26 956 Beleidsnota Rampenbestrijding

Nr. 102 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 april 2011

In het debat dat op 13 januari jl. (Handelingen II 2010/11, nr. 39, item 7, blz. 21–60) in deze Kamer is gevoerd naar aanleiding van de brand bij het bedrijf Chemie-Pack in Moerdijk op 5 januari 2011 is onder meer gesproken over mogelijke vervolgmaatregelen indien mensen gezondheidsgevolgen zouden ondervinden van de brand.

De gezondheidsklachten zijn onder regie van de betrokken GGD’en in beeld gebracht door het registreren van meldingen van bezorgdheid en gezondheidsklachten, het uitzetten van screeningsvragenlijsten, het opzetten van een callcenter en het inrichten van een Actiecentrum Bedrijfsgezondheidszorg.

Inmiddels is de analyse van de meldingen en screeningsvragenlijsten afgerond. Graag deel ik de uitkomsten met u. Het blijkt dat de gezondheidseffecten van de brand meevallen. In de bijlage bij deze brief treft u de rapportage aan die door de GGD’en van West-Brabant, Zuid-Holland Zuid en Brabant/Zeeland hierover is opgesteld.1 Hieronder geef ik enkele hoofdpunten uit de rapportage weer.

De mensen die in aanraking geweest zouden kunnen zijn met stoffen die bij de brand vrijkwamen zijn onderscheiden in drie groepen betrokkenen:

  • 1. Hulpverleners.

  • 2. Werknemers bedrijventerrein Moerdijk.

  • 3. Burgers uit het effectgebied ten noorden en noordoosten van Moerdijk.

Van hen heeft zich een beperkt aantal mensen met gezondheidsklachten en zorgen gemeld bij een huisarts, GGD of arbodienst. De screeningsvragenlijst is door 618 mensen ingevuld: 257 hulpverleners, 174 werknemers en 70 burgers en 89 overigen (o.a. voorbijganger/bezoeker).

De meldingen hadden betrekking op klachten, vooral irritatie van de bovenste luchtwegen, hoofdpijn en misselijkheid, en bezorgdheid. Op het moment van invullen van de vragenlijsten (één tot 12 weken na de brand) waren de klachten bij de omwonenden grotendeels weg.

Geconstateerd wordt dat nog wel nog zorg nodig is voor hulpverleners en werknemers op het industrieterrein. Ten tijde van het invullen van de vragenlijst maakten 139 personen uit deze twee groepen melding van klachten. De aard van deze klachten was vooral lichamelijk, maar er zijn ook meer negatieve gevoelens als zenuwachtigheid en somberheid gemeld.

In het rapport wordt ten aanzien van de groep hulpverleners en werknemers het volgende geadviseerd:

Hulpverleners:

Het (herhaald) inademen van grote hoeveelheden rook door hulpverleners kan leiden tot grotere overgevoeligheid en meer luchtwegklachten op langere termijn, daarom is het advies om de hulpverleners actief te blijven monitoren. De Veiligheidsregio’s hebben vanuit hun verantwoordelijkheid voor de hulpverleners actie ondernomen om de hulpverleners die bij het invullen van de vragenlijst aangaven dat ze nog last hadden van gezondheidsklachten, te volgen.

Werknemers:

Omdat werknemers ook bovengenoemde gevolgen zouden kunnen ondervinden van het inademen van grote hoeveelheden rook, wordt voor hen eveneens aanbevolen dat werknemers die bij het invullen van de vragenlijst aangaven dat ze nog last hadden van gezondheidsklachten het beste nogmaals benaderd kunnen worden door de arbodienst van hun werkgever. Zo kan worden nagegaan of de klachten nog steeds aanwezig zijn. De werknemers bij wie dit het geval is, moeten gedurende een langere periode medisch gevolgd worden, vooral als er sprake is van luchtwegklachten door de brand.

Zoals ik eerder heb gemeld zou op grond van dit onderzoek beslist worden of er vervolgstappen nodig zijn. Naar nu blijkt is het zinvol om hulpverleners en werknemers op het bedrijventerrein door de arbodienst van hun werkgever langere tijd te laten volgen. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant zal de arbodiensten hierover informeren. Ik heb er alle vertrouwen in dat zij accuraat met deze informatie uit de Veiligheidsregio omgaan en deze taak zorgvuldig zullen uitvoeren.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. I. Schippers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven