorziening weinig mogelijkheden om die vergunning te weigeren, zodat de situatie kan ontstaan dat de vreemdeling na 3 jaar alsnog structureel tot de Nederlandse arbeidsmarkt wordt toegelaten en de aantekening «arbeid is vrij toegestaan» op zijn/haar verblijfsvergunning verkrijgt. Deze leden gaven aan dit een ongewenste situatie te vinden.

In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik ter zake toegelicht dat het wijzigingsvoorstel erop is gericht om (malafide) werkgevers de simpele truc te ontnemen om structurele arbeidsplaatsen bij de aanvraag voor tewerkstellingsvergunningen ten onrechte te doen voorkomen als tijdelijke arbeidsplaatsen en aldus voor zich zelf de mogelijkheid te creëren om vreemdelingen een aanzienlijk langere tijd dan de wettelijke proeftijd «op proef» te kunnen houden. Bekijkt men de zaak van de kant van de werknemer, dan is het inderdaad mogelijk dat een andere werkgever voor diezelfde werknemer weer een tewerkstellingsvergunning aanvraagt, waardoor die werknemer zijn legale tewerkstelling in Nederland kan voortzetten. Als die werknemer aldus gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar de beschikking houdt over een voor het verrichten van arbeid geldige vergunning tot verblijf en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland vestigt, verkrijgt die vreemdeling (overeen-komstig artikel 4, tweede lid, onder b, van de Wav) de aantekening «arbeid is vrij toegestaan» op zijn verblijfsdocument. In tegenstelling tot de leden van de SGP-fractie acht ik dit uitdrukkelijk door de wetgever beoogde gevolg (in het algemeen) geen ongewenste situatie.

Het vorenstaande gaat uit van de bonafide werknemer. Anders wordt het, zoals ik ook tijdens de plenaire behandeling heb aangegeven, wanneer er sprake zou zijn van «een opzetje» tussen werkgevers en werknemer gericht op het verkrijgen van vrije toegang op de arbeidsmarkt van de vreemdeling/werknemer. In een dergelijk geval ben ik met de leden van de SGP-fractie van mening dat ook hier vermeden moet worden, dat tijdelijke toegang wordt omgezet in structurele toegang.

Het amendement van de SGP-fractie kan hier een nuttige bijdrage aan leveren. Het facultatieve karakter van de bepaling brengt met zich mee dat de onderhavige bepaling bij uitstek kan worden toegepast in de hiervoor omschreven situatie waarin arbeidsvoorziening kan aantonen dat er sprake is van kwade trouw van zowel de werkgever als de werknemer. Ik kan dan ook met het amendement instemmen.

Vervolgens heb ik mevrouw Verburg in verband met haar motie op stuk nummer 9 toegezegd nog te zullen bezien of bij het voorzien in een garantie voor kost, onderhoud enz. door een kerkgenootschap de toets op inkomenscriteria achterwege kan blijven.

Probleem hierbij is, ik heb dat tijdens de plenaire behandeling reeds aangegeven, dat ik geen inbreuk wil maken op het algemene systeem van de wet1. Dit geldt ook als genoegen zou worden genomen met een garantie dat in het geheel geen beroep zal worden gedaan op de sociale zekerheid en de Algemene bijstandswet en de organisatie (werkgever) zal zorgen voor kost, onderhoud, enzovoort. Niet valt in te zien waarom dit criterium alleen zou moeten gelden voor geestelijken die de arbeidsmarkt willen betreden en niet tevens voor iedere andere vreemdeling die naar Nederland komt en door zijn werkgever wordt voorzien van een garantie dat geen beroep zal worden gedaan op de sociale zekerheid e.d. Ik wil deze motie dan ook ontraden.

Tenslotte heb ik aan de heer Kamp toegezegd nog voor de stemmingen te bekijken of Arbvo gegevens beschikbaar heeft over de toepassing van de weigeringsgronden in de Wet arbeid vreemdelingen.

Gegevens daarover zijn opgenomen in bijgevoegde tabellen, afkomstig uit het Jaarverslag over de uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen 1999 van de Arbeidsvoorzienings-organisatie, dat uw Kamer op 23 mei jl. is toegezonden2. In dit verband wijs ik erop dat ingeval zich geen imperatieve weigeringsgronden voordoen, Arbeidsvoorziening altijd toetst of zich wellicht een of meer facultatieve weigeringsgronden voordoen. Hierbij kan in een bijzonder geval waarin zwaarwegende belangen van de werkgever en/of vreemdeling aanwezig zijn, besloten worden een facultatieve weigeringsgrond niet tegen te werpen (bijvoorbeeld de leeftijdscriteria).

Voor de aanvang van het EK voetbal 2000 zal ik u nog informeren over de inzet van politie bij de controle op de Wet arbeid vreemdelingen. Heden heb ik hierover wederom contact opgenomen met mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tenslotte kan ik u mededelen dat ik u zo spoedig mogelijk nader zal informeren over de leeftijdsgrens van 45 jaar in het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit van de Wet arbeid vreemdelingen.

Het merendeel van de overige bespreekpunten zal onderdeel kunnen vormen van het nadere debat over de concept-amvb. Voorzover dat niet het geval is, zal ik u bij gelegenheid afzonderlijk informeren.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend


XNoot
1

Zo wordt bijvoorbeeld (ook) bij beroepssporters altijd op inkomen getoetst.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlemen-taire Documentatie.

Naar boven